Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:2983
2026-04-08
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ROT 25/8065
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing toelating maatschappelijke opvang. Eiseres heeft inmiddels verblijf heeft gevonden. Beroep niet-ontvankelijk.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2024:747 Centrale Raad van Beroep 18-04-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.725 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8065
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. dr. ir. G.A.S. Maduro),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1.1
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen belang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit en komt daarom niet aan een inhoudelijke beoordeling toe. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Procesverloop
2.1
Eiseres heeft zich op 2 juni 2025 gemeld bij Centraal Onthaal met het verzoek om toelating tot de maatschappelijke opvang. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 2 juni 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft geen verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.
2.3
De rechtbank heeft het beroep op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
3. Het gaat om de weigering van een maatwerkvoorziening over een periode die al is verstreken. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is, aangezien eiseres inmiddels woonruimte in Groningen heeft gevonden.
4. Naar vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:747) is pas sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Dat betekent dat er aanleiding is om een beroep inhoudelijk te beoordelen indien de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een reeds verstreken periode, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig zijn in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
5. Nu de periode in geding al verstreken is en eiseres inmiddels in Groningen woont, heeft zij geen inhoudelijk belang bij een beoordeling van het bestreden besluit. Zij heeft gewezen op verhuiskosten naar Groningen, maar die kosten noch toegelicht, noch onderbouwd. In aanmerking genomen dat het ging om maatschappelijke opvang, een situatie waarin in beginsel geen omvangrijke te verhuizen boedel aanwezig kan worden geacht, had die toelichting wel van eiseres mogen verwacht.
6. Ook immateriële schade die voor vergoeding in aanmerking kan komen is op voorhand onaannemelijk. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor vergoeding van immateriële schade is onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het bestreden besluit. De stellingen van eiseres dat een en ander stress heeft opgeleverd, emotionele gevolgen voor haar kind heeft gehad en niet bevorderlijk is geweest voor de schoolgang van het kind, zijn daarom onvoldoende.
7. Slotsom is dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Usmany, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8065
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. dr. ir. G.A.S. Maduro),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1.1
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen belang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit en komt daarom niet aan een inhoudelijke beoordeling toe. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Procesverloop
2.1
Eiseres heeft zich op 2 juni 2025 gemeld bij Centraal Onthaal met het verzoek om toelating tot de maatschappelijke opvang. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 2 juni 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft geen verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.
2.3
De rechtbank heeft het beroep op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
3. Het gaat om de weigering van een maatwerkvoorziening over een periode die al is verstreken. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is, aangezien eiseres inmiddels woonruimte in Groningen heeft gevonden.
4. Naar vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:747) is pas sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Dat betekent dat er aanleiding is om een beroep inhoudelijk te beoordelen indien de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een reeds verstreken periode, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig zijn in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
5. Nu de periode in geding al verstreken is en eiseres inmiddels in Groningen woont, heeft zij geen inhoudelijk belang bij een beoordeling van het bestreden besluit. Zij heeft gewezen op verhuiskosten naar Groningen, maar die kosten noch toegelicht, noch onderbouwd. In aanmerking genomen dat het ging om maatschappelijke opvang, een situatie waarin in beginsel geen omvangrijke te verhuizen boedel aanwezig kan worden geacht, had die toelichting wel van eiseres mogen verwacht.
6. Ook immateriële schade die voor vergoeding in aanmerking kan komen is op voorhand onaannemelijk. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor vergoeding van immateriële schade is onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het bestreden besluit. De stellingen van eiseres dat een en ander stress heeft opgeleverd, emotionele gevolgen voor haar kind heeft gehad en niet bevorderlijk is geweest voor de schoolgang van het kind, zijn daarom onvoldoende.
7. Slotsom is dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Usmany, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.