Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:6315

2026-05-01 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11649643 CV EXPL 25-9531
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-05-01
Publicatiedatum
2026-06-01
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11649643 CV EXPL 25-9531
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Autoruil tijdens bewind is rechtshandeling in de zin van artikel 1:439 BW. Autoverkoper die autoruil heeft gefaciliteerd is wederpartij in de zin van dit artikel. Veroordeling tot schadevergoeding.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (20.948 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 11649643 CV EXPL 25-9531



datum uitspraak: 1 mei 2026




Vonnis van de kantonrechter




in de zaak van





[bewindvoerder] in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van



[naam 1] en [naam 2] ,

kantoorhoudende te [plaats] ,
gemachtigde: [bewindvoerder] ,



tegen





[gedaagde] ,

woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. N. Roos.



De partijen worden hierna ‘de bewindvoerder’, ‘ [naam 1] ’, ‘ [naam 2] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.





1De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


de dagvaarding van 8 april 2025, met bijlagen;


het antwoord van [gedaagde] , met bijlagen;


de e-mail van de bewindvoerder van 3 juni 2025, met bijlagen.





1.2.

Op 30 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was de bewindvoerder aanwezig en [gedaagde] met zijn gemachtigde mr. N. Roos.
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.






2De beoordeling



Waar gaat de zaak over?




2.1.

[naam 2] en [naam 1] zijn een echtpaar van 73 en 79 jaar oud. [naam 1] lijdt aan dementie en [naam 2] heeft een verstandelijke beperking. Daarom is hun vermogen op 10 november 2020 onder bewind gesteld met benoeming van [bewindvoerder] tot bewindvoerder. Het bewind is op 16 november 2020 ingeschreven in het Centrale Curatele en Bewindsregister (hierna: CCBR).



2.2.


[naam 1] en [naam 2] waren eigenaar van de auto van het merk Dacia Sandero met kenteken [kenteken 1] (hierna: de Dacia). Ze waren op enig moment op zoek naar een Citroen C3 (hierna: de Citroen) met trekhaak en wilden deze betalen door inruil van de Dacia. Op 27 februari 2025 zijn zij bij een tweedehandsautobedrijf gaan kijken, waar [gedaagde] als autoverkoper werkt. [gedaagde] vertelde hen dat op de betreffende locatie van het bedrijf geen auto’s voor de particuliere verkoop stonden, maar dat hij – buiten het autobedrijf om –
wel behulpzaam kon zijn bij het vinden van een Citroen met trekhaak.




2.3.

[gedaagde] heeft op Marktplaats vervolgens een Citroen met trekhaak en kenteken [kenteken 2] gevonden. [gedaagde] heeft aan [naam 1] en [naam 2] gezegd dat de Dacia wel ‘wat meer waard was’ dan de Citroen, maar dit was voor hen geen reden om van de Citroen af te zien. Diezelfde dag heeft [gedaagde] de tenaamstelling van de Citroen en de Dacia gewisseld. De Dacia heeft hij bij [naam 1] en [naam 2] opgehaald en omgeruild voor de Citroen. De Dacia heeft hij bij de voormalige eigenaar van de Citroen afgeleverd.



2.4.


[gedaagde] heeft de Dacia vervolgens op Marktplaats te koop aangeboden voor eerst
€ 7.900,- en later € 8.500,-.




2.5.
De bewindvoerder heeft [gedaagde] in een brief van 18 maart 2025 en daarna via WhatsApp gevraagd om de Dacia van Marktplaats te halen en terug te zetten op naam van [naam 1] . Ook heeft de bewindvoerder hem gevraagd om de aan hem betaalde onkostenvergoeding van € 200,- terug te betalen. [gedaagde] heeft via WhatsApp laten weten hier niet aan mee te gaan werken en ‘geen € 2.000 te gaan weggooien’. Later schrijft hij nog dat het niet mogelijk is om ‘€ 2.000 los te laten’, omdat dat ‘financieel niet lukt’ en hij ‘ook in de schuldhulpverlening zit.’



2.6.
Op 24 maart 2025 is de Dacia op naam van een onbekende overgeschreven. De Citroen is op 12 mei 2025 naar de sloop gebracht.



2.7.
De bewindvoerder stelt dat de autoruil op grond van artikel 1:439 van het Burgerlijk Wetboek ongeldig is. De bewindvoerder heeft geen toestemming gegeven voor de ruil, de ruil is in het nadeel van [naam 1] en [naam 2] en [gedaagde] had het bewind behoren te kennen, aangezien dit in het CCBR is geregistreerd. [naam 1] en [naam 2] hebben [gedaagde] in het kader van de autoruil een onkostenvergoeding van € 200,- betaald. De betaling van dit bedrag hangt samen met de autoruil en is daarom ook ongeldig en moet worden terugbetaald, aldus de bewindvoerder.



2.8.
De bewindvoerder eist in deze zaak primair dat [gedaagde] wordt veroordeeld om:


de Dacia met kenteken [kenteken 1] terug op naam van [naam 1] te zetten;


een bedrag van € 200,- aan bemiddelingskosten terug te betalen;


de Citroen te vrijwaren;


de eventuele kosten voor de APK keuring van de Citroen te betalen;


een bedrag aan schadevergoeding te betalen voor eventueel ontstane schade aan de Dacia tussen 27 februari 2025 en de datum waarop de Dacia weer op naam van



[naam 1] is gesteld.



2.9.
Subsidiair, voor het geval bovenstaande eisen worden afgewezen, eist de bewindvoerder dat [gedaagde] wordt veroordeeld om:


een bedrag van € 8.400,- (de geschatte waarde van Dacia) te betalen;


een bedrag van € 200,- aan bemiddelingskosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 27 februari 2025 dan wel vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van betaling.




Ook eist de bewindvoerder dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten en dat het vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.




2.10.
Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de eisen van de bewindvoerder. [gedaagde] betwist dat hij als wederpartij of als verkrijger als bedoeld in artikel 1:439 BW kan worden aangemerkt. Hij voert aan dat hij slechts heeft bemiddeld tussen [naam 1] en [naam 2] en de verkoper van de Citroen. [gedaagde] is slechts degene die deze partijen bij elkaar heeft gebracht. [gedaagde] is nooit eigenaar geweest van de Dacia. Hij heeft [naam 1] en [naam 2] alleen willen helpen en had zelf geen voordeel van de autoruil. [gedaagde] betwist voor het eerst ter zitting ook dat [naam 1] en [naam 2] hem een onkostenvergoeding hebben betaald. Hij heeft juist € 200,- aan [naam 1] en [naam 2] betaald. Dit bedrag kreeg hij van de koper van de Dacia als vergoeding voor de Dacia (naast de Citroen C3). De eisen moeten daarom worden afgewezen.



De uitkomst





2.11.


[gedaagde] moet € 4.063,- aan schadevergoeding aan de bewindvoerder betalen.
Ook wordt hij tot betaling van de proceskosten veroordeeld. De overige eisen worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.




De eis tot afgifte van de Dacia wordt afgewezen





2.12.
Tussen partijen staat vast dat [naam 1] en [naam 2] aan [gedaagde] hebben verteld dat zij een Citroen met trekhaak zochten, die zij door inruil van hun Dacia wilden betalen en dat [gedaagde] hen heeft aangeboden om dit voor hen te regelen. Ook zijn partijen het erover eens dat [gedaagde] vervolgens op Marktplaats een Citroen heeft gevonden en heeft bewerkstelligd dat de Dacia en Citroen van eigenaar zijn gewisseld. Verder staat tussen partijen vast dat [gedaagde] de twee auto’s feitelijk heeft geruild en afgeleverd. Uit niets blijkt dat [gedaagde] op enig moment zelf eigenaar van de Dacia is geweest. Evenmin is de Dacia nog feitelijk in zijn bezit. Dat was evenmin het geval toen de dagvaarding werd uitgebracht. De bewindvoerder heeft te weinig gesteld om te kunnen oordelen dat [gedaagde] nog feitelijk in staat is om de Dacia terug te geven aan [naam 1] en [naam 2] . De eis tot afgifte kan dan ook niet worden toegewezen.



Autoruil ongeldig op grond van artikel 1:439 BW





2.13.
Tijdens het bewind komt het beheer over de onder bewind staande goederen – zoals in dit geval de auto – niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder. Tijdens het bewind kan de rechthebbende alleen met medewerking van de bewindvoerder over de onder het bewind staande goederen beschikken. Rechtshandelingen die ondanks het bewind worden verricht door of gericht zijn tot een onder bewind gestelde persoon, zijn in beginsel ongeldig. De kantonrechter is van oordeel dat de door [gedaagde] geregelde autoruil te gelden heeft als een rechtshandeling in de zin van artikel 1:439 BW. Dit artikel bepaalt dat als een rechtshandeling ongeldig is, omdat zij ondanks het bewind werd verricht of gericht tot de rechthebbende, deze ongeldigheid aan de wederpartij slechts kan worden tegengeworpen als deze het bewind kenden of behoorde te kennen. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] in de gegeven situatie moet worden aangemerkt als wederpartij in de zin van dit artikel, omdat [gedaagde] niet alleen degene is die de autoruil heeft geregeld, maar veel meer dan dat heeft gedaan (zie hierna). De kantonrechter is verder van oordeel dat [gedaagde] het bewind in elk geval behoorde te kennen, zoals hierna zal worden uitgelegd (zie 2.6). Niet gesteld of gebleken is dat [naam 1] en [naam 2] toestemming van hun bewindvoerder hadden voor de autoruil. De autoruil is daarom ongeldig. De bewindvoerder heeft [gedaagde] bovendien kort na de autoruil al gewezen op het bewind en hem gesommeerd de autoruil ongedaan te maken. Dit heeft [gedaagde] op dat moment ten onrechte geweigerd. Daarom moet hij de schade van [naam 1] en [naam 2] vergoeden.



2.14.
De kantonrechter baseert dit oordeel op de volgende omstandigheden. Vast staat dat [gedaagde] de autoruil voor [naam 1] en [naam 2] heeft geregeld, nadat zij het autobedrijf hadden bezocht waar [gedaagde] werkte. [gedaagde] stelt dat hij verder als privé persoon de autoruil heeft geregeld, omdat zijn werkgever de auto die [naam 1] en [naam 2] zochten niet in de verkoop had, zodat het autobedrijf in deze kwestie naar het oordeel van de kantonrechter geen verdere rol speelt.



2.15.

[gedaagde] is van beroep autoverkoper. [naam 1] en [naam 2] troffen hem bij een filiaal van zijn werkgever. Van iemand die van beroep autoverkoper is, mag verwacht worden dat hij het CCBR controleert. Het CCBR is een openbaar register, waarin onder bewind gestelde personen worden geregistreerd. Uit vaste rechtspraak volgt dat bekendheid met het bewind mag worden verondersteld bij publicatie in het CCBR. Zoals gezegd lag het op de weg van [gedaagde] om het register te raadplegen. [gedaagde] had dan kunnen zien dat het vermogen van [naam 1] en [naam 2] onder bewind was gesteld. Hij had voor de autoruil toestemming van de bewindvoerder nodig en daarover beschikte hij niet. Dit maakt dat de autoruil ongeldig is.



2.16.

De autoruil, die erg ongunstig was voor [naam 1] en [naam 2] , leidde tot een groot financieel nadeel voor hen, omdat zij hun auto omruilden voor een auto die duizenden euro’s minder waard was. Daardoor werden zij rechtstreeks in hun vermogensrechtelijke belangen geraakt, terwijl hun vermogen onder bewind staat. Uit de door [gedaagde] overgelegde koerslijst, waarvan de bewindvoerder de juistheid niet heeft weersproken, blijkt dat de waarde van de Dacia bij aankoop bij een particulier in juni 2025 € 5.200,- bedroeg.
Geen van partijen heeft een waardebepaling van de Citroen overgelegd.
De kantonrechter heeft partijen op de zitting voorgehouden dat de waarde van de Citroen volgens de informatie van ‘Carscanner’ in februari 2025 € 1.137,- was. Partijen hebben dit bedrag niet weersproken, zodat de kantonrechter van de juistheid van dit bedrag uitgaat. Het waardeverschil tussen de auto’s bedroeg op het moment van de ruil dus € 4.063,-.




2.17.

[gedaagde] vroeg zich op de zitting hardop af wat hij nog meer had moeten doen dan [naam 1] en [naam 2] op het waardeverschil wijzen. Het antwoord op die vraag is simpel: [gedaagde] had de deal, waarbij [naam 1] en [naam 2] hun Dacia inruilden tegen de Citroen die ze alleen via een foto op de telefoon van [gedaagde] hadden gezien en die vele duizenden euro’s minder waard was dan hun Dacia, niet voor hen moeten sluiten. [gedaagde] had zich bovendien moeten afvragen of [naam 1] en [naam 2] de consequenties van deze deal wel overzagen. Daar had hij gelet op het waardeverschil, hun leeftijd, en het feit dat zij, zoals [gedaagde] zelf op de zitting vertelde, niet in staat waren om mee te gaan om de Citroen op te halen, alle reden toe.



2.18.
De kantonrechter vindt het zeer ongeloofwaardig dat [gedaagde] [naam 1] en [naam 2] alleen maar wilde helpen, zoals hij beweert. Zijn verhaal komt er in de kern op neer dat hij voor twee kopers die hij daarvoor niet kende, waarvan de een aan dementie lijdt en de ander een verstandelijke beperking heeft, en een verkoper die hij alleen van Marktplaats kende, een autoruil heeft geregeld, waarvoor hij ook nog eens twee keer 45 minuten moest rijden. En dat allemaal zonder daar ook maar een cent aan te verdienen, aldus [gedaagde] .



2.19.

Voor de kantonrechter valt met de door [gedaagde] gestelde feitelijke toedracht ook niet te rijmen, dat [gedaagde] zelf de Dacia op Marktplaats te koop zette voor eerst € 7.900,- en later € 8.500,- en nu stelt dat de koper de Dacia vervolgens zelf heeft ingeruild voor slechts
€ 3.500,-. Dit terwijl [gedaagde] stelt dat hij de eigenaar van de Citroen verder niet kende en alleen een rol vervulde als bemiddelaar tussen [naam 1] en [naam 2] enerzijds en de verkoper anderzijds.




2.20.
Verder heeft [gedaagde] op de zitting geen duidelijkheid kunnen geven over de appjes tussen hem en de bewindvoerder, die de nodige vragen oproepen en daarom wel een nadere uitleg noodzakelijk maken. Zo kon [gedaagde] niet uitleggen wat hij als reactie op het appje waarin de bewindvoerder aangeeft dat [naam 1] de Citroen komt terugbrengen, bedoelde met ‘zoals ik al heb aangegeven ga ik geen € 2.000 weggooien’. En ‘ik ben niet bereid en het is ook niet mogelijk om € 2.000 los te laten. Financieel lukt dat ook niet. Zit ook in de schuldhulp. Dus dat gaat hem niet worden voor mij.’



2.21.
Het heeft er naar het oordeel van de kantonrechter alle schijn van dat [gedaagde] wel degelijk een financieel belang had bij het tot stand brengen van de autoruil en nu een rookgordijn probeert op te trekken. [gedaagde] heeft niets over de autoruil op papier gezet, hij beschikt – zo bleek op de zitting – niet eens over gegevens van de eigenaar van de Citroen met wie de Dacia is omgeruild, heeft geen gegevens van de waarde van de auto’s en ook geen bewijs van betaling kunnen laten zien van de Dacia. Kortom, zijn rol bij deze autoruil was groter dan slechts ‘bemiddelaar’.



2.22.
Ten overvloede merkt de kantonrechter nog het volgende op. [gedaagde] stelt dat hij [naam 1] en [naam 2] ‘tientallen keren’ op het waardeverschil heeft gewezen, maar dat zij de autoruil toch wilden doorzetten. Op de zitting heeft [gedaagde] een geluidsfragment van enkele seconden laten horen, waarop niet meer is te horen dan dat hij zegt dat de Citroen ‘minder waard is’. Hoeveel minder waard zegt hij echter niet en tegen wie hij dit precies zegt blijkt ook niet uit dit fragment. Ook als de kantonrechter er vanuit gaat dat dit gesprek is gevoerd tussen [gedaagde] en [naam 1] en/of [naam 2] , dan is de informatie die is verstrekt veel te summier. Bovendien doet dit niets af aan het feit dat [gedaagde] goedkeuring nodig had van de bewindvoerder voor de autoruil.




[gedaagde] moet de schade van [naam 1] en [naam 2] vergoeden.





2.23.
Aangezien de autoruil kwalificeert als een ongeldige rechtshandeling als bedoeld in art. 1:439 BW, moet [gedaagde] de schade van [naam 1] en [naam 2] vergoeden. Het ongedaan maken van de autoruil is in de gegeven omstandigheden praktisch gezien niet meer mogelijk, zoals hiervoor is geoordeeld. De schade van [naam 1] en [naam 2] bestaat uit de waarde van de Dacia van € 5.200,- minus de waarde van de Citroen van € 1.137,-. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 4.063,-. De eis tot verdere vergoeding van eventueel ontstane schade aan de Dacia wordt afgewezen, omdat de schade van [naam 1] en [naam 2] door toewijzing van het bedrag van € 4.064,- al is gedekt.



De eis tot vrijwaring van de Citroen





2.24
Als niet weersproken staat vast staat dat de Citroen op 12 mei 2025 naar de sloop is gebracht. [naam 1] en [naam 2] hebben daarom geen belang meer bij vrijwaring van de Citroen. Deze eis wordt daarom afgewezen.




De eis tot betaling van eventueel gemaakte APK kosten aan de Citroen C3





2.25.

[gedaagde] betwist dat de Citroen een APK keuring heeft ondergaan. De bewindvoerder heeft dit niet onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat daadwerkelijk kosten voor een APK keuring zijn gemaakt en er zijn geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt hoe hoog deze kosten dan zouden zijn geweest. De bewindvoerder heeft haar stellingen tegenover de betwisting van [gedaagde] dan ook onvoldoende onderbouwd. De eis wordt daarom afgewezen.



De eis tot betaling van de onkostenvergoeding





2.26.

[gedaagde] heeft ter zitting betwist dat hij het bedrag van € 200,- van [naam 1] en [naam 2] heeft gekregen. Volgens hem heeft hij juist € 200,- van de koper van de Dacia gekregen, hiervan de Citroen volgetankt en de rest aan [naam 1] en [naam 2] gegeven. Dit staat haaks op wat hij in de conclusie van antwoord heeft gesteld, in reactie op de dagvaarding. De bewindvoerder heeft dit verweer van [gedaagde] op de zitting echter niet betwist. Dat betekent dat de bewindvoerder haar stelling dat [naam 1] en [naam 2] € 200,- aan [gedaagde] hebben betaald, tegenover de betwisting van [gedaagde] , onvoldoende heeft onderbouwd. De eis tot betaling van de gestelde onkostenvergoeding wordt daarom ook afgewezen.




[gedaagde] moet de proceskosten betalen





2.27.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan de bewindvoerder moet betalen op € 145,54 aan dagvaardingskosten, € 257,- aan griffierecht, € 576,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 288,-) en € 94,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.072,54. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.



Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad





2.28.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat de bewindvoerder dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.





3De beslissing
De kantonrechter:


3.1.
veroordeelt [gedaagde] om € 4.063,- aan de bewindvoerder te betalen;



3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van de bewindvoerder worden begroot op € 1.072,54;



3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



3.4.
wijst al het andere af.


Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.
426





Artikel 1:438 lid 1 Burgerlijk Wetboek


Artikel 1:438 lid 2 Burgerlijk Wetboek


Artikel 1:439 lid 1 Burgerlijk Wetboek


Zie bijvoorbeeld Rb. Zeeland-West-Brabant 14 februari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:1093, Rb. Noord-Holland 7 februari 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:2749, Rb. Overijssel 6 juli 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:2743.