Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:4579

2026-04-17 Civiel recht 11624354 CV EXPL 25-8144
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-04-17
Publicatiedatum
2026-04-20
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11624354 CV EXPL 25-8144
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Huurovereenkomst bedrijfsruimte ontbonden vanwege structurele huurachterstanden. Vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.200 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 11624354 CV EXPL 25-8144



datum uitspraak: 17 april 2026




Vonnis van de kantonrechter




in de zaak van





[eiser]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. Th.C. Visser,



tegen





[gedaagde] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G.I. Beij.



De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.





1De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


de dagvaarding van 21 maart 2025, met bijlagen;


het antwoord, met bijlagen;


de akte namens [eiser] , met bijlagen;


de spreekaantekeningen van mr. Nooteboom.





1.2.
Op 19 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:



[naam 1] (namens de beheerder) en mrs. Visser en Nooteboom;



[naam 2] (bestuurder van [gedaagde] ) en mr. Beij.







2De beoordeling



De naam van de gedaagde is [gedaagde] B.V.




2.1.
Gedagvaard is [gedaagde x] B.V. Beide partijen zijn het erover eens dat dit [gedaagde] B.V. moet zijn. Daarom wordt dit vonnis op die naam gewezen.



Waar gaat de zaak over?





2.2.

[eiser] is eigenaar van het recht van erfpacht van het pand aan de [adres] in [plaats] . [gedaagde] huurt het van [eiser] . In deze zaak eist [eiser] dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt en [gedaagde] veroordeelt het gehuurde te ontruimen. Volgens [eiser] komt [gedaagde] de huurovereenkomst niet na, omdat er een betalingsachterstand is en het gehuurde wordt gebruikt in strijd met de contractuele bestemming. [eiser] wil ook dat [gedaagde] wordt veroordeeld de betalingsachterstand met rente te betalen en (een bedrag gelijk aan) de huur tot de ontruiming. [gedaagde] is het niet eens met de eis. Zij vindt dat ontbinding niet is gerechtvaardigd, omdat haar belangen zwaarder wegen dan de belangen van [eiser] . De kantonrechter wijst de eisen toe. Hierna wordt uitgelegd waarom.



De eisen en de gronden





2.3.
Na het uitbrengen van de dagvaarding hebben de partijen twee kort gedingen gevoerd en zijn de omstandigheden gewijzigd. Tijdens de zitting in deze zaak is naar voren gekomen dat het niet-exploiteren van het gehuurde (zoals genoemd in de dagvaarding) niet langer een geschilpunt is en dat het wat betreft de gestelde tekortkomingen (alleen nog) gaat om de gestelde huidige huurachterstand en het gestelde gebruik van het gehuurde in strijd met de bestemming. De kantonrechter zal daarom alleen nog de eisen en stellingen met betrekking tot deze twee punten bespreken, te beginnen met de huurachterstand.




[gedaagde] moet € 31.804,72 aan huurachterstand betalen





2.4.

[gedaagde] heeft een huurachterstand van € 31.804,72 berekend tot en met maart 2026. Dat staat vast, omdat [eiser] dat heeft gesteld en [gedaagde] dat niet heeft betwist. [gedaagde] zal worden veroordeeld dat bedrag te betalen aan [eiser] .



2.5.
De gevorderde wettelijke handelsrente over € 22.041,04 (dat is de huurachterstand berekend tot en met maart 2025) wordt toegewezen omdat [eiser] voldoende heeft gesteld waaruit volgt dat [gedaagde] die rente is verschuldigd en [gedaagde] dat niet heeft betwist. [eiser] heeft geen rente gevorderd over huurtermijnen na maart 2025.



De huurovereenkomst wordt ontbonden





2.6.
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. De kantonrechter moet bij de beoordeling rekening houden met alle omstandigheden. In dit geval heeft de kantonrechter rekening gehouden met het volgende.


2.6.1.
Er is een betalingsachterstand van ruim drie maanden. Volgens [gedaagde] is die achterstand veroorzaakt doordat haar onderhuurder de huur niet aan [gedaagde] betaalt. [gedaagde] heeft deze onderhuurder daarom nu ook zelf gedagvaard in kort geding. Dat de onderhuurder zijn verplichting tot betaling van de huur niet nakomt is echter geen omstandigheid die ten laste moet komen van [eiser] . De verplichting om de huur volledig en op tijd aan [eiser] te betalen rust op [gedaagde] . Ook wordt meegewogen dat dit niet de eerste betalingsachterstand is. Vast staat dat de huur vanaf 2024 structureel te laat en niet volledig wordt betaald. Dat heeft [eiser] gesteld en heeft [gedaagde] niet betwist. [gedaagde] is door de rechter ook al eerder veroordeeld tot het betalen van een achterstand (van € 8.043,46) in het vonnis in kort geding van 5 januari 2026.



2.6.2.

[gedaagde] vindt dat deze tekortkomingen niet rechtvaardigen dat de huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat zij, dat wil zeggen haar bestuurder, enorme inspanningen en investeringen heeft gedaan om iets van de locatie te maken terwijl dat lastig en soms financieel uitdagend is (geweest); die investeringen gaan verloren als het gehuurde moet worden ontruimd. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] groot belang heeft bij het behouden van het gehuurde en heeft ook zeker oog voor de inspanningen en financieel lastige tijden, maar de belangen van [eiser] bij het ontbinden van de huurovereenkomst wegen in dit geval zwaarder. [gedaagde] komt namelijk structureel een van de meest essentiële verplichtingen uit de huurovereenkomst niet na en er is geen aanleiding om aan te nemen dat dit op korte termijn zal veranderen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij een nieuwe onderhuurder klaar heeft staan om te gaan onderhuren als de huidige onderhuurder moet vertrekken, maar heeft daar niets van laten zien. Ook niet aan [eiser] . Het argument daarvoor - dat [eiser] dan liever direct zelf aan een potentiële nieuwe huurder zou gaan verhuren - is begrijpelijk, maar nu is er niks concreets op basis waarvan de kantonrechter kan oordelen dat [gedaagde] in staat moet zijn om binnen afzienbare tijd de betalingsachterstand in te lopen. Ontbinding van de huurovereenkomst is gezien dit alles gerechtvaardigd.




2.7.
De eis tot ontbinding van de huurovereenkomst is ook gebaseerd op de stelling dat het gehuurde in strijd met de bestemming wordt gebruikt, maar omdat de huurovereenkomst al wordt ontbonden vanwege de huurachterstand, hoeft dat geschilpunt niet meer besproken te worden.




[gedaagde] moet het gehuurde ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen





2.8.

[gedaagde] moet het gehuurde ontruimen, omdat de huurovereenkomst is ontbonden. De ontruimingstermijn wordt gesteld op 14 dagen na betekening van dit vonnis.



2.9.
Tot de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding betalen ter hoogte van een bedrag gelijk aan de maandelijks verschuldigde huurverplichting.




[gedaagde] moet de proceskosten betalen





2.10.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 147,42 aan dagvaardingskosten, € 732,00 aan griffierecht, € 1.154,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 577,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 2.177,42. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.



Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad





2.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard zoals gevorderd (artikel 233 Rv). Het bezwaar van [gedaagde] hiertegen wordt afgewezen. Zij heeft aangevoerd dat het uitgangspunt is dat een ontruimingsvordering niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, omdat de huurder belang heeft bij het instellen van rechtsmiddelen met behoud van het gehuurde. De kantonrechter begrijpt uit de toelichting van [gedaagde] en haar verwijzing naar opzegging van de huurovereenkomst door [eiser] , dat [gedaagde] doelt op artikel 7:295 lid 1 BW. Daarin is bepaald dat de huurovereenkomst van rechtswege van kracht blijft totdat de beslissing van de rechter op de beëindigingsvordering onherroepelijk is geworden. Dat brengt mee dat een vordering tot ontruiming van het gehuurde niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, behoudens uitzonderingen. Die situatie is hier alleen niet aan de orde, omdat het hier niet gaat om een beëindigingsvordering in het kader van opzegging van de huurovereenkomst, maar om de ontbinding van de huurovereenkomst.





3De beslissing
De kantonrechter:


3.1.
ontbindt de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan de [adres] in [plaats] ;



3.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres] in [plaats] volledig te ontruimen en leeg en ontruimd aan [eiser] op te leveren door afgifte van de sleutels;



3.3.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 5 dagen na de betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen € 31.804,72 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over € 22.041,04 vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald;



3.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de maandelijks door [gedaagde] aan [eiser] verschuldigde huurverplichting dan wel gebruiksvergoeding vanaf april 2026 tot het moment van ontruiming;



3.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 2.177,42 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;



3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



3.7.
wijst al het andere af.


Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
34286




HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.