Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:6091

2026-05-29 Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht ROT 25/1994
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-05-29
Publicatiedatum
2026-05-27
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 25/1994
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Boete opgelegd aan slachthuis vanwege baansmeer aangetroffen op voor humane consumptie goedgekeurde hammen. Overtreding van Bijlage II, Hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening 852/2004 terecht vastgesteld. Boete terecht opgelegd.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.530 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 25/1994


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,
(gemachtigde: F.Th.M. Peters),


en


de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder,
(gemachtigden: mr. S.M. Geerding en mr. D.J. van der Bij).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 2.500, - die verweerder met het besluit van 16 augustus 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.



1.1.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.



1.2.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 23 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.



2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.




Totstandkoming van het bestreden besluit


Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen op 18 mei 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).



In het rapport van bevindingen staat onder meer het volgende:



“Bevindingen:




Datum en tijdstip van de bevinding: 30 april 2024 omstreeks 10:15 uur.





Ik heb in het bedrijf aangesproken en heb mij gelegitimeerd aan [naam] , functie: medewerkster kwaliteitsdienst.




Tijdens de inspectie bevond ik mij in de expeditie voor dagelijks regulier toezicht op de proceshygiëne. Ik liep vanuit de hygiënesluis richting de expeditie. Ik zag dat de hammen werden geladen in een koelwagen. Ik ben gaan staan in de bocht waar de hammen onder het licht komen en vandaar naar boven de vrachtwagen in gaan. Tussen de hammen zag ik meerdere delen die zichtbaar bezoedeld waren met een donker gekleurde en korrelige substantie, door mij herkend als baansmeer (foto's 1 t/m 7). De bezoedelde hammen waren voorzien van het gezondheidskeurmerk ' [keurmerk] ' (foto 6) en dus goedgekeurd voor humane consumptie. Op dit punt zijn alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de PM-keuring en alle op HACCP gebaseerde controles in dit kader van de exploitant afgelopen.




Het donker gekleurde en korrelige baansmeer bevond zich op meerdere hammen. Ik heb dit herkend als zijnde baansmeer. Baansmeer is een smeermiddel ter bevordering van de geleiding van apparatuur. Het smeermiddel heeft van zichzelf een lichte transparante kleur. Bij gebruik wordt het na verloop van tijd steeds donkerder en zwarter van kleur, door het contact met de apparatuur en de ophoping van vuil. Het smeermiddel op zichzelf kan ’food grade' zijn, echter baansmeer circuleert over een baan en kan daarbij vervuiling meenemen. Op deze manier kan het tevens fungeren als transporteur van ziektekiemen.




Toen ik zag dat meerdere bezoedelde hammen richting de koelwagen gingen om geladen te worden heb ik dit laden laten stoppen. Na mijn bevindingen heb ik de chef erbij gehaald en hem mijn bevindingen laten zien. Volgens hem was er een afspraak dat er een medewerker van [eiseres] tijdens het laden nogmaals een controle zou doen naar bezoedeling. Deze medewerker bleek bij navraag net pauze te hebben.




Enige tijd later ben ik naar het kantoor van de kwaliteitsdienst gegaan en heb de kwaliteitsdienst op de hoogte gebracht van mijn bevindingen en een Rapport van Bevindingen aangezegd. Later die dag heb ik deze aanzegging bevestigd door middel van een e-mail bericht.




Baansmeer van de baan verontreinigt het vlees. Baansmeer kan vervuiling van de baan en potentieel ziektekiemen bevatten.




Ik zag dat levensmiddelen niet in alle stadia van de productie, verwerking en distributie werden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.




Hieruit bleek mij dat werd gehandeld in strijd met het bepaalde in bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3 van Verordening (EG) 852/2004 juncto artikel 4 lid 2 van deze verordening, hetgeen een overtreding is van het bepaalde in artikel 2.4 lid 1 onder c van de Regeling dierlijke producten juncto artikel 6.2 lid 1 van de Wet dieren. (…)”



3. Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres een overtreding heeft begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, juncto artikel 2.4, eerste lid, onder c, van de Regeling dierlijke producten, juncto artikel 4, tweede lid, en Bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3, van Verordening (EG) nr. 852/2004.Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 2.500, -. Dit is het standaardboetebedrag dat daarvoor geldt op grond van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren.




Beoordeling door de rechtbank


4. Eiseres voert aan dat bij heterdaadbevindingen bij bezoedeling door baansmeer meteen een boete wordt opgelegd, terwijl bij fecale bezoedeling, wat veel erger is, een waarschuwingsregime geldt. Dit verdraagt zich volgens eiseres niet met elkaar en leidt tot disproportionele handhaving. Eiseres voert voorts aan dat de boete gematigd had moeten worden wegens bijzondere omstandigheden. In dit verband wijst eiseres op de korte uitval van een medewerker en dat de bezoedeling, beperkt tot de opperhuid, bij verdere verwerking integraal wordt verwijderd.



4.1.
Verweerder stelt dat van disproportionele handhaving geen sprake is. Het ging niet om een controle in het kader van het Handhavingsprotocol maar om een heterdaadbevinding in het kader van dagelijks regulier toezicht. Verontreiniging met baansmeer is een verontreiniging als bedoeld bijlage II, Hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening (EG) nr. 852/2004. Verweerder stelt verder dat matiging vanwege bijzondere omstandigheden niet aan de orde is. Het is de verantwoordelijkheid van eiseres om aan de voorwaarden te voldoen en verontreiniging met baansmeer is een meer dan gering risico of gevolg voor de volksgezondheid.



4.2.
In een geval als dit, waarin een boete is opgelegd, rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Verweerder moet daarom het bewijs leveren dat het slachthuis artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling dierlijke producten, en artikel 4, tweede lid, juncto met punt 3 in Hoofdstuk IX van Bijlage II van Verordening 852/2004 heeft overtreden. Voor dit bewijs steunt verweerder in dit geval op het rapport van bevindingen.



4.3.
Volgens het rapport van bevindingen zag de toezichthouder meerdere hammen die zichtbaar bezoedeld waren met een donker gekleurde en korrelige substantie, door hem herkend als baansmeer en waren deze bezoedelde hammen voorzien van het gezondheidskeurmerk ' [keurmerk] ' (foto 6) en dus goedgekeurd voor humane consumptie. Deze bevindingen worden ondersteund door de bij het rapport gevoegde foto’s. De rechtbank ziet geen grond voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouder.



4.4.
Zoals het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft overwogen in de uitspraak van 13 augustus 2024, ECLI:NL:CBB:2024:566, is het aannemelijk dat de aanwezigheid van baansmeer op voor humane consumptie goedgekeurde organen een gevaar introduceert en is daarmee sprake van een verontreiniging als bedoeld in Bijlage II, Hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening 852/2004.



4.5.
Het argument van eiseres dat de producten met baansmeer nimmer in de voedselketen terecht zouden zijn gekomen, doordat de bezoedeling bij verdere verwerking verwijderd zal worden, acht de rechtbank niet relevant. Er is sprake van een overtreding van Bijlage II, Hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening 852/2004. In punt 3 staat dat de levensmiddelen in alle stadia van de productie, verwerking en distributie moeten worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging.



4.6.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres in dit geval de genoemde bepalingen heeft overtreden. Verweerder was daarom bevoegd om eiseres een boete op te leggen.


5. De wetgever acht hier een boete van € 2.500 evenredig. De door eiseres naar voren gebrachte omstandigheden, te weten dat de medewerker die de hammen bij het laden moest controleren met pauze was en het geringe risico voor de volksgezondheid, zijn naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheden om die boete te matigen of te schrappen. Er was sprake van een verontreiniging van hammen die al geschikt waren verklaard voor humane consumptie en de risico’s of gevolgen voor de volksgezondheid zijn niet gering of uit te sluiten (zie in dit verband de uitspraak van het CBb van 13 augustus 2024). Uit wat door eiseres naar voren is gebracht, blijkt niet dat zij voldoende heeft ondernomen om de verontreiniging te voorkomen. Ook als een medewerker afwezig of met pauze is, moeten de hammen voldoen aan de voorwaarden. Al met al is de rechtbank van oordeel dat de opgelegde boete passend en geboden is.





Conclusie en gevolgen


De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres de overtreding heeft begaan. Van een matiging van de boete ziet de rechtbank geen aanleiding. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.






Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr.A. Verhoeven, griffier.




Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.






De griffier is verhinderd de uitspraak te tekenen.









griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:











Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.








BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Verordening (EG) nr. 852/2004




Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f
Definities

1. Voor de uitvoering van deze verordening gelden de volgende definities:
(...)
f) „verontreiniging": de aanwezigheid of de introductie van een gevaar;


Artikel 4, tweede lid
Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II, alsmede aan alle specifieke voorschriften van Verordening (EG) nr. 853/2004.



Bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3
In alle stadia van de productie, verwerking en distributie moeten levensmiddelen worden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op een zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd.




Wet dieren




Artikel 6.2

1. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van van EU verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.

(...)



Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.



Artikel 8.8, eerste lid

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor
categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.



Algemene wet bestuursrecht




Artikel 5:1
(...)

2. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

(...)



Artikel 5:41
Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.



Artikel 5:46

1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
2. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst
van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de
omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke
boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
4. Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.



Regeling dierlijke producten




Artikel 2.4, eerste lid, onder c

1. Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:

(…)

c. de artikelen 3 en 4, eerste, tweede en derde lid, 5, eerste lid, tweede lid, laatste alinea, en vierde lid, 6, tweede lid, laatste alinea, en derde lid, van
verordening (EG) nr. 852/2004.



Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren




Artikel 2.2, eerste lid, onder c en derde lid

1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende
boetecategorieën vastgesteld:

(...)

c. categorie 3: € 2500;
(...)
3. Bij ministeriële regeling worden de bepalingen waarvoor in geval van overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld
overeenkomstig de daarbij aangewezen boetecategorie.


Artikel 2.3
Indien de risico's of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu:

a. gering zijn of ontbreken, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gehalveerd;
b. ernstig zijn, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, verdubbeld.


Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (Verordening 852/2004).