Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:3544

2026-03-30 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ROT 26/344
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-03-30
Publicatiedatum
2026-04-01
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 26/344
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Uitspraak op een beroep niet-tijdig beslissen vanwege het uitblijven van een besluit van het UWV.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.003 tekens)
Rechtbank Rotterdam


Bestuursrecht


zaaknummer: ROT 26/344



uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen




[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres,


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: [persoon A] ).





Inleiding


1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing (beroep ntb) op het bezwaar van eiseres tegen een besluit van het UWV van 17 juli 2024.



1.1.
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.



Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.

3. Niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het UWV in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het UWV zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het UWV alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.

5. Vanwege het structurele tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Dit geeft aanleiding een andere beslistermijn te bepalen dan de wettelijke beslistermijn van twee weken. De rechtbank heeft in haar uitspraken van 30 juli 2025 beslist dat na gegrondverklaring van een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een primair besluit of een besluit op bezwaar het UWV alsnog een besluit bekend dient te maken binnen 30 weken bij een werknemersberoep en binnen 40 weken bij een werkgeversberoep, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroep ntb heeft ontvangen.


5.1.
De rechtbank heeft het beroep ntb ontvangen op 13 januari 2026. Het UWV dient binnen 30 weken na die datum alsnog een beslissing op het bezwaar van eiseres bekend te maken. Er bestaat geen aanleiding om in dit individuele geval een andere nadere beslistermijn te bepalen.

6. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat het UWV een dwangsom verbeurt als het de gestelde termijn overschrijdt. De rechtbank stelt deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

7. Eiseres heeft tot slot verzocht om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn, omdat de bezwaartermijn inmiddels langer dan zes maanden duurt.

8. Het beroep van eiseres is enkel gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Er heeft dus nog geen inhoudelijke behandeling van het geschil in beroep plaatsgevonden. Een overschrijding van de beslistermijn wordt niet op één lijn gesteld met een overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De beslistermijn is een termijn van orde. Aan de overschrijding daarvan heeft de wetgever, behoudens de mogelijkheid om tegen het uitblijven van een besluit op het bezwaar beroep in te stellen, geen ander gevolg verbonden dan - in voorkomende gevallen - de mogelijkheid van vergoeding van materiële schade. De rechtbank neemt in deze procedure daarom geen beslissing over het verzoek tot schadevergoeding.

9. De rechtbank wijst erop dat eiseres wegens betalingsonmacht is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, zodat het UWV niet op grond van artikel 8:74 van de Awb griffierecht hoeft te vergoeden






Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;


draagt het UWV op binnen 30 weken na 13 januari 2026 alsnog een besluit op het bezwaar van eiseres bekend te maken;


bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.





Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.





De griffier is verhinderd


de uitspraak te ondertekenen





griffier rechter




Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.



Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.


Zie de uitspraken van de meervoudige kamer van 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9224, ECLI:NL:RBROT:2025:9225 en ECLI:NL:RBROT:2025:9226.


Onder verwijzing naar artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM)