Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:6259
2026-05-07
Civiel recht
C/10/709556 / HA RK 25-1085
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzet tegen in rekening gebrachte griffierechten WHOA gegrond verklaard. Voor verzoekschrift waarin door acht groepsvennootschappen om een afkoelingsperiode en maatwerkvoorzieningen is verzocht, mocht slechts één keer griffierecht worden geheven in plaats van acht keer.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2016:1515 Hoge Raad 08-07-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:621 Parket bij de Hoge Raad 17-06-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.569 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/709556 / HA RK 25-1085
Beschikking van 7 mei 2026
in de zaak van
[verzoekster]
, werkzaam bij [advocatenkantoor X] ,
kantoorhoudend in [plaats] ,
verzoekster,
tegen
DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK,
gevestigd in Rotterdam,
verweerder.
Partijen worden hierna [verzoekster] en de griffier genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift dat bij de griffie van de rechtbank is binnengekomen op 22 oktober 2025, met bijlagen;
- het verweerschrift;
- de brief van [verzoekster] van 6 januari 2026;
- de e-mail van [verzoekster] van 5 maart 2026, met bijlage.
1.2.
Beide partijen hebben aangegeven dat de zaak zonder mondelinge behandeling kan worden afgedaan.
2De feiten
2.1.
Op 1 oktober 2025 heeft [verzoekster] namens [bedrijf 1] ., [bedrijf 2] ., [bedrijf 3] ., [bedrijf 4] ., [bedrijf 5] ., [bedrijf 6] ., [bedrijf 7] . en [bedrijf 8] . bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot het afkondigen van een afkoelingsperiode in de zin van artikel 376 Fw en het treffen van een maatwerkvoorziening in de zin van artikel 379 Fw (zaaknummer [zaaknummer] ), hierna te noemen: het verzoekschrift. De griffier heeft voor dat verzoekschrift achtmaal griffierecht geheven ter hoogte van € 714,-, welke bedragen op 21 oktober 2025 zijn betaald.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoekster] verzoekt – samengevat – de beslissing van de griffier om achtmaal het griffierecht van € 714,- te heffen te vernietigen en te bepalen dat in plaats daarvan eenmaal een griffierecht van € 714,- moet worden geheven en de griffier te instrueren het teveel betaalde bedrag aan griffierecht van € 4.998,- terug te betalen.
3.2.
[verzoekster] legt aan haar verzoek – samengevat – het volgende ten grondslag. Het betrof één verzoekschrift dat gelijkluidend is voor alle individuele rechtspersonen uit het [naam] -concern met een gedeeld feitencomplex. Er volgt een gezamenlijke behandeling en één beslissing. Er is dus sprake van één verzoek waarvoor volgens artikel 15 lid 1 Wgbz eenmaal griffierecht moet worden geheven. Het verzoekschrift is ingediend naar aanleiding van het starten van een WHOA-traject. Het [naam] -concern had acute bescherming nodig tegen activistische aandeelhouders tevens schuldeisers met pandrecht op aandelen alsook jegens andere schuldeisers zoals onderaannemers met pre-fixatievorderingen. Hiervoor is een gelijkluidend verzoek gedaan door alle [naam] -concern vennootschappen. Ook als zou worden aangenomen dat het om afzonderlijke verzoeken per vennootschap gaat, moet eenmaal griffierecht worden geheven vanwege het directe verband. Het gaat immers om een achttal vennootschappen binnen een groep die gezamenlijk werden gefinancierd en waarin een gezamenlijke oplossing wordt gezocht en het verzoekschrift is ingediend om ‘rust’ te creëren om die gezamenlijke oplossing mogelijk te maken.
3.3.
De griffier is het daar niet mee eens en voert – samengevat – het volgende verweer. In het verzoekschrift hebben acht verzoekers verzocht om een afkoelingsperiode af te kondigen en voorzieningen te treffen met betrekking tot stemrechten verbonden aan aandelen in (een van de) verzoekers. De griffier heeft het griffierecht bepaald op basis van het aantal in het verzoekschrift opgenomen verzoekers en aan de hand van het petitum. Daarbij bestudeert de griffier de stukken niet inhoudelijk. De acht verzoekers deponeerden voor indiening van het verzoekschrift ieder een verklaring in de zin van artikel 370 lid 3 Fw. De verzoeken zijn niet op de voet van artikel 372 lid 3 Fw door één verzoeker mede namens zeven andere (rechts)personen ingediend in het kader van de voorbereiding van één akkoord als bedoeld in artikel 372 lid 1 Fw. De rechtbank moet bij de behandeling van de verzoeken op grond van artikel 376 Fw ten aanzien van elke verzoeker afzonderlijk beoordelen of wordt voldaan aan de vereisten van artikel 376 lid 4 Fw. In verband daarmee zijn bij het verzoekschrift van iedere verzoeker afzonderlijk onder meer een liquiditeitsbegroting per week over de beoogde afkoelingsperiode, een schuldenoverzicht, jaarrekeningen, een actuele balans en een actuele winst- en verliesrekening gevoegd. Hoewel er een bepaalde mate van samenhang bestaat, is ten aanzien van elke verzoeker sprake van een ander feitencomplex. Het verzoek ten aanzien van elke verzoeker staat op zichzelf en dient zelfstandig aan de hand van de verschillende toepasselijke feitencomplexen te worden beoordeeld.
4. De beoordeling
4.1.
Het verzoek is binnen een maand na betaling van het griffierecht op 21 oktober 2025 ingediend, zodat [verzoekster] tijdig in verzet is gekomen (artikel 29 lid 1 Wgbz).
4.2.
De rechtbank verklaart het verzet gegrond en licht dat als volgt toe.
4.3.
De hoofdregel is dat voor de indiening van een verzoekschrift een griffierecht wordt geheven (artikel 3 lid 2 Wgbz). Er wordt dus griffierecht geheven per verzoekschrift, niet per verzoeker.
4.4.
Er moeten twee situaties worden onderscheiden. De situatie waarin meerdere verzoekers een verzoekschrift indienen (subjectieve cumulatie) en de situatie waarin meerdere verzoeken in één verzoekschrift zijn gedaan (objectieve cumulatie).
4.5.
In geval van subjectieve cumulatie geldt artikel 15 lid 1 Wgbz. Daarin staat dat van
verzoekers die bij dezelfde advocaat of gemachtigde verschijnen en gelijkluidende verzoekschriften indienen, slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht wordt geheven.
4.6.
Voor objectieve cumulatie bestaat geen afzonderlijke wettelijke regeling. In de parlementaire geschiedenis is daarover het volgende te vinden:
“Voor elk verzoekschrift wordt afzonderlijk een vast recht geheven, ook indien er sprake is van met elkaar samenhangende verzoekschriften. Indien meerdere verzoeken in één request worden gedaan zal dit - zeker indien tussen verschillende verzoeken geen direct verband bestaat - ertoe kunnen leiden dat dit wordt beschouwd als een geschrift dat uit meerdere verzoekschriften bestaat waarover afzonderlijk recht moet worden geheven.”
4.7.
De Hoge Raad heeft op basis van voorgaande passage overwogen dat de mogelijkheid bestaat in afwijking van artikel 3 lid 2 Wgbz een verzoekschrift dat meerdere verzoeken bevat, te beschouwen als een geschrift dat uit meerdere verzoekschriften bestaat waarover afzonderlijk griffierecht moet worden geheven en dat daarvoor nodig is dat tussen de verschillende verzoeken in het verzoekschrift geen direct verband bestaat.
4.8.
In dit geval hebben acht verzoekers samen één verzoekschrift ingediend, waarin een en hetzelfde verzoek om een afkoelingsperiode en maatwerkvoorzieningen is gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een gelijkluidend verzoekschrift in de zin van artikel 15 lid 1 Wgbz, zodat slechts eenmaal een griffierecht mocht worden geheven. Hieraan doet niet af dat per verzoeker zal moeten worden beoordeeld of voldaan is aan de voorwaarden om ten aanzien van die verzoeker tot toewijzing van het verzoek te kunnen komen. Het verschuldigde griffierecht is immers onafhankelijk van het aantal in de betreffende instantie verrichte of nog te verrichten werkzaamheden. Dit is overigens niet anders als moet worden aangenomen dat het hier niet gaat om gelijkluidende verzoeken, maar om verschillende verzoeken opgenomen in één rekest. Voor dat geval geldt namelijk dat tussen die verzoeken een direct verband bestaat. De verzoekers zijn vennootschappen die deel uitmaken van een groep en werden gezamenlijk gefinancierd. De aanleiding en het doel van de verzoeken is blijkens het verzoekschrift gelijk. Bovendien worden de verzoeken gezamenlijk door de rechtbank behandeld.
4.9.
Het griffierecht zal worden aangepast op de wijze zoals hieronder in de beslissing omschreven.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
verklaart het verzet gegrond,
5.2.
stelt het griffierecht voor het verzoekschrift van 1 oktober 2025 in zaaknummer [zaaknummer] vast op eenmaal € 714,-,
5.3.
bepaalt dat de griffier het teveel betaalde griffierecht voor het onder 5.2 bedoelde verzoekschrift ter hoogte van € 4.998,- dient te crediteren en terug te betalen,
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.
3726 / 1980
Kamerstukken II 1983-1984, 17838, 9, p. 6.
ECLI:NL:HR:2016:1515, r.o. 3.3.4.
ECLI:NL:PHR:2016:621, onder 4.
Team handel en haven
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/709556 / HA RK 25-1085
Beschikking van 7 mei 2026
in de zaak van
[verzoekster]
, werkzaam bij [advocatenkantoor X] ,
kantoorhoudend in [plaats] ,
verzoekster,
tegen
DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK,
gevestigd in Rotterdam,
verweerder.
Partijen worden hierna [verzoekster] en de griffier genoemd.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift dat bij de griffie van de rechtbank is binnengekomen op 22 oktober 2025, met bijlagen;
- het verweerschrift;
- de brief van [verzoekster] van 6 januari 2026;
- de e-mail van [verzoekster] van 5 maart 2026, met bijlage.
1.2.
Beide partijen hebben aangegeven dat de zaak zonder mondelinge behandeling kan worden afgedaan.
2De feiten
2.1.
Op 1 oktober 2025 heeft [verzoekster] namens [bedrijf 1] ., [bedrijf 2] ., [bedrijf 3] ., [bedrijf 4] ., [bedrijf 5] ., [bedrijf 6] ., [bedrijf 7] . en [bedrijf 8] . bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot het afkondigen van een afkoelingsperiode in de zin van artikel 376 Fw en het treffen van een maatwerkvoorziening in de zin van artikel 379 Fw (zaaknummer [zaaknummer] ), hierna te noemen: het verzoekschrift. De griffier heeft voor dat verzoekschrift achtmaal griffierecht geheven ter hoogte van € 714,-, welke bedragen op 21 oktober 2025 zijn betaald.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoekster] verzoekt – samengevat – de beslissing van de griffier om achtmaal het griffierecht van € 714,- te heffen te vernietigen en te bepalen dat in plaats daarvan eenmaal een griffierecht van € 714,- moet worden geheven en de griffier te instrueren het teveel betaalde bedrag aan griffierecht van € 4.998,- terug te betalen.
3.2.
[verzoekster] legt aan haar verzoek – samengevat – het volgende ten grondslag. Het betrof één verzoekschrift dat gelijkluidend is voor alle individuele rechtspersonen uit het [naam] -concern met een gedeeld feitencomplex. Er volgt een gezamenlijke behandeling en één beslissing. Er is dus sprake van één verzoek waarvoor volgens artikel 15 lid 1 Wgbz eenmaal griffierecht moet worden geheven. Het verzoekschrift is ingediend naar aanleiding van het starten van een WHOA-traject. Het [naam] -concern had acute bescherming nodig tegen activistische aandeelhouders tevens schuldeisers met pandrecht op aandelen alsook jegens andere schuldeisers zoals onderaannemers met pre-fixatievorderingen. Hiervoor is een gelijkluidend verzoek gedaan door alle [naam] -concern vennootschappen. Ook als zou worden aangenomen dat het om afzonderlijke verzoeken per vennootschap gaat, moet eenmaal griffierecht worden geheven vanwege het directe verband. Het gaat immers om een achttal vennootschappen binnen een groep die gezamenlijk werden gefinancierd en waarin een gezamenlijke oplossing wordt gezocht en het verzoekschrift is ingediend om ‘rust’ te creëren om die gezamenlijke oplossing mogelijk te maken.
3.3.
De griffier is het daar niet mee eens en voert – samengevat – het volgende verweer. In het verzoekschrift hebben acht verzoekers verzocht om een afkoelingsperiode af te kondigen en voorzieningen te treffen met betrekking tot stemrechten verbonden aan aandelen in (een van de) verzoekers. De griffier heeft het griffierecht bepaald op basis van het aantal in het verzoekschrift opgenomen verzoekers en aan de hand van het petitum. Daarbij bestudeert de griffier de stukken niet inhoudelijk. De acht verzoekers deponeerden voor indiening van het verzoekschrift ieder een verklaring in de zin van artikel 370 lid 3 Fw. De verzoeken zijn niet op de voet van artikel 372 lid 3 Fw door één verzoeker mede namens zeven andere (rechts)personen ingediend in het kader van de voorbereiding van één akkoord als bedoeld in artikel 372 lid 1 Fw. De rechtbank moet bij de behandeling van de verzoeken op grond van artikel 376 Fw ten aanzien van elke verzoeker afzonderlijk beoordelen of wordt voldaan aan de vereisten van artikel 376 lid 4 Fw. In verband daarmee zijn bij het verzoekschrift van iedere verzoeker afzonderlijk onder meer een liquiditeitsbegroting per week over de beoogde afkoelingsperiode, een schuldenoverzicht, jaarrekeningen, een actuele balans en een actuele winst- en verliesrekening gevoegd. Hoewel er een bepaalde mate van samenhang bestaat, is ten aanzien van elke verzoeker sprake van een ander feitencomplex. Het verzoek ten aanzien van elke verzoeker staat op zichzelf en dient zelfstandig aan de hand van de verschillende toepasselijke feitencomplexen te worden beoordeeld.
4. De beoordeling
4.1.
Het verzoek is binnen een maand na betaling van het griffierecht op 21 oktober 2025 ingediend, zodat [verzoekster] tijdig in verzet is gekomen (artikel 29 lid 1 Wgbz).
4.2.
De rechtbank verklaart het verzet gegrond en licht dat als volgt toe.
4.3.
De hoofdregel is dat voor de indiening van een verzoekschrift een griffierecht wordt geheven (artikel 3 lid 2 Wgbz). Er wordt dus griffierecht geheven per verzoekschrift, niet per verzoeker.
4.4.
Er moeten twee situaties worden onderscheiden. De situatie waarin meerdere verzoekers een verzoekschrift indienen (subjectieve cumulatie) en de situatie waarin meerdere verzoeken in één verzoekschrift zijn gedaan (objectieve cumulatie).
4.5.
In geval van subjectieve cumulatie geldt artikel 15 lid 1 Wgbz. Daarin staat dat van
verzoekers die bij dezelfde advocaat of gemachtigde verschijnen en gelijkluidende verzoekschriften indienen, slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht wordt geheven.
4.6.
Voor objectieve cumulatie bestaat geen afzonderlijke wettelijke regeling. In de parlementaire geschiedenis is daarover het volgende te vinden:
“Voor elk verzoekschrift wordt afzonderlijk een vast recht geheven, ook indien er sprake is van met elkaar samenhangende verzoekschriften. Indien meerdere verzoeken in één request worden gedaan zal dit - zeker indien tussen verschillende verzoeken geen direct verband bestaat - ertoe kunnen leiden dat dit wordt beschouwd als een geschrift dat uit meerdere verzoekschriften bestaat waarover afzonderlijk recht moet worden geheven.”
4.7.
De Hoge Raad heeft op basis van voorgaande passage overwogen dat de mogelijkheid bestaat in afwijking van artikel 3 lid 2 Wgbz een verzoekschrift dat meerdere verzoeken bevat, te beschouwen als een geschrift dat uit meerdere verzoekschriften bestaat waarover afzonderlijk griffierecht moet worden geheven en dat daarvoor nodig is dat tussen de verschillende verzoeken in het verzoekschrift geen direct verband bestaat.
4.8.
In dit geval hebben acht verzoekers samen één verzoekschrift ingediend, waarin een en hetzelfde verzoek om een afkoelingsperiode en maatwerkvoorzieningen is gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een gelijkluidend verzoekschrift in de zin van artikel 15 lid 1 Wgbz, zodat slechts eenmaal een griffierecht mocht worden geheven. Hieraan doet niet af dat per verzoeker zal moeten worden beoordeeld of voldaan is aan de voorwaarden om ten aanzien van die verzoeker tot toewijzing van het verzoek te kunnen komen. Het verschuldigde griffierecht is immers onafhankelijk van het aantal in de betreffende instantie verrichte of nog te verrichten werkzaamheden. Dit is overigens niet anders als moet worden aangenomen dat het hier niet gaat om gelijkluidende verzoeken, maar om verschillende verzoeken opgenomen in één rekest. Voor dat geval geldt namelijk dat tussen die verzoeken een direct verband bestaat. De verzoekers zijn vennootschappen die deel uitmaken van een groep en werden gezamenlijk gefinancierd. De aanleiding en het doel van de verzoeken is blijkens het verzoekschrift gelijk. Bovendien worden de verzoeken gezamenlijk door de rechtbank behandeld.
4.9.
Het griffierecht zal worden aangepast op de wijze zoals hieronder in de beslissing omschreven.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
verklaart het verzet gegrond,
5.2.
stelt het griffierecht voor het verzoekschrift van 1 oktober 2025 in zaaknummer [zaaknummer] vast op eenmaal € 714,-,
5.3.
bepaalt dat de griffier het teveel betaalde griffierecht voor het onder 5.2 bedoelde verzoekschrift ter hoogte van € 4.998,- dient te crediteren en terug te betalen,
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.
3726 / 1980
Kamerstukken II 1983-1984, 17838, 9, p. 6.
ECLI:NL:HR:2016:1515, r.o. 3.3.4.
ECLI:NL:PHR:2016:621, onder 4.