Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:4301
2026-04-16
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ROT 25/5929
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Pw. Intrekking bijstandsuitkering. Terugvordering. Schending hoorplicht.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2020:442 Centrale Raad van Beroep 25-02-2020
- ECLI:NL:CBB:2022:41 College van Beroep voor het bedrijfsleven 25-01-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.388 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5929
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Azdoufali),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. T. Baltus).
Procesverloop
1. Met een besluit van 16 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het college het recht op bijstand van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) per 13 december 2024 ingetrokken. Het college heeft voorts een bedrag van in totaal € 496,45 aan teveel betaalde uitkering over de maand december 2024 van eiser teruggevorderd.
1.1.
Met een besluit van 20 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het college, onder wijziging van de motivering de intrekking en terugvordering gehandhaafd, en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college, vergezeld door mr. W. Breure.
Overwegingen
2. Eiser heeft van 12 december 2024 tot en met 10 februari 2025 in detentie gezeten. Nadat het college op 14 januari 2025 was geïnformeerd over die periode heeft het de bijstandsuitkering van eiser met ingang van 13 december 2024 ingetrokken en het over de periode 13 december tot en met 31 december 2024 (de periode) reeds uitbetaalde bedrag aan bijstand van hem teruggevorderd. Eiser had met een e-mail van 15 december 2024 ook zelf aan het college doorgegeven dat hij per 12 december 2024 in detentie zat en om beëindiging van de bijstandsuitkering verzocht. Bij het bestreden besluit wordt hem dan ook niet meer de schending van zijn inlichtingenverplichting verweten
3. De rechtbank stelt voorop dat de mededeling in het primaire besluit dat er nog een niet geheel afbetaalde schuld van € 363,96 openstond, niet op rechtsgevolg is gericht en dat het bestreden besluit daarop ook geen betrekking heeft. Dat valt dan ook buiten de omvang van dit geding.
4. Op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw kan het college kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Niet in geschil is dat de bijstand over de periode ten onrechte werd verleend, omdat eiser daarop in verband met zijn detentie op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw geen recht had. Het college was dan ook in beginsel bevoegd die bijstand terug te vorderen.
5. Anders dan eiser betoogt, heeft het college bij het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd waarom het evenredigheidsbeginsel in dit geval niet aan de volledige terugvordering in de weg staat. Ook in beroep heeft eiser geen feiten en/of omstandigheden naar voren gebracht die daarop een ander licht zouden kunnen werpen. De gestelde benarde financiële situatie is niet beargumenteerd. Hieruit volgt ook dat er evenmin grond is voor het oordeel dat het college had moeten afzien van de terugvordering wegens dringende redenen op grond van artikel 58, achtste lid, van de Pw.
6. Over de beroepsgrond van eiser dat de hoorplicht is geschonden, overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen termijn is genoemd voor het uitnodigen voor de hoorzitting, volgt uit het bepaalde in artikel 7:4, eerste lid, van de Awb - waarbij is bepaald dat belanghebbenden tot tien dagen voor het horen nadere stukken kunnen indienen - dat deze termijn in elk geval langer dan tien dagen moet zijn. Vaststaat dat het college zich in dit geval niet aan deze termijn heeft gehouden. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het college bij de uitnodigingen voor de hoorzitting, in strijd met artikel 7:2, van de Awb, een te korte termijn in acht heeft genomen. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat eiser hierdoor niet is benadeeld. Eiser heeft in beroep immers voldoende gelegenheid gehad om zijn standpunt naar voren te brengen en stukken over te leggen, en daarbij is niets naar voren gekomen dat, zo het in bezwaar naar voren zou zijn gebracht, tot een ander bestreden besluit had geleid.
7. Het beroep moet ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat het college de bijstandsuitkering van eiser terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd. Eiser krijgt dus geen gelijk.
7.1.
Omdat de rechtbank artikel 6:22 van de Awb heeft toegepast, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Daarnaast moet het college de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank verklaart:
het beroep ongegrond;
draagt het college op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.
De rechter is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 25 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:442 en het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 25 januari 2022, ECLI:NL:CBB:2022:41.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5929
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Azdoufali),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. T. Baltus).
Procesverloop
1. Met een besluit van 16 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het college het recht op bijstand van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) per 13 december 2024 ingetrokken. Het college heeft voorts een bedrag van in totaal € 496,45 aan teveel betaalde uitkering over de maand december 2024 van eiser teruggevorderd.
1.1.
Met een besluit van 20 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het college, onder wijziging van de motivering de intrekking en terugvordering gehandhaafd, en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college, vergezeld door mr. W. Breure.
Overwegingen
2. Eiser heeft van 12 december 2024 tot en met 10 februari 2025 in detentie gezeten. Nadat het college op 14 januari 2025 was geïnformeerd over die periode heeft het de bijstandsuitkering van eiser met ingang van 13 december 2024 ingetrokken en het over de periode 13 december tot en met 31 december 2024 (de periode) reeds uitbetaalde bedrag aan bijstand van hem teruggevorderd. Eiser had met een e-mail van 15 december 2024 ook zelf aan het college doorgegeven dat hij per 12 december 2024 in detentie zat en om beëindiging van de bijstandsuitkering verzocht. Bij het bestreden besluit wordt hem dan ook niet meer de schending van zijn inlichtingenverplichting verweten
3. De rechtbank stelt voorop dat de mededeling in het primaire besluit dat er nog een niet geheel afbetaalde schuld van € 363,96 openstond, niet op rechtsgevolg is gericht en dat het bestreden besluit daarop ook geen betrekking heeft. Dat valt dan ook buiten de omvang van dit geding.
4. Op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw kan het college kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Niet in geschil is dat de bijstand over de periode ten onrechte werd verleend, omdat eiser daarop in verband met zijn detentie op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw geen recht had. Het college was dan ook in beginsel bevoegd die bijstand terug te vorderen.
5. Anders dan eiser betoogt, heeft het college bij het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd waarom het evenredigheidsbeginsel in dit geval niet aan de volledige terugvordering in de weg staat. Ook in beroep heeft eiser geen feiten en/of omstandigheden naar voren gebracht die daarop een ander licht zouden kunnen werpen. De gestelde benarde financiële situatie is niet beargumenteerd. Hieruit volgt ook dat er evenmin grond is voor het oordeel dat het college had moeten afzien van de terugvordering wegens dringende redenen op grond van artikel 58, achtste lid, van de Pw.
6. Over de beroepsgrond van eiser dat de hoorplicht is geschonden, overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen termijn is genoemd voor het uitnodigen voor de hoorzitting, volgt uit het bepaalde in artikel 7:4, eerste lid, van de Awb - waarbij is bepaald dat belanghebbenden tot tien dagen voor het horen nadere stukken kunnen indienen - dat deze termijn in elk geval langer dan tien dagen moet zijn. Vaststaat dat het college zich in dit geval niet aan deze termijn heeft gehouden. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het college bij de uitnodigingen voor de hoorzitting, in strijd met artikel 7:2, van de Awb, een te korte termijn in acht heeft genomen. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat eiser hierdoor niet is benadeeld. Eiser heeft in beroep immers voldoende gelegenheid gehad om zijn standpunt naar voren te brengen en stukken over te leggen, en daarbij is niets naar voren gekomen dat, zo het in bezwaar naar voren zou zijn gebracht, tot een ander bestreden besluit had geleid.
7. Het beroep moet ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat het college de bijstandsuitkering van eiser terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd. Eiser krijgt dus geen gelijk.
7.1.
Omdat de rechtbank artikel 6:22 van de Awb heeft toegepast, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Daarnaast moet het college de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank verklaart:
het beroep ongegrond;
draagt het college op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026.
De rechter is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 25 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:442 en het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 25 januari 2022, ECLI:NL:CBB:2022:41.