Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:13043

2026-09-29 Civiel recht C/10/424631 / HA RK 13-425 en C/10/431722 / HA RK 13-787
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-29
Publicatiedatum
2026-10-01
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
C/10/424631 / HA RK 13-425 en C/10/431722 / HA RK 13-787
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van eindbeschikking 28 juli 2026 in beperkingszaken Delfborg I en II – gesloten stelsel van rechtsmiddelen - beperkt toetsingskader 31/32 Rv - geen verrassingsbeslissing - geen misbruik van recht door belanghebbende - geen aanleiding voor mondelinge behandeling ondanks rechterswissel

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.785 tekens)
beschikking
RECHTBANK ROTTERDAM


team handel en haven



zaaknummers / rekestnummers: C/10/424631 HA RK 13-425 en
C/10/431722 HA RK 13-787



zakenfonds zeeschip DELFBORG




Beschikking van de rechtbank van 29 september 2026




in de gevoegde zaken van



zaaknummer / rekestnummer: C/10/424631 / HA RK 13-425 van

1. [verzoeker],

handelend zowel voor zich als in hoedanigheid van beherend vennoot van
C.V. m.s. Delfborg,
wonende te Assen,

2. de commanditaire vennootschap


C.V. M.S. DELFBORG,
gevestigd te Assen,
verzoekers,
advocaat mr. P.A. den Haan te Rotterdam,



en



zaaknummer / rekestnummer: C/10/431772 / HA RK 13-787 van

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid


WAGENBORG SHIPPING B.V.,
gevestigd te Delfzijl,
verzoekster,
advocaat mr. P.A. den Haan te Rotterdam.



Verzoekers worden hierna afzonderlijk ‘[verzoeker]’, ‘Delfborg’ en ‘Wagenborg’ genoemd en gezamenlijk ‘verzoekers’.





1De gang van zaken

1.1.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft op het door Baltic Cable AB (hierna: Baltic Cable) gedane verzet in deze beperkingsprocedures een eindbeschikking gewezen op 28 juli 2026. De daarop gevolgde relevante gang van zaken wordt hieronder kort weergegeven.



1.2.
Verzoekers hebben op 19 augustus 2026 een verzoek tot herstel en/of heroverwegen van en terugkomen op de beschikking in verzet van 28 juli 2026 ingediend.



1.3.
Verzoekers hebben de rechtbank voorts op 22 augustus 2026 een e-mailbericht gestuurd met het onderwerp ‘DELFBORG nieuw opgekomen gronden om terug te komen op beschikkingen en/of deze te herroepen/herstellen, tevens om de afwikkeling van het fonds op te schorten dan wel die aan voorwaarden te verbinden’.



1.4.
Baltic Cable, de (enige) belanghebbende partij in de beperkingsprocedure, heeft zich bij brieven aan de rechtbank van 21 en 25 augustus 2026 uitgelaten over de inhoud van het verzoek van 19 augustus 2026 en de e-mail van 22 augustus 2026 van verzoekers.



1.5.
De voorzitter van de meervoudige kamer van de rechtbank in de verzetprocedure, mr. W.P. Sprenger, is gedefungeerd wegens het bereiken van de leeftijd van 73 jaar. Mr. P.C. Santema is aangewezen als vervangend voorzitter van de meervoudige kamer.




2. Het verzoek tot herstel en/of heroverwegen van en terugkomen op de beschikking in verzet van 28 juli 2026 en de reactie daarop van Baltic Cable




2.1.

De conclusie in het verzoek van 19 augustus 2026 luidt als volgt:

“Hoewel de zaak talrijke en veelal principiële aspecten kent, ligt deze eigenlijk heel eenvoudig en daarom is wat verweersters van de rechtbank vragen met betrekking tot de tussenbeschikking en de eindbeschikking niet ingewikkeld en voor eenvoudig herstel dan wel correctie en/of terug komen vatbaar. Het verzet dient te stranden. Verweersters benoemen hieronder enige van de mogelijkheden.





De rechtbank moet nog beslissen op de akte/nader verzoek in de verzetprocedure van zondag 29 juni 2025 van Baltic Cable voorafgaande aan de zitting van 4 juli 2025 en op hetgeen daartegen door verweersters is aangevoerd. Dan ligt voor de hand dat die akte buiten de orde is en dat slechts beslist kan en hoeft te worden op het inleidende verzet van Baltic Cable, en dat ligt voor directe afwijzing op eenvoudige wijze gereed. Daarmee kan het hele debat over intrekken/terugtrekken met alle implicatie daarvan achterwege blijven.





En/of, de rechtbank kan moet zelfs los daarvan en/of als de rechtbank daar niet aan wil, de onaantastbare beschikking van de rechter-commissaris van 27 juni 2024 volgen, met een al even eenvoudig resultaat.





En/of de rechtbank kan en moet zelfs los daarvan en/of als de rechtbank daar niet aan wil, het laten bij de vaststelling van r.o. 3.64 tussenbeslissing, dat niet geoordeeld kan worden dat de vordering ten onrechte in de staat van verdeling is opgenomen. Daar kan dan eenvoudig de bescherming van art. 13 LLMC bij betrokken worden en om tot de slotsom te komen dat daarbij bij nader inzien niet in het rechtsbestel en het LLMC past om af te wijken van het in r.o. 3.64 hiervoor genoemde rechtens juiste resultaat af te wijken.





En/of, de rechtbank zou zelfs los daarvan en als de rechtbank daar allemaal niet aan wil, moeten en kunnen oordelen dat Baltic Cable ondanks daartoe gebonden gelegenheid de vordering niet op voorgeschreven en reguliere wijze heeft teruggenomen wegens niet voldoen aan de daartoe in de renvooiprocedure benodigde procesvereisten.





En/of, de rechtbank zou desnodig dan maar de suggestie van verweersters kunnen volgen om de vordering op de staat van verdeling te laten staan met aantekening dat Baltic Cable terzake geen prijs stelt op betaling uit het fonds (…).”





2.2.
Verzoekers motiveren hun verzoek (kort samengevat) als volgt:
- de eindbeschikking van 28 juli 2026 is een verrassingsbeslissing omdat de koers afwijkt van hetgeen in de tussenbeschikking van 18 december 2025 is beslist;
- de rechtbank is de bevoegdheid in verzet en de kaders van de wettelijke regeling, alsmede het partijdebat te buiten gegaan;
- de rechtbank heeft verzuimd om te beslissen op de tegen de Akte/Nader Verzoek in de verzetprocedure zijdens Baltic Cable door Verzoekers gemotiveerd aangevoerde bezwaren. De zaak had zonder toelating van de aanvullende akte moeten worden beslist en zou dan bepaald eenvoudig tot onmiddellijke afwijzing van het verzet hebben geleid, als ook dat de rechtbank het beroep van verzoekers op de inhoud van de beschikking van de rechter-commissaris van 27 juni 2024 en de betekenis daarvan; - de rechtbank gaat uit van onjuiste feiten en past verdragsrecht niet of onjuist toe;
- gaat op onjuiste wijze voorbij aan gerechtvaardigde belangen van verzoekers zonder dat partijdebat daarop mogelijk is gemaakt.



2.3.
Daaraan hebben verzoekers in de e-mail van 22 augustus 2026 (samengevat) nog een extra grond toegevoegd. Baltic Cable heeft volgens verzoekers in strijd met 21 Rv gehandeld en heeft misbruik van recht gemaakt. Baltic Cable heeft de rechter-commissaris te kwader trouw om uitdeling van het beperkingsfonds verzocht en heeft gepoogd om onder de in weerwil van de beperkingsprocedure en art. 13 LLMC afgedwongen garantie te trekken.



2.4.
Baltic Cable heeft inhoudelijk gereageerd op het verzoek tot herstel van 19 augustus 2026 en op de e-mail van 22 augustus 2026 zijdens verzoekers. Zij heeft de standpunten van verzoekers bestreden. Daartoe heeft zij, kort samengevat, het volgende betoogd:
- verzoekers doen kennelijk een beroep op artikel 31 Rv, dat slechts ziet op kennelijke fouten die zich lenen voor eenvoudig herstel;
- het verzoek van verzoekers ziet niet op een kennelijke en eenvoudig te herstellen fout;
- het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich ertegen dat de rechtbank een eenmaal gewezen eindbeschikking intrekt en een nieuwe beschikking wijst;
- de wet laat geen ruimte voor een heroverweging van de beschikking van 28 juli 2026;
- het is niet verrassend dat Baltic Cable na de eindbeschikking van 28 juli 2026 is overgegaan tot uitwinning van de gestelde garantie, die stap had zij namelijk ook reeds aangekondigd in de verzetprocedure. Zij heeft conform deze aankondiging gehandeld;
- een verzoek om te trekken onder een bankgarantie betekent geenszins dat iedere toegang tot de rechter is uitgesloten;
- Baltic Cable heeft nimmer een toezegging gedaan waarvan de strekking was dat eerst een bodemprocedure zou worden gevoerd voor het uitwinnen van de garantie.






3De beoordeling

3.1.
Verzoekers benoemen in hun verzoek niet uitdrukkelijk op welke wettelijke grondslag het berust. De rechtbank leidt uit de bewoordingen van het verzoek af dat verzoekers hun verzoeken gronden op herstel (art. 31 Rv), aanvulling (art. 32 Rv), het terugkomen op een bindende eindbeslissing en misbruik van recht door Baltic Cable. De rechtbank zal deze gronden hierna achtereenvolgens behandelen.



het verzoek gaat de toetsingskaders van artikel 31 en 32 Rv te buiten





3.2.
Bij de beoordeling van een verzoek tot verbetering geldt op grond van artikel 31 Rv dat het moet gaan om kennelijke fouten die zich moeten lenen voor eenvoudig herstel. Het criterium daarvoor is of voor partijen en derden direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 175; Kamerstukken II 1999/2000, 26855, 3, p. 63).



3.3.
Het verzoek van verzoekers kan op die grond niet slagen omdat dat het kader van artikel 31 Rv te buiten gaat. De ratio van artikel 31 Rv is dat bijvoorbeeld kennelijke reken- of schrijffouten makkelijk kunnen worden verbeterd. Uit de bewoordingen van de conclusie van het verzoek blijkt al dat het niet strekt tot het herstellen van een kennelijke fout in voormelde zin. Verzoekers beogen immers een inhoudelijke wijziging van de eindbeschikking.



3.4.
Verzoekers hebben ook aangevoerd dat de rechtbank heeft nagelaten om te beslissen op de bezwaren die verzoekers hebben aangevoerd tegen de Akte/nader verzoek in de verzetprocedure. Zij stellen zich in het verzoek van 19 augustus 2026 op het standpunt dat op de zaak zonder toelating van de aanvullende akte had moeten worden beslist en dat dat dan eenvoudig tot onmiddellijke afwijzing van het verzet zou hebben geleid.



3.5.
De rechtbank overweegt als volgt. De wet geeft in artikel 32 Rv een grondslag voor aanvulling van een rechterlijke beslissing. Lid 1 van dat artikel bepaalt voor zover hier relevant dat de rechter te allen tijde op verzoek van een partij zijn beschikking aanvult indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het verzochte. Het gaat daarbij om het materieel verzochte, dat wat aan de rechter is voorgelegd ter beslissing met een einduitspraak over hetgeen wat partijen verdeeld houdt. Verweren, grieven, middelen en bijvoorbeeld het aanbieden van (getuigen)bewijs behoren niet tot het verzochte. Ook voor zover de rechtbank in de eindbeschikking van 28 juli 2026 heeft verzuimd om te beslissen op bezwaren van verzoekers tegen de verzoeken van Baltic Cable in de verzetprocedure, kan een dergelijk verzuim van de rechtbank niet op grond van artikel 32 Rv worden gerepareerd.



3.6.
Overigens heeft de rechtbank wel degelijk beslist op de bezwaren van verzoekers en deze meegewogen bij de beoordeling in de verzetprocedure. Voor een deel is in de eindbeschikking (of reeds in de tussenbeschikking van 18 december 2025) expliciet beslist op de door verzoekers opgeworpen bezwaren. Zo blijkt uit de tussenbeschikking al dat de rechtbank de Akte/Nader Verzoek van Baltic Cable heeft aangemerkt als een nadere, toegestane, inkleuring van het eerder door haar ingediende bezwaarschrift tegen de goedgekeurde staat van verdeling.



3.7.
Op verdere bezwaren van verzoekers is wel degelijk (impliciet) beslist in de verzetprocedure. Uit de dragende overwegingen van de rechtbank in de beoordeling van beide beschikkingen (uit de overwegingen 3.2.1-3.2.7 in de eindbeschikking en uit overwegingen 3.54-3.64 in de tussenbeschikking) vloeit voort dat de opgeworpen bezwaren van verzoekers zijn meegewogen en niet zijn gehonoreerd. Daarbij geldt ook dat een deel van de standpunten van verzoekers in de verzetprocedure niet nader gemotiveerd (onder verwijzing naar wet of jurisprudentie) onderbouwd zijn. Een expliciete of separate beslissing op niet nader gestaafde standpunten lag daarom niet in de rede.



het verzoek om terug te komen op bindende eindbeslissingen wordt afgewezen; geen verrassingsbeslissing





3.8.
Een bindende eindbeslissing is een beslissing van de rechter in een lopende zaak waar hij of zij later in diezelfde procedure in beginsel niet zomaar op terug kan komen. Het gaat om een beslissing over een geschilpunt of rechtsvraag die al definitief is beoordeeld binnen die procedure, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn, zoals een kennelijke fout of nieuwe inzichten die heroverweging rechtvaardigen. De eisen van een goede procesorde brengen met zich mee dat een rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, om te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800).



3.9.
Door verzoekers is eerder, in de akte van 5 januari 2026 na de tussenbeschikking van de rechtbank in verzet van 18 december 2025, aan de rechtbank verzocht om terug te komen van bindende eindbeslissingen. In hun huidige verzoek herhalen verzoekers hun bezwaren en verzoeken uit hun akte van 5 januari 2026. Verzoekers voeren in hun verzoek van 19 augustus 2026 grotendeels dezelfde gronden aan, maar nu tegen de eindbeschikking.



3.10.
De rechtbank heeft in de eindbeschikking al beslist op het eerder gedane verzoek om terug te komen op beslissingen. In de eindbeschikking is voor een deel expliciet maar ook impliciet al beslist op de gronden die ook in het verzoek van 19 augustus 2026 worden aangevoerd.



3.11.
Verzoekers hebben in het verzoek van 19 augustus 2026 daaraan niet veel extra argumenten aangevoerd of dit nader onderbouwd. Feitelijk komt het verzoek van verzoekers erop neer dat zij het inhoudelijk niet eens zijn met de beslissingen in de eindbeschikking van 28 juli 2026. Uit de onder 2.1 geciteerde conclusie van het verzoek volgt dat verzoekers eigenlijk nogmaals pleiten voor de uitkomst die de verzetprocedure volgens hen dient te hebben. Maar er is na het wijzen van de eindbeschikking 28 juli 2026 geen ruimte of wettelijke grond om daar in deze instantie nog op terug te komen – ook voor zover daartoe aanleiding zou bestaan. Het terugkomen op een eindbeschikking is uitgesloten door het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dat in dit geval een rechtsmiddelenverbod geldt, maakt het voorgaande niet anders.



3.12.

De rechtbank volgt verzoekers overigens evenmin in hun bezwaar dat de eindbeschikking van 28 juli 2026 een verrassingsbeslissing is waarop geen partijdebat mogelijk is gemaakt en waarin sprake is geweest van een koerswijziging door de rechtbank ten opzichte van de tussenbeschikking van 18 december 2025. In de tussenbeschikking heeft de rechtbank in overwegingen 3.64-3.65 uitdrukkelijk de mogelijke routes van de eindbeschikking geschetst en vervolgens Baltic Cable in de gelegenheid gesteld bij akte het bewijs te overleggen dat zij haar vordering wegens de Zweedse proceskosten definitief heeft teruggenomen uit de beperkingsprocedure. Baltic Cable heeft die akte ingediend, verzoekers hebben daarop weer bij akte mogen reageren. In de eindbeschikking heeft de rechtbank, in overeenstemming met 3.65 in de tussenbeschikking, ten slotte de staat van verdeling vastgesteld met weglating van de Zweedse proceskostenvordering van Baltic Cable.
Gelet op deze gang van zaken is het standpunt van verzoekers onbegrijpelijk. De rechtbank gaat daaraan voorbij.

geen sprake van misbruik van recht





3.13.
Volgens verzoekers bestond de tot uitgangspunt genomen voorwaarde en verwachting dat Baltic Cable de vraag naar de beknotbaarheid van de Zweedse proceskosten door een rechter zou laten toetsen. Door uitkering van het beperkingsfonds te verzoeken bij de rechter-commissaris en vereffenaar en daarnaast te pogen onder de garantie te trekken, maakt Baltic Cable misbruik van recht. Volgens verzoekers bedriegt Baltic Cable de garantiesteller, de rechter-commissaris en de rechtbank in verzet. Zij menen dat de welbewuste acties van Baltic Cable de zaak in een dusdanig ander daglicht zetten dat dit de rechtbank in verzet een nieuwe reden geeft om tot correctie van/terugkomen/herroepen van de beide beschikkingen in verzet over te gaan.



3.14.
De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van verzoekers. Het was reeds voor de verzetprocedure bekend dat er een procedure tussen partijen in Assen aanhangig was in verband met een door Baltic Cable gelegd beslag en dat er een garantie is afgegeven. Baltic Cable heeft weersproken dat zij de toezegging heeft gedaan pas onder de garantie te zullen trekken als beslist is over de beknotbaarheid van de Zweedse proceskosten of dat zij zelf een bodemprocedure zou initiëren ter beoordeling van die inhoudelijke vraag. Van een dergelijke toezegging is de rechtbank ook niet gebleken. Het komt de rechtbank daarnaast voor dat verzoekers, na eventuele betaling onder de garantie, waarvan zij de rechtsgeldigheid bestrijden, ook zelf de vraag naar de beknotbaarheid van de Zweedse proceskostenvordering ter inhoudelijke beoordeling in een bodemprocedure aan de bevoegde rechter kunnen voorleggen.



3.15.
Dat betekent dat ook op deze grondslag geen aanleiding bestaat tot correctie of wijziging van de beschikkingen in verzet, nog daargelaten dat (zoals ook hiervoor overwogen) het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich hiertegen verzet.



de rechterswissel geeft geen aanleiding tot een nieuwe mondelinge behandeling





3.16.
De rechtbank realiseert zich dat hier sprake is van een rechterswissel. Mr. P.C. Santema is namelijk ter vervanging van mr. W.P. Sprenger aangewezen als voorzitter in de meervoudige kamer die de verzetprocedure heeft behandeld.



3.17.
Gelet echter op het bovengenoemde beperkte beoordelingskader van het verzoek van 19 augustus 2026, hoeft deze samenstelling van de meervoudige kamer van de rechtbank niet te beslissen over een onderwerp waarop het verhandelde op de zitting in verzet van invloed kan zijn. De rechtbank ziet daarom in dit geval geen reden voor een nieuwe mondelinge behandeling.



conclusie





3.18.
De rechtbank zal het verzoek tot herstel en/of heroverwegen van en terugkomen op de beslissingen in de beschikking in verzet van 28 juli 2026 afwijzen.






4De beslissing

4.1.
wijst het verzoek tot herstel en/of heroverwegen van en terugkomen op de beschikking in verzet van 28 juli 2026 af.


Deze beschikking is gegeven door mrs. P.C. Santema, M. Witkamp en S.H.L. Niessen en is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026 in aanwezigheid van de griffier mr. B. Meeuwisse-den Boer.
3266/32/2054/3261