Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:5619

2026-05-21 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ROT 25/5223
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-05-21
Publicatiedatum
2026-05-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 25/5223
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) heeft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 63,85%.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.113 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 25/5223


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. M.J. Meijer),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: mr. N.J.E. Pappot).



Samenvatting


De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) heeft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 63,85%.





Procesverloop


1.1.
Met het besluit van 21 maart 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV de aan eiseres toegekende loongerelateerde WIA-uitkering naar een mate van 100% arbeidsongeschiktheid met ingang van 23 juni 2023 (de datum in geding) omgezet in een loonaanvullingsuitkering.



1.2.
De (ex-)werkgever heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Eiseres heeft op 30 oktober 2023 een wijziging in haar gezondheid doorgegeven.



1.3.
Naar aanleiding van het bezwaar van de (ex-)werkgever van 11 april 2023 en de doorgegeven wijziging in gezondheid, heeft het UWV een herbeoordeling uitgevoerd en op 18 juli 2024 een voornemen tot wijziging van het primaire besluit gestuurd.



1.4.
Eiseres en haar (ex-)werkgever hebben hierop gereageerd.



1.5.
Het UWV heeft een heroverweging in bezwaar gemaakt en op 4 februari 2025 nogmaals een voornemen tot wijziging van het primaire besluit gestuurd, waarin de maatman van eiseres is aangepast.



1.6.
Eiseres en haar (ex-)werkgever hebben hierop gereageerd.



1.7.
Met het besluit van 28 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen het voornemen tot wijziging van de beslissing gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 23 juni 2023 op 63,85% vastgesteld.



1.8.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



1.9.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.10.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.



1.11.
De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.





Totstandkoming van het bestreden besluit


2. Eiseres ontvangt per 8 oktober 2021 een WIA-uitkering naar een mate van 100% arbeidsongeschiktheid op arbeidskundige gronden. Met de beslissing van 21 maart 2023 heeft het UWV met ingang van 23 juni 2023 de loongerelateerde uitkering omgezet in een loonaanvullingsuitkering.



2.1.
De (ex-)werkgever, die eigenrisicodrager WGA is, heeft bezwaar gemaakt tegen het voornoemde besluit en heeft om een verzekeringsgeneeskundig en/of arbeidskundige herbeoordeling verzocht. Eiseres heeft op 30 oktober 2023 ook een wijziging in haar gezondheid aan het UWV doorgegeven.



2.2.
In verband hiermee heeft de verzekeringsarts op 4 april 2024 een medisch spreekuur gehouden en op diezelfde datum een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, geldig per 23 juni 2023. Daarin zijn beperkingen aangegeven ten aanzien van fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen een drietal functies geselecteerd, te weten administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten (SBC-code 111180) en verkoper tickets (SBC-code 316011). Het loon dat met de mediaanfunctie (de middelste van de eerste drie geselecteerde functies) verdiend kan worden ligt 45,51% lager dan het maatmaninkomen van eiseres. Vervolgens heeft het UWV een voornemen tot wijziging van de beslissing aan partijen verstuurd.



2.3.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapportage van 3 december 2024 geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van de door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen in de FML. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is bij het rapport van 31 januari 2024 tot een gewijzigd maatmanloon gekomen. Hij heeft het nieuwe maatmanloon afgezet tegen de mediaanfunctie en de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres vastgesteld op 63,85%. Vervolgens heeft het UWV op 4 februari 2025 nogmaals een voornemen tot wijziging van de beslissing aan partijen verstuurd.





2.4.

Naar aanleiding van de bezwaargronden van eiseres tegen het voornemen van
4 februari 2025 heeft een verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige heroverweging plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep komt in zijn rapportage van
27 februari 2025 tot de conclusie dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van de door de verzekeringsarts aangegeven beperkingen in de FML. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep komt in zijn rapportage van 22 mei 2025 tot de conclusie dat er geen reden is om af te wijken van de eerdere beoordeling van 31 januari 2024 of tot verdere aanpassing van de maatmanomvang. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.






Standpunt eiseres


3. Eiseres voert in beroep - samengevat - aan dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest. De beoordeling van haar medische situatie en de totstandkoming van de belastbaarheid bevatten lacunes en missen een deugdelijke onderbouwing. Er is onvoldoende rekening gehouden met de klachten van eiseres en met de later ingezonden informatie van behandelend artsen. Daarnaast is haar medische situatie onderschat en ervaart zij in het dagelijks functioneren forse beperkingen, die onvoldoende in de vastgestelde FML worden weerspiegeld. Zij is niet in staat tot het verrichten van arbeid conform de aangenomen urenbelasting en taakinhoud. De geselecteerde functies in het kader van de arbeidskundige beoordeling zijn niet geschikt, gelet op haar daadwerkelijke belastbaarheid.





Beoordeling door de rechtbank


4. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres terecht per 23 juni 2023 heeft vastgesteld op 63,85%.



5.1.
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) volgt dat de omstandigheid dat eiseres in de fase van de heroverweging in bezwaar niet opnieuw fysiek door een verzekeringsarts op een spreekuur is gezien niet meebrengt dat dus sprake is van een onzorgvuldig medisch onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveert in zijn rapportage dat geen spreekuur in bezwaar heeft plaatsgevonden, omdat er voldoende medische gegevens voorhanden waren. De rechtbank kan dat oordeel volgen, omdat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, anamnese, psychisch en lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts, het gestelde in het bezwaarschrift en de medische informatie afkomstig van de behandelend sector, welke in de nadere rapportages meegewogen is. Daarmee heeft het verzekeringsgeneeskundige onderzoek naar het oordeel van de rechtbank zorgvuldig plaatsgevonden.



5.2.
Dat geen informatie is ontvangen van de behandelend sector, ondanks het verzoek daartoe, maakt dat niet anders. Volgens vaste rechtspraak van Raad zijn er twee situaties waarin informatie bij de behandeld sector kan worden opgevraagd. Een van die situaties is dat is gesteld of gebleken dat rond datum in geding sprake is van een behandeling of het inzetten van een behandeling die een beduidend effect zou kunnen hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. Die situatie is in het geval van eiseres niet aan de orde, omdat eiseres de behandeling bij de pijnspecialist in maart 2023, en dus ook op datum in geding (23 juni 2023) reeds had afgerond. De andere situatie is wanneer de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft. Van een beredeneerd afwijkend standpunt blijkt niet uit de aanwezige en aangeleverde informatie.

6. Wat eiseres in beroep heeft aangevoerd geeft verder geen reden het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden.

De verzekeringsarts heeft inzichtelijk gemotiveerd op welke aspecten eiseres beperkt is en op welke niet. Hij heeft tot een verbetering van de belastbaarheid ten opzichte van het oordeel in 2021 geconcludeerd, omdat bij onderzoek op het spreekuur er geen radiculaire prikkeling was, er geen ernstige bewegingsbeperkingen waren, de kracht in het rechterbeen iets minder was en er geen uitvalsverschijnselen waren. Uit de dagelijkse activiteiten blijkt dat eiseres op de datum in geding ADL zelfstandig is, lichte huishoudelijke activiteiten verricht en kleine stukjes autorijdt. Er is ook geen sprake van dagelijks terugkerende structurele bedrust van meerdere uren per dag. Met de in de FML aangegeven beperkingen is voldoende tegemoet gekomen aan de te vermijden specifieke rugbelasting.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden beargumenteerd hoe de beoordeling tot stand is gekomen en daarbij adequaat gereageerd op de informatie van de behandelend neuroloog van eiseres bij brief van 17 februari 2025. Hij heeft toegelicht dat er geen reden is voor verdergaande beperkingen in de FML, omdat de verzekeringsarts meer beperkingen heeft aangenomen om overmatige rugbelasting te beperken dan de neuroloog in het algemeen opsomt, zoals: beschermende middelen, trillingen, lopen, staan, extra eisen aan zitten, duwen, trekken, dragen, traplopen, klimmen, knielen, hurken, gebogen of getordeerd werken.
Wat eiseres heeft aangevoerd, maakt niet dat de rechtbank twijfelt aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen. De rechtbank merkt daarbij op dat het bij deze beoordeling gaat om de beperkingen die objectief medisch kunnen worden onderbouwd. De klachten die iemand ervaart of een gestelde diagnose is dan ook niet beslissend.


7. Ten aanzien van de urenbeperking overweegt de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd heeft toegelicht dat er uitgaande van de standaard ‘Duurbelastbaarheid in Arbeid’ geen medische indicatie is om een verdergaande beperkingen van de duurbelastbaarheid aan te nemen bij passende arbeid, rekening houdend met de beperkingen. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen sprake van een stoornis in de energiehuishouding die hier aanleiding toe geeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet onvoldoende grond om vanwege de vermoeidheidsklachten op energetische gronden een beperking van de duurbelastbaarheid aan te geven. Er is geen sprake is van een dagelijkse terugkerende structurele bedrust van meerdere uren. Evenmin is er structureel verminderde belastbaarheid door het moeten ondergaan van een voorgeschreven behandeling.

8. Uit het voorgaande volgt dat het UWV de functionele mogelijkheden van eiseres correct heeft vastgesteld. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van eiseres overschrijdt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd dat de geselecteerde functies binnen de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde belastbaarheid vallen. De door eiseres genoemde overschrijdingen van haar belastbaarheid in de functie administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) volgen niet uit de in het CBBS genoemde signaleringen voor deze functie. Uit de functieomschrijving blijkt niet dat sprake is van zes uur achtereen zitten, maar van tweemaal dertig minuten achtereen, en viermaal vijftien minuten achtereen. Datzelfde geldt voor reiken, buigen en toetsenbord- en muisgebruik. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 31 januari 2025 verder inzichtelijk gemotiveerd dat de geduide functies binnen haar belastbaarheid vallen, omdat zij binnen de grenzen van de FML blijven en in de totaalbelasting ook geschikt zijn. Uitgaande van de juistheid van de medische beperkingen die bij eiseres zijn vastgesteld, ziet de rechtbank in wat eiseres heeft aangevoerd geen reden om de geschiktheid van de geselecteerde functies in twijfel te trekken.

9. Vergelijking van het inkomen dat eiseres in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat zij in haar eigen werk zou hebben verdiend als zij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen te zien van 62,85%.





Conclusie en gevolgen


10. Het beroep moet ongegrond worden verklaard. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.






De rechter is verhinderd


de uitspraak te ondertekenen.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491.


Zie de uitspraak van de Raad van 15 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:569.