Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:5706

2026-05-20 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ROT 25/6070
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-05-20
Publicatiedatum
2026-05-19
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 25/6070
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

SV. Tussenuitspraak. Terugvordering Wajonguitkering. De rechtbank is van oordeel dat het UWV met de gegeven toelichting op zitting onvoldoende heeft toegelicht dat in dit geval niet van de hoofdregel kan worden afgeweken, dan wel dat geen sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.001 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 25/6070


tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , uit [woonplaats] , eiseres


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam 2] ).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over een terugvordering van te veel uitbetaalde Wajong-uitkering. Eiseres is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld.



1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit gebreken bevat. Het UWV krijgt de mogelijkheid deze gebreken te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop


2. Met het primaire besluit van 1 mei 2025 heeft het UWV bepaald dat eiseres een bedrag van € 1.636,98, dat zij te veel aan Wajong-uitkering heeft ontvangen, dient terug te betalen aan het UWV. Met het bestreden besluit van 30 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.



2.1.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op zitting behandeld op 25 februari 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het UWV.





Beoordeling door de rechtbank
Wat is er gebeurd?
3. Eiseres ontvangt een Wajong-uitkering. Over de periode van 13 mei 2024 tot en met 31 augustus 2024 ontving eiseres deze uitkering in de vorm van een voorschot, omdat zij daarnaast ook inkomsten uit werk had. Met het primaire besluit heeft het UWV de hoogte van de uitkering van eiseres over deze periode definitief berekend. Daarbij heeft het UWV vastgesteld dat eiseres in mei 2024 € 436,60 en in augustus 2024 € 1.200,38 (in totaal € 1.636,98) te veel uitkering heeft ontvangen en dient terug te betalen. Met het bestreden besluit is het UWV bij het primaire besluit gebleven.



Waar gaat het om in deze zaak?


4. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft bepaald dat eiseres een bedrag van € 1.636,98 moet terugbetalen. De voor de beoordeling van het beroep relevante wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.



Het standpunt van eiseres


5. Eiseres voert aan dat zij bij [bedrijf] werkzaam is geweest van 3 mei 2024 tot en met eind juli 2024. Eiseres heeft dit aan het UWV doorgegeven en heeft in de maanden juni en juli 2024 geen voorschot Wajong-uitkering ontvangen. In de maand mei heeft eiseres deels een voorschot op haar Wajong-uitkering ontvangen, omdat ze halverwege de maand mei 2024 feitelijk met haar werkzaamheden is begonnen en zonder voorschot geen inkomen zou hebben om de vaste lasten te voldoen. Per 1 augustus 2024 was zij werkloos. Omdat [bedrijf] het loon per vier weken uitbetaalde, heeft zij op 15 augustus 2024 loon ontvangen dat ziet op gewerkte uren in de maand juli 2024 (week 29, 30 en 31). Volgens eiseres heeft het UWV dit inkomen van [bedrijf] ten onrechte toegerekend aan de maand augustus omdat zij in augustus 2024 niet heeft gewerkt. Die inkomsten waren bedoeld om haar vaste lasten voor de maand juli te voldoen en om schulden af te lossen. De vaste lasten van de maand augustus 2024 heeft eiseres met de ontvangen Wajong-uitkering van die maand betaald. Eiseres stond in die periode (tot aan 1 juni 2025) onder bewind en zat in een MSNP-traject. Door de terugvordering heeft eiseres voor de maand augustus 2024 geen geld om haar vaste lasten te betalen en lopen haar schulden op. Zij is door de terugvordering daarom in financiële problemen gekomen.



Het standpunt van het UWV


6. Het UWV heeft het standpunt ingenomen dat moet worden uitgegaan van de loongegevens uit de polisadministratie. Eiseres heeft geen informatie aangeleverd dat de polisadministratie niet juist is. Omdat eiseres het loon van de maand juli 2024 heeft ontvangen in de maand augustus 2024 en [bedrijf] van deze inkomsten in het aangiftetijdvak van de maand augustus 2024 opgave heeft gedaan, is de hoofdregel dat dit loon dient te worden toegerekend aan het tijdvak augustus 2024. Als het loon dat in augustus 2024 is uitbetaald, aan de maand juli 2024 zou worden toegerekend, dan komt dit volgens het UWV ook niet overeen met de systematiek die in de periode van 13 mei 2024 tot en met 31 juli 2024 is gevolgd. In die periode is het loon telkens toegerekend aan de maand waarin het loon is ontvangen. Volgens het UWV is geen sprake van vierwekelijkse verloning. Het UWV wijst in dit verband op het overzicht uit Suwinet, waarin staat vermeld dat [bedrijf] maandelijks heeft betaald. Dit maakt dus ook niet dat het loon dat in augustus 2024 is uitbetaald aan de maand juli 2024 moet worden toegerekend. Eiseres heeft ook verder geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht om van de hoofdregel af te wijken.




Wat is het oordeel van de rechtbank?


7. Tussen partijen is niet in geschil dat het UWV het inkomen van eiseres op een juiste wijze heeft berekend. Partijen zijn het er ook over eens dat eiseres in mei 2024 te veel Wajong-uitkering heeft ontvangen en dat eiseres over die maand een bedrag van € 436,60 moet terugbetalen. Partijen verschillen van mening over de vraag of het UWV het loon van juli 2024 terecht aan de maand augustus 2024 heeft toegerekend en of eiseres de Wajong-uitkering, die zij in augustus 2024 heeft ontvangen, dient terug te betalen.

8. Het UWV is bij de berekening van het recht op Wajong-uitkering uitgegaan van de loongegevens in de polisadministratie. De gegevens hiervan zijn afkomstig van de Belastingdienst en [bedrijf] . Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van beroep (CRvB), de hoogste bestuursrechter in sociale verzekeringswetzaken, mag het UWV uitgaan van de gegevens in de polisadministratie, tenzij hierin noodzakelijke gegevens ontbreken of aangetoond wordt dat deze gegevens onjuist zijn. Niet gebleken is dat in de polisadministratie gegevens ontbreken en eiseres heeft ook niet aangetoond dat de gegevens, die het UWV heeft gebruikt, onjuist zijn. Gelet op het overzicht uit Suwinet en de door eiseres overgelegde loonstrook van 14 augustus 2024, is het UWV er in de berekeningen terecht van uitgegaan dat [bedrijf] het SV-loon per maand (en niet vierwekelijks) heeft uitbetaald. Daarnaast heeft het UWV overeenkomstig de hoofdregel uit de wet- en regelgeving de genoten inkomsten toegerekend aan de maand waarin de betaling heeft plaatsvonden. Het loon voor de werkzaamheden die eiseres in juli 2024 heeft verricht, heeft het UWV daarmee toegerekend aan augustus 2024.


8.1.
Uit wet- en regelgeving volgt dat het UWV van de hoofdregel kan afwijken. Het UWV kan daarbij (1) het loon dat in een aangiftetijdvak is genoten, toerekenen aan de dag waarop dat loon betrekking heeft. Het UWV kan (2) ook het inkomen op een andere wijze berekenen, als toepassing hiervan tot een onredelijk resultaat leidt (hardheidsclausule). Uit rechtspraak van de CRvB volgt dat niet elk nadeel kan worden aangemerkt als een kennelijk onredelijk resultaat. Het moet gaan om een nadeel dat wegens bijzondere omstandigheden onevenredig is in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Het betoog van eiseres dat de toerekening van het loon van juli 2024 aan de maand augustus 2024, voor haar tot financiële problemen leidt, vat de rechtbank op als een beroep op deze twee uitzonderingen op de hoofdregel.



8.2.
Ten aanzien van de eerste uitzonderingsmogelijkheid heeft het UWV op zitting toegelicht dat er mogelijk beleid bestaat voor toepassing van artikel 4:1, zevende lid, van het AIB, maar het UWV heeft niet nader toegelicht wat dit beleid inhoudt en of er in dit geval aanleiding bestaat om dit artikellid toe te passen. Ten aanzien van de tweede uitzonderingsmogelijkheid (de hardheidsclausule) heeft het UWV op zitting aangegeven dat er geen sprake is van een bijzonder geval. De rechtbank is van oordeel dat het UWV met de gegeven toelichting op zitting onvoldoende heeft toegelicht dat in dit geval niet van de hoofdregel kan worden afgeweken, dan wel dat geen sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat. Daarmee bevat het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.





Conclusie en gevolgen

9. Gelet op de geconstateerde gebreken is het bestreden besluit van 30 juni 2025 in strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:51a van de Awb het UWV in de gelegenheid te stellen deze gebreken te herstellen. De rechtbank doet daarom met toepassing van artikel 8:80a van de Awb een tussenuitspraak. Het UWV dient nader te motiveren of er beleid is met betrekking tot het toepassen van artikel 4:1, zevende lid, van het AIB, wat dit beleid inhoudt en of er in dit geval aanleiding bestaat om dit artikellid toe te passen. Daarnaast dient het UWV nader te motiveren of en waarom in dit geval wel of geen sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat, als bedoeld in artikel 4:1, elfde lid, van het AIB. Het UWV kan de gebreken herstellen met hetzij een aanvullende motivering, hetzij voor zover nodig een nieuwe beslissing op bezwaar na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.

10. Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen een week na verzending van deze tussenuitspraak, meedelen aan de rechtbank of gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres, na ontvangst van de reactie van het UWV, in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

11. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten in beginsel in strijd met de goede procesorde wordt geacht.

12. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.





Beslissing


De rechtbank:




draagt het UWV op binnen een week na verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;


stelt het UWV in de gelegenheid om binnen drie weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;


bepaalt dat eiseres, na ontvangst van de reactie van het UWV, een termijn van vier weken krijgt om hierop te reageren;


houdt iedere verdere beslissing aan.





Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving





Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)


Artikel 2:59. Terugvordering


1. Een inkomensvoorziening die op grond van dit hoofdstuk onverschuldigd is betaald, hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 2:58 door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen onverschuldigd is betaald of verstrekt, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
(…)
5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
(…)



Algemeen inkomensbesluit sociale zekerheidswetten


Artikel 3:2. Inkomen


1. Onder inkomen wordt verstaan:

a. hetgeen onder loon wordt verstaan op grond van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van die wet, met dien verstande dat niet tot het inkomen worden gerekend:
1°. uitkeringen op grond van een werknemersverzekering of wachtgeld als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, tweede zin, van de Werkloosheidswet, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat;
2°. hetgeen wordt genoten uit loondoorbetaling indien het overeengekomen loon niet volledig wordt doorbetaald, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat;
(…)




Artikel 3:6 Uitzonderingen voor de Wajong


1. Bij het bepalen van het inkomen, bedoeld in de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, zijn de artikelen 2:2, derde lid, 2:4, derde lid, 2:5 en 3:3, tiende en elfde lid, van overeenkomstige toepassing.
2. Bij het bepalen van het inkomen, bedoeld in het eerste lid wordt, in afwijking van artikel 3:2, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, onder inkomen verstaan hetgeen onder loon wordt verstaan op grond van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van die wet.
(…)





Artikel 4:1. Vaststelling inkomen


1. Het inkomen voor de toepassing van:

(…)
b. de Toeslagenwet, de Ziektewet en de artikelen 1a:4, vierde lid, 2:6 en 3:2a van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten wordt herleid tot een bedrag per dag.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de kalendermaand gesteld op 21,75 dagen. De kalenderweek wordt gesteld op vijf dagen. Het boek- of kalenderjaar wordt gesteld op 261 dagen.
3. Bij de toepassing van het eerste lid wordt het loon of het inkomen in verband met arbeid, bedoeld in artikel 3:5, vierde lid, door de uitkeringsgerechtigde geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon of dat inkomen in verband met arbeid opgave heeft gedaan.
(…)
7. De SVB of het UWV kan bij de vaststelling van het inkomen het loon dat door de uitkeringsgerechtigde is genoten in een aangiftetijdvak, toerekenen aan de dag waarop dat loon betrekking heeft.
(…)
11. Indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat bepaalt de SVB of het UWV het inkomen op een andere wijze.



Wet financiering sociale zekerheidswetten


Artikel 16. Loon


1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964.
(…)



Wet op de loonbelasting 1964


Artikel 13a


1. Loon wordt beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop het:

a. betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de werknemer wordt gesteld of rentedragend wordt, dan wel
b. vorderbaar en tevens inbaar wordt.
(…)



Minnelijk schuldsaneringstraject natuurlijke personen


Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2021:763 en ECLI:NL:CRVB:2018:1531.


Artikel 4:1, derde lid, van het Algemeen inkomensbesluit sociale zekerheidswetten (AIB).


Artikel 4:1, zevende lid, van het AIB.


Artikel 4:1, elfde lid, van het AIB.


Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2022:173 en ECLI:NL:CRVB:2023:922.