Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:6036
2026-05-29
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ROT 25/1812
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak gaat over een maatwerkvoorziening in de vorm van een ondersteuningsarrangement op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de omvang van de benodigde ondersteuning juist heeft vastgesteld. Het beroep is ongegrond.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2016:1402 Centrale Raad van Beroep 18-05-2016
- ECLI:NL:CRVB:2018:819 Centrale Raad van Beroep 21-03-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.780 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1812
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. T. Baltus).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een maatwerkvoorziening in de vorm van een ondersteuningsarrangement op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Eiseres vindt dat het college haar voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren te laag heeft ingeschaald. De rechtbank komt in deze uitspraak echter tot het oordeel dat het college de omvang van de benodigde ondersteuning juist heeft vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 25 juli 2024 heeft het college de indicatie van eiseres voor het ondersteuningsarrangement Ouderen en Somatiek beëindigd per 28 juli 2024 (primair besluit 1). Met een afzonderlijk besluit van 25 juli 2024 (primair besluit 2) heeft het college aan eiseres een getrapt ondersteuningsarrangement toegekend voor de periode van 29 juli 2024 tot en met 27 juli 2025. Met het bestreden besluit van 9 januari 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres ontving een ondersteuningsarrangement voor het huishouden (Ouderen en Somatiek) in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Deze indicatie was geldig tot 11 april 2027. Eiseres heeft op 24 juli 2024 opnieuw een aanvraag gedaan in het kader van de Wmo 2015 voor begeleiding. Met de primaire besluiten heeft het college het ondersteuningsarrangement Ouderen en Somatiek beëindigd en heeft het college aan eiseres een getrapt ondersteuningsarrangement toegekend voor de resultaatgebieden sociaal en persoonlijk functioneren en ondersteuning bij het huishouden. Het getrapt ondersteuningsarrangement is als volgt opgebouwd. In de eerste periode van 29 juli 2024 tot en met 26 januari 2025 bestaat de ondersteuning uit:
sociaal en persoonlijk functioneren (intensiteitstrede ‘midden’) en;
ondersteuning en regie bij het huishouden (intensiteitstrede ‘4 basis’).
Eiseres ontvangt hiervoor een pgb van € 585,92 per vier weken.
In de tweede periode van 27 januari 2025 tot en met 27 juli 2025 bestaat de ondersteuning uit:
sociaal en persoonlijk functioneren (intensiteitstrede ‘beperkt/midden’) en;
ondersteuning en regie bij huishouden (intensiteitstrede ‘4 basis’).
Eiseres ontvangt hiervoor een pgb van € 463,68 per vier weken.
4. Met het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit gehandhaafd. Aan het bestreden besluit heeft het college, voor zover relevant, ten grondslag gelegd dat de inschaling van eiseres aansluit bij haar problematiek. Eiseres komt in aanmerking voor een getrapt ondersteuningsarrangement, omdat haar situatie naar verwachting kan verbeteren. De verwachting is dat haar zelfvertrouwen en zelfredzaamheid wordt vergroot door de begeleiding. Daarnaast is het de bedoeling dat zij gebruik gaat maken van diverse voorliggende voorzieningen.
Beoordeling door de rechtbank
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de gehanteerde intensiteitstrede van ‘beperkt/midden’ bij het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren niet voldoende is voor haar. Gelet op haar klachten, beperkingen en complexe problematiek heeft zij intensieve hulp nodig. Volgens eiseres dient daarom uit te worden gegaan van de intensiteitstrede ‘intensief’, dan wel ‘midden/intensief’.
6. Volgens rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) geldt als uitgangspunt dat het gemeentebestuur grote beleidsvrijheid heeft bij de uitvoering van de Wmo 2015. Dit betekent dat de beleidskeuzen van de gemeenteraad en – binnen de daarvoor gestelde grenzen – het college voor de bestuursrechter een gegeven zijn, die slechts met terughoudendheid kunnen worden getoetst. Voor maatwerkvoorzieningen bepaalt artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 daarbij dat een maatwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt.
6.1.
Verder volgt uit de rechtspraak dat wanneer melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college eerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving er zijn. Wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving. Uit de Wmo 2015 vloeit voort dat het onderzoek gericht moet zijn op de vraag in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Alleen voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn, moet het college een maatwerkvoorziening verlenen.
7. De beroepsgrond van eiseres dat zij voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren in aanmerking moet komen voor de trede ‘intensief’ dan wel ‘midden/intensief’, slaagt niet. In de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2024 (de Beleidsregels) worden de verschillende treden omschreven. Eiseres heeft niet duidelijk gemaakt waarom de trede ‘intensief’ dan wel ‘midden/intensief’ op haar van toepassing is. De enkele stelling dat zij intensieve hulp nodig heeft, is hiervoor onvoldoende. Uit het ondersteuningsverslag van 8 mei 2024 blijkt dat eiseres beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van haar dagelijkse activiteiten en dat zij behoefte heeft aan praktische ondersteuning en coaching. Met het college is de rechtbank van oordeel dat deze ondersteuning kan worden aangemerkt als passend binnen de treden midden en ‘beperkt/midden’, zoals dit wordt omschreven in de Beleidsregels. De rechtbank ziet verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat voor dit resultaatgebied een hogere trede moet worden toegekend. Bij de treden ‘midden/intensief’ en ‘intensief’ wordt ervan uitgegaan dat de cliënt niet (goed) in staat is om zelfstandig te wonen, zoals blijkt uit de Beleidsregels. Niet gebleken is dat die situatie bij eiseres aan de orde is. Daarnaast heeft het college voldoende gemotiveerd waarom zij verwacht dat de ondersteuningsbehoefte van eiseres na verloop van tijd zal afnemen. Het college gaat er namelijk van uit dat het zelfvertrouwen en de zelfredzaamheid van eiseres door de begeleiding zullen toenemen en dat zij (daardoor) steeds meer de weg zal weten te vinden naar voorliggende voorzieningen. Eiseres heeft onvoldoende toegelicht waarom deze verwachting niet realistisch zou zijn. Met het toegekende ondersteuningsarrangement wordt een passende bijdrage geleverd aan de zelfredzaamheid en participatie van eiseres.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Raad van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1402.
Zie de uitspraak van de Raad van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1812
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. T. Baltus).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een maatwerkvoorziening in de vorm van een ondersteuningsarrangement op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Eiseres vindt dat het college haar voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren te laag heeft ingeschaald. De rechtbank komt in deze uitspraak echter tot het oordeel dat het college de omvang van de benodigde ondersteuning juist heeft vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 25 juli 2024 heeft het college de indicatie van eiseres voor het ondersteuningsarrangement Ouderen en Somatiek beëindigd per 28 juli 2024 (primair besluit 1). Met een afzonderlijk besluit van 25 juli 2024 (primair besluit 2) heeft het college aan eiseres een getrapt ondersteuningsarrangement toegekend voor de periode van 29 juli 2024 tot en met 27 juli 2025. Met het bestreden besluit van 9 januari 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres ontving een ondersteuningsarrangement voor het huishouden (Ouderen en Somatiek) in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Deze indicatie was geldig tot 11 april 2027. Eiseres heeft op 24 juli 2024 opnieuw een aanvraag gedaan in het kader van de Wmo 2015 voor begeleiding. Met de primaire besluiten heeft het college het ondersteuningsarrangement Ouderen en Somatiek beëindigd en heeft het college aan eiseres een getrapt ondersteuningsarrangement toegekend voor de resultaatgebieden sociaal en persoonlijk functioneren en ondersteuning bij het huishouden. Het getrapt ondersteuningsarrangement is als volgt opgebouwd. In de eerste periode van 29 juli 2024 tot en met 26 januari 2025 bestaat de ondersteuning uit:
sociaal en persoonlijk functioneren (intensiteitstrede ‘midden’) en;
ondersteuning en regie bij het huishouden (intensiteitstrede ‘4 basis’).
Eiseres ontvangt hiervoor een pgb van € 585,92 per vier weken.
In de tweede periode van 27 januari 2025 tot en met 27 juli 2025 bestaat de ondersteuning uit:
sociaal en persoonlijk functioneren (intensiteitstrede ‘beperkt/midden’) en;
ondersteuning en regie bij huishouden (intensiteitstrede ‘4 basis’).
Eiseres ontvangt hiervoor een pgb van € 463,68 per vier weken.
4. Met het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit gehandhaafd. Aan het bestreden besluit heeft het college, voor zover relevant, ten grondslag gelegd dat de inschaling van eiseres aansluit bij haar problematiek. Eiseres komt in aanmerking voor een getrapt ondersteuningsarrangement, omdat haar situatie naar verwachting kan verbeteren. De verwachting is dat haar zelfvertrouwen en zelfredzaamheid wordt vergroot door de begeleiding. Daarnaast is het de bedoeling dat zij gebruik gaat maken van diverse voorliggende voorzieningen.
Beoordeling door de rechtbank
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de gehanteerde intensiteitstrede van ‘beperkt/midden’ bij het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren niet voldoende is voor haar. Gelet op haar klachten, beperkingen en complexe problematiek heeft zij intensieve hulp nodig. Volgens eiseres dient daarom uit te worden gegaan van de intensiteitstrede ‘intensief’, dan wel ‘midden/intensief’.
6. Volgens rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) geldt als uitgangspunt dat het gemeentebestuur grote beleidsvrijheid heeft bij de uitvoering van de Wmo 2015. Dit betekent dat de beleidskeuzen van de gemeenteraad en – binnen de daarvoor gestelde grenzen – het college voor de bestuursrechter een gegeven zijn, die slechts met terughoudendheid kunnen worden getoetst. Voor maatwerkvoorzieningen bepaalt artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 daarbij dat een maatwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt.
6.1.
Verder volgt uit de rechtspraak dat wanneer melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college eerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving er zijn. Wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving. Uit de Wmo 2015 vloeit voort dat het onderzoek gericht moet zijn op de vraag in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Alleen voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn, moet het college een maatwerkvoorziening verlenen.
7. De beroepsgrond van eiseres dat zij voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren in aanmerking moet komen voor de trede ‘intensief’ dan wel ‘midden/intensief’, slaagt niet. In de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Rotterdam 2024 (de Beleidsregels) worden de verschillende treden omschreven. Eiseres heeft niet duidelijk gemaakt waarom de trede ‘intensief’ dan wel ‘midden/intensief’ op haar van toepassing is. De enkele stelling dat zij intensieve hulp nodig heeft, is hiervoor onvoldoende. Uit het ondersteuningsverslag van 8 mei 2024 blijkt dat eiseres beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van haar dagelijkse activiteiten en dat zij behoefte heeft aan praktische ondersteuning en coaching. Met het college is de rechtbank van oordeel dat deze ondersteuning kan worden aangemerkt als passend binnen de treden midden en ‘beperkt/midden’, zoals dit wordt omschreven in de Beleidsregels. De rechtbank ziet verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat voor dit resultaatgebied een hogere trede moet worden toegekend. Bij de treden ‘midden/intensief’ en ‘intensief’ wordt ervan uitgegaan dat de cliënt niet (goed) in staat is om zelfstandig te wonen, zoals blijkt uit de Beleidsregels. Niet gebleken is dat die situatie bij eiseres aan de orde is. Daarnaast heeft het college voldoende gemotiveerd waarom zij verwacht dat de ondersteuningsbehoefte van eiseres na verloop van tijd zal afnemen. Het college gaat er namelijk van uit dat het zelfvertrouwen en de zelfredzaamheid van eiseres door de begeleiding zullen toenemen en dat zij (daardoor) steeds meer de weg zal weten te vinden naar voorliggende voorzieningen. Eiseres heeft onvoldoende toegelicht waarom deze verwachting niet realistisch zou zijn. Met het toegekende ondersteuningsarrangement wordt een passende bijdrage geleverd aan de zelfredzaamheid en participatie van eiseres.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Raad van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1402.
Zie de uitspraak van de Raad van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819.