Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:6027

2026-02-18 Civiel recht C/10/713908 / KG ZA 26-82
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-02-18
Publicatiedatum
2026-05-27
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/10/713908 / KG ZA 26-82
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Deurwaardersrenvooi. Deurwaarder moet executie staken. Gedaagde heeft voldoende aannemelijk gemaakt alles te hebben gedaan om te voldoen aan kort geding vonnis. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt wat gedaagde nog meer of anders had kunnen doen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.316 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team handel en haven




Zaaknummer: C/10/713908 / KG ZA 26-82




Vonnis in kort geding van 18 februari 2026




in de zaak die door




F.S. KROESEMEIJER,
toegevoegd gerechtsdeurwaarder te Delft,
optredend als executerend deurwaarder,
hierna te noemen: de deurwaarder,



op grond van artikel 438 lid 5 Rv aanhangig is gemaakt tussen





[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.A.M. van de Sande,



tegen





[gedaagde]
,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. S. Kandemir.






1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal op grond van artikel 438 lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (gerechtsdeurwaardersrenvooi) van 27 januari 2026, met producties;- de e-mail van 4 februari 2026 van [eiser] , met producties; - de brief van 12 februari 2026 van [gedaagde] , met producties; - de mondelinge behandeling op 16 februari 2026;- de zittingsnotities van mr. Van de Sande.







2De feiten


2.1.

Op 30 oktober 2025 is tussen [eiser] en [gedaagde] een vonnis in kort geding gewezen met zaaknummer C/10/707393 / KG ZA 25-972. Dit vonnis luidt, voor zover van belang, als volgt:
“4. De beoordeling

(…)

4.2. Volgens [eiser] heeft hij een spoedeisend belang bij het gevorderde omdat hij zonder de gevorderde medewerking niet in staat is om een hypothecaire financiering te krijgen voor een nieuwe woning. Hij heeft dat met stukken voldoende aannemelijk gemaakt. Uit die stukken volgt bovendien dat [gedaagde] al sinds half september op de hoogte is van het verzoek van [eiser] – en niet pas sinds een week – en tot slot is het spoedeisend belang niet betwist. De gevorderde “benodigde inspanningen” omvatten weinig meer dan het zetten van een handtekening, aldus [eiser] . (…)







5De beslissing



De voorzieningenrechter





5.1.


veroordeelt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de benodigde inspanningen te verrichten om het ontslag van [eiser] voor de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypthecaire geldlening die betrekking heeft op het appartement staande en gelegen te [adres] , te bewerkstelligen


5.2.


veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een eenmalige dwangsom te betalen van € 25.000,00 indien zij niet tijdig aan de hoofdveroordeling in 5.1. voldoet,


5.3.


compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,


5.4.


verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,


5.5.


wijst het meer of anders gevorderde af.”.



2.2.
Op 31 oktober 2025 is het vonnis aan [gedaagde] betekend, met daarbij het bevel om aan de veroordelingen in het vonnis te voldoen.



2.3.

[gedaagde] heeft na betekening van het vonnis direct via de e-mail en WhatsApp contact opgenomen met haar hypotheekadviseur en een hypothecair financier. Zij heeft voorts op 31 oktober 2025 een volmacht voor de medewerkers van een notariskantoor ondertekend. Daarmee worden die medewerkers gevolmachtigd om voor en namens [gedaagde] de woning aan de [adres] in eigendom te aanvaarden, de ter zake nodige akten en stukken te doen opmaken, te verlijden en te tekenen.



2.4.
Bij exploot van 7 november 2025 is [gedaagde] aangezegd dat zij een dwangsom van € 25.000,- heeft verbeurd en bevel gedaan om dat bedrag te betalen. Een vervolgens gelegd derdenbeslag, dat een bedrag van € 15.000,- zou hebben geraakt, is kort nadien opgeheven. Op 4 december 2025 is [gedaagde] , opnieuw, aangezegd dat zij een dwangsom van € 25.000,- heeft verbeurd en bevel gedaan om een bedrag van € 25.000,00 te betalen. [gedaagde] heeft niet aan dit bevel voldaan.



2.5.
Op 8 december 2025 heeft de deurwaarder in opdracht van [eiser] twee auto’s van [gedaagde] in executoriaal beslag genomen en de executoriale verkoop van beide auto’s aangezegd tegen 21 januari 2026. De executoriale verkoop is in verband met deze procedure uitgesteld tot 20 februari 2026.



2.6.
De hypotheekakte voor de woning gelegen aan de [adres] is gepasseerd op 11 februari 2026.






3Het bezwaar


3.1.
De deurwaarder heeft in zijn proces-verbaal ex artikel 438 lid 5 Rv van 27 januari 2026 toegelicht dat een beroep op zijn ministerieplicht wordt gedaan door [eiser] met als doel de ambtshandeling (de executoriale openbare verkoop van roerende zaken) uit te voeren en dat hij tot deze verkoop wenst over te gaan, maar dat [gedaagde] zich daartegen verzet, omdat – zo begrijpt de voorzieningenrechter – [gedaagde] vindt dat zij heeft voldaan aan de veroordeling in het vonnis van 30 oktober 2025 en daarom geen dwangsom heeft verbeurd. De voorzieningenrechter begrijpt het bezwaar aldus dat de deurwaarder een oordeel van de voorzieningenrechter vraagt over de vraag of het standpunt van [gedaagde] juist is en, in het verlengde daarvan, om te beslissen of de executoriale openbare verkoop van de auto’s kan worden doorgezet.



3.2.

[eiser] en [gedaagde] hebben tijdens de mondelinge behandeling hun standpunten naar voren gebracht.






4De beoordeling


4.1.
Op grond van artikel 438 lid 5 Rv kan de deurwaarder die met de executie is belast en die daarbij op een bezwaar stuit dat een onverwijlde voorziening nodig maakt zich met een daarvan door hem opgemaakt proces-verbaal tot de voorzieningenrechter wenden om dit in kort geding tussen de betrokken partijen te laten beslissen.



4.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] aan de veroordeling in het vonnis van 30 oktober 2025 voldaan, is [gedaagde] geen dwangsom verschuldigd geworden en moet, daarom, de executoriale openbare verkoop van de auto’s worden verboden. De voorzieningenrechter legt dit hierna uit.



4.3.
In het vonnis van 30 oktober 2025 is [gedaagde] veroordeeld om “binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de benodigde inspanningen te verrichten om het ontslag van [eiser] voor de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening die betrekking heeft op het appartement staande en gelegen te [adres] , te bewerkstelligen”.



4.4.
De beantwoording van de vraag of [gedaagde] een dwangsom is verschuldigd, dient in een geval als het onderhavige (veroordeling om iets te doen) plaats te vinden door een toetsing van de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij geldt als regel dat de verplichtingen op grond van de veroordeling niet verder gaan dan nodig om het doel van de veroordeling te bereiken. Er moet bovendien geen twijfel bestaan of wat [gedaagde] heeft gedaan (of: niet heeft gedaan), een overtreding van de veroordeling inhoudt.



4.5.
De voorzieningenrechter is met [gedaagde] van oordeel dat de veroordeling een inspanningsverplichting inhoudt, en dus geen resultaatsverplichting zoals [eiser] lijkt te stellen. [gedaagde] moest zich binnen twee dagen na betekening van het vonnis inspannen om het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiser] te bewerkstelligen. De veroordeling hield niet in dat dit ontslag ook binnen die termijn van twee dagen werd gerealiseerd. Anders geformuleerd ging het erom dat [gedaagde] vrijwel direct zou beginnen met alles wat nodig was om het ontslag uit de hoofdelijkheid van [eiser] te bewerkstelligen en in dat kader voortvarendheid zou (blijven) betrachten.



4.6.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] aan de verplichtingen die uit het vonnis voortvloeien heeft voldaan. Er is weliswaar sprake van een fors tijdverloop tussen de betekening van het vonnis (31 oktober 2025) en het moment van daadwerkelijk ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van [eiser] (11 februari 2026), maar in redelijkheid kan niet gezegd worden dat dit aan [gedaagde] is te wijten en evenmin dat zij in strijd met de veroordeling heeft gehandeld. Uit de door [gedaagde] overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat zij direct na betekening van het vonnis is overgegaan tot instructie van haar financieel adviseur(s) en haar hypotheeknemer om de benodigde handelingen te verrichten om te bewerkstelligen dat [eiser] ontslagen zou worden uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning. Dat het daadwerkelijke ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid langer dan twee dagen heeft geduurd, maakt dit gelet op wat hiervoor in 4.5. is overwogen niet anders. Evenmin is relevant dat het traject om tot ontslag te komen “pas” in januari 2026 in een stroomversnelling terecht is gekomen. Algemeen bekend is immers dat een hypotheekaanvraag van een zelfstandig ondernemer tijd kost en dat notarissen, zeker aan het einde van het jaar en in een periode met veel feestdagen, drukbezet zijn. Bovendien had [gedaagde] tijd nodig om verschillende financiële stukken op te (laten) stellen. Van [gedaagde] kon in redelijkheid niet worden verwacht dat zij dit allemaal binnen twee dagen zou hebben geregeld. Het is verder niet gebleken dat [gedaagde] het traject ná 31 oktober 2025 op enig moment op zijn beloop heeft gelaten of heeft getraineerd en [eiser] heeft niet toegelicht wat [gedaagde] , in de gegeven situatie dat na het vonnis gestart moest worden met alles wat nodig was om te komen tot het gewenste ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, anders of meer had moeten doen in de twee dagen na betekening van het vonnis van 30 oktober 2025.



4.7.
Als [eiser] overigens zou worden gevolgd in zijn standpunt dat de veroordeling een resultaatsverplichting inhoudt, inhoudende dat [gedaagde] binnen twee dagen na betekening van het vonnis moest zorgen voor ontslag van [eiser] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, dan heeft te gelden dat [eiser] de voorzieningenrechter vóór het wijzen van het vonnis onjuist heeft voorgelicht. Uit de beoordeling in het vonnis van 30 oktober 2025 blijkt dat [eiser] tijdens de mondelinge behandeling in die zaak heeft aangevoerd dat de door hem gevorderde medewerking en benodigde inspanningen om hem door [gedaagde] te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning “weinig meer dan het zetten van een handtekening zouden omvatten”. Deze mededeling van [eiser] – die redengevend is geweest voor de wijze waarop de voorlopige voorziening in het vonnis van 30 oktober 2025 is toegewezen (als gevorderd) en dan met name voor wat betreft de daarin opgenomen termijn om aan de veroordeling te voldoen – is met de kennis van nu onjuist gebleken. Immers, uit de door [gedaagde] in het geding gebrachte stukken blijkt dat de door haar verrichte inspanningen aanmerkelijk meer inhielden dan enkel het zetten van een handtekening. [gedaagde] moest bijvoorbeeld nog een volledige hypotheekaanvraag doorlopen. Vanwege het feit dat [gedaagde] pas anderhalf jaar zelfstandig ondernemer is, nam dat extra tijd in beslag. Bovendien moest [gedaagde] ten behoeve van die hypotheekaanvraag verschillende financiële stukken van haar eenmanszaak indienen, waarvan een deel kennelijk met spoed is opgemaakt. Kortom, bij een juiste voorstelling van zaken zou direct duidelijk zijn geweest dat een termijn van twee dagen om het ontslag van [eiser] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te hebben bewerkstelligd onhaalbaar was.



4.8.
De conclusie is dan ook dat [gedaagde] in redelijkheid heeft voldaan aan de in het vonnis van 30 oktober 2025 uitgesproken veroordeling en dat zij de daarin opgelegde dwangsom niet heeft verbeurd. De (verdere) tenuitvoerlegging van het executoriale beslag mist daarom een grondslag en moet worden gestaakt.



De proceskosten




4.9.
Voor een deurwaardersrenvooi op grond van artikel 438 lid 5 Rv is geen griffierecht verschuldigd. Verder vloeit het geschil tussen partijen voort uit de echtscheiding van [eiser] en [gedaagde] , zodat aanleiding bestaat om de proceskosten voor het overige te compenseren. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.






5De beslissing


De voorzieningenrechter:



5.1.
stelt vast dat [gedaagde] heeft voldaan aan de in het vonnis van 30 oktober 2025 uitgesproken veroordeling om binnen twee dagen na betekening van dat vonnis de benodigde inspanningen te verrichten om het ontslag van [eiser] voor de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening die betrekking heeft op het appartement staande en gelegen te [adres] , te bewerkstelligen;



5.2.
beslist dat de deurwaarder zijn ministerie moet onthouden en de door [eiser] opgedragen executie van het vonnis van de voorzieningenrechter te Rotterdam van 30 oktober 2025 moet staken;



5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.



5.4.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;




Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.



4049/2009