Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12991
2026-09-18
Civiel recht; Verbintenissenrecht
12200897 CV EXPL 26-10843
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Medische behandeling in België
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.312 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12200897 CV EXPL 26-10843
datum uitspraak: 18 september 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Universitair Ziekenhuis Antwerpen,
vestigingsplaats: Edegem (België),
eiseres,
gemachtigde: [gemachtigde] LL.M. (Modero gerechtsdeurwaarders Amsterdam),
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ UZA ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 31 maart 2026, met bijlagen;
de aantekeningen van de mondelinge reactie van [gedaagde] en de bijlagen die toen zijn overhandigd;
de repliek;
de dupliek.
2De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
UZA heeft in 2024 zorg verleend aan [gedaagde] . Volgens UZA heeft [gedaagde] de kosten daarvan niet betaald. Daarom eist UZA dat [gedaagde] wordt veroordeeld de kosten van de verleende zorg, met rente en bijkomende kosten, aan haar te betalen. Het gaat in totaal om
€ 724,24.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis van UZA . Zij voert aan dat de kosten door haar zorgverzekeraar vergoed zouden moeten worden. Volgens [gedaagde] werden de facturen tot mei 2024 altijd buiten haar om bij haar zorgverzekeraar CZ gedeclareerd, maar heeft UZA de facturen, waar het nu om gaat, niet ingediend. [gedaagde] betwist dat zij de facturen en andere brieven van UZA heeft ontvangen. Zij zegt dat zij, naast de dagvaarding, alleen de ingebrekestelling van 7 juli 2025 heeft ontvangen en dat zij het daarin genoemde bedrag ook heeft betaald. Volgens [gedaagde] is dat bedrag vervolgens weer naar haar teruggestort. Zij is het niet eens met alle extra kosten.
Het oordeel in het kort
2.3.
[gedaagde] moet de kosten van de verleende zorg aan UZA betalen, met de rente daarover vanaf 1 mei 2026. De bijkomende kosten worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
De kantonrechter in Rotterdam is bevoegd
2.4.
De kantonrechter zal eerst onderzoeken of zij bevoegd is om dit geschil te beoordelen. Het betreft namelijk een geschil met een internationaal karakter, omdat UZA in België gevestigd is en [gedaagde] in Nederland woont.
2.5.
Voor de beoordeling van de vraag welke rechter in deze zaak bevoegd is, is de Brussel I bis-verordening (nr.1215/2012) bepalend, omdat het gaat om een burgerlijke of handelszaak, zoals bedoeld in artikel 1 lid 1 van die verordening. Uit de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel I bis-verordening volgt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van dit geschil, omdat [gedaagde] in Nederland woont. Meer specifiek is de kantonrechter in Rotterdam bevoegd, op grond van artikel 93 sub a en 99 Rv.
Belgisch recht is van toepassing
2.6.
Voor de beoordeling van de vraag welk recht moet worden toegepast, is de Rome I-verordening (nr. 593/2008) bepalend. Er is niet gesteld of gebleken dat partijen een rechtskeuze zijn overeengekomen, zoals bedoeld in artikel 3 van die verordening. Op grond van artikel 4 lid 1 sub b Rome I-verordening is daarom op deze zaak Belgisch recht van toepassing, omdat UZA , als dienstverlener, in België gevestigd is.
[gedaagde] moet de kosten van de verleende zorg van in totaal € 544,61 aan UZA betalen
2.7.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de kosten van de verleende zorg van in totaal
€ 544,61 aan UZA moet betalen. Tussen partijen staat namelijk niet ter discussie dat UZA zorg heeft verleend aan [gedaagde] en daar staat een betalingsverplichting voor [gedaagde] tegenover. [gedaagde] heeft ook niet aangegeven dat de facturen niet kloppen.
2.8.
Dat [gedaagde] een zorgverzekering bij CZ heeft en de kosten vanuit die verzekering zouden moeten worden vergoed, betekent niet dat [gedaagde] de kosten niet aan UZA hoeft te betalen. Het is in beginsel de verantwoordelijkheid van [gedaagde] zelf om de kosten van verleende zorg bij CZ in te dienen. UZA staat namelijk buiten de rechtsverhouding tussen [gedaagde] en haar zorgverzekeraar.
2.9.
UZA heeft niet betwist dat zij in het verleden haar facturen wél steeds rechtstreeks bij CZ heeft ingediend, maar dat wil nog niet zeggen dat zij verplicht is dat ook altijd te blijven doen. Ook dat ontslaat [gedaagde] dus niet van haar betalingsverplichting. Dat neemt echter niet weg dat van UZA ten minste verwacht had mogen worden dat zij [gedaagde] er duidelijk op had gewezen dat zij, anders dan gebruikelijk was, de kosten van de verleende zorg ditmaal zelf bij haar zorgverzekering moest declareren. Dat UZA [gedaagde] daar op heeft gewezen is niet gebleken. Als UZA dat wel zou hebben gedaan en [gedaagde] de kosten zelf had gedeclareerd, was deze procedure misschien niet nodig geweest.
[gedaagde] hoeft de bijkomende kosten niet te betalen
2.10.
UZA maakt aanspraak op betaling door [gedaagde] van een totaalbedrag van € 119,90 aan kosten op grond van het schadebeding in de betalingsvoorwaarden. De kantonrechter wijst dat deel van de eis van UZA af. Deze kosten zijn namelijk pas verschuldigd, nadat er eerst een kosteloze herinnering is gestuurd, waarin [gedaagde] de gelegenheid heeft gekregen het factuurbedrag binnen een termijn van ten minste veertien dagen alsnog te voldoen. [gedaagde] heeft echter betwist dat zij, op de ingebrekestelling van 7 juli 2025 na, de facturen, herinneringen en aanmaningen van UZA heeft ontvangen. UZA heeft dat verder ook niet weersproken en zij erkent dat de adressering niet juist is geweest. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de stelling van [gedaagde] klopt.
2.11.
[gedaagde] heeft bovendien met stukken onderbouwd dat zij naar aanleiding van de ingebrekestelling van 7 juli 2025 het in die brief genoemde bedrag van € 220,15 op 17 juli 2025 heeft betaald, maar dat dit bedrag vervolgens door de gemachtigde van UZA op 23 juli 2025 weer is teruggestort naar [gedaagde] . UZA heeft dat ook niet betwist en voert enkel aan dat het bedrag ‘uiteindelijk’ niet door haar is ontvangen en niet op de openstaande facturen is afgeboekt. Zij geeft daarnaast ook geen enkele verklaring voor het feit dat haar gemachtigde de betaling heeft teruggestort. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarmee voldoende komen vast te staan dat [gedaagde] in eerste instantie binnen de in de brief van 7 juli 2025 gestelde termijn heeft betaald. Het feit dat de gemachtigde van UZA het betaalde bedrag zelf – zonder enige concrete uitleg – heeft teruggestort, komt voor rekening en risico van UZA . Dat [gedaagde] door het terugstorten van haar betaling in de veronderstelling was dat het sturen van de ingebrekestelling een fout was, is in de gegeven omstandigheden bovendien goed voor te stellen.
2.12.
Omdat [gedaagde] verder geen facturen of andere brieven van UZA heeft ontvangen, is [gedaagde] er vervolgens pas door middel van de dagvaarding voor het eerst van op de hoogte gebracht dat er nog sprake was van openstaande facturen. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is er dan ook niet voldaan aan de voorwaarden om een bedrag aan kosten op grond van het schadebeding bij [gedaagde] in rekening te brengen.
[gedaagde] moet rente betalen vanaf 1 mei 2026
2.13.
Omdat [gedaagde] er pas bij dagvaarding voor het eerst van op de hoogte is gebracht dat er nog sprake was van een openstaande vordering en niet is komen vast te staan dat zij de facturen op enig moment vóór deze procedure heeft ontvangen, wordt ervan uitgegaan dat zij deze pas voor het eerst bij dagvaarding (op 31 maart 2026) heeft ontvangen en dat de betalingstermijn van 30 dagen, zoals vermeld in de facturen, op dat moment is gaan lopen. [gedaagde] is daardoor vanaf 1 mei 2026 in verzuim met de betaling van de facturen en is vanaf die datum de Belgische wettelijke consumentenrente over de toegewezen hoofdsom verschuldigd.
UZA moet de proceskosten betalen
2.14.
Vooropgesteld wordt dat op de beslissing over de proceskosten Nederlands recht van toepassing is (artikel 10:3 BW). UZA moet de proceskosten van [gedaagde] betalen. Hiervoor is namelijk al geoordeeld dat niet gebleken is dat [gedaagde] eerder dan door de dagvaarding bekend was of kon zijn met de openstaande facturen. Omdat de gemachtigde van UZA daarnaast de betaling van [gedaagde] van 17 juli 2025 zonder nadere toelichting aan haar heeft teruggestort, heeft UZA er bovendien zelf aanleiding toe gegeven dat [gedaagde] er van uit is gegaan dat de ingebrekestelling van 7 juli 2025 een fout was en dat zij dus niets aan UZA hoefde te betalen. Gelet op die omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] rauwelijks is gedagvaard en daardoor geen kans heeft gekregen een gerechtelijke procedure te voorkomen. Om die reden wordt UZA in de proceskosten veroordeeld, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 100,- aan onkosten voor het bijwonen van de zittingen van 28 april 2026 en 18 augustus 2026 (artikel 238 lid 1 Rv).
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.15.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat UZA dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan UZA te betalen € 544,61 met de Belgische wettelijke consumentenrente over dat bedrag vanaf 1 mei 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt UZA in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op
€ 100,-;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
44487
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12200897 CV EXPL 26-10843
datum uitspraak: 18 september 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Universitair Ziekenhuis Antwerpen,
vestigingsplaats: Edegem (België),
eiseres,
gemachtigde: [gemachtigde] LL.M. (Modero gerechtsdeurwaarders Amsterdam),
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ UZA ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 31 maart 2026, met bijlagen;
de aantekeningen van de mondelinge reactie van [gedaagde] en de bijlagen die toen zijn overhandigd;
de repliek;
de dupliek.
2De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
UZA heeft in 2024 zorg verleend aan [gedaagde] . Volgens UZA heeft [gedaagde] de kosten daarvan niet betaald. Daarom eist UZA dat [gedaagde] wordt veroordeeld de kosten van de verleende zorg, met rente en bijkomende kosten, aan haar te betalen. Het gaat in totaal om
€ 724,24.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis van UZA . Zij voert aan dat de kosten door haar zorgverzekeraar vergoed zouden moeten worden. Volgens [gedaagde] werden de facturen tot mei 2024 altijd buiten haar om bij haar zorgverzekeraar CZ gedeclareerd, maar heeft UZA de facturen, waar het nu om gaat, niet ingediend. [gedaagde] betwist dat zij de facturen en andere brieven van UZA heeft ontvangen. Zij zegt dat zij, naast de dagvaarding, alleen de ingebrekestelling van 7 juli 2025 heeft ontvangen en dat zij het daarin genoemde bedrag ook heeft betaald. Volgens [gedaagde] is dat bedrag vervolgens weer naar haar teruggestort. Zij is het niet eens met alle extra kosten.
Het oordeel in het kort
2.3.
[gedaagde] moet de kosten van de verleende zorg aan UZA betalen, met de rente daarover vanaf 1 mei 2026. De bijkomende kosten worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
De kantonrechter in Rotterdam is bevoegd
2.4.
De kantonrechter zal eerst onderzoeken of zij bevoegd is om dit geschil te beoordelen. Het betreft namelijk een geschil met een internationaal karakter, omdat UZA in België gevestigd is en [gedaagde] in Nederland woont.
2.5.
Voor de beoordeling van de vraag welke rechter in deze zaak bevoegd is, is de Brussel I bis-verordening (nr.1215/2012) bepalend, omdat het gaat om een burgerlijke of handelszaak, zoals bedoeld in artikel 1 lid 1 van die verordening. Uit de hoofdregel van artikel 4 lid 1 Brussel I bis-verordening volgt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van dit geschil, omdat [gedaagde] in Nederland woont. Meer specifiek is de kantonrechter in Rotterdam bevoegd, op grond van artikel 93 sub a en 99 Rv.
Belgisch recht is van toepassing
2.6.
Voor de beoordeling van de vraag welk recht moet worden toegepast, is de Rome I-verordening (nr. 593/2008) bepalend. Er is niet gesteld of gebleken dat partijen een rechtskeuze zijn overeengekomen, zoals bedoeld in artikel 3 van die verordening. Op grond van artikel 4 lid 1 sub b Rome I-verordening is daarom op deze zaak Belgisch recht van toepassing, omdat UZA , als dienstverlener, in België gevestigd is.
[gedaagde] moet de kosten van de verleende zorg van in totaal € 544,61 aan UZA betalen
2.7.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de kosten van de verleende zorg van in totaal
€ 544,61 aan UZA moet betalen. Tussen partijen staat namelijk niet ter discussie dat UZA zorg heeft verleend aan [gedaagde] en daar staat een betalingsverplichting voor [gedaagde] tegenover. [gedaagde] heeft ook niet aangegeven dat de facturen niet kloppen.
2.8.
Dat [gedaagde] een zorgverzekering bij CZ heeft en de kosten vanuit die verzekering zouden moeten worden vergoed, betekent niet dat [gedaagde] de kosten niet aan UZA hoeft te betalen. Het is in beginsel de verantwoordelijkheid van [gedaagde] zelf om de kosten van verleende zorg bij CZ in te dienen. UZA staat namelijk buiten de rechtsverhouding tussen [gedaagde] en haar zorgverzekeraar.
2.9.
UZA heeft niet betwist dat zij in het verleden haar facturen wél steeds rechtstreeks bij CZ heeft ingediend, maar dat wil nog niet zeggen dat zij verplicht is dat ook altijd te blijven doen. Ook dat ontslaat [gedaagde] dus niet van haar betalingsverplichting. Dat neemt echter niet weg dat van UZA ten minste verwacht had mogen worden dat zij [gedaagde] er duidelijk op had gewezen dat zij, anders dan gebruikelijk was, de kosten van de verleende zorg ditmaal zelf bij haar zorgverzekering moest declareren. Dat UZA [gedaagde] daar op heeft gewezen is niet gebleken. Als UZA dat wel zou hebben gedaan en [gedaagde] de kosten zelf had gedeclareerd, was deze procedure misschien niet nodig geweest.
[gedaagde] hoeft de bijkomende kosten niet te betalen
2.10.
UZA maakt aanspraak op betaling door [gedaagde] van een totaalbedrag van € 119,90 aan kosten op grond van het schadebeding in de betalingsvoorwaarden. De kantonrechter wijst dat deel van de eis van UZA af. Deze kosten zijn namelijk pas verschuldigd, nadat er eerst een kosteloze herinnering is gestuurd, waarin [gedaagde] de gelegenheid heeft gekregen het factuurbedrag binnen een termijn van ten minste veertien dagen alsnog te voldoen. [gedaagde] heeft echter betwist dat zij, op de ingebrekestelling van 7 juli 2025 na, de facturen, herinneringen en aanmaningen van UZA heeft ontvangen. UZA heeft dat verder ook niet weersproken en zij erkent dat de adressering niet juist is geweest. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de stelling van [gedaagde] klopt.
2.11.
[gedaagde] heeft bovendien met stukken onderbouwd dat zij naar aanleiding van de ingebrekestelling van 7 juli 2025 het in die brief genoemde bedrag van € 220,15 op 17 juli 2025 heeft betaald, maar dat dit bedrag vervolgens door de gemachtigde van UZA op 23 juli 2025 weer is teruggestort naar [gedaagde] . UZA heeft dat ook niet betwist en voert enkel aan dat het bedrag ‘uiteindelijk’ niet door haar is ontvangen en niet op de openstaande facturen is afgeboekt. Zij geeft daarnaast ook geen enkele verklaring voor het feit dat haar gemachtigde de betaling heeft teruggestort. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarmee voldoende komen vast te staan dat [gedaagde] in eerste instantie binnen de in de brief van 7 juli 2025 gestelde termijn heeft betaald. Het feit dat de gemachtigde van UZA het betaalde bedrag zelf – zonder enige concrete uitleg – heeft teruggestort, komt voor rekening en risico van UZA . Dat [gedaagde] door het terugstorten van haar betaling in de veronderstelling was dat het sturen van de ingebrekestelling een fout was, is in de gegeven omstandigheden bovendien goed voor te stellen.
2.12.
Omdat [gedaagde] verder geen facturen of andere brieven van UZA heeft ontvangen, is [gedaagde] er vervolgens pas door middel van de dagvaarding voor het eerst van op de hoogte gebracht dat er nog sprake was van openstaande facturen. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is er dan ook niet voldaan aan de voorwaarden om een bedrag aan kosten op grond van het schadebeding bij [gedaagde] in rekening te brengen.
[gedaagde] moet rente betalen vanaf 1 mei 2026
2.13.
Omdat [gedaagde] er pas bij dagvaarding voor het eerst van op de hoogte is gebracht dat er nog sprake was van een openstaande vordering en niet is komen vast te staan dat zij de facturen op enig moment vóór deze procedure heeft ontvangen, wordt ervan uitgegaan dat zij deze pas voor het eerst bij dagvaarding (op 31 maart 2026) heeft ontvangen en dat de betalingstermijn van 30 dagen, zoals vermeld in de facturen, op dat moment is gaan lopen. [gedaagde] is daardoor vanaf 1 mei 2026 in verzuim met de betaling van de facturen en is vanaf die datum de Belgische wettelijke consumentenrente over de toegewezen hoofdsom verschuldigd.
UZA moet de proceskosten betalen
2.14.
Vooropgesteld wordt dat op de beslissing over de proceskosten Nederlands recht van toepassing is (artikel 10:3 BW). UZA moet de proceskosten van [gedaagde] betalen. Hiervoor is namelijk al geoordeeld dat niet gebleken is dat [gedaagde] eerder dan door de dagvaarding bekend was of kon zijn met de openstaande facturen. Omdat de gemachtigde van UZA daarnaast de betaling van [gedaagde] van 17 juli 2025 zonder nadere toelichting aan haar heeft teruggestort, heeft UZA er bovendien zelf aanleiding toe gegeven dat [gedaagde] er van uit is gegaan dat de ingebrekestelling van 7 juli 2025 een fout was en dat zij dus niets aan UZA hoefde te betalen. Gelet op die omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] rauwelijks is gedagvaard en daardoor geen kans heeft gekregen een gerechtelijke procedure te voorkomen. Om die reden wordt UZA in de proceskosten veroordeeld, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 100,- aan onkosten voor het bijwonen van de zittingen van 28 april 2026 en 18 augustus 2026 (artikel 238 lid 1 Rv).
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.15.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat UZA dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan UZA te betalen € 544,61 met de Belgische wettelijke consumentenrente over dat bedrag vanaf 1 mei 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt UZA in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op
€ 100,-;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
44487