Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:1649
2026-02-25
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ROT 25/3610
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
De rechtbank komt tot de conclusie dat het UWV terecht de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van eiser heeft beëindigd, omdat hij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd, en terecht de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft geweigerd, omdat eiser de zogeheten wachttijd niet heeft volgemaakt.
Citeert (1)
- ECLI:NL:CRVB:2020:459 Centrale Raad van Beroep 26-02-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.357 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3610
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. G.A.R. Wieleman)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: [persoon A] ).
Samenvatting
De rechtbank komt tot de conclusie dat het UWV terecht de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van eiser heeft beëindigd, omdat hij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd, en terecht de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft geweigerd, omdat eiser de zogeheten wachttijd niet heeft volgemaakt.
Procesverloop
1.1.
Met het besluit van 22 november 2023 (het primaire besluit I) heeft het UWV de ZW-uitkering van eiser beëindigd.
1.2.
Met het besluit van 26 januari 2024 (het primaire besluit II) heeft het UWV de aanvraag van eiser om een WIA-uitkering afgewezen.
1.3.
Met het besluit van 9 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.5.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser, laatstelijk werkzaam als waardetransporteur voor 40 uur per week, heeft zich op 3 maart 2022 ziek gemeld wegens belemmerende gezondheidsklachten. Aan eiser is per 20 april 2022 een ZW-uitkering toegekend. Eiser heeft op 17 november 2023 een WIA-uitkering aangevraagd.
3. In het kader van de eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts concludeert dat eiser als gevolg van ziekte of gebrek ongeschikt te achten is voor het eigen werk. De beperkingen van eiser zijn opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 september 2023, geldig per 4 september 2023. Hierin zijn beperkingen opgenomen in alle rubrieken. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van eiser geconcludeerd dat eiser niet geschikt is voor de maatgevende arbeid, maar wel voor de functies wikkelaar (nieuw en revisie) (SBC-code 267053), assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC- code 267041) en productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC- code 111180). Aanvullend wordt eiser geschikt geacht voor de functies administratief medewerker notaris, advocaat, rechtbank (SBC-code 532040) en boekhouder, loonadministrateur (SBC-code 315040). Op basis van de mediaanfunctie (de middelste van de eerste drie genoemde functies) is eiser volgens de arbeidsdeskundige in staat om meer dan 65% van het maatmaninkomen te verdienen, te weten 70,58%.
4. Met het primaire besluit I heeft het UWV de ZW-uitkering van eiser per 23 december 2023 beëindigd, omdat eiser op 4 september 2023 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Met het primaire besluit II van 26 januari 2024 is de aanvraag van eiser om een WIA-uitkering afgewezen, omdat hij de wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt.
5. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 25 februari 2025 geconcludeerd dat de mogelijkheden en beperkingen juist zijn weergegeven in de FML van 10 september 2023. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in de rapportage van 2 april 2025, met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van eiser, geconcludeerd dat de functies productiemedewerker industrie en wikkelaar niet passend zijn en heeft twee nieuwe functies geduid. Hieruit volgt dat eiser onveranderd in staat wordt geacht om meer dan 65% van het maatmanloon te verdienen. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.
Standpunt van eiser
6. In beroep voert eiser aan dat zijn beperkingen zijn onderschat ten aanzien van het persoonlijk- en sociaal functioneren, omdat hij beperkingen kent door kenmerken van ASS. Eiser stelt meer beperkt te zijn ten aanzien van de items 1.8.2, 1.8.3, 2.9, 2.12.1 en 2.12.2. Voorts stelt eiser dat meer beperkingen moeten worden aangenomen ten aanzien van zijn nek- en schouderklachten, omdat hij kampt met AC artrose rechts met cervicothoracale stijfheid rechts. Eiser stelt dat een beperking op item 5.8 had moeten worden aangenomen en dat hij verder beperkt is op item 4.8. Daarnaast voert eiser aan dat een urenbeperking moet worden aangenomen, wegens de slaapproblemen.
Volgens eiser is de functie productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) niet passend, omdat hierbij overleg met collega’s noodzakelijk is en omdat er sprake is van te zware belasting van de rechterarm en schouder in combinatie met hoofdbewegingen (item 4.15.1). Ook de functie assemblagemedewerker elektrotechnische producten acht eiser niet geschikt, omdat er sprake is van een te zware belasting van de rechterarm en schouder in combinatie met hoofdbewegingen. Ten aanzien van de functie boekhouder, loonadministrateur voert eiser aan dat deze functie niet passend is vanwege het boven schouderhoogte actief zijn. Ten aanzien van de functie wikkelaar (nieuw en revisie) voert eiser aan dat deze functie niet geschikt is, wegens de benodigde nauwkeurigheid en concentratie. Tot slot stelt eiser dat hij de wachttijd voor de WIA-uitkering heeft volgemaakt.
Toepasselijke wet- en regelgeving
7. Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde die geen werkgever heeft, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld, indien de verzekerde (a) ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en (b) wegens een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Op grond van het tweede lid heeft de verzekerde, indien hij in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen, recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop hij hiertoe in staat is geacht.
Bij het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld voor de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen.
Op grond van artikel 23, eerste lid, van de WIA geldt voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet voor hem een wachttijd van 104 weken.
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser, rekening houdend met zijn beperkingen, in staat is vanaf 23 december 2023 met gangbare arbeid ten minste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Daarnaast dient de rechtbank te beoordelen of het UWV de aanvraag om de WIA-uitkering terecht heeft afgewezen.
9. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op anamnese, dossierstudie, het gestelde op de hoorzitting van 17 februari 2025, met aansluitend een medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de medische informatie afkomstig van de behandelend sector. Het onderzoek heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden.
10. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsartsen wezenlijk aspecten van de gezondheidstoestand van eiser hebben gemist. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Wat eiser aanvoert ten aanzien van de diagnose ASS slaagt niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 27 januari 2026 afdoende gemotiveerd dat hierbij geen sprake is van een objectief vastgestelde ziekte die in geval van eiser een concrete aanleiding geeft tot het aannemen van nadere beperkingen. Het is verder vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) dat bij het vaststellen van beperkingen niet de subjectieve, persoonlijke klachtbeleving bepalend is, maar dat wat objectief medisch is vast te stellen. Wat eiser stelt ten aanzien van de arm- en schouderklachten slaagt evenmin. Er zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen klachten die een verdere beperking op dit gebied rechtvaardigen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiser lichamelijk heeft onderzocht, waarbij geen noodzaak tot een beperkte hoofdbeweging is gevonden.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder afdoende gemotiveerd dat de slaapproblemen van eiser niet ernstig genoeg zijn voor het aannemen van een urenbeperking. Ook is, naar mede uit eisers dagverhaal volgt, eiser ADL-zelfstandig en is op basis van energetische beperkingen evenmin aanleiding te vinden voor een urenbeperking.
11. Het voorgaande betekent dat de rechtbank geen reden heeft om eraan te twijfelen of de beperkingen in de FML juist zijn vastgesteld. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank evenmin reden om de geschiktheid van de geselecteerde functies te betwijfelen. Wat eiser aanvoert ten aanzien van de geduide functies slaagt niet. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 22 januari 2026 afdoende gemotiveerd dat in de geduide functies de beperkingen uit de FML niet worden overschreden.
11. Wat eiser stelt ten aanzien van de functie productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) slaagt niet, nu eiser niet volledig beperkt is op het samenwerken en er in functie sprake is van een eigen afgebakende deeltaak, waardoor de beperkingen van de FML niet worden overschreden. Ook ten aanzien van de schouderklachten en de rechterarm valt de functie binnen de FML. Ditzelfde geldt voor de functie assemblagemedewerker elektronische producten. Wat eiser stelt ten aanzien van de functie loonadministrateur slaagt evenmin. Wanneer er boven schouderhoogte iets gepakt moet worden kan dit volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met de linkerarm, waardoor de belastbaarheid van eiser niet wordt overschreden. Hetgeen eiser aanvoert ten aanzien van de functie wikkelaar (nieuw en revisie) kan evenmin slagen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd dat de belastbaarheid niet wordt overschreden, ook niet voor wat betreft de concentratie. De wat onduidelijke toelichting in de FML op dit punt is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkens de rapportage van 2 april 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht: “De verzekeringsarts Bezwaar en Beroep heeft bij de beperking 1.8.7; specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren bevestigt dat cliënt alleen beperkt is in een hele drukke, hectische omgeving. Dat maakt dat de geduide functies op dit aspect passend zijn. In deze functie is geen sprake van een hele drukke en/of hectische werkomgeving.”
13. Vergelijking van het inkomen dat eiser in de geduide functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat eiser verdiende voordat hij ziek werd, geeft een verdiencapaciteit van meer dan 65%. Het UWV heeft dus terecht met ingang van 23 december 2023 eiser in staat geacht tot het verrichten van de maatgevende arbeid. Het UWV heeft dan ook terecht de ZW-uitkering van eiser beëindigd.
14. Gelet op het voorgaande heeft het UWV eveneens terecht bepaald dat eiser niet aan de op grond van het gestelde in artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA vereiste wachttijd van 104 weken arbeidsongeschiktheid voldoet, zodat hij niet voor een WIA-uitkering in aanmerking komt.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het UWV terecht heeft bepaald dat eiser met ingang van 23 december 2023 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering en dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij niet aan de vereiste wachttijd voldoet. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.J. van Erkel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Onder meer de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:459.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3610
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. G.A.R. Wieleman)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV,
(gemachtigde: [persoon A] ).
Samenvatting
De rechtbank komt tot de conclusie dat het UWV terecht de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van eiser heeft beëindigd, omdat hij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd, en terecht de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft geweigerd, omdat eiser de zogeheten wachttijd niet heeft volgemaakt.
Procesverloop
1.1.
Met het besluit van 22 november 2023 (het primaire besluit I) heeft het UWV de ZW-uitkering van eiser beëindigd.
1.2.
Met het besluit van 26 januari 2024 (het primaire besluit II) heeft het UWV de aanvraag van eiser om een WIA-uitkering afgewezen.
1.3.
Met het besluit van 9 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.5.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser, laatstelijk werkzaam als waardetransporteur voor 40 uur per week, heeft zich op 3 maart 2022 ziek gemeld wegens belemmerende gezondheidsklachten. Aan eiser is per 20 april 2022 een ZW-uitkering toegekend. Eiser heeft op 17 november 2023 een WIA-uitkering aangevraagd.
3. In het kader van de eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts concludeert dat eiser als gevolg van ziekte of gebrek ongeschikt te achten is voor het eigen werk. De beperkingen van eiser zijn opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 september 2023, geldig per 4 september 2023. Hierin zijn beperkingen opgenomen in alle rubrieken. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van eiser geconcludeerd dat eiser niet geschikt is voor de maatgevende arbeid, maar wel voor de functies wikkelaar (nieuw en revisie) (SBC-code 267053), assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC- code 267041) en productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC- code 111180). Aanvullend wordt eiser geschikt geacht voor de functies administratief medewerker notaris, advocaat, rechtbank (SBC-code 532040) en boekhouder, loonadministrateur (SBC-code 315040). Op basis van de mediaanfunctie (de middelste van de eerste drie genoemde functies) is eiser volgens de arbeidsdeskundige in staat om meer dan 65% van het maatmaninkomen te verdienen, te weten 70,58%.
4. Met het primaire besluit I heeft het UWV de ZW-uitkering van eiser per 23 december 2023 beëindigd, omdat eiser op 4 september 2023 meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Met het primaire besluit II van 26 januari 2024 is de aanvraag van eiser om een WIA-uitkering afgewezen, omdat hij de wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt.
5. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 25 februari 2025 geconcludeerd dat de mogelijkheden en beperkingen juist zijn weergegeven in de FML van 10 september 2023. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in de rapportage van 2 april 2025, met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van eiser, geconcludeerd dat de functies productiemedewerker industrie en wikkelaar niet passend zijn en heeft twee nieuwe functies geduid. Hieruit volgt dat eiser onveranderd in staat wordt geacht om meer dan 65% van het maatmanloon te verdienen. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.
Standpunt van eiser
6. In beroep voert eiser aan dat zijn beperkingen zijn onderschat ten aanzien van het persoonlijk- en sociaal functioneren, omdat hij beperkingen kent door kenmerken van ASS. Eiser stelt meer beperkt te zijn ten aanzien van de items 1.8.2, 1.8.3, 2.9, 2.12.1 en 2.12.2. Voorts stelt eiser dat meer beperkingen moeten worden aangenomen ten aanzien van zijn nek- en schouderklachten, omdat hij kampt met AC artrose rechts met cervicothoracale stijfheid rechts. Eiser stelt dat een beperking op item 5.8 had moeten worden aangenomen en dat hij verder beperkt is op item 4.8. Daarnaast voert eiser aan dat een urenbeperking moet worden aangenomen, wegens de slaapproblemen.
Volgens eiser is de functie productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) niet passend, omdat hierbij overleg met collega’s noodzakelijk is en omdat er sprake is van te zware belasting van de rechterarm en schouder in combinatie met hoofdbewegingen (item 4.15.1). Ook de functie assemblagemedewerker elektrotechnische producten acht eiser niet geschikt, omdat er sprake is van een te zware belasting van de rechterarm en schouder in combinatie met hoofdbewegingen. Ten aanzien van de functie boekhouder, loonadministrateur voert eiser aan dat deze functie niet passend is vanwege het boven schouderhoogte actief zijn. Ten aanzien van de functie wikkelaar (nieuw en revisie) voert eiser aan dat deze functie niet geschikt is, wegens de benodigde nauwkeurigheid en concentratie. Tot slot stelt eiser dat hij de wachttijd voor de WIA-uitkering heeft volgemaakt.
Toepasselijke wet- en regelgeving
7. Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde die geen werkgever heeft, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld, indien de verzekerde (a) ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en (b) wegens een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Op grond van het tweede lid heeft de verzekerde, indien hij in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen, recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop hij hiertoe in staat is geacht.
Bij het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zijn regels gesteld voor de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen.
Op grond van artikel 23, eerste lid, van de WIA geldt voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet voor hem een wachttijd van 104 weken.
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser, rekening houdend met zijn beperkingen, in staat is vanaf 23 december 2023 met gangbare arbeid ten minste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Daarnaast dient de rechtbank te beoordelen of het UWV de aanvraag om de WIA-uitkering terecht heeft afgewezen.
9. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op anamnese, dossierstudie, het gestelde op de hoorzitting van 17 februari 2025, met aansluitend een medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de medische informatie afkomstig van de behandelend sector. Het onderzoek heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden.
10. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsartsen wezenlijk aspecten van de gezondheidstoestand van eiser hebben gemist. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Wat eiser aanvoert ten aanzien van de diagnose ASS slaagt niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 27 januari 2026 afdoende gemotiveerd dat hierbij geen sprake is van een objectief vastgestelde ziekte die in geval van eiser een concrete aanleiding geeft tot het aannemen van nadere beperkingen. Het is verder vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) dat bij het vaststellen van beperkingen niet de subjectieve, persoonlijke klachtbeleving bepalend is, maar dat wat objectief medisch is vast te stellen. Wat eiser stelt ten aanzien van de arm- en schouderklachten slaagt evenmin. Er zijn volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen klachten die een verdere beperking op dit gebied rechtvaardigen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiser lichamelijk heeft onderzocht, waarbij geen noodzaak tot een beperkte hoofdbeweging is gevonden.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder afdoende gemotiveerd dat de slaapproblemen van eiser niet ernstig genoeg zijn voor het aannemen van een urenbeperking. Ook is, naar mede uit eisers dagverhaal volgt, eiser ADL-zelfstandig en is op basis van energetische beperkingen evenmin aanleiding te vinden voor een urenbeperking.
11. Het voorgaande betekent dat de rechtbank geen reden heeft om eraan te twijfelen of de beperkingen in de FML juist zijn vastgesteld. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank evenmin reden om de geschiktheid van de geselecteerde functies te betwijfelen. Wat eiser aanvoert ten aanzien van de geduide functies slaagt niet. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 22 januari 2026 afdoende gemotiveerd dat in de geduide functies de beperkingen uit de FML niet worden overschreden.
11. Wat eiser stelt ten aanzien van de functie productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) slaagt niet, nu eiser niet volledig beperkt is op het samenwerken en er in functie sprake is van een eigen afgebakende deeltaak, waardoor de beperkingen van de FML niet worden overschreden. Ook ten aanzien van de schouderklachten en de rechterarm valt de functie binnen de FML. Ditzelfde geldt voor de functie assemblagemedewerker elektronische producten. Wat eiser stelt ten aanzien van de functie loonadministrateur slaagt evenmin. Wanneer er boven schouderhoogte iets gepakt moet worden kan dit volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met de linkerarm, waardoor de belastbaarheid van eiser niet wordt overschreden. Hetgeen eiser aanvoert ten aanzien van de functie wikkelaar (nieuw en revisie) kan evenmin slagen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd dat de belastbaarheid niet wordt overschreden, ook niet voor wat betreft de concentratie. De wat onduidelijke toelichting in de FML op dit punt is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkens de rapportage van 2 april 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht: “De verzekeringsarts Bezwaar en Beroep heeft bij de beperking 1.8.7; specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren bevestigt dat cliënt alleen beperkt is in een hele drukke, hectische omgeving. Dat maakt dat de geduide functies op dit aspect passend zijn. In deze functie is geen sprake van een hele drukke en/of hectische werkomgeving.”
13. Vergelijking van het inkomen dat eiser in de geduide functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat eiser verdiende voordat hij ziek werd, geeft een verdiencapaciteit van meer dan 65%. Het UWV heeft dus terecht met ingang van 23 december 2023 eiser in staat geacht tot het verrichten van de maatgevende arbeid. Het UWV heeft dan ook terecht de ZW-uitkering van eiser beëindigd.
14. Gelet op het voorgaande heeft het UWV eveneens terecht bepaald dat eiser niet aan de op grond van het gestelde in artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA vereiste wachttijd van 104 weken arbeidsongeschiktheid voldoet, zodat hij niet voor een WIA-uitkering in aanmerking komt.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het UWV terecht heeft bepaald dat eiser met ingang van 23 december 2023 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering en dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat hij niet aan de vereiste wachttijd voldoet. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.J. van Erkel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Onder meer de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:459.