Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:4826

2026-04-30 Bestuursrecht ROT 26/746
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-04-30
Publicatiedatum
2026-04-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 26/746
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wht NTB

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.735 tekens)
Rechtbank Rotterdam


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 26/746




uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen




[naam] , uit [woonplaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer,


en


Dienst Toeslagen, verweerder.




Procesverloop


Eiseres heeft bij verweerder een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 8 juli 2024 met kenmerk [kenmerk] .



Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.



Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.





Overwegingen



De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.


Eiseres heeft zich bij verweerder gemeld voor een herstelmaatregel op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder heeft daarover een beschikking gegeven, waartegen eiseres een bezwaarschrift heeft ingediend.


Niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft verweerder in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door verweerder zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat verweerder alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.


Eiseres heeft verzocht de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 van de Awb verbeurde dwangsom vast te stellen. Verweerder heeft op 18 maart 2026 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.


Vanwege de zeer grote omvang van de hersteloperatie toeslagen is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Verweerder moet in beginsel binnen 60 weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit op bezwaar bekendmaken. Het bezwaarschrift is op 12 augustus 2024 door verweerder ontvangen. Uit het dossier blijkt niet dat het bezwaar wordt voorgelegd aan een adviescommissie. De laatste dag van de wettelijke beslistermijn was 30 september 2024. Sinds die datum zijn meer dan 60 weken verstreken. Verweerder moet daarom binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden een besluit op bezwaar bekendmaken.


6. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de gestelde termijn overschrijdt. In de regel wordt de dwangsom bepaald op € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-. Indien een sterke prikkel nodig is (hetzij vanwege gebleken weigerachtigheid van het bestuursorgaan, hetzij vanwege het grote belang), wordt de dwangsom bepaald op € 250,- per dag, met een maximum van € 37.500,-. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat als op het moment van het beslissen op het beroep al 60 weken zijn verstreken na ommekomst van de wettelijke beslistermijn, aan de opdracht om een besluit te nemen een sterke prikkel kan worden verbonden, bestaande uit een dwangsom van € 250,- per dag, met een maximum van € 37.500,-. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sterke prikkel nodig. De hoofdoorzaak van de structurele overschrijding van de beslistermijnen ligt niet bij de organisatie en capaciteit van verweerder, maar bij de wetgever, die bewust een regeling met feitelijk onhaalbare beslistermijnen heeft aanvaard. Van gebleken weigerachtigheid bij verweerder is daarom geen sprake. Evenmin is gebleken dat het belang van eiser/es zo groot is, dat een hogere dwangsom gerechtvaardigd is. De rechtbank stelt daarom de hoogte van de dwangsom daarom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, is niet gebleken.


Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;


draagt verweerder op binnen twee weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken op het bezwaar van eiseres;


bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;


bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres vergoedt;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.





Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van A.S. Ay, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 30 april 2026.




De griffier is verhinderd


de uitspraak te ondertekenen






griffier rechter




Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.




ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.


Artikel 7:10 van de Awb en artikel 6.10aa van de Wht.


ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.


ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301, r.o. 19.10.


ABRvS 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3209, r.o. 19 en 21.


ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301.