Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:3001

2026-03-23 Bestuursrecht ROT 26/308
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-03-23
Publicatiedatum
2026-03-23
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
ROT 26/308
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. AVG-verzoek. Spoedeisend belang ontbreekt. Verzoek afgewezen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.138 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht


zaaknummer: ROT 26/308


uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 maart 2026 in de zaak tussen



[verzoeker] , uit [plaats] verzoeker


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. L. Veenman).





Inleiding


1.1.
Verzoeker heeft op 3 maart 2025 op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) verzocht om inzage in de door het UWV over hem verwerkte persoonsgegevens.



1.2.
Het UWV heeft met een besluit 25 april 2025 over deze aanvraag beslist.



1.3.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.



1.4.
Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Het UWV heeft ook nadere stukken ingediend. Ook verzoeker heeft nadere stukken ingediend.



1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het UWV deelgenomen. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht het verzoek te beoordelen op basis van de overgelegde stukken en zich afgemeld voor de zitting.



1.6.
Op 10 maart 2026 heeft het UWV, zoals ter zitting besproken, een besluit van het UWV van 3 maart 2026 aan de voorzieningenrechter toegezonden. Met een e-mail van 12 maart 2026 heeft verzoeker hierop gereageerd.




Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het UWV heeft zich in zijn bericht van 10 maart 2026 op het standpunt gesteld dat het UWV op 3 maart 2026 een beslissing op het bezwaar van verzoeker van 20 oktober 2025 heeft genomen en dat verzoeker daarom geen procesbelang meer heeft bij zijn verzoek. Verzoeker heeft in zijn reactie daarop gesteld dat het verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft op zijn bezwaarschrift van 5 mei 2025 tegen het besluit van 25 april 2025, en dat op dit bezwaarschrift nog geen beslissing is genomen. De voorzieningenrechter ziet, gelet hierop, geen aanleiding voor het oordeel dat verzoeker in deze procedure geen procesbelang heeft.

3. Verzoeker is het niet eens met de afhandeling van zijn AVG-verzoek. Verzoeker wil met het verzoek om een voorlopige voorziening onder andere bereiken dat de voorzieningenrechter het UWV beveelt om onverwijld en volledig aan zijn verzoek te voldoen.

4. De voorzieningenrechter zal het verzoek als kennelijk ongegrond afwijzen omdat het spoedeisend belang ontbreekt. Verzoeker heeft aangevoerd dat het spoedeisend belang is gelegen in het feit dat hij hoger beroep heeft ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep tegen een uitspraak van de rechtbank over zijn recht op een Ziektewet-uitkering. Volgens verzoeker moet hij deze procedure nu voeren met een informatieachterstand. De procedure bij de Centrale Raad van Beroep kan echter nog lang duren. Niet gebleken is dat er al een zittingsdatum bekend is gemaakt. Deze procedure levert daarom geen spoedeisend belang op. Voor zover verzoeker wenst te bereiken dat het UWV wordt opgedragen volledige inzage te verstrekken in bepaalde stukken, is dat overigens geen maatregel met een voorlopig karakter. De voorzieningenrechter merkt op dat verzoeker in de procedure bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek kan doen het UWV te gelasten eventueel ontbrekende stukken in het geding te brengen.

5. De voorzieningenrechter merkt nog het volgende op. Ten tijde van de zitting had het UWV bepaalde stukken (waaronder de bijlagen bij het besluit van 25 april 2025) niet in het geding gebracht. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding hieraan consequenties te verbinden. De voorzieningenrechter is namelijk van oordeel dat al op grond van de stukken die zich in het dossier bevinden, de conclusie kan worden getrokken dat het spoedeisend belang ontbreekt.



Conclusie en gevolgen


6. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.










Beslissing




De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.













griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zie artikel 8:81, eerste lid, en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.


Vgl. ECLI:NL:RVS:2026:978, 7.1.