Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12942

2026-09-30 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12328548 VV EXPL 26-455
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-30
Publicatiedatum
2026-09-29
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
12328548 VV EXPL 26-455
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Executiegeschil. Eiser eist schorsing van de tenuitvoerlegging van een eerdere vonnis totdat zijn hoger beroep dient, omdat hij met een bijstandsuitkering onder het bestaansminimum zou raken en zijn zieke moeder hieronder zou lijden. De kantonrechter wijst de vordering echter af en oordeelt dat het eerdere vonnis direct uitvoerbaar is en dat er geen sprake is van een juridische fout of acute noodtoestand. Dat gedaagde is overgegaan tot inning van de schuld is het gevolg van de eigen weigering van gedaagde om vooraf inzicht te geven in zijn financiën. Bovendien beschermt de wettelijke beslagvrije voet zijn bestaansminimum en garandeert de wet dat er geen beslag wordt gelegd op de inboedel van zijn moeder.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.281 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 12328548 VV EXPL 26-455



datum uitspraak: 30 september 2026




Vonnis in kort geding van de kantonrechter




in de zaak van





[eiser]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. E.R. van Dijk-Lopes Lima,



tegen




de Staat der Nederlanden,
zetelende in Den Haag,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E.J. Lichtenveldt.



Partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’ genoemd.





1De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


de dagvaarding van 29 juli 2026, met bijlagen;


de overgelegde producties van de Staat;


de spreekaantekeningen van de gemachtigden van partijen.





1.2.
Op 19 augustus 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met partijen en hun gemachtigden. Hierna is aanvankelijk als vonnisdatum 2 september 2026 bepaald. Nadat [eiser] de kantonrechter op 27 augustus 2026 had gewraakt, is het vonnis aangehouden in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer. Nadat de wrakingskamer [eiser] in zijn wrakingsverzoek niet-ontvankelijk heeft verklaard, is een nieuwe vonnisdatum bepaald.






2Waar gaat de zaak over?

2.1.
Bij beschikking van de kantonrechter van 8 mei 2026 is [eiser] veroordeeld tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 13.280,-. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [eiser] heeft tegen de beschikking hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Ook heeft hij bij het hof een incidentele vordering op grond van artikel 360 lid 2 Rv ingediend, die strekt tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking. De Staat heeft de beschikking aan [eiser] doen betekenen en is begonnen met de executie ervan, onder meer door het leggen van derdenbeslag ten laste van de bankrekening van [eiser] . In dit kort geding vordert [eiser] de tenuitvoerlegging van de beschikking van 8 mei 2026 te schorsen, althans executie op te schorten totdat het gerechtshof Den Haag heeft beslist op de incidentele vordering, met veroordeling van de Staat in de proceskosten. De Staat voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.






3De beoordeling

3.1.
De kantonrechter oordeelt dat de vorderingen worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.



Spoedeisend belang




3.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv). Uit de stellingen van [eiser] volgt dat deze spoed aanwezig is. De Staat is namelijk reeds overgegaan tot het nemen van executiemaatregelen.



Toetsingskader




3.3.
In dit executiegeschil gaat het om de vraag of de executie van de beschikking van 8 mei 2026 moet worden geschorst. Het uitgangspunt is dat een veroordeling tijdens een hoger beroep kan worden uitgevoerd en dat degene in wiens voordeel de veroordeling is uitgesproken, in dit geval de Staat, deze mag uitvoeren.



3.4.
Gesteld noch gebleken is dat de beslissing van 8 mei 2026 berust op een kennelijke juridische of feitelijke misslag. Ook is geen sprake van na de uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten die een noodtoestand bij [eiser] creëren. Hiermee resteert als uitsluitende toetsingsmaatstaf een zuivere belangenafweging. De kantonrechter dient te beoordelen of het belang van [eiser] bij behoud van de bestaande toestand totdat op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de Staat bij directe tenuitvoerlegging. Geoordeeld wordt dat dat niet het geval is. Daartoe is het volgende redengevend.



Proceshouding en financiële transparantie




3.5.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij alleen een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt, dat hij als gevolg van de executiemaatregelen onder het bestaansminimum zal komen en dat executie verstrekkende (medische) gevolgen heeft voor hem en voor zijn moeder bij wie hij inwoont.



3.6.
Vast is komen te staan dat de Staat, voorafgaand aan het opstarten van het executietraject, aan [eiser] heeft verzocht om zijn financiële situatie inzichtelijk te maken door middel van het invullen van een formulier. [eiser] heeft dit geweigerd. Ter zitting heeft hij daarover toegelicht dat de wettelijke informatieplicht uitsluitend geldt tegenover de deurwaarder en niet tegenover de wederpartij. Hoewel [eiser] hierin in formeel-juridische zin een punt heeft, kan dit hem in de onderhavige context niet baten. Het is immers [eiser] die van de Staat een welwillende opstelling verlangt, namelijk het afzien van direct incasseren of het treffen van een betalingsregeling. In dat kader mocht van [eiser] worden verlangd dat hij zijn stelling dat hij niet kan betalen nader zou onderbouwen door tegenover de Staat openheid van zaken te geven. Door zich in dit voortraject onnodig formalistisch op te stellen, heeft [eiser] de Staat de mogelijkheid ontnomen om zijn financiële situatie deugdelijk te beoordelen. Dat de Staat vervolgens is overgegaan tot executie is een direct gevolg van de proceshouding van [eiser] zelf.



Aflossingscapaciteit en beslagvrije voet




3.7.

[eiser] heeft voorts niet gesteld dat hij in het geheel geen aflossingscapaciteit heeft. Sterker nog, [eiser] heeft ter zitting zelf verklaard bereid te zijn en in staat te zijn om € 50,- per maand te betalen en hij betwist niet dat er na toepassing van de beslagvrije voet nog enige ruimte overblijft. Van een situatie waarin executie leidt tot een acute en uitzichtloze financiële noodtoestand is reeds hierom onvoldoende gebleken. Ter bescherming van het bestaansminimum heeft de wetgever de beslagvrije voet vastgesteld en deze regeling is er juist op gericht te voorkomen dat een schuldenaar onder het bestaansminimum komt.



Geen beslag op inboedel moeder te verwachten




3.8.
Voor zover [eiser] vreest dat de inboedel van zijn moeder wordt getroffen door executiemaatregelen, bestaat daarvoor geen grond. Artikel 447 lid 1 sub a Rv bepaalt expliciet dat geen beslag mag worden gelegd op zaken die deel uitmaken van de inboedel als bedoeld in artikel 3:5 BW van de woning die de schuldenaar bewoont. Daarnaast heeft de Staat ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat beslaglegging op roerende zaken niet aan de orde is en proceseconomisch ook niet wenselijk is. De belangen en medische situatie van de moeder zijn weliswaar zorgelijk, maar vormen gelet op het voorgaande geen reden om de tenuitvoerlegging door de Staat tegen te houden.



Proceskosten




3.9.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan de Staat moet betalen op € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 721,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.






4De beslissing
De kantonrechter:


4.1.
wijst de vorderingen af;



4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van de Staat worden begroot op € 721,-.


Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en, aangezien zij buiten staat is dit vonnis te ondertekenen, bij haar afwezigheid in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. B.J.M.P. Cremers.
53954