Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:631
2026-01-30
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ROT 25/2502
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de WIA-uitkering terecht aan eiser heeft geweigerd. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2023:1576 Centrale Raad van Beroep 16-08-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.555 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2502
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.
(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de WIA-uitkering terecht aan eiser heeft geweigerd. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1.1.
Met het besluit van 17 januari 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV de aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) afgewezen.
1.2.
Met het besluit van 18 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn zoon, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser, laatstelijk werkzaam als klantadviseur dagelijkse bankzaken, heeft zich op 1 november 2021 ziek gemeld. Op 18 augustus 2023 heeft eiser bij het UWV een aanvraag ingediend om een WIA-uitkering.
3. In het kader van deze aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft eiser op 5 oktober 2023 op het medisch spreekuur gezien. De verzekeringsarts heeft vervolgens in de medische rapportage van 8 oktober 2023 geconcludeerd dat eiser verminderde functionele mogelijkheden heeft als gevolg van ziekte of gebrek. In de aanvullende rapportage van 20 november 2023 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er geen reden is om de eerdere beoordeling aan te passen. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 oktober 2023, geldig vanaf 5 oktober 2023, heeft de verzekeringsarts beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren en werktijden.
In de rapportage van 21 december 2023 heeft de arbeidsdeskundige, met inachtneming van de beperkingen en functionele mogelijkheden van eiser, geconcludeerd dat eiser niet geschikt is voor de maatgevende arbeid maar wel voor de functies assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041), archiefmedewerker (SBC-code 553020) en administratief medewerker (documenten scannen) (SBC-code 315133). Aanvullend wordt eiser geschikt geacht voor de functies inpakker (handmatig) (SBC-code 111190) en assembleerder installatie, motoren, voertuigen (SBC-code 265110). Het loon dat met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) verdiend kan worden, ligt 14,34% lager dan het loon dat eiser met zijn eigen werk zou kunnen verdienen als hij niet arbeidsongeschikt was geworden.
Op grond van de rapportages van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige heeft het UWV met het primaire besluit de WIA-aanvraag van eiser afgewezen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.
4. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 29 januari 2025 een medische rapportage opgesteld. Daarin wordt geconcludeerd dat er aanleiding is om af te wijken van de door de primaire verzekeringsarts aangegeven beperkingen in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de FML van 29 januari 2025, geldig vanaf 5 oktober 2023, extra beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren en dynamische handelingen.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in de rapportage van 10 februari 2025 geconcludeerd dat het bezwaarschrift de arbeidsdeskundige conclusie niet beïnvloedt. Wel heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep reden gezien om de functies assembleerder installatie, motoren, voertuigen (SBC-code 265110) en assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041) te verwerpen. Na bijduiding van nieuwe gelijksoortige functies verandert het arbeidsongeschiktheidspercentage niet. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.
Het standpunt van eiser
5. Eiser voert aan dat zijn medische situatie is onderschat en dat de later geduide functies ongeschikt zijn. Eiser stelt dat zijn medische situatie bestaat uit slaapproblematiek, lichamelijke en psychische klachten. Volgens eiser moet een verdergaande urenbeperking worden aangenomen, ten aanzien van het aantal uren per dag en per week op preventieve gronden. Verder stelt eiser dat ten onrechte geen beperking is opgenomen ten aanzien van het vasthouden en verdelen van de aandacht, wegens de comorbide insomnie met de psychofysiologische kenmerken met andere klachten. Volgens eiser zijn de klachten en de invloed van de klachten op elkaar onvoldoende meegewogen. Ten aanzien van de functie archiefmedewerker stelt eiser dat deze functie niet passend is wegens het vereiste concentratievermogen.
Het toetsingskader
6. Op grond van artikel 5 van de WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
Bij het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld betreffende de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft besloten dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser per 30 oktober 2023 (datum in geding) moet worden bepaald op 14,34%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiser, rekening houdend met deze beperkingen, in staat is de aan hem voorgehouden functies te verrichten.
8. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, anamnese, het gestelde ter hoorzitting in bezwaar van 20 januari 2025 en de beschikbare medische informatie afkomstig van de behandelend sector. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek van de verzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest.
9. Wat eiser in beroep aanvoert, geeft geen reden om het medische oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische belastbaarheid van eiser op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd. Het beroep wat eiser doet op een urenbeperking slaagt niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd dat er bij eiser geen sprake is van één van de drie op grond van de standaard “Duurbelastbaarheid in Arbeid” – welke standaard als doel heeft verzekeringsartsen meer en concretere handvatten te geven voor het beoordelen van de duurbelastbaarheid – daarvoor geldende criteria, waarbij geldt dat wanneer voor iemand in zwaardere arbeid wel, en in lichtere arbeid geen urenbeperking is geïndiceerd, zoals ook in dit geval, een functieduiding in lichtere arbeid zonder urenbeperking prevaleert. Deze benadering is in de rechtspraak aanvaard (onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1576).
Eiser lijkt te betogen dat wanneer iemand, zoals eiser sinds zijn tienerjaren, insomnia heeft – en daardoor weinig slaapt, daardoor niet herstelt en last krijgt van cognitieve beperkingen – er altijd een urenbeperking moet worden aangenomen, althans er altijd moet worden uitgelegd waarom er geen urenbeperking wordt aangenomen. Dit betoog slaagt niet. Allereerst is, ook meer in het algemeen, niet een diagnose bepalend, maar zijn dat de concrete beperkingen die de concrete aanvrager ondervindt. Die zijn ook in dit geval onderzocht en verantwoord en niet is gebleken dat dit onzorgvuldig of onjuist heeft plaatsgevonden. Daarbij komt nog dat reeds uit het langdurige arbeidsverleden van eiser volgt dat de stelling dat bij insomnia altijd een urenbeperking noodzakelijk is en moet worden aangenomen, niet slaagt.
Ten aanzien van het vasthouden en verdelen van de aandacht heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten slotte voldoende gemotiveerd aangegeven dat het bij deze beperking moet gaan om een ernstige stoornis en dat bij eiser hiervan geen sprake is, terwijl bij de langdurige spreekuren bij de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep overigens ook geen stoornis in aandacht en concentratie is gebleken.
10. Het voorgaande betekent dat de rechtbank geen reden heeft om eraan te twijfelen of de beperkingen in de FML juist zijn vastgesteld. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank voorts geen reden om de geschiktheid van de geselecteerde functies te betwijfelen. Wat eiser stelt ten aanzien van de functie archiefmedewerker slaagt evenmin, nu er in de FML geen beperking is aangenomen ten aanzien van de concentratie of het vasthouden of verdelen van de aandacht.
11. Vergelijking van het inkomen dat eiser in de geduide functie zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen 14,34%. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiser is dus terecht bepaald op minder dan 35%, zodat het UWV de aanvraag van eiser om een WIA-uitkering terecht heeft afgewezen.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.J. van Erkel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2502
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.
(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de WIA-uitkering terecht aan eiser heeft geweigerd. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1.1.
Met het besluit van 17 januari 2024 (het primaire besluit) heeft het UWV de aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) afgewezen.
1.2.
Met het besluit van 18 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn zoon, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser, laatstelijk werkzaam als klantadviseur dagelijkse bankzaken, heeft zich op 1 november 2021 ziek gemeld. Op 18 augustus 2023 heeft eiser bij het UWV een aanvraag ingediend om een WIA-uitkering.
3. In het kader van deze aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft eiser op 5 oktober 2023 op het medisch spreekuur gezien. De verzekeringsarts heeft vervolgens in de medische rapportage van 8 oktober 2023 geconcludeerd dat eiser verminderde functionele mogelijkheden heeft als gevolg van ziekte of gebrek. In de aanvullende rapportage van 20 november 2023 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er geen reden is om de eerdere beoordeling aan te passen. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 oktober 2023, geldig vanaf 5 oktober 2023, heeft de verzekeringsarts beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren en werktijden.
In de rapportage van 21 december 2023 heeft de arbeidsdeskundige, met inachtneming van de beperkingen en functionele mogelijkheden van eiser, geconcludeerd dat eiser niet geschikt is voor de maatgevende arbeid maar wel voor de functies assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041), archiefmedewerker (SBC-code 553020) en administratief medewerker (documenten scannen) (SBC-code 315133). Aanvullend wordt eiser geschikt geacht voor de functies inpakker (handmatig) (SBC-code 111190) en assembleerder installatie, motoren, voertuigen (SBC-code 265110). Het loon dat met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) verdiend kan worden, ligt 14,34% lager dan het loon dat eiser met zijn eigen werk zou kunnen verdienen als hij niet arbeidsongeschikt was geworden.
Op grond van de rapportages van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige heeft het UWV met het primaire besluit de WIA-aanvraag van eiser afgewezen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.
4. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 29 januari 2025 een medische rapportage opgesteld. Daarin wordt geconcludeerd dat er aanleiding is om af te wijken van de door de primaire verzekeringsarts aangegeven beperkingen in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de FML van 29 januari 2025, geldig vanaf 5 oktober 2023, extra beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren en dynamische handelingen.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in de rapportage van 10 februari 2025 geconcludeerd dat het bezwaarschrift de arbeidsdeskundige conclusie niet beïnvloedt. Wel heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep reden gezien om de functies assembleerder installatie, motoren, voertuigen (SBC-code 265110) en assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041) te verwerpen. Na bijduiding van nieuwe gelijksoortige functies verandert het arbeidsongeschiktheidspercentage niet. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.
Het standpunt van eiser
5. Eiser voert aan dat zijn medische situatie is onderschat en dat de later geduide functies ongeschikt zijn. Eiser stelt dat zijn medische situatie bestaat uit slaapproblematiek, lichamelijke en psychische klachten. Volgens eiser moet een verdergaande urenbeperking worden aangenomen, ten aanzien van het aantal uren per dag en per week op preventieve gronden. Verder stelt eiser dat ten onrechte geen beperking is opgenomen ten aanzien van het vasthouden en verdelen van de aandacht, wegens de comorbide insomnie met de psychofysiologische kenmerken met andere klachten. Volgens eiser zijn de klachten en de invloed van de klachten op elkaar onvoldoende meegewogen. Ten aanzien van de functie archiefmedewerker stelt eiser dat deze functie niet passend is wegens het vereiste concentratievermogen.
Het toetsingskader
6. Op grond van artikel 5 van de WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
Bij het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld betreffende de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft besloten dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser per 30 oktober 2023 (datum in geding) moet worden bepaald op 14,34%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiser, rekening houdend met deze beperkingen, in staat is de aan hem voorgehouden functies te verrichten.
8. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, anamnese, het gestelde ter hoorzitting in bezwaar van 20 januari 2025 en de beschikbare medische informatie afkomstig van de behandelend sector. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek van de verzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest.
9. Wat eiser in beroep aanvoert, geeft geen reden om het medische oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische belastbaarheid van eiser op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd. Het beroep wat eiser doet op een urenbeperking slaagt niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd dat er bij eiser geen sprake is van één van de drie op grond van de standaard “Duurbelastbaarheid in Arbeid” – welke standaard als doel heeft verzekeringsartsen meer en concretere handvatten te geven voor het beoordelen van de duurbelastbaarheid – daarvoor geldende criteria, waarbij geldt dat wanneer voor iemand in zwaardere arbeid wel, en in lichtere arbeid geen urenbeperking is geïndiceerd, zoals ook in dit geval, een functieduiding in lichtere arbeid zonder urenbeperking prevaleert. Deze benadering is in de rechtspraak aanvaard (onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1576).
Eiser lijkt te betogen dat wanneer iemand, zoals eiser sinds zijn tienerjaren, insomnia heeft – en daardoor weinig slaapt, daardoor niet herstelt en last krijgt van cognitieve beperkingen – er altijd een urenbeperking moet worden aangenomen, althans er altijd moet worden uitgelegd waarom er geen urenbeperking wordt aangenomen. Dit betoog slaagt niet. Allereerst is, ook meer in het algemeen, niet een diagnose bepalend, maar zijn dat de concrete beperkingen die de concrete aanvrager ondervindt. Die zijn ook in dit geval onderzocht en verantwoord en niet is gebleken dat dit onzorgvuldig of onjuist heeft plaatsgevonden. Daarbij komt nog dat reeds uit het langdurige arbeidsverleden van eiser volgt dat de stelling dat bij insomnia altijd een urenbeperking noodzakelijk is en moet worden aangenomen, niet slaagt.
Ten aanzien van het vasthouden en verdelen van de aandacht heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten slotte voldoende gemotiveerd aangegeven dat het bij deze beperking moet gaan om een ernstige stoornis en dat bij eiser hiervan geen sprake is, terwijl bij de langdurige spreekuren bij de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep overigens ook geen stoornis in aandacht en concentratie is gebleken.
10. Het voorgaande betekent dat de rechtbank geen reden heeft om eraan te twijfelen of de beperkingen in de FML juist zijn vastgesteld. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank voorts geen reden om de geschiktheid van de geselecteerde functies te betwijfelen. Wat eiser stelt ten aanzien van de functie archiefmedewerker slaagt evenmin, nu er in de FML geen beperking is aangenomen ten aanzien van de concentratie of het vasthouden of verdelen van de aandacht.
11. Vergelijking van het inkomen dat eiser in de geduide functie zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen 14,34%. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiser is dus terecht bepaald op minder dan 35%, zodat het UWV de aanvraag van eiser om een WIA-uitkering terecht heeft afgewezen.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.J. van Erkel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.