Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12920
2026-09-29
Civiel recht
C/10/722536 / KG ZA 26-681
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Erfrechtelijk geschil tussen twee broers. Ontruiming.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.824 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/722536 / KG ZA 26-681
Vonnis in kort geding van 29 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats 1] ,
eiser,
hierna te noemen: [voornaam eiser] ,
advocaat: mr. M.C.G. Stut,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [voornaam gedaagde] ,
verschenen in persoon.
1De zaak in het kort
Deze zaak speelt tussen twee broers en gaat over de vraag wat er moet gebeuren met een woning in de nalatenschap van hun al lang geleden overleden moeder. [voornaam gedaagde] woont in die woning. In eerdere procedures is door rechters beslist dat de woning aan [voornaam gedaagde] moet worden toebedeeld tegen betaling aan [voornaam eiser] van een zeker bedrag en dat, als [voornaam gedaagde] daar niet aan meewerkt, de woning aan een derde moet worden verkocht. Deze eerdere beslissingen staan vast. [voornaam gedaagde] heeft niet meegewerkt aan de levering van de woning aan hem. Hij weigert echter ook pertinent iedere medewerking aan een verkoop van de woning. Daarom wordt in dit vonnis beslist dat [voornaam gedaagde] de woning moet ontruimen. Wel krijgt hij daarvoor een iets langere termijn dan [voornaam eiser] heeft gevraagd.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 juli 2026- de producties 1 tot en met 20 van [voornaam eiser]- het verweerschrift en een stuk getiteld ‘verdediging’ van [voornaam gedaagde] - de mondelinge behandeling van 1 september 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt- de pleitnota van [voornaam eiser] - de aanhouding tot 15 september 2026 om partijen de gelegenheid te geven een minnelijke regeling te treffen, wat blijkens het bericht van 15 september 2026 van mr. Stut niet is gelukt. Mr. Stut heeft gevraagd vonnis te wijzen.
3De feiten
3.1.
Partijen zijn broers. [voornaam eiser] is 75 jaar oud en [voornaam gedaagde] 72 jaar.
3.2.
De moeder van partijen is op 22 juli 2011 overleden. De vader van partijen is al eerder overleden. Partijen zijn ieder voor de helft erfgenaam van de nalatenschap van hun moeder. Partijen hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.
3.3.
Tot de nalatenschap behoort (o.a.) de woning op de begane grond met berging, voor- en achtertuin, plaatselijk bekend [adres] te [postcode] Vlaardingen, kadastraal bekend Vlaardingen [perceelnummer] (de woning).
3.4.
[voornaam gedaagde] bewoont sinds 1981 de woning met (alleen) zijn echtgenote, [persoon A] .
3.5.
Omdat de verdeling van de woning uitbleef, is [voornaam eiser] (samen met zijn echtgenote, C. [eiser] -van ‘t Hof ) bij deze rechtbank een verdelingsprocedure tegen [voornaam gedaagde] gestart die heeft geleid tot het vonnis van 4 november 2015. In dat vonnis is, voor zover relevant, het volgende overwogen en beslist:
“4. De beoordeling in conventie en in reconventie
(…)
4.4.
De vorderingen in conventie en in reconventie betreffende de onroerende zaak aan de [adres] te Vlaardingen
4.4.1.
[gedaagde] (opm. voorzieningenrechter: [voornaam gedaagde] ) beroept zich op een overeenkomst tussen partijen dat de woning aan de [adres] te Vlaardingen aan hem zal worden toebedeeld en geleverd tegen (verrekening van) een waarde van € 78.750,--. Nu [eiser] (opm. voorzieningenrechter: [voornaam eiser] ) hiermee heeft ingestemd, zal de rechtbank bij de te gelasten verdeling hiervan uitgaan.
(…)
4.4.3.
In verband met de toedeling en levering van de betreffende onroerende zaak aan [gedaagde] zal de rechtbank niet zelf de verdeling tussen partijen vaststellen, maar een notaris benoemen ten overstaan van wie de verdeling zal moeten plaats vinden met inachtneming van hetgeen de rechtbank hierover zal bepalen.
(…)
5. De beslissing in conventie en in reconventie
De rechtbank
(…)
5.2.
benoemt tot notaris ten overstaan van wie de verdeling zal worden vastgesteld mr. (…),
5.3.
bepaalt dat de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap dient te worden vastgesteld met inachtneming van het navolgende:
(…)
d. aan [gedaagde] wordt toebedeeld en geleverd tegen (verrekening van) een waarde van € 78.450,-- de onroerende zaak aan de [adres] te Vlaardingen;
(…)
f. aan [gedaagde] komt toe ter verrekening:
- € 78.450,-- aan waarde van de woning aan de [adres] te Vlaardingen;
(…)
g. voorts dient te worden verrekend ten laste van [gedaagde] de door hem aan [eiser] (…) te betalen gebruikersvergoeding voor de woning aan de [adres] te Vlaardingen van € 150,-- per maand vanaf 22 juli 2011 tot de dag van levering van de woning aan [gedaagde] ;
h. [gedaagde] zal wegens overbedeling aan [eiser] dienen te betalen het bedrag dat zal worden vastgesteld na saldering van de hiervoor genoemde posten en nog te maken kosten ten behoeve van de gemeenschap;
5.4.
verstaat dat partijen hun medewerking zullen verlenen aan de levering van de in de verdeling betrokken onroerende zaak; (…)”.
3.6.
De notaris die ingevolge het vonnis van 4 november 2015 met de uitvoering van de verdeling belast is, heeft de overbedelingsvordering van [voornaam eiser] op [voornaam gedaagde] op 24 november 2015 voorlopig vastgesteld op € 16.988,64.
3.7.
[voornaam eiser] heeft tegen het vonnis van 4 november 2015 hoger beroep ingesteld. Het vonnis is bij arrest van het hof Den Haag van 1 november 2016 bekrachtigd. Het vonnis van 4 november 2015 is in kracht van gewijsde gegaan.
3.8.
Omdat [voornaam gedaagde] naliet ook na het arrest van 1 november 2016 zijn medewerking te verlenen aan de toedeling en levering van de woning aan hem onder voldoening van de overbedelingsvordering van [voornaam eiser] , is [voornaam eiser] opnieuw een procedure bij deze rechtbank tegen [voornaam gedaagde] gestart. In die procedure is op 9 april 2025 het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde verstekvonnis gewezen, waarin, voor zover relevant, het volgende is beslist:
“3. De beslissing
De rechtbank,
l. veroordeelt gedaagde om binnen zes (6) weken na betekening van dit vonnis, zijn medewerking te verlenen aan de goederenrechtelijke effectuering van de in het vonnis van 4 november 2015 van de rechtbank Rotterdam neergelegde verdeling, in die zin dat gedaagde alle medewerking verleent aan het verlijden van een daartoe strekkende akte van levering/toedeling van de woning, staande en gelegen aan de [adres] te Vlaardingen (hierna te noemen: de woning), aan gedaagde, ten overstaan van notaris mr. G.H.H.J. Janssen, notaris te Vlaardingen, dan wel diens plaatsvervanger, dan wel een andere door eiser aan te wijzen notaris, onder de verplichting voor gedaagde om er voor te zorgen dat bij gelegenheid van voormelde levering het door de notaris te berekenen bedrag, door gedaagde aan eiser verschuldigd wegens overbedeling (zoals onder 5.3 onder h van het dictum van het vonnis van 4 november 2015) wordt vergoed[t], waarbij de kosten van de notariële akte voor rekening van [voornaam gedaagde] zijn;
2. bepaalt voor het geval gedaagde geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft te voldoen aan de veroordeling onder 1. en de levering dus niet binnen de genoemde termijn van zes weken plaatsvindt het volgende:
a. de woning dient te worden verkocht aan een derde partij door een nader door eiser aan te wijzen NVM-makelaar en veroordeelt gedaagde samen met eiser de betreffende koopopdracht te ondertekenen en af te geven aan de makelaar zulks binnen vijf dagen nadat voornoemde termijn van zes weken is verstreken:
b. als gedaagde niet aan de veroordeling onder a. voldoet treedt dit vonnis in de plaats van de ontbrekende wilsverklaring van gedaagde benodigd voor de ondertekening van de verkoopopdracht als bedoeld in artikel 3:300 lid 2 BW;
c. gedaagde is verplicht om de werkzaamheden van de makelaar te gehengen en te gedogen en om op het eerste verzoek van de makelaar al zijn medewerking te verlenen gericht op verkoop van de woning, onder meer maar niet uitsluitend met betrekking tot het verkoopklaar maken van de woning, te verrichten taxaties, bouwkundige onderzoeken, uit te voeren bezichtigingen, en dus:
- het ongehinderd toegang verschaffen aan de makelaar en geïnteresseerde kopers en aan door de makelaar aangewezen derde(n);
- het zich onthouden van handelingen die de verkoop op welke wijze dan ook belemmeren;
- het zich voegen naar adviezen en aanwijzingen van de makelaar (waaronder mede begrepen het vaststellen c.q. aanpassen van de te hanteren verkoopadviesprijs en het al dan niet aanwezig zijn wanneer aspirant-kopers de woning bezichtigen)
voor zover dat in redelijkheid van gedaagde mag worden verwacht, zulks opdat de makelaar en de door de makelaar in te schakelen derde(n) al haar/zijn/hun werkzaamheden kan/kunnen verrichten die hij/zij nodig acht(en) om te komen tot een overeenkomst van koop/verkoop van de woning;
d. indien de ingeschakelde makelaar van oordeel is dat gedaagde in onvoldoende mate heeft voldaan aan het onder c. bepaalde en gedaagde nalaat om binnen drie dagen na dagtekening van een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de verkopend makelaar alsnog zijn medewerking te verlenen, verbeurt gedaagde een dwangsom van € 500,00 voor iedere gebeurtenis of (gedeelte van een) dag dat gedaagde zijn medewerking niet verleent met een maximum € 15.000,00; (…).”
3.9.
Het vonnis van 9 april 2025 is op 13 mei 2025 aan [voornaam gedaagde] in persoon betekend. Tegen het vonnis zijn geen rechtsmiddelen ingesteld. Het vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.
3.10.
[voornaam gedaagde] heeft nagelaten om binnen de in het vonnis van 9 april 2025 bepaalde termijn van zes weken de toedeling en levering van de woning aan hem te bewerkstelligen en de overbedelingsvordering aan [voornaam eiser] te voldoen. [voornaam gedaagde] heeft herhaaldelijk (schriftelijk) laten weten dat hij niet aan de verkoop van de woning aan een derde zal meewerken. De gesprekken en de uitvoerige correspondentie die partijen met elkaar en derden hebben gevoerd om tot een vergelijk te komen, hebben niet tot een oplossing geleid. [voornaam eiser] heeft daarop bij e-mail van 9 oktober 2025 van zijn advocaat aan [voornaam gedaagde] laten weten dat hij, ingevolge het vonnis van 9 april 2025, de opdracht tot verkoop van de woning heeft verstrekt aan NVM-makelaarskantoor De Witte Garantiemakelaars in Vlaardingen. De woning staat op dit moment nog steeds niet te koop, ondanks het uitdrukkelijk bij e-mail van 26 maart 2026 gedane verzoek van de makelaar aan [voornaam gedaagde] om alsnog zijn medewerking daaraan te verlenen.
4Het geschil
4.1.
[voornaam eiser] vordert, na wijziging van eis, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
1. [voornaam gedaagde] te veroordelen tot het verlaten van de woning, met alle daarin aanwezige personen en zaken en [voornaam gedaagde] te verbieden de woning weer te betreden, op kortst mogelijke termijn, dan wel uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, onder gelijktijdige afgifte aan [voornaam eiser] van alle toegangssleutels van de woning, de berging en eventuele deuren/poorten/hekken die toegang geven tot voor- en/of achtertuin, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan, met machtiging van [voornaam eiser] om die ontruiming, na ommekomst van genoemde termijn en na betekening van het vonnis, althans binnen een te bepalen redelijke termijn, met behulp van de sterke arm van politie en justitie te bewerkstelligen;
subsidiair
2. [voornaam gedaagde] te veroordelen tot afgifte van alle toegangssleutels van de woning, de berging en eventuele deuren/poorten/hekken die toegang geven tot voor- en/of achtertuin aan één van de makelaars/medewerkers van De Witte Garantiemakelaars Vlaardingen op kortst mogelijke termijn, dan wel uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van het vonnis althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn;
3. [voornaam gedaagde] te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan het in de woning, de berging
en de voor- en achtertuin toelaten van de makelaar en eventuele kopers voor een bezichtiging;
4. [voornaam gedaagde] te verbieden om met alle aanwezige personen in de woning, berging en/of voor-
en achtertuin vanaf een half uur daarvoor tot een kwartier daarna in de woning, de berging en in voor- en achtertuin aanwezig te zijn tijdens de aan hem door de makelaar
tenminste twee dagen van tevoren per e-mail: [mailadres] aangekondigde bezoeken aan de woning, de berging en de voor- en achtertuin;
5. [voornaam gedaagde] te veroordelen om, bij verkoop aan een derde partij, uiterlijk veertien dagen voordat de leveringsakte bij de notaris wordt verleden, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, de woning te ontruimen en alle toegangssleutels van de woning, de berging en eventuele deuren/poorten/hekken die toegang geven tot voor- en/of achtertuin aan de makelaar af te geven;
6. [voornaam gedaagde] te veroordelen om een dwangsom te betalen van € 500,00 voor elke keer dat hij niet aan een of meer van de veroordelingen en het verbod onder 2 tot en met 5 voldoet;
primair en subsidiair
7. het maximum van de aan de uitvoering van het vonnis van 9 april 2025 onder 3.2 sub d. van het dictum verbonden dwangsommen, tot een bedrag van € 100.000,00 te verhogen;
8. [voornaam gedaagde] te veroordelen in de daadwerkelijke kosten van de procedure begroot op € 6.481,00, daaronder begrepen de deurwaarderskosten, griffierecht en de kosten van
de advocaat van [voornaam eiser] , althans [voornaam gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding conform
het liquidatietarief, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na betekening van
het vonnis, bij gebreke waarvan de kosten worden vermeerderd met de wettelijke
rente.
4.2.
[voornaam gedaagde] voert verweer.
5De beoordeling
Spoedeisendheid
5.1.
Met de stelling van [voornaam eiser] dat hij niet nog langer met [voornaam gedaagde] in de onverdeeldheid van de woning wenst te blijven, vanwege de financiële en fiscale gevolgen die hij hiervan ondervindt, is voldaan aan het voor deze procedure vereiste spoedeisend belang. De aanhoudend weigerachtige houding van [voornaam gedaagde] om ingevolge het vonnis van 9 april 2025 mee te werken aan de verkoop van de woning draagt tevens bij aan de spoedeisendheid.
[voornaam gedaagde] dient de woning te ontruimen
5.2.
De kernvraag die in dit kort geding beantwoord moet worden, is of [voornaam gedaagde] de woning dient te ontruimen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een ingrijpende en meestal onomkeerbare maatregel is. Gezien de ernst van de gevolgen voor de betrokken perso(o)n(en) kan daarom een ontruiming bij wijze van voorlopige voorziening slechts worden uitgesproken, indien het voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter (wanneer zijn/haar oordeel wordt gevraagd) de betrokken persoon tot ontruiming zal veroordelen.
5.3.
In dit kort geding staat vast dat het op 13 mei 2025 aan [voornaam gedaagde] betekende uitvoerbaar bij voorraad verklaarde verstekvonnis van 9 april 2025 in kracht van gewijsde is gegaan en dus onherroepelijk is geworden. Dit houdt in dat het vonnis van 9 april 2025 volledig en correct moet worden nagekomen. In dit verband zijn de volgende punten voor deze procedure van belang:
- In het vonnis heeft de rechtbank beslist dat, voor het geval [voornaam gedaagde] in gebreke blijft om zijn medewerking te verlenen aan de goederenrechtelijke effectuering van de in het onherroepelijke vonnis van 4 november 2015 neergelegde verdeling van de woning, en levering van de woning niet binnen zes weken na 13 mei 2025 heeft plaatsgevonden, de woning dient te worden verkocht aan een derde. [voornaam gedaagde] heeft niet meegewerkt aan de toedeling en levering aan hem, dus staat vast dat de woning moet worden verkocht. De toedeling en levering van de woning aan [voornaam gedaagde] was daarmee een gepasseerd station. Desalniettemin blijft [voornaam gedaagde] spreken van ‘zijn woning, waarop hij recht heeft en houdt’. Dat is dus niet zo. De rechtbank heeft onherroepelijk anders beslist.
- Met het oog op de verkoop van de woning diende [voornaam gedaagde] , samen met [voornaam eiser] , binnen vijf dagen na het verstrijken van de termijn van zes weken na 13 mei 2025, de verkoopopdracht te ondertekenen en af te geven aan de makelaar. [voornaam gedaagde] is hiertoe niet overgegaan. De rechtbank heeft in het vonnis van 9 april 2025 op die situatie geanticipeerd en bepaald dat dan het vonnis in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring van [voornaam gedaagde] benodigd voor de ondertekening van de verkoopopdracht als bedoeld in artikel 3:300 lid 2 BW. [voornaam eiser] mocht hierdoor, met het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 9 april 2025 in de hand, de woning in de verkoop zetten bij de door hem aangewezen NVM-makelaar De Witte Garantiemakelaars Vlaardingen.
- Ter bevordering van de voortgang van het verkoopproces heeft de rechtbank verder in het dictum van het vonnis een zogeheten ‘spoorboekje’ opgenomen waaraan [voornaam gedaagde] , op straffe van een dwangsom, zijn medewerking moest verlenen. Gegeven is dat [voornaam gedaagde] dit heeft nagelaten. Hij heeft uitdrukkelijk iedere medewerking aan de verkoop geweigerd.
- [voornaam gedaagde] ontkent ook niet dat hij niet heeft meegewerkt aan het in de verkoop zetten van de woning, waartoe hij is veroordeeld in het vonnis van 9 april 2025. Hij voert als verweer aan dat er na het overlijden van de moeder van partijen mondelinge afspraken zijn gemaakt die inhouden dat de woning aan hem moest worden toebedeeld zonder dat hij, zo begrijpt de voorzieningenrechter hem, daarvoor (overbedelings-/gebruiks-)vergoedingen aan [voornaam eiser] verschuldigd zou zijn. Voor zover dit bezwaar niet al aan de orde is gekomen en is meegewogen in de procedures die hebben geleid tot het vonnis van 4 november 2015 en het arrest van 1 november 2016, had [voornaam gedaagde] dit bezwaar naar voren moeten brengen in een tegen het verstekvonnis van 9 april 2025 ingesteld verzet en niet in dit kort geding. [voornaam gedaagde] heeft evenwel nagelaten verzet in te stellen.
5.4.
Met een dergelijke weigerachtige houding slaat [voornaam gedaagde] de ten laste van hem uitgesproken rechterlijke beslissingen gewoonweg in de wind. Dat mag hem niet baten. Gelet op dit stelselmatige gebrek aan medewerking van [voornaam gedaagde] en het tijdverloop is het belang van [voornaam eiser] om niet nog langer tegen zijn wens in te verkeren in de onverdeeldheid van de woning met [voornaam gedaagde] , ten opzichte van de belangen van [voornaam gedaagde] , steeds zwaarder gaan wegen. In de gegeven omstandigheden is zonneklaar dat verkoop van de woning in hoge mate zal worden bemoeilijkt zolang [voornaam gedaagde] (en zijn echtgenote) nog in de woning verblijven. Omdat die verkoop hoe dan ook zal moeten plaatsvinden, is er voldoende reden om [voornaam gedaagde] vooruitlopend op die verkoop te verplichten de woning te verlaten. Dit betekent dat een ontruiming van de woning op zijn plaats is. De voorzieningenrechter is zich er tegelijkertijd van bewust dat een ontruiming, gelet op de consequenties daarvan voor [voornaam gedaagde] en zijn echtgenote die al sinds 1981 in de woning wonen en op leeftijd zijn, een zeer ingrijpende maatregel betreft. Daar staat weer tegenover dat [voornaam gedaagde] zich al geruime tijd heeft kunnen voorbereiden op een vertrek uit de woning. Dat hij nog geen vervangende woonruimte heeft gevonden, ligt daarom overwegend in zijn risicosfeer. Al met al stelt de voorzieningenrechter de ontruimingstermijn op zes weken na betekening van dit vonnis. Dat deze termijn mogelijk tot gevolg heeft dat de verkoop en levering niet voor het einde van het jaar gerealiseerd zal kunnen worden, waardoor [voornaam eiser] verder financieel wordt benadeeld, weegt onvoldoende zwaar om een kortere termijn vast te stellen.
5.5.
[voornaam eiser] heeft gevorderd om aan de verplichting tot ontruiming een dwangsom te verbinden als prikkel tot nakoming en om hem te machtigen om de ontruiming zo nodig te doen bewerkstelligen met behulp van de sterke arm. Gebleken is dat [voornaam gedaagde] niet of nauwelijks gevoelig is voor een dergelijke financiële prikkel tot nakoming van zijn verplichtingen. Oplegging van (weer) een dwangsom is dan feitelijk zonder nut en daarmee overbodig. Deze wordt dus afgewezen. De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal eveneens worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is.
Geen verhoging dwangsom
5.6.
De vordering van [voornaam eiser] om het maximum van de aan de uitvoering van het vonnis van 9 april 2025 onder 3.2 sub d van het dictum verbonden dwangsommen te verhogen tot
€ 100.000,00 wordt afgewezen, omdat de voorzieningenrechter het niet aannemelijk acht dat [voornaam gedaagde] , zoals hiervoor ook aan de orde, gevoelig is voor een hogere financiële prikkel tot nakoming van zijn verplichtingen. Mocht dat anders zijn, dan ligt het voor de hand dat [voornaam eiser] eerst concrete - op invordering van verbeurde dwangsommen gerichte - incassomaatregelen treft. Dat heeft hij nog niet gedaan. Een enkele brief in dat verband van de advocaat van [voornaam eiser] is daarvoor onvoldoende.
Proces- en nakosten, de wettelijke rente
5.7.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om af te wijken van het gangbare uitgangspunt dat de proceskosten in geschillen tussen familieleden worden gecompenseerd. Gelet op de feitelijk aanhoudend weigerachtige houding van [voornaam gedaagde] om mee te werken aan het in de verkoop zetten van de woning, acht de voorzieningenrechter een proceskostenveroordeling van [voornaam gedaagde] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij op zijn plaats.
5.7.1.
[voornaam eiser] heeft primair gevraagd om [voornaam gedaagde] te veroordelen in de werkelijke kosten van zijn advocaat. De voorzieningenrechter overweegt dat voor toewijzing van de werkelijke proceskosten sprake moet zijn van uitzonderlijke omstandigheden. Daarbij moet worden gedacht aan gevallen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. De voorzieningenrechter oordeelt dat van buitengewone omstandigheden zoals hiervoor bedoeld, mede gelet op de in acht te nemen terughoudendheid daarbij, onvoldoende is gebleken. De gevorderde werkelijke proceskostenveroordeling is dan ook niet toewijsbaar.
5.7.2.
De proceskosten worden, zoals subsidiair door [voornaam eiser] gevorderd, daarom overeenkomstig het gebruikelijke liquidatietarief passend bij een normaal kort geding berekend.
De proceskosten van [voornaam eiser] worden begroot op:
- kosten dagvaarding € 153,02
- griffierecht € 341,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.860,02
5.7.3.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.8.
De veroordelingen in dit vonnis worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De vordering daartoe is niet weersproken en past bij het karakter van het kort geding.
Overweging ten overvloede
5.9.
Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat het partijen uiteraard vrijstaat om in afwijking van dit vonnis alsnog een minnelijke regeling te treffen die erop neer zou moeten komen dat [voornaam gedaagde] in de woning kan blijven tegen betaling van een redelijke vergoeding uit hoofde van overbedeling, daarbij rekening houdend met wat is overwogen en beslist in de vonnissen van 4 november 2015 en 9 april 2025 en het arrest van 1 november 2016. Gelet op de familierelatie en de leeftijd van partijen zou dit de meest aangewezen oplossing tussen partijen zijn. [voornaam gedaagde] zal dan moeten aanvaarden dat hij nog een bedrag aan [voornaam eiser] zal moeten betalen.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt [voornaam gedaagde] om binnen zes weken na betekening van dit vonnis de woning op de begane grond met berging, voor- en achtertuin, plaatselijk bekend [adres] te [postcode] Vlaardingen, kadastraal bekend Vlaardingen [perceelnummer] , te ontruimen, met alle daarin aanwezige personen en zaken, onder gelijktijdige afgifte aan [voornaam eiser] van alle toegangssleutels van de woning, de berging en eventuele deuren/poorten/hekken die toegang geven tot de voor- en/of achtertuin van de woning,
6.2.
veroordeelt [voornaam gedaagde] in de proceskosten van [voornaam eiser] van € 1.860,02, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [voornaam gedaagde] in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026. 1734/1980
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/722536 / KG ZA 26-681
Vonnis in kort geding van 29 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats 1] ,
eiser,
hierna te noemen: [voornaam eiser] ,
advocaat: mr. M.C.G. Stut,
tegen
[gedaagde]
,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [voornaam gedaagde] ,
verschenen in persoon.
1De zaak in het kort
Deze zaak speelt tussen twee broers en gaat over de vraag wat er moet gebeuren met een woning in de nalatenschap van hun al lang geleden overleden moeder. [voornaam gedaagde] woont in die woning. In eerdere procedures is door rechters beslist dat de woning aan [voornaam gedaagde] moet worden toebedeeld tegen betaling aan [voornaam eiser] van een zeker bedrag en dat, als [voornaam gedaagde] daar niet aan meewerkt, de woning aan een derde moet worden verkocht. Deze eerdere beslissingen staan vast. [voornaam gedaagde] heeft niet meegewerkt aan de levering van de woning aan hem. Hij weigert echter ook pertinent iedere medewerking aan een verkoop van de woning. Daarom wordt in dit vonnis beslist dat [voornaam gedaagde] de woning moet ontruimen. Wel krijgt hij daarvoor een iets langere termijn dan [voornaam eiser] heeft gevraagd.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 juli 2026- de producties 1 tot en met 20 van [voornaam eiser]- het verweerschrift en een stuk getiteld ‘verdediging’ van [voornaam gedaagde] - de mondelinge behandeling van 1 september 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt- de pleitnota van [voornaam eiser] - de aanhouding tot 15 september 2026 om partijen de gelegenheid te geven een minnelijke regeling te treffen, wat blijkens het bericht van 15 september 2026 van mr. Stut niet is gelukt. Mr. Stut heeft gevraagd vonnis te wijzen.
3De feiten
3.1.
Partijen zijn broers. [voornaam eiser] is 75 jaar oud en [voornaam gedaagde] 72 jaar.
3.2.
De moeder van partijen is op 22 juli 2011 overleden. De vader van partijen is al eerder overleden. Partijen zijn ieder voor de helft erfgenaam van de nalatenschap van hun moeder. Partijen hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.
3.3.
Tot de nalatenschap behoort (o.a.) de woning op de begane grond met berging, voor- en achtertuin, plaatselijk bekend [adres] te [postcode] Vlaardingen, kadastraal bekend Vlaardingen [perceelnummer] (de woning).
3.4.
[voornaam gedaagde] bewoont sinds 1981 de woning met (alleen) zijn echtgenote, [persoon A] .
3.5.
Omdat de verdeling van de woning uitbleef, is [voornaam eiser] (samen met zijn echtgenote, C. [eiser] -van ‘t Hof ) bij deze rechtbank een verdelingsprocedure tegen [voornaam gedaagde] gestart die heeft geleid tot het vonnis van 4 november 2015. In dat vonnis is, voor zover relevant, het volgende overwogen en beslist:
“4. De beoordeling in conventie en in reconventie
(…)
4.4.
De vorderingen in conventie en in reconventie betreffende de onroerende zaak aan de [adres] te Vlaardingen
4.4.1.
[gedaagde] (opm. voorzieningenrechter: [voornaam gedaagde] ) beroept zich op een overeenkomst tussen partijen dat de woning aan de [adres] te Vlaardingen aan hem zal worden toebedeeld en geleverd tegen (verrekening van) een waarde van € 78.750,--. Nu [eiser] (opm. voorzieningenrechter: [voornaam eiser] ) hiermee heeft ingestemd, zal de rechtbank bij de te gelasten verdeling hiervan uitgaan.
(…)
4.4.3.
In verband met de toedeling en levering van de betreffende onroerende zaak aan [gedaagde] zal de rechtbank niet zelf de verdeling tussen partijen vaststellen, maar een notaris benoemen ten overstaan van wie de verdeling zal moeten plaats vinden met inachtneming van hetgeen de rechtbank hierover zal bepalen.
(…)
5. De beslissing in conventie en in reconventie
De rechtbank
(…)
5.2.
benoemt tot notaris ten overstaan van wie de verdeling zal worden vastgesteld mr. (…),
5.3.
bepaalt dat de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap dient te worden vastgesteld met inachtneming van het navolgende:
(…)
d. aan [gedaagde] wordt toebedeeld en geleverd tegen (verrekening van) een waarde van € 78.450,-- de onroerende zaak aan de [adres] te Vlaardingen;
(…)
f. aan [gedaagde] komt toe ter verrekening:
- € 78.450,-- aan waarde van de woning aan de [adres] te Vlaardingen;
(…)
g. voorts dient te worden verrekend ten laste van [gedaagde] de door hem aan [eiser] (…) te betalen gebruikersvergoeding voor de woning aan de [adres] te Vlaardingen van € 150,-- per maand vanaf 22 juli 2011 tot de dag van levering van de woning aan [gedaagde] ;
h. [gedaagde] zal wegens overbedeling aan [eiser] dienen te betalen het bedrag dat zal worden vastgesteld na saldering van de hiervoor genoemde posten en nog te maken kosten ten behoeve van de gemeenschap;
5.4.
verstaat dat partijen hun medewerking zullen verlenen aan de levering van de in de verdeling betrokken onroerende zaak; (…)”.
3.6.
De notaris die ingevolge het vonnis van 4 november 2015 met de uitvoering van de verdeling belast is, heeft de overbedelingsvordering van [voornaam eiser] op [voornaam gedaagde] op 24 november 2015 voorlopig vastgesteld op € 16.988,64.
3.7.
[voornaam eiser] heeft tegen het vonnis van 4 november 2015 hoger beroep ingesteld. Het vonnis is bij arrest van het hof Den Haag van 1 november 2016 bekrachtigd. Het vonnis van 4 november 2015 is in kracht van gewijsde gegaan.
3.8.
Omdat [voornaam gedaagde] naliet ook na het arrest van 1 november 2016 zijn medewerking te verlenen aan de toedeling en levering van de woning aan hem onder voldoening van de overbedelingsvordering van [voornaam eiser] , is [voornaam eiser] opnieuw een procedure bij deze rechtbank tegen [voornaam gedaagde] gestart. In die procedure is op 9 april 2025 het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde verstekvonnis gewezen, waarin, voor zover relevant, het volgende is beslist:
“3. De beslissing
De rechtbank,
l. veroordeelt gedaagde om binnen zes (6) weken na betekening van dit vonnis, zijn medewerking te verlenen aan de goederenrechtelijke effectuering van de in het vonnis van 4 november 2015 van de rechtbank Rotterdam neergelegde verdeling, in die zin dat gedaagde alle medewerking verleent aan het verlijden van een daartoe strekkende akte van levering/toedeling van de woning, staande en gelegen aan de [adres] te Vlaardingen (hierna te noemen: de woning), aan gedaagde, ten overstaan van notaris mr. G.H.H.J. Janssen, notaris te Vlaardingen, dan wel diens plaatsvervanger, dan wel een andere door eiser aan te wijzen notaris, onder de verplichting voor gedaagde om er voor te zorgen dat bij gelegenheid van voormelde levering het door de notaris te berekenen bedrag, door gedaagde aan eiser verschuldigd wegens overbedeling (zoals onder 5.3 onder h van het dictum van het vonnis van 4 november 2015) wordt vergoed[t], waarbij de kosten van de notariële akte voor rekening van [voornaam gedaagde] zijn;
2. bepaalt voor het geval gedaagde geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft te voldoen aan de veroordeling onder 1. en de levering dus niet binnen de genoemde termijn van zes weken plaatsvindt het volgende:
a. de woning dient te worden verkocht aan een derde partij door een nader door eiser aan te wijzen NVM-makelaar en veroordeelt gedaagde samen met eiser de betreffende koopopdracht te ondertekenen en af te geven aan de makelaar zulks binnen vijf dagen nadat voornoemde termijn van zes weken is verstreken:
b. als gedaagde niet aan de veroordeling onder a. voldoet treedt dit vonnis in de plaats van de ontbrekende wilsverklaring van gedaagde benodigd voor de ondertekening van de verkoopopdracht als bedoeld in artikel 3:300 lid 2 BW;
c. gedaagde is verplicht om de werkzaamheden van de makelaar te gehengen en te gedogen en om op het eerste verzoek van de makelaar al zijn medewerking te verlenen gericht op verkoop van de woning, onder meer maar niet uitsluitend met betrekking tot het verkoopklaar maken van de woning, te verrichten taxaties, bouwkundige onderzoeken, uit te voeren bezichtigingen, en dus:
- het ongehinderd toegang verschaffen aan de makelaar en geïnteresseerde kopers en aan door de makelaar aangewezen derde(n);
- het zich onthouden van handelingen die de verkoop op welke wijze dan ook belemmeren;
- het zich voegen naar adviezen en aanwijzingen van de makelaar (waaronder mede begrepen het vaststellen c.q. aanpassen van de te hanteren verkoopadviesprijs en het al dan niet aanwezig zijn wanneer aspirant-kopers de woning bezichtigen)
voor zover dat in redelijkheid van gedaagde mag worden verwacht, zulks opdat de makelaar en de door de makelaar in te schakelen derde(n) al haar/zijn/hun werkzaamheden kan/kunnen verrichten die hij/zij nodig acht(en) om te komen tot een overeenkomst van koop/verkoop van de woning;
d. indien de ingeschakelde makelaar van oordeel is dat gedaagde in onvoldoende mate heeft voldaan aan het onder c. bepaalde en gedaagde nalaat om binnen drie dagen na dagtekening van een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de verkopend makelaar alsnog zijn medewerking te verlenen, verbeurt gedaagde een dwangsom van € 500,00 voor iedere gebeurtenis of (gedeelte van een) dag dat gedaagde zijn medewerking niet verleent met een maximum € 15.000,00; (…).”
3.9.
Het vonnis van 9 april 2025 is op 13 mei 2025 aan [voornaam gedaagde] in persoon betekend. Tegen het vonnis zijn geen rechtsmiddelen ingesteld. Het vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.
3.10.
[voornaam gedaagde] heeft nagelaten om binnen de in het vonnis van 9 april 2025 bepaalde termijn van zes weken de toedeling en levering van de woning aan hem te bewerkstelligen en de overbedelingsvordering aan [voornaam eiser] te voldoen. [voornaam gedaagde] heeft herhaaldelijk (schriftelijk) laten weten dat hij niet aan de verkoop van de woning aan een derde zal meewerken. De gesprekken en de uitvoerige correspondentie die partijen met elkaar en derden hebben gevoerd om tot een vergelijk te komen, hebben niet tot een oplossing geleid. [voornaam eiser] heeft daarop bij e-mail van 9 oktober 2025 van zijn advocaat aan [voornaam gedaagde] laten weten dat hij, ingevolge het vonnis van 9 april 2025, de opdracht tot verkoop van de woning heeft verstrekt aan NVM-makelaarskantoor De Witte Garantiemakelaars in Vlaardingen. De woning staat op dit moment nog steeds niet te koop, ondanks het uitdrukkelijk bij e-mail van 26 maart 2026 gedane verzoek van de makelaar aan [voornaam gedaagde] om alsnog zijn medewerking daaraan te verlenen.
4Het geschil
4.1.
[voornaam eiser] vordert, na wijziging van eis, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
1. [voornaam gedaagde] te veroordelen tot het verlaten van de woning, met alle daarin aanwezige personen en zaken en [voornaam gedaagde] te verbieden de woning weer te betreden, op kortst mogelijke termijn, dan wel uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, onder gelijktijdige afgifte aan [voornaam eiser] van alle toegangssleutels van de woning, de berging en eventuele deuren/poorten/hekken die toegang geven tot voor- en/of achtertuin, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan, met machtiging van [voornaam eiser] om die ontruiming, na ommekomst van genoemde termijn en na betekening van het vonnis, althans binnen een te bepalen redelijke termijn, met behulp van de sterke arm van politie en justitie te bewerkstelligen;
subsidiair
2. [voornaam gedaagde] te veroordelen tot afgifte van alle toegangssleutels van de woning, de berging en eventuele deuren/poorten/hekken die toegang geven tot voor- en/of achtertuin aan één van de makelaars/medewerkers van De Witte Garantiemakelaars Vlaardingen op kortst mogelijke termijn, dan wel uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van het vonnis althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn;
3. [voornaam gedaagde] te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan het in de woning, de berging
en de voor- en achtertuin toelaten van de makelaar en eventuele kopers voor een bezichtiging;
4. [voornaam gedaagde] te verbieden om met alle aanwezige personen in de woning, berging en/of voor-
en achtertuin vanaf een half uur daarvoor tot een kwartier daarna in de woning, de berging en in voor- en achtertuin aanwezig te zijn tijdens de aan hem door de makelaar
tenminste twee dagen van tevoren per e-mail: [mailadres] aangekondigde bezoeken aan de woning, de berging en de voor- en achtertuin;
5. [voornaam gedaagde] te veroordelen om, bij verkoop aan een derde partij, uiterlijk veertien dagen voordat de leveringsakte bij de notaris wordt verleden, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, de woning te ontruimen en alle toegangssleutels van de woning, de berging en eventuele deuren/poorten/hekken die toegang geven tot voor- en/of achtertuin aan de makelaar af te geven;
6. [voornaam gedaagde] te veroordelen om een dwangsom te betalen van € 500,00 voor elke keer dat hij niet aan een of meer van de veroordelingen en het verbod onder 2 tot en met 5 voldoet;
primair en subsidiair
7. het maximum van de aan de uitvoering van het vonnis van 9 april 2025 onder 3.2 sub d. van het dictum verbonden dwangsommen, tot een bedrag van € 100.000,00 te verhogen;
8. [voornaam gedaagde] te veroordelen in de daadwerkelijke kosten van de procedure begroot op € 6.481,00, daaronder begrepen de deurwaarderskosten, griffierecht en de kosten van
de advocaat van [voornaam eiser] , althans [voornaam gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding conform
het liquidatietarief, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na betekening van
het vonnis, bij gebreke waarvan de kosten worden vermeerderd met de wettelijke
rente.
4.2.
[voornaam gedaagde] voert verweer.
5De beoordeling
Spoedeisendheid
5.1.
Met de stelling van [voornaam eiser] dat hij niet nog langer met [voornaam gedaagde] in de onverdeeldheid van de woning wenst te blijven, vanwege de financiële en fiscale gevolgen die hij hiervan ondervindt, is voldaan aan het voor deze procedure vereiste spoedeisend belang. De aanhoudend weigerachtige houding van [voornaam gedaagde] om ingevolge het vonnis van 9 april 2025 mee te werken aan de verkoop van de woning draagt tevens bij aan de spoedeisendheid.
[voornaam gedaagde] dient de woning te ontruimen
5.2.
De kernvraag die in dit kort geding beantwoord moet worden, is of [voornaam gedaagde] de woning dient te ontruimen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een ingrijpende en meestal onomkeerbare maatregel is. Gezien de ernst van de gevolgen voor de betrokken perso(o)n(en) kan daarom een ontruiming bij wijze van voorlopige voorziening slechts worden uitgesproken, indien het voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter (wanneer zijn/haar oordeel wordt gevraagd) de betrokken persoon tot ontruiming zal veroordelen.
5.3.
In dit kort geding staat vast dat het op 13 mei 2025 aan [voornaam gedaagde] betekende uitvoerbaar bij voorraad verklaarde verstekvonnis van 9 april 2025 in kracht van gewijsde is gegaan en dus onherroepelijk is geworden. Dit houdt in dat het vonnis van 9 april 2025 volledig en correct moet worden nagekomen. In dit verband zijn de volgende punten voor deze procedure van belang:
- In het vonnis heeft de rechtbank beslist dat, voor het geval [voornaam gedaagde] in gebreke blijft om zijn medewerking te verlenen aan de goederenrechtelijke effectuering van de in het onherroepelijke vonnis van 4 november 2015 neergelegde verdeling van de woning, en levering van de woning niet binnen zes weken na 13 mei 2025 heeft plaatsgevonden, de woning dient te worden verkocht aan een derde. [voornaam gedaagde] heeft niet meegewerkt aan de toedeling en levering aan hem, dus staat vast dat de woning moet worden verkocht. De toedeling en levering van de woning aan [voornaam gedaagde] was daarmee een gepasseerd station. Desalniettemin blijft [voornaam gedaagde] spreken van ‘zijn woning, waarop hij recht heeft en houdt’. Dat is dus niet zo. De rechtbank heeft onherroepelijk anders beslist.
- Met het oog op de verkoop van de woning diende [voornaam gedaagde] , samen met [voornaam eiser] , binnen vijf dagen na het verstrijken van de termijn van zes weken na 13 mei 2025, de verkoopopdracht te ondertekenen en af te geven aan de makelaar. [voornaam gedaagde] is hiertoe niet overgegaan. De rechtbank heeft in het vonnis van 9 april 2025 op die situatie geanticipeerd en bepaald dat dan het vonnis in de plaats treedt van de ontbrekende wilsverklaring van [voornaam gedaagde] benodigd voor de ondertekening van de verkoopopdracht als bedoeld in artikel 3:300 lid 2 BW. [voornaam eiser] mocht hierdoor, met het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 9 april 2025 in de hand, de woning in de verkoop zetten bij de door hem aangewezen NVM-makelaar De Witte Garantiemakelaars Vlaardingen.
- Ter bevordering van de voortgang van het verkoopproces heeft de rechtbank verder in het dictum van het vonnis een zogeheten ‘spoorboekje’ opgenomen waaraan [voornaam gedaagde] , op straffe van een dwangsom, zijn medewerking moest verlenen. Gegeven is dat [voornaam gedaagde] dit heeft nagelaten. Hij heeft uitdrukkelijk iedere medewerking aan de verkoop geweigerd.
- [voornaam gedaagde] ontkent ook niet dat hij niet heeft meegewerkt aan het in de verkoop zetten van de woning, waartoe hij is veroordeeld in het vonnis van 9 april 2025. Hij voert als verweer aan dat er na het overlijden van de moeder van partijen mondelinge afspraken zijn gemaakt die inhouden dat de woning aan hem moest worden toebedeeld zonder dat hij, zo begrijpt de voorzieningenrechter hem, daarvoor (overbedelings-/gebruiks-)vergoedingen aan [voornaam eiser] verschuldigd zou zijn. Voor zover dit bezwaar niet al aan de orde is gekomen en is meegewogen in de procedures die hebben geleid tot het vonnis van 4 november 2015 en het arrest van 1 november 2016, had [voornaam gedaagde] dit bezwaar naar voren moeten brengen in een tegen het verstekvonnis van 9 april 2025 ingesteld verzet en niet in dit kort geding. [voornaam gedaagde] heeft evenwel nagelaten verzet in te stellen.
5.4.
Met een dergelijke weigerachtige houding slaat [voornaam gedaagde] de ten laste van hem uitgesproken rechterlijke beslissingen gewoonweg in de wind. Dat mag hem niet baten. Gelet op dit stelselmatige gebrek aan medewerking van [voornaam gedaagde] en het tijdverloop is het belang van [voornaam eiser] om niet nog langer tegen zijn wens in te verkeren in de onverdeeldheid van de woning met [voornaam gedaagde] , ten opzichte van de belangen van [voornaam gedaagde] , steeds zwaarder gaan wegen. In de gegeven omstandigheden is zonneklaar dat verkoop van de woning in hoge mate zal worden bemoeilijkt zolang [voornaam gedaagde] (en zijn echtgenote) nog in de woning verblijven. Omdat die verkoop hoe dan ook zal moeten plaatsvinden, is er voldoende reden om [voornaam gedaagde] vooruitlopend op die verkoop te verplichten de woning te verlaten. Dit betekent dat een ontruiming van de woning op zijn plaats is. De voorzieningenrechter is zich er tegelijkertijd van bewust dat een ontruiming, gelet op de consequenties daarvan voor [voornaam gedaagde] en zijn echtgenote die al sinds 1981 in de woning wonen en op leeftijd zijn, een zeer ingrijpende maatregel betreft. Daar staat weer tegenover dat [voornaam gedaagde] zich al geruime tijd heeft kunnen voorbereiden op een vertrek uit de woning. Dat hij nog geen vervangende woonruimte heeft gevonden, ligt daarom overwegend in zijn risicosfeer. Al met al stelt de voorzieningenrechter de ontruimingstermijn op zes weken na betekening van dit vonnis. Dat deze termijn mogelijk tot gevolg heeft dat de verkoop en levering niet voor het einde van het jaar gerealiseerd zal kunnen worden, waardoor [voornaam eiser] verder financieel wordt benadeeld, weegt onvoldoende zwaar om een kortere termijn vast te stellen.
5.5.
[voornaam eiser] heeft gevorderd om aan de verplichting tot ontruiming een dwangsom te verbinden als prikkel tot nakoming en om hem te machtigen om de ontruiming zo nodig te doen bewerkstelligen met behulp van de sterke arm. Gebleken is dat [voornaam gedaagde] niet of nauwelijks gevoelig is voor een dergelijke financiële prikkel tot nakoming van zijn verplichtingen. Oplegging van (weer) een dwangsom is dan feitelijk zonder nut en daarmee overbodig. Deze wordt dus afgewezen. De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal eveneens worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv overbodig is.
Geen verhoging dwangsom
5.6.
De vordering van [voornaam eiser] om het maximum van de aan de uitvoering van het vonnis van 9 april 2025 onder 3.2 sub d van het dictum verbonden dwangsommen te verhogen tot
€ 100.000,00 wordt afgewezen, omdat de voorzieningenrechter het niet aannemelijk acht dat [voornaam gedaagde] , zoals hiervoor ook aan de orde, gevoelig is voor een hogere financiële prikkel tot nakoming van zijn verplichtingen. Mocht dat anders zijn, dan ligt het voor de hand dat [voornaam eiser] eerst concrete - op invordering van verbeurde dwangsommen gerichte - incassomaatregelen treft. Dat heeft hij nog niet gedaan. Een enkele brief in dat verband van de advocaat van [voornaam eiser] is daarvoor onvoldoende.
Proces- en nakosten, de wettelijke rente
5.7.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om af te wijken van het gangbare uitgangspunt dat de proceskosten in geschillen tussen familieleden worden gecompenseerd. Gelet op de feitelijk aanhoudend weigerachtige houding van [voornaam gedaagde] om mee te werken aan het in de verkoop zetten van de woning, acht de voorzieningenrechter een proceskostenveroordeling van [voornaam gedaagde] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij op zijn plaats.
5.7.1.
[voornaam eiser] heeft primair gevraagd om [voornaam gedaagde] te veroordelen in de werkelijke kosten van zijn advocaat. De voorzieningenrechter overweegt dat voor toewijzing van de werkelijke proceskosten sprake moet zijn van uitzonderlijke omstandigheden. Daarbij moet worden gedacht aan gevallen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. De voorzieningenrechter oordeelt dat van buitengewone omstandigheden zoals hiervoor bedoeld, mede gelet op de in acht te nemen terughoudendheid daarbij, onvoldoende is gebleken. De gevorderde werkelijke proceskostenveroordeling is dan ook niet toewijsbaar.
5.7.2.
De proceskosten worden, zoals subsidiair door [voornaam eiser] gevorderd, daarom overeenkomstig het gebruikelijke liquidatietarief passend bij een normaal kort geding berekend.
De proceskosten van [voornaam eiser] worden begroot op:
- kosten dagvaarding € 153,02
- griffierecht € 341,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.860,02
5.7.3.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.8.
De veroordelingen in dit vonnis worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De vordering daartoe is niet weersproken en past bij het karakter van het kort geding.
Overweging ten overvloede
5.9.
Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat het partijen uiteraard vrijstaat om in afwijking van dit vonnis alsnog een minnelijke regeling te treffen die erop neer zou moeten komen dat [voornaam gedaagde] in de woning kan blijven tegen betaling van een redelijke vergoeding uit hoofde van overbedeling, daarbij rekening houdend met wat is overwogen en beslist in de vonnissen van 4 november 2015 en 9 april 2025 en het arrest van 1 november 2016. Gelet op de familierelatie en de leeftijd van partijen zou dit de meest aangewezen oplossing tussen partijen zijn. [voornaam gedaagde] zal dan moeten aanvaarden dat hij nog een bedrag aan [voornaam eiser] zal moeten betalen.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt [voornaam gedaagde] om binnen zes weken na betekening van dit vonnis de woning op de begane grond met berging, voor- en achtertuin, plaatselijk bekend [adres] te [postcode] Vlaardingen, kadastraal bekend Vlaardingen [perceelnummer] , te ontruimen, met alle daarin aanwezige personen en zaken, onder gelijktijdige afgifte aan [voornaam eiser] van alle toegangssleutels van de woning, de berging en eventuele deuren/poorten/hekken die toegang geven tot de voor- en/of achtertuin van de woning,
6.2.
veroordeelt [voornaam gedaagde] in de proceskosten van [voornaam eiser] van € 1.860,02, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [voornaam gedaagde] in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026. 1734/1980