Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:13046
2026-09-23
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
C/10/719136 / HA ZA 26-396
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Incident; eiser vordert een mededelingsverbod (28 Rv) en een mondelinge behandeling met gesloten deuren (27 Rv). Het mededelingsverbod wordt als onvoldoende gespecificeerd afgewezen; de beslissing over de andere vordering wordt aangehouden tot de mondelinge behandeling om te bezien of alsdan werkbare regieaspraken gemaakt kunnen worden.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.109 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Civiel recht
Zittingsplaats Rotterdam
Zaaknummer: C/10/719136 / HA ZA 26-396
Vonnis in incident van 23 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats],
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. W.E. Pors,
tegen
HARBOUR ANTIBODIES B.V.,
te Rotterdam,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: Harbour Antibodies,
advocaat: mr. M.P.P. Luijkx.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met incidentele vorderingen tot oplegging van een mededelingsverbod en het met gesloten deuren laten plaatsvinden van de mondelinge behandeling,
- de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2Het geschil
2.1.
In de hoofdzaak is, samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van het incident, het volgende aan de hand. [eiser] vordert een vergoeding voor juridische kosten. Het gaat hoofdzakelijk om kosten die hij heeft gemaakt in procedures bij de rechtbank Rotterdam en in verband met een octrooi-inbreukprocedure tegen een derde partij bij het Delaware District Court. In de procedure bij de rechtbank Rotterdam, die geleid heeft tot een eindvonnis, stond de uitleg van een licentieovereenkomst over de toepassing van de betreffende octrooien centraal.
2.2.
In het incident vordert [eiser] dat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
aan Harbour Antibodies en haar advocaten op grond van artikel 28 Rv wordt verboden om aan derden mededelingen te doen omtrent gegevens uit de onderhavige procedure en het behandelde ter zitting met gesloten deuren, tenzij [eiser] daartoe toestemming verleent;
de mondelinge behandeling op grond van artikel 27 Rv en met toepassing van artikel 19 lid 2 Rv achter gesloten deuren zal plaatsvinden voor zover en op die momenten dat zaken worden besproken die onder het client attorney privilege vallen.
2.3.
[eiser] legt hieraan het volgende ten grondslag. In deze procedure zijn documenten relevant die naar Amerikaans recht onder het client attorney privilege vallen. De vorderingen zijn bedoeld om dat privilege te beschermen en om te voorkomen dat overlegging van stukken aan de rechtbank wordt gezien als een waiver naar Amerikaans recht. [eiser] licht verder toe dat hij op verzoek “in redelijkheid” toestemming zal verlenen voor het doen van mededelingen, voor het geval in het kader van de procedure bij de rechtbank van het District Delaware mededelingen moeten worden gedaan.
2.4.
Harbour Antibodies heeft verweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering onder 1. voert zij aan dat het Nederlandse procesrecht en de contractuele verhoudingen tussen partijen reeds voldoende bescherming bieden. Verder acht Harbour Antibodies deze vordering in strijd met het beginsel van processuele gelijkheid van partijen, is de vordering volgens haar onbegrensd en daardoor niet proportioneel en is het toestemmingsmechanisme voor haar onaanvaardbaar. Zij concludeert primair tot afwijzing van de vordering en subsidiair tot toewijzing met inachtneming van een aantal vereisten. Tegen toewijzing van de vordering onder 2. maakt Harbour Antibodies geen bezwaar, mits dit geldt voor privileged informatie van beide partijen.
3De beoordeling in het incident
Bevoegdheid en toepasselijk recht
3.1.
Aangezien [eiser] in het Verenigd Koninkrijk woont, moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of zij internationaal bevoegd is en zo ja, welk recht toepasselijk is.
3.2.
Partijen gaan uit van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. De rechtbank merkt dat aan als een, toegelaten, forumkeuze, zodat zij bevoegd is.
3.3.
Partijen gaan uit van de toepasselijkheid van Nederlands recht, en hebben daarmee een stilzwijgende rechtskeuze gedaan.
Vordering onder 1. – mededelingsverbod
3.4.
De rechtbank stelt voorop dat openbaarheid van de rechtspleging hoofdregel is. In afwijking van die hoofdregel kan de rechtbank bepalen dat het aan partijen verboden is om aan derden mededelingen te doen omtrent gegevens uit de procedure (artikel 28 lid 1 en onder b Rv). Het moet dan wel gaan om gegevens die voldoende bepaalbaar en concreet omschreven zijn, zodat voor alle procesdeelnemers duidelijk is op welke gegevens het verbod ziet.
3.5.
Een algemeen mededelingsverbod met betrekking tot “gegevens uit de procedure”, zoals gevorderd door [eiser], is onvoldoende gespecificeerd. In het lichaam van de dagvaarding heeft [eiser] weliswaar als voorbeeld vertrouwelijke e-mails genoemd, maar de vordering is in dat kader niet begrensd en het voorbeeld geeft onvoldoende duidelijkheid. Het had op de weg van [eiser] gelegen om concreet te omschrijven op welke gegevens het door hem verlangde mededelingsverbod betrekking zou moeten hebben. Nu hij dat niet heeft gedaan zal de vordering worden afgewezen.
De rechtbank voegt daaraan toe dat, als [eiser] op enig moment in de procedure van een specifiek document aangeeft en onderbouwt dat het onder een relevant attorney-client privilege valt, hij op dat moment voor dat stuk een gebod op basis van artikel 28 Rv kan vragen.
Vordering onder 2. – zitting met gesloten deuren
3.6.
Ten aanzien van de vordering tot het met gesloten deuren laten plaatsvinden van de mondelinge behandeling overweegt de rechtbank als volgt. Uitgangspunt van de wet is dat de zitting openbaar is. Die openbaarheid is een groot goed; zij beschermt rechtzoekenden tegen geheime rechtspraak zonder publieke controle, bevordert het vertrouwen in de rechtspraak en draagt bij aan de verwezenlijking van het doel van eerlijke procedures. De rechtbank past dus terughoudendheid bij de beoordeling van een dergelijke vordering, ook als daartegen door de andere partij geen bezwaar wordt gemaakt.
3.7.
Artikel 27 lid 1 Rv biedt de rechtbank evenwel de bevoegdheid om in voorkomende gevallen van de regel van openbare behandeling af te wijken. Zij kan de zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren laten plaatsvinden in de onder a tot en met d limitatief genoemde gevallen. In dit geval zou het gaan om toepassing van artikel 27 lid 1 sub d Rv: een bevel tot behandeling met gesloten deuren omdat openbaarheid het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden. Uit de jurisprudentie volgt dat dergelijke vorderingen ook met grote terughoudendheid worden beoordeeld.
3.8.
Tegen deze achtergrond zal de rechtbank deze vordering nu niet toewijzen. De rechtbank begrijpt echter dat beide partijen belang hechten aan het client attorney privilege en ziet, mede gezien het feit dat beide partijen de maatregel wenselijk achten, in dit geval aanleiding de mogelijkheden te inventariseren om de mondelinge behandeling gedeeltelijk met gesloten deuren te laten plaatsvinden. De huidige vordering is echter op zodanige wijze geformuleerd dat toewijzing daarvan tot praktische problemen zou kunnen leiden. Als de rechtbank de door [eiser] geformuleerde vordering zou toewijzen, zou dat de onwerkbare situatie opleveren dat tijdens de mondelinge behandeling te pas en te onpas zal moeten worden beoordeeld of hetgeen op dat moment aan de orde is al dan niet onder het client attorney privilege valt. De rechtbank zal uit praktische overwegingen dan ook de beslissing op deze vordering aanhouden tot aan de mondelinge behandeling zelf. Bij aanvang van de mondelinge behandeling kan dan worden besproken of er werkbare regieafspraken gemaakt kunnen worden over een gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren. Van partijen wordt verwacht dat zij bij het voorbereiden van hun pleidooi hiermee rekening houden, bijvoorbeeld door de kwesties waar dit aan de orde kan zijn gebundeld te behandelen.
Ten slotte
3.9.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 12 van de tussen partijen gesloten Litigation and Cooperation Agreement het recht van de staat Californië van toepassing is op vragen met betrekking tot het client attorney privilege. Dit betreft ook de vraag of het overleggen van stukken in de onderhavige procedure al dan niet moet worden gezien als waiver van dat privilege naar Amerikaans (federaal) recht, hetgeen [eiser] beoogde te voorkomen met het gevorderde mededelingsverbod. Deze vraag kan de rechtbank dus niet naar Nederlands recht beantwoorden. Het recht van de staat Californië is daarmee beslissend voor de vraag welke gegevens überhaupt vallen onder het client attorney privilege, welke vraag van belang is voor de mogelijk te maken regieafspraken. Het had op de weg van [eiser] gelegen om de rechtbank daarover nader voor te lichten, bijvoorbeeld door middel van een opinie van een ter zake kundige persoon. De rechtbank verwacht een dergelijke opinie voor de zitting.
Proceskosten
3.10.
De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van dit incident aanhouden, totdat – na een mondelinge behandeling – in de hoofdzaak zal worden beslist.
4De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst de vordering tot oplegging van een mededelingsverbod af,
4.2.
houdt de beslissing over de vordering tot het met gesloten deuren laten plaatsvinden van de mondelinge behandeling aan tot de mondelinge behandeling,
4.3.
houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,
in de hoofdzaak
4.4.
verwijst de zaak naar de rol van 4 november 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van Harbour Antibodies,
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.M. Diekman, mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en mr. D.E. Stols, bij ontstentenis van de voorzitter getekend door de oudste rechter en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.
3533 / 3605 / 106 / 2502
Civiel recht
Zittingsplaats Rotterdam
Zaaknummer: C/10/719136 / HA ZA 26-396
Vonnis in incident van 23 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats],
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. W.E. Pors,
tegen
HARBOUR ANTIBODIES B.V.,
te Rotterdam,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: Harbour Antibodies,
advocaat: mr. M.P.P. Luijkx.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met incidentele vorderingen tot oplegging van een mededelingsverbod en het met gesloten deuren laten plaatsvinden van de mondelinge behandeling,
- de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2Het geschil
2.1.
In de hoofdzaak is, samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van het incident, het volgende aan de hand. [eiser] vordert een vergoeding voor juridische kosten. Het gaat hoofdzakelijk om kosten die hij heeft gemaakt in procedures bij de rechtbank Rotterdam en in verband met een octrooi-inbreukprocedure tegen een derde partij bij het Delaware District Court. In de procedure bij de rechtbank Rotterdam, die geleid heeft tot een eindvonnis, stond de uitleg van een licentieovereenkomst over de toepassing van de betreffende octrooien centraal.
2.2.
In het incident vordert [eiser] dat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
aan Harbour Antibodies en haar advocaten op grond van artikel 28 Rv wordt verboden om aan derden mededelingen te doen omtrent gegevens uit de onderhavige procedure en het behandelde ter zitting met gesloten deuren, tenzij [eiser] daartoe toestemming verleent;
de mondelinge behandeling op grond van artikel 27 Rv en met toepassing van artikel 19 lid 2 Rv achter gesloten deuren zal plaatsvinden voor zover en op die momenten dat zaken worden besproken die onder het client attorney privilege vallen.
2.3.
[eiser] legt hieraan het volgende ten grondslag. In deze procedure zijn documenten relevant die naar Amerikaans recht onder het client attorney privilege vallen. De vorderingen zijn bedoeld om dat privilege te beschermen en om te voorkomen dat overlegging van stukken aan de rechtbank wordt gezien als een waiver naar Amerikaans recht. [eiser] licht verder toe dat hij op verzoek “in redelijkheid” toestemming zal verlenen voor het doen van mededelingen, voor het geval in het kader van de procedure bij de rechtbank van het District Delaware mededelingen moeten worden gedaan.
2.4.
Harbour Antibodies heeft verweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering onder 1. voert zij aan dat het Nederlandse procesrecht en de contractuele verhoudingen tussen partijen reeds voldoende bescherming bieden. Verder acht Harbour Antibodies deze vordering in strijd met het beginsel van processuele gelijkheid van partijen, is de vordering volgens haar onbegrensd en daardoor niet proportioneel en is het toestemmingsmechanisme voor haar onaanvaardbaar. Zij concludeert primair tot afwijzing van de vordering en subsidiair tot toewijzing met inachtneming van een aantal vereisten. Tegen toewijzing van de vordering onder 2. maakt Harbour Antibodies geen bezwaar, mits dit geldt voor privileged informatie van beide partijen.
3De beoordeling in het incident
Bevoegdheid en toepasselijk recht
3.1.
Aangezien [eiser] in het Verenigd Koninkrijk woont, moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of zij internationaal bevoegd is en zo ja, welk recht toepasselijk is.
3.2.
Partijen gaan uit van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. De rechtbank merkt dat aan als een, toegelaten, forumkeuze, zodat zij bevoegd is.
3.3.
Partijen gaan uit van de toepasselijkheid van Nederlands recht, en hebben daarmee een stilzwijgende rechtskeuze gedaan.
Vordering onder 1. – mededelingsverbod
3.4.
De rechtbank stelt voorop dat openbaarheid van de rechtspleging hoofdregel is. In afwijking van die hoofdregel kan de rechtbank bepalen dat het aan partijen verboden is om aan derden mededelingen te doen omtrent gegevens uit de procedure (artikel 28 lid 1 en onder b Rv). Het moet dan wel gaan om gegevens die voldoende bepaalbaar en concreet omschreven zijn, zodat voor alle procesdeelnemers duidelijk is op welke gegevens het verbod ziet.
3.5.
Een algemeen mededelingsverbod met betrekking tot “gegevens uit de procedure”, zoals gevorderd door [eiser], is onvoldoende gespecificeerd. In het lichaam van de dagvaarding heeft [eiser] weliswaar als voorbeeld vertrouwelijke e-mails genoemd, maar de vordering is in dat kader niet begrensd en het voorbeeld geeft onvoldoende duidelijkheid. Het had op de weg van [eiser] gelegen om concreet te omschrijven op welke gegevens het door hem verlangde mededelingsverbod betrekking zou moeten hebben. Nu hij dat niet heeft gedaan zal de vordering worden afgewezen.
De rechtbank voegt daaraan toe dat, als [eiser] op enig moment in de procedure van een specifiek document aangeeft en onderbouwt dat het onder een relevant attorney-client privilege valt, hij op dat moment voor dat stuk een gebod op basis van artikel 28 Rv kan vragen.
Vordering onder 2. – zitting met gesloten deuren
3.6.
Ten aanzien van de vordering tot het met gesloten deuren laten plaatsvinden van de mondelinge behandeling overweegt de rechtbank als volgt. Uitgangspunt van de wet is dat de zitting openbaar is. Die openbaarheid is een groot goed; zij beschermt rechtzoekenden tegen geheime rechtspraak zonder publieke controle, bevordert het vertrouwen in de rechtspraak en draagt bij aan de verwezenlijking van het doel van eerlijke procedures. De rechtbank past dus terughoudendheid bij de beoordeling van een dergelijke vordering, ook als daartegen door de andere partij geen bezwaar wordt gemaakt.
3.7.
Artikel 27 lid 1 Rv biedt de rechtbank evenwel de bevoegdheid om in voorkomende gevallen van de regel van openbare behandeling af te wijken. Zij kan de zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren laten plaatsvinden in de onder a tot en met d limitatief genoemde gevallen. In dit geval zou het gaan om toepassing van artikel 27 lid 1 sub d Rv: een bevel tot behandeling met gesloten deuren omdat openbaarheid het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden. Uit de jurisprudentie volgt dat dergelijke vorderingen ook met grote terughoudendheid worden beoordeeld.
3.8.
Tegen deze achtergrond zal de rechtbank deze vordering nu niet toewijzen. De rechtbank begrijpt echter dat beide partijen belang hechten aan het client attorney privilege en ziet, mede gezien het feit dat beide partijen de maatregel wenselijk achten, in dit geval aanleiding de mogelijkheden te inventariseren om de mondelinge behandeling gedeeltelijk met gesloten deuren te laten plaatsvinden. De huidige vordering is echter op zodanige wijze geformuleerd dat toewijzing daarvan tot praktische problemen zou kunnen leiden. Als de rechtbank de door [eiser] geformuleerde vordering zou toewijzen, zou dat de onwerkbare situatie opleveren dat tijdens de mondelinge behandeling te pas en te onpas zal moeten worden beoordeeld of hetgeen op dat moment aan de orde is al dan niet onder het client attorney privilege valt. De rechtbank zal uit praktische overwegingen dan ook de beslissing op deze vordering aanhouden tot aan de mondelinge behandeling zelf. Bij aanvang van de mondelinge behandeling kan dan worden besproken of er werkbare regieafspraken gemaakt kunnen worden over een gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren. Van partijen wordt verwacht dat zij bij het voorbereiden van hun pleidooi hiermee rekening houden, bijvoorbeeld door de kwesties waar dit aan de orde kan zijn gebundeld te behandelen.
Ten slotte
3.9.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 12 van de tussen partijen gesloten Litigation and Cooperation Agreement het recht van de staat Californië van toepassing is op vragen met betrekking tot het client attorney privilege. Dit betreft ook de vraag of het overleggen van stukken in de onderhavige procedure al dan niet moet worden gezien als waiver van dat privilege naar Amerikaans (federaal) recht, hetgeen [eiser] beoogde te voorkomen met het gevorderde mededelingsverbod. Deze vraag kan de rechtbank dus niet naar Nederlands recht beantwoorden. Het recht van de staat Californië is daarmee beslissend voor de vraag welke gegevens überhaupt vallen onder het client attorney privilege, welke vraag van belang is voor de mogelijk te maken regieafspraken. Het had op de weg van [eiser] gelegen om de rechtbank daarover nader voor te lichten, bijvoorbeeld door middel van een opinie van een ter zake kundige persoon. De rechtbank verwacht een dergelijke opinie voor de zitting.
Proceskosten
3.10.
De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van dit incident aanhouden, totdat – na een mondelinge behandeling – in de hoofdzaak zal worden beslist.
4De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst de vordering tot oplegging van een mededelingsverbod af,
4.2.
houdt de beslissing over de vordering tot het met gesloten deuren laten plaatsvinden van de mondelinge behandeling aan tot de mondelinge behandeling,
4.3.
houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,
in de hoofdzaak
4.4.
verwijst de zaak naar de rol van 4 november 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van Harbour Antibodies,
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.M. Diekman, mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en mr. D.E. Stols, bij ontstentenis van de voorzitter getekend door de oudste rechter en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.
3533 / 3605 / 106 / 2502