Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:3513

2026-03-13 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11699181 CV EXPL 25-11466
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-03-13
Publicatiedatum
2026-03-31
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11699181 CV EXPL 25-11466
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aanneming van werk. Geen harde einddatum overeengekomen. Aannemer is niet in verzuim geraakt en opdrachtgever mocht overeenkomst niet ontbinden. Volledige aanneemsom en vergoeding voor meerwerk verschuldigd.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.436 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 11699181 CV EXPL 25-11466



datum uitspraak: 13 maart 2026 (bij vervroeging)




Vonnis van de kantonrechter




in de zaak van





1 [eiser 1] ,


2. [eiser 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
gemachtigde: mr. R. Dijks,



tegen





1De vennootschap onder firma [naam gedaagde] Bouwservice,

vestigingsplaats: Rotterdam,
en haar vennoten:


2. [gedaagde 2],

3. [gedaagde 3],

woonplaats: [woonplaats]
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie
gemachtigde: mr. A.F. Agenant.



De partijen worden hierna (in enkelvoud) ‘ [eiser] ’ en ‘ [naam gedaagde] ’ genoemd.





1De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


de dagvaarding van 30 april 2025, met bijlagen;


het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen


de spreekaantekeningen van [eiser] .





1.2.
Op 2 maart is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was [eiser] aanwezig, bijgestaan door mr. Dijks. Voor gedaagden was [gedaagde 2] (gedaagde onder 2) aanwezig, bijgestaan door mr. Agenant.





2De beoordeling



Waar gaat deze zaak over?




2.1.

[eiser] heeft met [naam gedaagde] een overeenkomst van aanneming van werk gesloten voor de verbouwing van zijn woning. Op 9 mei 2024 heeft [naam gedaagde] een offerte uitgebracht voor een bedrag van € 53.350,- inclusief btw. Die offerte heeft [eiser] op 5 juni 2024 geaccepteerd. In de offerte was een schatting opgenomen van de duur van de werkzaamheden, namelijk vier à vijf weken.



2.2.
Volgens [eiser] heeft [naam gedaagde] de werkzaamheden niet binnen de afgesproken tijd uitgevoerd en was de kwaliteit van het werk niet goed. Volgens hem heeft hij op 25 september 2024 per e-mail een ingebrekestelling aan [naam gedaagde] gestuurd en heeft hij, toen het werk niet op tijd volledig af was, de overeenkomst ontbonden. In deze procedure eist [eiser] betaling van € 24.430,- van [naam gedaagde] . Dat zijn volgens een rapport van [naam bedrijf] de kosten om de werkzaamheden alsnog af te maken en te herstellen. Daarnaast wil [eiser] de kosten voor het deskundigenrapport van € 975,-, hotelkosten van € 1.463,- en huurderving omdat hij de zolder niet kon verhuren van € 700,- per maand van [naam gedaagde] vergoed zien. [eiser] heeft zijn vordering beperkt tot in totaal € 25.000,-.



2.3.
Volgens [naam gedaagde] levert de schatting van de duur van de werkzaamheden geen fatale termijn op en is de vertraging in het werk bovendien niet aan hem te wijten. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden stuitte [naam gedaagde] op gebreken aan het dak, waar door een derde werkzaamheden aan waren verricht. Die gebreken moesten eerst door deze derde worden hersteld. Daarnaast heeft [eiser] volgens [naam gedaagde] opdracht gegeven voor meerwerk, was [eiser] slecht bereikbaar voor overleg en moest [naam gedaagde] op 15 oktober 2024 de werkzaamheden staken nadat er asbest in de gevel was aangetroffen, dat door een gespecialiseerd bedrijf moest worden verwijderd. Ook waren materialen die [eiser] ter beschikking moest stellen niet op tijd binnen. [naam gedaagde] stelt dat hij de e-mail met de ingebrekestelling van 25 september 2024 niet heeft ontvangen en meent daarnaast dat sprake is van schuldeisersverzuim omdat [eiser] niet op tijd heeft betaald. Het aanbod van [naam gedaagde] op 30 oktober 2024 om “de klus binnen enkele dagen af te maken” is niet door [eiser] geaccepteerd.



2.4.

[naam gedaagde] eist in reconventie dat [eiser] de openstaande facturen betaalt. Omdat [eiser] de overeenkomst niet mocht ontbinden, moet [eiser] op grond van artikel 7:764 lid 2 BW de hele afgesproken prijs betalen. Daarnaast moet [eiser] de openstaande factuur van het meerwerk nog betalen. In totaal eist [naam gedaagde] nog € 17.118,08 van [eiser] , plus rente en kosten.



In conventie: is [naam gedaagde] in verzuim geraakt?





2.5.

De kantonrechter oordeelt dat [naam gedaagde] niet in verzuim is geraakt met de uitvoering van de afgesproken werkzaamheden. Ten eerste kan de tijdsduur die in de offerte is genoemd voor de werkzaamheden niet worden gekwalificeerd als een fatale termijn. In de offerte staat: “Deze werkzaamheden kan 4 tot 5 weken in beslag nemen.” Zo’n aanduiding kan niet worden aangemerkt als een afspraak waarbij de opdrachtnemer garandeert dat de werkzaamheden exact vijf weken na aanvang van het werk gereed zullen zijn.
Dit geldt temeer nu [naam gedaagde] heeft gesteld dat het werk vertraging heeft opgelopen door omstandigheden die buiten zijn risicosfeer liggen. Hij heeft erop gewezen dat er herstelwerkzaamheden moesten worden uitgevoerd aan het dak, die moesten worden uitgevoerd door de partij die (voordat [naam gedaagde] aan het werk ging) de dakwerkzaamheden had uitgevoerd. [eiser] heeft dat niet betwist. Daarnaast heeft [naam gedaagde] erop gewezen dat [eiser] vaak niet bereikbaar was voor overleg; ook dat heeft [eiser] niet betwist. Ten derde stelt [naam gedaagde] dat materialen die [eiser] moest leveren niet op tijd beschikbaar waren. Ook dat heeft [eiser] niet betwist. Tot slot heeft [eiser] niet betwist dat hij heeft gevraagd om meerwerk, zoals [naam gedaagde] heeft gesteld. Dat de werkzaamheden meer dan vijf weken in beslag hebben genomen, is daarom niet aan [naam gedaagde] te wijten.
Dat de werkzaamheden op 15 oktober 2024 zijn stilgelegd vanwege het asbest in de gevel is hier niet relevant, omdat [eiser] [naam gedaagde] al op 25 september 2024 in gebreke heeft gesteld omdat hij vond dat [naam gedaagde] te lang over het werk deed. De vraag die de kantonrechter daarom moet beantwoorden is of er op 25 september 2024 reden was voor een ingebrekestelling door [eiser] .




2.6.
Uit het voorgaande volgt dat [eiser] geen aanleiding had om [naam gedaagde] op 25 september 2024 in gebreke te stellen. Voor zover die aanleiding er wel was (hoewel dat door [eiser] niet is gesteld), acht de kantonrechter de termijn die is gesteld tot 9 oktober 2024 om de werkzaamheden volledig af te ronden geen redelijke termijn, in het licht van de (oorzaak van de) vertragingen die zich hebben voorgedaan. Daarom is [naam gedaagde] niet in verzuim geraakt toen de werkzaamheden op 9 oktober 2024 niet waren afgerond.




[eiser] heeft geen aanspraak op een schadevergoeding





2.7.
Omdat [naam gedaagde] niet in verzuim is geraakt, mocht [eiser] de overeenkomst op 30 oktober 2024 niet ontbinden. Vanwege het ontbreken van verzuim en een geldige ontbinding kan [eiser] geen aanspraak maken op de kosten die hij moet maken om het werk alsnog door een derde te laten afmaken en/of herstelwerkzaamheden te laten uitvoeren. Ook kan hij geen aanspraak maken op de kosten voor het deskundigenrapport, de hotelovernachtingen en de gestelde mislopen huur van de zolderverdieping. De vordering van [eiser] in conventie wordt daarom volledig afgewezen.




[eiser] mocht de overeenkomst niet ontbinden en moet de resterende aanneemsom betalen





2.8.
Omdat [eiser] de overeenkomst op 30 oktober 2024 niet mocht ontbinden, merkt de kantonrechter de brief van 30 oktober 2024 aan als opzegging van de overeenkomst. Hoewel een onterechte ontbinding niet in alle gevallen mag worden aangemerkt als opzegging, volgt hier uit de omstandigheden dat [eiser] bedoeld heeft om de overeenkomst met [naam gedaagde] hoe dan ook te beëindigen. Het aanbod van [naam gedaagde] van (eerder) diezelfde dag waarin hij aangeeft dat hij het werk binnen enkele dagen kan voltooien, heeft immers een afwijzende reactie van [eiser] tot gevolg gehad.



2.9.
Omdat partijen een vaste prijs zijn overeengekomen voor het werk, moet [eiser] de volledige aanneemsom aan [naam gedaagde] betalen, verminderd met de besparingen die voor [naam gedaagde] voortvloeien uit de opzegging. Door [eiser] is, in reactie op de tegenvordering van [naam gedaagde] tot betaling van de resterende aanneemsom, niet gesteld dat [naam gedaagde] besparingen heeft gerealiseerd door de beëindiging van de overeenkomst. Daarom gaat de kantonrechter ervan uit, mede gelet op de stand van het werk, dat de opzegging geen besparingen heeft opgeleverd en daarom moet [eiser] de resterende aanneemsom van € 10.460,08 inderdaad betalen.




[eiser] moet betalen voor het meerwerk





2.10.
Volgens [naam gedaagde] heeft hij in opdracht van [eiser] meerwerk uitgevoerd in de woning. Eén factuur voor meerwerk is ook al door [eiser] betaald; de rest nog niet. [naam gedaagde] heeft in de conclusie van antwoord bij randnummer 14 een opsomming gegeven van het meerwerk, onder verwijzing naar e-mailcorrespondentie tussen partijen die door [eiser] zelf is overgelegd en whatsappberichten die door [naam gedaagde] zijn overgelegd. Op de zitting heeft [naam gedaagde] naar voren gebracht dat het voor [eiser] duidelijk was dat aan dit meerwerk extra kosten verbonden zouden zijn. [eiser] heeft alleen in de dagvaarding vermeld: “ [eiser] betwist dit meerwerk.” [eiser] heeft nagelaten zijn betwisting meer handen en voeten te geven, terwijl dat gelet op de gemotiveerde stellingen van [naam gedaagde] wel van hem had mogen worden verwacht. Daarom gaat de kantonrechter aan die betwisting voorbij. Over de hoogte van de facturen van het meerwerk heeft [eiser] ook niets gezegd. Daarom wijst de kantonrechter de tegenvordering van [naam gedaagde] tot betaling van de kosten van het meerwerk toe. Dit is een bedrag van € 6.658,-.




[eiser] moet incassokosten van € 946,18 betalen





2.11.
De incassokosten van € 946,18 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).




[eiser] moet rente betalen





2.12.
De rente wordt toegewezen, omdat [naam gedaagde] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [eiser] dat niet heeft betwist. De rente wordt toegewezen vanaf 13 december 2024, omdat [naam gedaagde] in de conclusie van antwoord (onder 87) heeft toegelicht waarom de rente vanaf die datum verschuldigd is.




[eiser] moet de proceskosten betalen





2.13.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] in conventie aan [naam gedaagde] moet betalen op € 1.154,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 577,-). In reconventie worden deze kosten aan de kant van [naam gedaagde] begroot op € 432,- aan salaris voor de gemachtigde (1/2 × 2 punten × € 432,-). Voor kosten die [naam gedaagde] maakt na deze uitspraak moet [eiser] een bedrag betalen van € 144,-. Dat is in totaal € 1.730,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.



Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad





2.14.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [naam gedaagde] dat eist en [eiser] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.





3De beslissing
De kantonrechter:



In conventie:



3.1.
wijst de vordering af;



in reconventie:




3.2.
veroordeelt [eiser] hoofdelijk om aan [naam gedaagde] te betalen € 18.064,26 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 17.118,08 vanaf 13 december 2024 tot de dag dat volledig is betaald;



in conventie en in reconventie:




3.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten in conventie en in reconventie, die aan de kant van [naam gedaagde] worden begroot op € 1.730,-, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;



3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.



Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
51909