Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:6342
2026-05-27
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/10/719274 / KG ZA 26-438
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
KG. Partijen hebben een relatie gehad. De vrouw vordert dat de man de huurwoning verlaat. Omdat de huurwoning alleen op naam staat van de vrouw en een belangenafweging uitvalt in het voordeel van de vrouw, wordt de vordering toegewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.807 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/719274 / KG ZA 26-438
Vonnis in kort geding van 27 mei 2026
in de zaak van
[plaats]
,
wonend in [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam,
tegen
[gedaagde]
,
wonend in [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
verschenen in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 mei 2026;
- de 11 producties van de vrouw;
- de 9 (ongenummerde) producties van de man;- de mondelinge behandeling op 19 mei 2026.
1.2.
Voorafgaand aan de zitting heeft de man de voorzieningenrechter verzocht om de mondelinge behandeling aan te houden en om bij verschillende instanties stukken op te vragen en die aan het procesdossier toe te voegen. De voorzieningenrechter heeft het uitstelverzoek afgewezen en meegedeeld dat het verzoek ten aanzien van het opvragen van stukken ter zitting zal worden besproken.
1.3.
Ter zitting is het verzoek van de man om bepaalde stukken op te vragen, besproken. Daarnaast heeft de vrouw verklaard dat zij een schriftelijke reactie in het geding wenst te brengen. De voorzieningenrechter heeft daarop aan partijen meegedeeld dat de schriftelijke reactie vooralsnog niet hoeft te worden overgelegd en dat hij ofwel binnen twee weken vonnis zal wijzen ofwel, indien hij zich onvoldoende geïnformeerd acht om een beslissing te nemen, meer informatie zal opvragen.
2De feiten
2.1.
Partijen hadden sinds 2016 een affectieve relatie. Uit die relatie zijn twee (thans nog minderjarige) kinderen geboren. De man heeft de kinderen erkend, maar de vrouw heeft het eenhoofdig gezag over de kinderen.
2.2.
De vrouw huurt met ingang van 29 mei 2017 de woning gelegen aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning).
2.3.
Op 12 november 2025 heeft tussen partijen een escalatie plaatsgevonden, waarbij de politie ter plaatse kwam. Naar aanleiding van dat incident heeft de vrouw, samen met de kinderen, de woning verlaten. Sindsdien verblijft alleen de man in de woning.
2.4.
De politie heeft van het incident een melding gemaakt bij Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond (hierna: Veilig Thuis). Veilig Thuis heeft de zaak daarna overgedragen aan het wijkteam, waarna hulpverlening via Mevis in gang is gezet.
2.5.
De vrouw heeft de man verzocht de woning te verlaten. De man weigert dat te doen.
3Het geschil
3.1.
De vrouw vordert – samengevat weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te veroordelen om de woning binnen 24 uur na betekening van het vonnis te verlaten en in goede staat achter te laten, met medeneming van zijn eigendommen, deze woning niet meer te betreden en ter beschikking van de vrouw te stellen, met afgifte van alle sleutels van de woning met eventuele bijgebouwen aan de vrouw;
II. de vrouw te machtigen om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen indien de man in gebreke blijft aan de onder I uit te spreken veroordeling te voldoen;
III. de man te veroordelen om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag dat de man niet aan de onder I en II uit te spreken veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 15.000,- is bereikt;
IV. voor zover vereist te bepalen dat het gebruiksrecht van de woning alleen aan de vrouw toekomt, met uitsluiting van de man, totdat in een bodemprocedure is beslist;
V. althans een beslissing te nemen die de voorzieningenrechter juist acht;
VI. kosten rechtens.
3.2.
De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw.
4De beoordeling
4.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat de vrouw daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorzieningen worden verleend, hangt ook af van een afweging van de belangen van partijen.
4.2.
De voorzieningenrechter acht zich voldoende geïnformeerd om vonnis te wijzen en ziet geen reden om partijen in de gelegenheid te stellen de door hen benoemde stukken in het geding te brengen of om zelf stukken op te vragen. De man wenst te beschikken over het volledige dossier van partijen bij bepaalde instanties, waaronder Veilig Thuis en Mevis, om aan te kunnen tonen dat hij, anders dan de vrouw stelt, geen onveilige situatie creëert voor de vrouw en de kinderen. In dit kader wenst hij ook dat de vrouw appberichten overlegt. Zoals hierna zal blijken, is dat voor de beoordeling in deze zaak echter niet van belang. Hetzelfde geldt voor de schriftelijke reactie die de vrouw over wil leggen.
4.3.
Met ingang van 1 mei 2026 verblijft de vrouw met de kinderen in een hotel. Dit betreft een tijdelijke noodvoorziening die de gemeente op verzoek van Mevis heeft aangeboden, in afwachting van het treffen van rechtsmaatregelen door de vrouw om naar de woning terug te kunnen keren. Daarmee is het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vorderingen voldoende gegeven.
4.4.
Niet in geschil is dat de huurovereenkomst met betrekking tot de woning alleen op naam staat van de vrouw. Partijen hebben nimmer een verzoek ingediend bij de verhuurder om ermee in te stemmen dat de man medehuurder wordt of een procedure ingesteld zoals bedoeld in artikel 7:267 BW om de man aan te merken als medehuurder. De huidige situatie is dus dat de man geen medehuurder is en derhalve zonder recht of titel in de woning verblijft. De stelling van de man dat hij feitelijk al twee jaar in de woning woont en met de vrouw een gemeenschappelijke huishouding voert – voor zover dat juist is, want de vrouw betwist dat – maakt dat niet anders. Dat brengt in beginsel met zich dat de vrouw het recht heeft om in de woning te verblijven en dat de man verplicht is om de woning te verlaten.
4.5.
De man heeft gesteld dat partijen op een gegeven moment hadden besloten om te gaan samenwonen en in dat kader afspraken hadden gemaakt, waaronder de afspraak dat zij gezamenlijk bij de verhuurder het medehuurderschap van de man zouden aanvragen. Die afspraak is echter door de vrouw betwist en door de man niet onderbouwd. Bovendien, ook al zou die afspraak zijn gemaakt, dan neemt dat niet weg dat de vrouw het recht heeft om de relatie te beëindigen en niet langer met de man samen te willen wonen.
4.6.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter begrijpt dat de man er veel belang bij heeft om in de woning te mogen blijven, omdat hij naar eigen zeggen niet op korte termijn alternatieve woonruimte kan vinden. Aan de andere kant geldt dat de vrouw in hetzelfde schuitje zit. Daarbij speelt een belangrijke rol dat de vrouw het eenhoofdig gezag en de feitelijke zorg over de kinderen heeft. Het belang van de minderjarige kinderen om terug te kunnen keren naar hun vaste en vertrouwde omgeving speelt ook een rol bij de belangenafweging.
Bij de belangenafweging speelt geen rol hoe de relatie tussen partijen is geweest. Het is de voorzieningenrechter duidelijk dat partijen hier een fundamenteel andere kijk op hebben. Ook als zou worden aangenomen dat de visie van de man geheel of grotendeels juist zou zijn en dat – ondanks wat de vrouw hierover stelt – geen sprake was of is van een onveilige situatie voor de vrouw en de kinderen, dan heeft dat niet tot gevolg dat de man er recht op heeft om in de woning te blijven of dat hij daar meer belang bij heeft dan de vrouw en de kinderen. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen reden voor het opvragen van stukken bij instanties, het geven van een opdracht aan de vrouw om appberichten over te leggen of het bieden van de gelegenheid tot het geven van een nadere schriftelijke reactie door de vrouw.
Een belangenafweging valt daarom uit in het voordeel van de vrouw.
4.7.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van de vrouw worden toegewezen op de hierna volgende wijze.
4.8.
Na een nadere toelichting ter zitting door partijen begrijpt de voorzieningenrechter dat de woning geen bijgebouwen heeft. In de woning is wel een ruimte die met een sleutel kan worden afgesloten. De vrouw wenst afgifte van de sleutels van de woning en dus ook van de sleutels van deze ruimte.
4.9.
Dit betekent dat de man wordt veroordeeld om de woning te verlaten en in goede staat achter te laten, met medeneming van (alleen) zijn eigendommen, met afgifte aan de vrouw van alle sleutels van de woning inclusief de sleutels van de afsluitbare ruimte in de woning, en de woning niet meer te betreden.
De gevorderde ontruimingstermijn van 24 uur wordt afgewezen. Bij een gedwongen ontruiming geldt minimaal een termijn van drie dagen na het bevel daartoe van de deurwaarder (artikel 555 lid 1 Rv). De voorzieningenrechter bepaalt de ontruimingstermijn in redelijkheid op 7 dagen na de betekening van dit vonnis.
4.10.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van politie en justitie wordt afgewezen, omdat zij overbodig is. De wet geeft aan de deurwaarder immers de bevoegdheid om een gedwongen (gehele of gedeeltelijke) ontruiming uit te voeren (artikel 556 lid 1 en artikel 557 in combinatie met artikel 444 Rv), waarbij de deurwaarder de hulp van politie en justitie kan inroepen.
4.11.
Gelet op de weigerachtige houding van de man ziet de voorzieningenrechter aanleiding om, als extra prikkel om aan de veroordeling tot (gedeeltelijke) ontruiming te voldoen en te blijven voldoen, een dwangsom op te leggen. De dwangsom wordt vastgesteld op € 100,- voor iedere dag of dagdeel dat de man niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt.
4.12.
De vrouw heeft verklaard dat zij vordering IV heeft ingesteld voor het geval de voorzieningenrechter van oordeel is dat sprake is van een gezamenlijk gebruiksrecht. Die situatie is gelet op 4.4 niet aan de orde, zodat vordering IV niet hoeft te worden behandeld. De voorzieningenrechter begrijpt dat ook vordering V subsidiair is bedoeld en ziet overigens ook geen aanleiding voor het nemen van een dergelijke beslissing.
4.13.
Gelet op de relatie die partijen met elkaar hebben gehad worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De vrouw heeft ter zitting gesteld dat zij met vordering VI niet iets anders heeft beoogd.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt de man om, binnen 7 dagen na de betekening van dit vonnis, de woning gelegen aan de [adres] in [plaats] te verlaten en in goede staat achter te laten, met medeneming van zijn eigendommen, met afgifte aan de vrouw van alle sleutels van de woning inclusief de sleutels van de afsluitbare ruimte in de woning, en de woning niet meer te betreden;
5.2.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de man niet aan de veroordeling in 5.1 voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
2091/3194
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/719274 / KG ZA 26-438
Vonnis in kort geding van 27 mei 2026
in de zaak van
[plaats]
,
wonend in [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam,
tegen
[gedaagde]
,
wonend in [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
verschenen in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 mei 2026;
- de 11 producties van de vrouw;
- de 9 (ongenummerde) producties van de man;- de mondelinge behandeling op 19 mei 2026.
1.2.
Voorafgaand aan de zitting heeft de man de voorzieningenrechter verzocht om de mondelinge behandeling aan te houden en om bij verschillende instanties stukken op te vragen en die aan het procesdossier toe te voegen. De voorzieningenrechter heeft het uitstelverzoek afgewezen en meegedeeld dat het verzoek ten aanzien van het opvragen van stukken ter zitting zal worden besproken.
1.3.
Ter zitting is het verzoek van de man om bepaalde stukken op te vragen, besproken. Daarnaast heeft de vrouw verklaard dat zij een schriftelijke reactie in het geding wenst te brengen. De voorzieningenrechter heeft daarop aan partijen meegedeeld dat de schriftelijke reactie vooralsnog niet hoeft te worden overgelegd en dat hij ofwel binnen twee weken vonnis zal wijzen ofwel, indien hij zich onvoldoende geïnformeerd acht om een beslissing te nemen, meer informatie zal opvragen.
2De feiten
2.1.
Partijen hadden sinds 2016 een affectieve relatie. Uit die relatie zijn twee (thans nog minderjarige) kinderen geboren. De man heeft de kinderen erkend, maar de vrouw heeft het eenhoofdig gezag over de kinderen.
2.2.
De vrouw huurt met ingang van 29 mei 2017 de woning gelegen aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning).
2.3.
Op 12 november 2025 heeft tussen partijen een escalatie plaatsgevonden, waarbij de politie ter plaatse kwam. Naar aanleiding van dat incident heeft de vrouw, samen met de kinderen, de woning verlaten. Sindsdien verblijft alleen de man in de woning.
2.4.
De politie heeft van het incident een melding gemaakt bij Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond (hierna: Veilig Thuis). Veilig Thuis heeft de zaak daarna overgedragen aan het wijkteam, waarna hulpverlening via Mevis in gang is gezet.
2.5.
De vrouw heeft de man verzocht de woning te verlaten. De man weigert dat te doen.
3Het geschil
3.1.
De vrouw vordert – samengevat weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man te veroordelen om de woning binnen 24 uur na betekening van het vonnis te verlaten en in goede staat achter te laten, met medeneming van zijn eigendommen, deze woning niet meer te betreden en ter beschikking van de vrouw te stellen, met afgifte van alle sleutels van de woning met eventuele bijgebouwen aan de vrouw;
II. de vrouw te machtigen om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen indien de man in gebreke blijft aan de onder I uit te spreken veroordeling te voldoen;
III. de man te veroordelen om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag dat de man niet aan de onder I en II uit te spreken veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 15.000,- is bereikt;
IV. voor zover vereist te bepalen dat het gebruiksrecht van de woning alleen aan de vrouw toekomt, met uitsluiting van de man, totdat in een bodemprocedure is beslist;
V. althans een beslissing te nemen die de voorzieningenrechter juist acht;
VI. kosten rechtens.
3.2.
De man concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw.
4De beoordeling
4.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat de vrouw daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorzieningen worden verleend, hangt ook af van een afweging van de belangen van partijen.
4.2.
De voorzieningenrechter acht zich voldoende geïnformeerd om vonnis te wijzen en ziet geen reden om partijen in de gelegenheid te stellen de door hen benoemde stukken in het geding te brengen of om zelf stukken op te vragen. De man wenst te beschikken over het volledige dossier van partijen bij bepaalde instanties, waaronder Veilig Thuis en Mevis, om aan te kunnen tonen dat hij, anders dan de vrouw stelt, geen onveilige situatie creëert voor de vrouw en de kinderen. In dit kader wenst hij ook dat de vrouw appberichten overlegt. Zoals hierna zal blijken, is dat voor de beoordeling in deze zaak echter niet van belang. Hetzelfde geldt voor de schriftelijke reactie die de vrouw over wil leggen.
4.3.
Met ingang van 1 mei 2026 verblijft de vrouw met de kinderen in een hotel. Dit betreft een tijdelijke noodvoorziening die de gemeente op verzoek van Mevis heeft aangeboden, in afwachting van het treffen van rechtsmaatregelen door de vrouw om naar de woning terug te kunnen keren. Daarmee is het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vorderingen voldoende gegeven.
4.4.
Niet in geschil is dat de huurovereenkomst met betrekking tot de woning alleen op naam staat van de vrouw. Partijen hebben nimmer een verzoek ingediend bij de verhuurder om ermee in te stemmen dat de man medehuurder wordt of een procedure ingesteld zoals bedoeld in artikel 7:267 BW om de man aan te merken als medehuurder. De huidige situatie is dus dat de man geen medehuurder is en derhalve zonder recht of titel in de woning verblijft. De stelling van de man dat hij feitelijk al twee jaar in de woning woont en met de vrouw een gemeenschappelijke huishouding voert – voor zover dat juist is, want de vrouw betwist dat – maakt dat niet anders. Dat brengt in beginsel met zich dat de vrouw het recht heeft om in de woning te verblijven en dat de man verplicht is om de woning te verlaten.
4.5.
De man heeft gesteld dat partijen op een gegeven moment hadden besloten om te gaan samenwonen en in dat kader afspraken hadden gemaakt, waaronder de afspraak dat zij gezamenlijk bij de verhuurder het medehuurderschap van de man zouden aanvragen. Die afspraak is echter door de vrouw betwist en door de man niet onderbouwd. Bovendien, ook al zou die afspraak zijn gemaakt, dan neemt dat niet weg dat de vrouw het recht heeft om de relatie te beëindigen en niet langer met de man samen te willen wonen.
4.6.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter begrijpt dat de man er veel belang bij heeft om in de woning te mogen blijven, omdat hij naar eigen zeggen niet op korte termijn alternatieve woonruimte kan vinden. Aan de andere kant geldt dat de vrouw in hetzelfde schuitje zit. Daarbij speelt een belangrijke rol dat de vrouw het eenhoofdig gezag en de feitelijke zorg over de kinderen heeft. Het belang van de minderjarige kinderen om terug te kunnen keren naar hun vaste en vertrouwde omgeving speelt ook een rol bij de belangenafweging.
Bij de belangenafweging speelt geen rol hoe de relatie tussen partijen is geweest. Het is de voorzieningenrechter duidelijk dat partijen hier een fundamenteel andere kijk op hebben. Ook als zou worden aangenomen dat de visie van de man geheel of grotendeels juist zou zijn en dat – ondanks wat de vrouw hierover stelt – geen sprake was of is van een onveilige situatie voor de vrouw en de kinderen, dan heeft dat niet tot gevolg dat de man er recht op heeft om in de woning te blijven of dat hij daar meer belang bij heeft dan de vrouw en de kinderen. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen reden voor het opvragen van stukken bij instanties, het geven van een opdracht aan de vrouw om appberichten over te leggen of het bieden van de gelegenheid tot het geven van een nadere schriftelijke reactie door de vrouw.
Een belangenafweging valt daarom uit in het voordeel van de vrouw.
4.7.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van de vrouw worden toegewezen op de hierna volgende wijze.
4.8.
Na een nadere toelichting ter zitting door partijen begrijpt de voorzieningenrechter dat de woning geen bijgebouwen heeft. In de woning is wel een ruimte die met een sleutel kan worden afgesloten. De vrouw wenst afgifte van de sleutels van de woning en dus ook van de sleutels van deze ruimte.
4.9.
Dit betekent dat de man wordt veroordeeld om de woning te verlaten en in goede staat achter te laten, met medeneming van (alleen) zijn eigendommen, met afgifte aan de vrouw van alle sleutels van de woning inclusief de sleutels van de afsluitbare ruimte in de woning, en de woning niet meer te betreden.
De gevorderde ontruimingstermijn van 24 uur wordt afgewezen. Bij een gedwongen ontruiming geldt minimaal een termijn van drie dagen na het bevel daartoe van de deurwaarder (artikel 555 lid 1 Rv). De voorzieningenrechter bepaalt de ontruimingstermijn in redelijkheid op 7 dagen na de betekening van dit vonnis.
4.10.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van politie en justitie wordt afgewezen, omdat zij overbodig is. De wet geeft aan de deurwaarder immers de bevoegdheid om een gedwongen (gehele of gedeeltelijke) ontruiming uit te voeren (artikel 556 lid 1 en artikel 557 in combinatie met artikel 444 Rv), waarbij de deurwaarder de hulp van politie en justitie kan inroepen.
4.11.
Gelet op de weigerachtige houding van de man ziet de voorzieningenrechter aanleiding om, als extra prikkel om aan de veroordeling tot (gedeeltelijke) ontruiming te voldoen en te blijven voldoen, een dwangsom op te leggen. De dwangsom wordt vastgesteld op € 100,- voor iedere dag of dagdeel dat de man niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt.
4.12.
De vrouw heeft verklaard dat zij vordering IV heeft ingesteld voor het geval de voorzieningenrechter van oordeel is dat sprake is van een gezamenlijk gebruiksrecht. Die situatie is gelet op 4.4 niet aan de orde, zodat vordering IV niet hoeft te worden behandeld. De voorzieningenrechter begrijpt dat ook vordering V subsidiair is bedoeld en ziet overigens ook geen aanleiding voor het nemen van een dergelijke beslissing.
4.13.
Gelet op de relatie die partijen met elkaar hebben gehad worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De vrouw heeft ter zitting gesteld dat zij met vordering VI niet iets anders heeft beoogd.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt de man om, binnen 7 dagen na de betekening van dit vonnis, de woning gelegen aan de [adres] in [plaats] te verlaten en in goede staat achter te laten, met medeneming van zijn eigendommen, met afgifte aan de vrouw van alle sleutels van de woning inclusief de sleutels van de afsluitbare ruimte in de woning, en de woning niet meer te betreden;
5.2.
veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de man niet aan de veroordeling in 5.1 voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
2091/3194