Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:6393
2026-05-27
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12186061 VV EXPL 26-212
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Huur, ontruiming wegens hennepkwekerij, kort geding, verstek
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.101 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12186061 VV EXPL 26-212
datum uitspraak: 27 mei 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. L.F. Birnie,
tegen
[gedaagde]
,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
gedaagde,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 24 april 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 20 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting met mr. L.F. Birnie besproken. [gedaagde] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.
2De beoordeling
Waar gaat het om?
2.1.
[gedaagde] huurt van [eiseres] een woning met bijbehorende berging en parkeerplaats. De maandelijkse huur bedraagt € 1.725,- Op 11 februari 2026 heeft de Gemeente Rotterdam aan [eiseres] medegedeeld dat op 10 februari 2026 een hennepkwekerij in de woning is aangetroffen. Daarnaast heeft [gedaagde] de huur van maart en april 2026 niet betaald. Volgens [eiseres] schiet [gedaagde] tekort in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en gedraagt hij zich niet als een goed huurder. [eiseres] heeft [gedaagde] bij brief van 19 februari 2026 voorgesteld de huur met wederzijds goedvinden per 28 februari 2026 te beëindigen, maar [gedaagde] heeft daarop niet gereageerd. Daarom eist [eiseres] in dit kort geding dat [gedaagde] wordt veroordeeld het gehuurde te ontruimen, de huurachterstand te betalen en tot aan de maand waarin ontruimd wordt de maandelijkse huur te betalen.
De eisen van [eiseres] worden (grotendeels) toegewezen
2.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv). Uit de stellingen van [eiseres] volgt dat deze spoed aanwezig is.
2.3.
Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden en dat [gedaagde] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen. [eiseres] heeft namelijk voldoende aannemelijk gemaakt dat op 10 februari 2026 een grote, professionele hennepkwekerij in de woning is ontdekt en ontmanteld, dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft maar deze, in strijd met de in de huurovereenkomst opgenomen bestemming, op bedrijfsmatige wijze gebruikt én dat hij daarnaast een huurachterstand heeft laten ontstaan. Daarmee schiet hij ernstig tekort in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en gedraagt hij zich niet als goed huurder. Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure vooruit te lopen op de beslissing in de bodemprocedure en [gedaagde] te veroordelen het gehuurde te ontruimen.
2.4.
De vorderingen met betrekking tot ontruiming van het gehuurde, de betaling van de huurachterstand en de huur tot aan de ontruiming komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor (artikel 139 Rv) en worden toegewezen zoals hierna vermeld.
2.5.
De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op een week nadat dit vonnis is betekend. Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] de huur van € 1.725,- per maand betalen. [eiseres] eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.6.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 170,17 aan dagvaardingskosten, € 529,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.420,17. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard , omdat [eiseres] dat eist (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen een week na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] , de bijbehorende berging met nummer [nummer] en de parkeerplaats aangeduid als [aanduiding] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 3.450,- aan achterstallige huur over de maanden maart en april 2026;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 mei 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt € 1.725,- per maand te betalen aan [eiseres] ;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.420,17;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken.
44487
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12186061 VV EXPL 26-212
datum uitspraak: 27 mei 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. L.F. Birnie,
tegen
[gedaagde]
,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
gedaagde,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 24 april 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 20 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting met mr. L.F. Birnie besproken. [gedaagde] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.
2De beoordeling
Waar gaat het om?
2.1.
[gedaagde] huurt van [eiseres] een woning met bijbehorende berging en parkeerplaats. De maandelijkse huur bedraagt € 1.725,- Op 11 februari 2026 heeft de Gemeente Rotterdam aan [eiseres] medegedeeld dat op 10 februari 2026 een hennepkwekerij in de woning is aangetroffen. Daarnaast heeft [gedaagde] de huur van maart en april 2026 niet betaald. Volgens [eiseres] schiet [gedaagde] tekort in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en gedraagt hij zich niet als een goed huurder. [eiseres] heeft [gedaagde] bij brief van 19 februari 2026 voorgesteld de huur met wederzijds goedvinden per 28 februari 2026 te beëindigen, maar [gedaagde] heeft daarop niet gereageerd. Daarom eist [eiseres] in dit kort geding dat [gedaagde] wordt veroordeeld het gehuurde te ontruimen, de huurachterstand te betalen en tot aan de maand waarin ontruimd wordt de maandelijkse huur te betalen.
De eisen van [eiseres] worden (grotendeels) toegewezen
2.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv). Uit de stellingen van [eiseres] volgt dat deze spoed aanwezig is.
2.3.
Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden en dat [gedaagde] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen. [eiseres] heeft namelijk voldoende aannemelijk gemaakt dat op 10 februari 2026 een grote, professionele hennepkwekerij in de woning is ontdekt en ontmanteld, dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft maar deze, in strijd met de in de huurovereenkomst opgenomen bestemming, op bedrijfsmatige wijze gebruikt én dat hij daarnaast een huurachterstand heeft laten ontstaan. Daarmee schiet hij ernstig tekort in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en gedraagt hij zich niet als goed huurder. Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure vooruit te lopen op de beslissing in de bodemprocedure en [gedaagde] te veroordelen het gehuurde te ontruimen.
2.4.
De vorderingen met betrekking tot ontruiming van het gehuurde, de betaling van de huurachterstand en de huur tot aan de ontruiming komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor (artikel 139 Rv) en worden toegewezen zoals hierna vermeld.
2.5.
De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op een week nadat dit vonnis is betekend. Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] de huur van € 1.725,- per maand betalen. [eiseres] eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.6.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 170,17 aan dagvaardingskosten, € 529,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.420,17. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard , omdat [eiseres] dat eist (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen een week na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] , de bijbehorende berging met nummer [nummer] en de parkeerplaats aangeduid als [aanduiding] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 3.450,- aan achterstallige huur over de maanden maart en april 2026;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 mei 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt € 1.725,- per maand te betalen aan [eiseres] ;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.420,17;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken.
44487