Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12838
2026-09-16
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/10/712145 HA ZA 25-1133
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Geschil of bij de overdracht van de onderneming van de vof via een activa-passivatransactie ook de FOR-verplichtingen en de NOW-schuld zijn overgedragen. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (46.500 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Handel en haven
Zaaknummer: C/10/712145 / HA ZA 25-1133
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
1 [eiser] ,
te [woonplaats] ,
2. [eiseres],
te [woonplaats] ,
eisers in conventie, verweersters in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. S. Velthuizen,
tegen
1 [gedaagde 1] B.V.,
te [plaats] ,2. [gedaagde 2] B.V.,
te [plaats] ,3. [gedaagde 3],
te [plaats] ,
gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. H.E. Eelkman Rooda.
1De zaak in het kort
Tussen partijen is in geschil of bij de overdracht van de onderneming van de vennootschap onder firma [naam VOF] (hierna: de VOF) aan [gedaagde 1] B.V. (hierna: de BV) via een activa-passivatransactie ook de FOR-verplichtingen en NOW-schuld zijn overgedragen. De rechtbank oordeelt dat is overeengekomen dat de BV deze verplichting en schuld op zich heeft genomen. De BV wordt veroordeeld tot betaling van de NOW-schuld bij het UWV/en of de Belastingdienst via de VOF, waarna de VOF de ontvangen bedragen conform afspraak moet doorbetalen aan het UWV en/of de Belastingdienst.
Als gevolg van de latere doorverkoop van de onderneming door de BV aan een derde zijn er nadelige fiscale gevolgen ontstaan in het kader van de FOR-verplichtingen. De BV moet in dat kader daarom een vervangende schadevergoeding betalen aan [eisers] De begroting van deze schadevergoeding wordt verwezen naar de schadestaatprocedure. De rechtbank zal haar beslissingen hierna motiveren.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 december 2025 met producties 1 tot en met 14;
- conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 5;
- conclusie van antwoord in reconventie;
de brief van de rechtbank van 24 februari 2026 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald op 14 juli 2026;
de e-mail van de rechtbank van 16 juni 2026 met daarin een zittingsagenda met daarin specifieke vragen van de rechtbank en informatie die op zitting gedeeld moet worden;
de akte overlegging producties met producties 15 tot en met 25 van [eisers] ;
de akte wijziging van eis van [eisers]
de mondelinge behandeling van 14 juli 2026, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt;
de spreekaantekeningen van de advocaat van [eisers] ; en
de spreekaantekeningen van de advocaat van [gedaagden] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[eiser] (hierna: [eiser] ) is de vader van [gedaagde 3] (hierna: [gedaagde 3] ). [eiser] is getrouwd met [eiseres] (hierna: [eiseres] ).
3.2.
[eiser] had sinds jaar en dag een boeketterie en sinds 10 januari 2014 is deze boeketterie ingebracht in en geëxploiteerd via de vennootschap onder firma [naam VOF] (hierna: de VOF).
3.3.
Sinds 10 januari 2014 zijn [eiser] , [eiseres] en [gedaagde 3] de drie vennoten van de VOF. Zij exploiteerden met z’n drieën de boeketterie.
3.4.
De onderneming die door de VOF werd geëxploiteerd is verkocht aan de BV via een activa-passivatransactie. [gedaagde 3] is enig aandeelhouder en bestuurder van de BV.
3.5.
Voor deze verkoop is een ‘Overeenkomst van bedrijfsoverdracht (activa/passiva)’ (hierna: de overeenkomst) opgesteld tussen de VOF en de BV, welke in juni 2023 naar partijen is gestuurd. De overeenkomst is ondertekend door [eiser] en [eiseres] , in hun hoedanigheid van vennoten van de VOF, maar niet door [gedaagde 3] , in zijn hoedanigheid van bestuurder van de BV en vennoot van de VOF.
3.6.
In de overeenkomst staat in artikel 2 het volgende over de koop en verkoop van de onderneming:
2. De onderneming van verkoper bestaat uit de volgende activa en passiva:
a. handelsvoorraad;
b. bedrijfsinventaris en -uitrusting;
c. overige roerende zaken;
d. goodwill;
e. administratie, klantenbestand en alle daarbij behorende informatie;
f. handelsnaam;
g. merkrechten, octrooirechten, etc.;
h. overige activa;
i. schulden (waaronder NOW schulden en Corona Belastingschulden);
j. Rechtsverhoudingen (huurcontracten, lease overeenkomsten etc);
k. Koper treedt op als verzekeraar waarbij de fiscale oude reserve (FOR) van [eiser] en [eiseres] zullen worden omgezet in een direct ingaande lijfrente; (..)
3.7.
In de overeenkomst staat in artikel 4 het volgende over de schuldoverneming:
1. Partijen wensen tevens vast te leggen dat koper van verkoper diens schulden aan het UWV (NOW) en de Belastingdienst ten bedrage van € 159.536,74 heeft overgenomen (schuld per 1-1-2023).
2. Verkoper verklaart dat zij bij uitsluiting gehouden was deze schuld te voldoen, alsmede dat zij bevoegd was deze schuld aan koper over te dragen. Koper verklaart dat zij bereid is voornoemde schuld van verkoper over te nemen. De schuld, aan partijen zonder nadere omschrijving genoegzaam bekend, wordt overgedragen met alle daaraan verbonden verplichtingen.
3. De schuldeiser (UWV en Belastingdienst) heeft geen toestemming gegeven voor de
schuldoverneming waardoor de schuldoverneming middels een doorbetaling aan verkoper zal worden afgelost.
3.8.
In de overeenkomst staat in artikel 15 het volgende over vrijwaring:
Koper vrijwaart verkoper, behoudens het bepaalde in artikel 9 (personeel), voor alle mogelijke aanspraken van werknemer en van derden, voor zover betrekking hebbend op de periode vanaf de overnamedatum.
3.9.
In de periode van februari 2023 tot en met december 2024 heeft de BV betalingen verricht aan [eiser] en [eiseres] met als omschrijving “pensioen”.
3.10.
De BV heeft ook betalingen gedaan aan de rekening van de VOF, waarna vanuit de VOF de NOW-schuld werd voldaan bij het UWV en de Belastingdienst.
3.11.
Eind 2024 bereikt [eisers] het bericht dat de BV de onderneming zou hebben doorverkocht aan een derde partij.
3.12.
Op 20 maart 2025 en op 4 april 2025 wordt namens [eisers] een brief verzonden aan de BV en aan [gedaagde 3] met een sommatie en ingebrekestelling tot nakoming van de verplichtingen met betrekking tot de fiscale oudedagreserve (hierna: de FOR) en de NOW-schuld, alsmede een verzoek tot toezending van stukken die betrekking hebben op onder meer de (door)verkoop aan de derde partij.
3.13.
Op 10 april 2025 reageert [gedaagde 3] op deze brieven en betwist hij dat de FOR-verplichtingen en NOW-schuld door de BV zijn overgenomen.
3.14.
Op 4 juni 2025 verzoekt de advocaat van [gedaagden] per e-mail aan [belastingadviseur] van [bedrijf belastingadviseur] (hierna: [belastingadviseur] ), de belastingadviseur van de VOF, zijn herinneringen te delen met betrekking tot de (afspraken aangaande de) overname, de NOW-schuld en de FOR.
3.15.
Op 8 juli 2025 informeert [belastingadviseur] per e-mail de advocaat van [gedaagden] als volgt:
In mijn rol als destijds betrokken vennootschapsadviseur bij de overdracht van de
onderneming van [naam VOF] VOF aan [gedaagde 1] B.V., stuur ik u
hierbij een feitelijke uiteenzetting over de totstandkoming en inhoud van die
overdracht.
Ik doe dit niet namens een van de betrokken partijen, maar om bij te dragen aan
waarheidsvinding en feitelijke reconstructie, met als doel dat alle partijen hun
fiscale verplichtingen kunnen nakomen op een wijze die in overeenstemming is met
de werkelijkheid en zonder voorbehoud conform de eisen van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen (AWR).
(..)
Voorafgaand aan de oprichting van [gedaagde 1] B.V. zijn meerdere gesprekken gevoerd met [eiser] , [eiseres] en [gedaagde 3] . De intentie was dat de onderneming van de VOF om niet zou worden ingebracht in de nieuw op te richten BV, met overname van de volgende posten:
• Belastingschulden als gevolg van corona;
• NOW-schuld aan het UWV;
• Fiscale oudedagsreserve (FOR) van [eiser] en [eiseres] .
Deze elementen zijn herhaaldelijk besproken, ook in aanwezigheid van meerdere vennoten. De FOR werd uitgelegd als fiscale voorziening die bij inbreng fiscaal moet worden omgezet in een lijfrente. [gedaagde 3] heeft zich in eerste instantie kritisch uitgelaten over de overname van deze oosten, maar heeft uiteindelijk, zij het met enige tegenzin, aangegeven de activa/passiva-overeenkomst te zullen ondertekenen . De feitelijke ondertekening is echter uitgebleven. (..)
4Het geschil in conventie
4.1.
[eisers] vorderen - samengevat na wijziging van eis – dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van al hetgeen de VOF verschuldigd is aan het UWV en/of de Belastingdienst uit hoofde van de NOW-schuld, althans tot betaling van een bedrag van € 47.955,30 te vermeerderen met daarover verschenen wettelijke (handels)rente en eventuele boetes etc., waarbij primair deze betaling dient te geschieden aan UWV en/of de Belastingdienst, op straffe van een dwangsom, en subsidiair dat deze betaling dient te geschieden aan [eisers] , zodat zij de betaling aan het UWV en/of de Belastingdienst kunnen verrichten;
II. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van primair het bedrag van € 189.199,00 aan [eisers] , te verhogen met 20% revisierente, vermeerderd met de wettelijke rente over het verschuldigde bedrag, dan wel subsidiair de verplichtingen die volgen uit de FOR, inhoudende betaling van een bedrag aan [eiser] van € 509,38 per maand en aan [eiseres] van € 438,46 per maand, vermeerderd met de wettelijke rente, dan wel primair en subsidiair schade op te maken bij staat;
III. [gedaagden] veroordeelt tot vrijwaring van [eisers] voor alle vorderingen van het UWV en de Belastingdienst uit hoofde van niet betaalde en/of te laat betaalde vorderingen van het UWV en de Belastingdienst, uit hoofde van al hetgeen de VOF verschuldigd is (geweest) aan UWV en de Belastingdienst (de NOW-schuld in het bijzonder) en uit hoofde van niet betaalde en/of te laat betaalde vorderingen onder de FOR, daaronder begrepen naheffingen, aanslagen, boetes, (boete)rente, revisierente e.d., daaronder begrepen indien de Belastingdienst zich op het standpunt stelt dat er sprake is van afkoop van een FOR en/of indien er sprake is van een negatieve uitgave in de inkomensvoorziening, dan wel de Belastingdienst zich op dat standpunt stelt;
IV. [eisers] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 1.361,81 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente;
V. voor recht verklaart dat:
1) [gedaagde 3] en/of de BV verbonden zijn aan de verplichtingen die volgen uit de overeenkomst;
2) de overeenkomst rechtsgeldig tussen partijen tot stand is gekomen;
3) sprake is geweest van een activa- en passivatransactie, waarbij de onderneming van de VOF is overgedragen aan de BV, waarbij
4) is afgesproken dat [gedaagde 3] en/of de BV zich heeft/hebben verbonden tot het voldoen van de NOW-schuld en de (verplichtingen die voortvloeien uit de) FOR;
VI. In geval niet in rechte vast staat dat de overeenkomst rechtsgeldig is: [gedaagden] veroordeelt tot betaling van schadevergoeding en/of tot opheffing van het nadeel door betaling van (schade)vergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente;
VII. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot inzage van één of meer van de volgende gegevens:
a. de schriftelijke vastlegging van de afspraken die zijn gemaakt door de BV met de overnemende partij(en), zoals de koopovereenkomst; en
b. de volledige jaarstukken over 2023 van de BV en de winst- en verliesrekening en saldibalans over 2023 en over 2024 tot het moment van overname met betrekking tot de BV.
VIII. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt.
4.2.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] in hun vorderingen, dan wel tot afwijzing van deze vordering, met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5Het geschil in reconventie
[eisers] vorderen - samengevat - dat deze rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
5.1.
primair voor recht verklaart dat:
geen overeenkomst voor de overname van de NOW-schulden of FOR-verplichtingen tot stand is gekomen tussen de VOF en [gedaagden] ;
de betalingen door BV aan de VOF voor de terugbetaling van de NOW-schuld onverschuldigd verricht zijn;
en subsidiair voor recht verklaart dat:
- [eisers] ongerechtvaardigd verrijkt zijn ten koste van de BV;
5.2.
[eisers] veroordelen tot betaling van een bedrag van € 20.505,74 aan de BV voor de door de BV gedane betalingen aan de VOF voor de aflossing van de NOW-schuld ten behoeve van [eisers] , te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente;
5.3.
[eiser] veroordeelt tot betaling van € 11.339,47 aan de BV, voor de door de BV aan hem gedane betalingen voor de FOR-verplichtingen, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente;
5.4.
[eiseres] veroordeelt tot betaling van € 9.345,63 aan de BV, voor de door de BV aan haar gedane betalingen voor de FOR-verplichtingen, te vermeerderen met de wettelijke
(handels)rente;
5.5.
[eisers] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt.
5.6.
[eisers] voeren verweer. [eisers] concluderen tot afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.
5.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
6De beoordeling
In conventie en reconventie
De FOR-verplichtingen en de NOW-schuld zijn overgenomen door de BV
6.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de onderneming van de VOF door middel van een activa-passivatransactie is overgedragen aan de BV. Partijen verschillen wel van mening over de vraag welke passiva onderdeel uitmaken van die overdracht. [eisers] stellen namelijk dat ook de verplichtingen uit hoofde van de FOR en de NOW-schuld zijn overgenomen door de BV. [gedaagden] betwisten dat en stellen dat deze verplichtingen buiten de overeenkomst zijn gebleven. De rechtbank oordeelt dat tussen de VOF en de BV is overeengekomen dat de FOR-verplichtingen en de NOW-schuld zijn overgenomen door de BV en zal dat hieronder motiveren.
Er is feitelijke uitvoering gegeven aan de benodigde stappen voor de overdracht van de onderneming inclusief FOR-verplichtingen en de NOW-schuld
6.2.
Volgens [eisers] blijkt uit de wijze waarop er feitelijk uitvoering gegeven is aan de overdracht van de onderneming dat de FOR-verplichtingen en de NOW-schuld wel degelijk onder de overeenkomst vielen. Daartoe hebben zij aangevoerd dat partijen op 26 oktober 2022 gezamenlijk aan [belastingadviseur] opdracht hebben gegeven om de besproken stappen uit te rollen. Vervolgens hebben [gedaagden] ook uitvoering gegeven aan diverse benodigde stappen voor de beoogde overdracht van de onderneming inclusief de FOR-verplichtingen en de NOW-schuld. Zo heeft [gedaagde 3] de BV opgericht (hetgeen nodig was voor een aandelenfusie), is er lijfrente betaald aan zowel [eiser] als [eiseres] , zijn er betalingen verricht ter aflossing van de NOW-schuld en is de lijfrente ook in de administratie en de salarisspecificaties van [eiser] en [eiseres] als zodanig verwerkt. Daarnaast blijkt uit de 2022/2023 jaarrekening van de BV dat ook administratief en fiscaal is verwerkt dat de BV als verzekeraar voor de lijfrente optreedt. Eveneens is in die jaarrekening de NOW-schuld als een eigen schuld van de BV verwerkt. Ten slotte is er door [gedaagde 3] een (met [belastingadviseur] ) besproken aandelenfusie uitgevoerd die noodzakelijk was om ervoor te zorgen dat er geen sprake is van overdracht van de materiële onderneming omdat anders niet aan de vereisten van de FOR zou worden voldaan.
6.3.
[gedaagden] hebben de feitelijke uitvoering van de door [eisers] genoemde handelingen als zodanig niet betwist. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat deze handelingen hebben plaatsgevonden. Dit wordt overigens ook grotendeels ondersteund door de genoemde schriftelijke stukken. Deze opeenvolgende uitvoeringshandelingen wijzen erop dat partijen feitelijk uitvoering hebben gegeven aan de overdracht van de onderneming inclusief de FOR-verplichtingen en de NOW-schuld conform de stappen die met [belastingadviseur] zijn besproken. De rechtbank licht dit nader toe.
Er is feitelijk uitvoering gegeven aan de betalingen van de FOR-verplichtingen
6.4.
De rechtbank stelt vast dat er feitelijk uitvoering is gegeven aan de betalingen van de FOR-verplichtingen door lijfrente-uitkeringen te doen. De BV is daarbij als verzekeraar opgetreden. Partijen zijn het erover eens dat deze betalingen hebben plaatsgevonden vanuit de BV aan [eisers] in de periode van februari 2023 tot en met december 2024.
6.5.
[gedaagden] betwisten dat deze betalingen van de BV door [gedaagde 3] zelf zijn gedaan. Zij voeren aan dat deze betalingen zijn verricht door de boekhoudster na instructies en onder druk van [eiser] . De BV zou daar ten tijde van de betalingen niets van af hebben geweten. Dit acht de rechtbank niet geloofwaardig. [eisers] hebben gemotiveerd betwist dat de boekhoudster onder druk van [eiser] tot deze betalingen is overgegaan. Vast staat dat deze betalingen hebben plaatsgevonden tot en met december 2024, dus tot vlak voor de verkoop van de onderneming aan een derde. Zoals door [eisers] aangevoerd is de boekhoudster in oktober 2023 uit dienst getreden bij de BV en hebben er na haar vertrek ook nog FOR-betalingen vanuit de BV aan [eisers] plaatsgevonden. Dat na haar vertrek deze betalingen nog zijn verricht, strookt niet met [gedaagden] ’s stelling dat deze betalingen door de boekhoudster werden gedaan. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat in de toelichting op de balans van de 2022/2023 jaarrekening van de BV de lijfrenteverplichtingen ten aanzien van [eiser] en [eiseres] ook expliciet zijn opgenomen inclusief het beginsaldo, de rentetoevoeging en de uitkering. Niet valt in te zien waarom deze lijfrenteverplichtingen opgenomen worden in de jaarrekening van de BV als [gedaagden] menen dat deze verplichting niet is overgenomen. Ook dit ondersteunt daarom de stelling van [eisers] dat de BV de FOR-verplichtingen als overgenomen verplichtingen heeft beschouwd.
Er is feitelijk uitvoering gegeven aan aflossingen van de NOW-schuld
6.6.
De rechtbank stelt vast dat er daarnaast ook feitelijk uitvoering is gegeven aan aflossing van de NOW-schuld. [gedaagden] hebben aangevoerd dat deze betalingen zijn gedaan zonder de erkenning dat deze NOW-schuld onderdeel was van de overdracht van de onderneming. Volgens [gedaagden] zijn deze betalingen verricht vanuit [gedaagde 3] ’s positie als vennoot van de VOF en om kostenverhogende incassomaatregelen van het UWV en/of de Belastingdienst te voorkomen.
6.7.
Ook deze verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig. Uit de overgelegde stukken volgt immers betaling heeft plaatsgevonden overeenkomstig de in artikel 4 sub 3 van de overeenkomst omschreven constructie, waarbij de BV het verschuldigde bedrag eerst aan de VOF overmaakt en de VOF dit vervolgens aan het UWV betaalde. Deze wijze van betaling sluit aan bij de door [eisers] gegeven verklaring dat de schuld formeel niet rechtstreeks door de BV kon worden voldaan aan het UWV en/of de Belastingdienst, omdat het UWV en/of de Belastingdienst geen toestemming had gegeven voor een schuldovername door de BV. In zoverre is de NOW-schuld van de VOF formeel niet overgedragen aan de BV, maar is tussen de VOF en de BV wel afgesproken dat de BV voor betaling zorg moet dragen (via de VOF). Bovendien staat ook de NOW-schuld aan het UWV expliciet opgenomen in de 2022/2023 balans van de BV onder het kopje ‘overige schulden’. Dit ondersteunt dat de BV de NOW-schuld als overgenomen verplichting heeft beschouwd.
[belastingadviseur] heeft verklaard dat [gedaagde 3] akkoord was met de overeenkomst
6.8.
Ter onderbouwing van hun stelling dat de NOW-schuld en FOR-verplichtingen in de relatie tussen de VOF en de BV zijn overgedragen aan de BV hebben [eisers] een schriftelijke verklaring van [belastingadviseur] ingebracht. Deze verklaring heeft [belastingadviseur] afgelegd vanuit zijn rol als onafhankelijke adviseur die destijds de (structuur van de) overdracht van de onderneming heeft begeleid. [belastingadviseur] heeft verklaard dat [gedaagde 3] zich in eerste instantie kritisch had uitgelaten over de overname van de NOW-schuld en FOR-verplichtingen, maar uiteindelijk wel heeft aangegeven de overeenkomst te zullen ondertekenen.
6.9.
[gedaagden] hebben de juistheid van deze verklaring betwist en hebben ook de objectiviteit en onpartijdigheid van [belastingadviseur] betwist, omdat [belastingadviseur] zich meer voor de belangen van [eiser] en [eiseres] zou inzetten dan voor het belang van de VOF en [gedaagde 3] . De rechtbank volgt [gedaagden] daarin niet, omdat zij deze stelling niet met concrete feiten of omstandigheden hebben onderbouwd. In dit kader speelt bovendien mee dat het de advocaat van [gedaagden] was die [belastingadviseur] heeft gevraagd een verklaring af te geven over de inhoud van de gemaakte afspraken. Als [gedaagden] daadwerkelijk zou menen dat [belastingadviseur] niet onpartijdig zou zijn, ligt het niet voor de hand dat zij hem vervolgens wel zelf verzoeken een verklaring af te geven over de gang van zaken. Het feit dat de inhoud van de verklaring [gedaagden] achteraf onwelgevallig is, maakt [belastingadviseur] daarom niet partijdig of niet-objectief.
De activa-passivatransactie heeft de inhoud als opgenomen in de overeenkomst
6.10.
Gelet op de hiervoor genoemde gemotiveerde stellingen van [eisers] en de onvoldoende concrete betwistingen van [gedaagden] oordeelt de rechtbank dat [eisers] voldoende gemotiveerd hebben onderbouwd dat de activa-passivatransactie van de onderneming van VOF aan de BV mede de FOR-verplichtingen en de NOW-schuld omvat. De rechtbank oordeelt dat de activa-passivatransactie de inhoud heeft zoals opgenomen in de schriftelijke overeenkomst (productie 3 bij dagvaarding). Dat deze overeenkomst uitsluitend door [eisers] is ondertekend en niet door [gedaagde 3] en de BV, maakt dit oordeel niet anders. De inhoud van die overeenkomst wordt immers bevestigd door de wijze waarop partijen feitelijk uitvoering hebben gegeven aan de gemaakte afspraken.
De overeenkomst geldt alleen tussen de VOF en de BV
6.11.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de overeenkomst uitsluitend is gesloten tussen de VOF en de BV. [gedaagde 3] in persoon en [gedaagde 2] B.V. (hierna: [gedaagde 2] BV) zijn geen partij bij de overeenkomst. [eisers] hebben ongemotiveerd gesteld dat er sprake is van vereenzelviging van [gedaagde 3] in persoon en/of de BV met [gedaagde 2] BV, dan wel vice versa. Op geen enkele wijze is echter gebleken dat er sprake is van vereenzelviging, noch dat [gedaagde 3] in persoon of [gedaagde 2] BV anderszins partij bij de activa-passivaovereenkomst zijn (geworden). De enkele omstandigheid dat [gedaagde 3] aandeelhouder is van [gedaagde 2] BV en [gedaagde 2] BV op haar beurt aandeelhouder is van de BV, evenals dat [gedaagde 3] bestuurder is van [gedaagde 2] BV en BV, is daarvoor onvoldoende. De hierop gebaseerde vorderingen van [eisers] tegen [gedaagde 3] in persoon of [gedaagde 2] BV zullen daarom worden afgewezen.
Nader in conventie
De rechtbank zal op de gewijzigde eis in conventie beslissen
6.12.
[eisers] hebben bij akte hun eis gewijzigd en deze eiswijziging toegelicht ter zitting. Omdat [gedaagden] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt en de rechtbank de eiswijziging niet in strijd acht met de goede procesorde, zal de rechtbank op de gewijzigde vorderingen beslissen.
6.13.
Ter zitting zijn alle vorderingen in conventie met partijen besproken. Gebleken is dat tussen bepaalde vorderingen een zekere mate van overlap bestond en dat sommige vorderingen juridisch niet goed op elkaar aansloten, als gevolg waarvan sommige vorderingen ter zitting zijn gewijzigd en ingetrokken. De rechtbank zal de thans ingestelde (gewijzigde) vorderingen hierna afzonderlijk beoordelen.
Vordering I: De BV wordt veroordeeld tot betaling van de NOW-schuld via de VOF
6.14.
Uit r.o. 6.10 volgt dat de NOW-schuld onderdeel uitmaakt van de tussen de VOF en de BV gesloten overeenkomst. Op grond daarvan rust op BV de verplichting de NOW-schuld van het UWV en/of de Belastingdienst af te lossen. De NOW-schuld bedraagt, zoals door [eisers] gesteld en door [gedaagden] niet betwist, € 47.955,30 per 30 oktober 2025.
6.15.
De rechtbank zal de BV veroordelen tot betaling van de NOW-schuld (van € € 47.955,30) aan de VOF, waarna de [eisers] (als vennoten van de VOF) deze betaling door moeten betalen aan het UWV en/of de Belastingdienst ter delging van deze schuld. Dit sluit aan bij artikel 4 sub 3 van de overeenkomst, waarin is overeengekomen hoe betaling van de NOW-schuld dient plaats te vinden. Ook sluit dit aan op de wijze waarop partijen na de activa-passivatransactie feitelijk uitvoering hebben gegeven aan de aflossing van de NOW-schuld en hetgeen ter zitting met partijen is besproken. Daarnaast hebben [eisers] , toegezegd om - in hun hoedanigheid van vennoten van de VOF - de BV te informeren zodra zij het bedrag aan het UWV hebben doorbetaald, zodat het voor de BV vaststaat dat het door haar betaalde bedrag daadwerkelijk is aangewend ter aflossing van de NOW-schuld.
6.16.
De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. Artikel 611a Rv sluit de mogelijkheid uit om een dwangsom te verbinden aan een veroordeling tot betaling van een geldsom. Dat er al boetes zijn verschuldigd als gevolg van te late betalingen is niet gebleken en hiervoor is ook onvoldoende gesteld.
Vordering II: De BV moet een schadevergoeding aan [eisers] betalen in het kader van de FOR-verplichtingen – verwijzing naar de schadestaat.
6.17.
Zoals in r.o. 6.4 is overwogen is er door partijen bij de overeenkomst uitvoering gegeven aan de met [belastingadviseur] besproken stappen voor het omzetten van de FOR in een lijfrenteverplichting en heeft de BV vervolgens ook bijna twee jaar lijfrente-uitkeringen aan [eisers] voldaan. De rechtbank stelt daarom allereerst vast dat de FOR is omgezet in een lijfrenteverplichting. Verder staat vast dat de BV in december 2024 is gestopt met het verrichten van deze betalingen, terwijl zij daartoe gehouden was. De BV heeft de onderneming daarna doorverkocht aan een derde.
6.18.
[eisers] stellen dat bij staking van de onderneming door de VOF op grond van art. 3.129 Wet IB 2001 de FOR is omgezet in een lijfrentepremie, waarbij de BV - als voortzettende vennootschap - als verzekeraar is opgetreden voor de lijfrentepremie op grond van art. 3.126 lid 1 onderdeel a sub 2° Wet IB 2001. Dit artikel bepaalt dat lijfrentepremies slechts in aanmerking worden genomen indien zij zijn verschuldigd aan een in Nederland gevestigd lichaam, mits de lijfrenten zijn bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming of een gedeelte van een onderneming aan dat lichaam. De BV kwalificeerde uitsluitend als verzekeraar omdat zij de onderneming (van de VOF) heeft overgenomen. Daaruit volgt dat er een band moet (blijven) bestaan tussen de lijfrenteverplichting en de overgenomen onderneming.
6.19.
Door de onderneming evenwel weer door te verkopen aan een derde is de vereiste band verbroken. [gedaagden] hebben niet betwist dat het verbreken van die band nadelige fiscale gevolgen heeft voor [eisers] hebben ook nader toegelicht dat deze schade onder meer bestaat uit het feit dat de volledige waarde van de lijfrenteaanspraak als inkomen bij [eisers] zal worden belast tegen het progressieve tarief van box 1, vermeerderd met 20% revisierente over de verschuldigde belasting.
6.20.
Gelet op deze nadelige fiscale gevolgen willen [eisers] niet langer nakoming door de BV van de lijfrenteverplichting. De BV komt die contractuele verplichting (toerekenbaar) niet na en kan deze volgens [eisers] ook niet langer nakomen. [eisers] hebben in dit kader hun eis gewijzigd en vorderen, blijkens hun toelichting ter zitting, op dit punt onder meer vervangende schadevergoeding op te maken bij staat. Voor zover nodig geldt de dagvaarding en de akte wijziging van eis als de in artikel 6:87 BW bedoelde omzettingsverklaring. Omdat [gedaagden] de gestelde nadelige fiscale gevolgen voor [eisers] als gevolg van de doorverkoop van de onderneming door de BV aan een derde niet hebben betwist, zal de rechtbank de vordering tot vervangende schadevergoeding toewijzen.
6.21.
De omvang van de schade als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van de BV van haar lijfrenteverplichting kan momenteel niet worden vastgesteld. Het is immers nog onduidelijk wat de exacte fiscale gevolgen zullen zijn en op welk moment de Belastingdienst de verschuldigde belasting en revisierente zal heffen. De rechtbank zal daarom de begroting van deze schadevergoedingsvordering verwijzen naar de schadestaatprocedure.
Vordering III: [eisers] wordt gevrijwaard door de BV
6.22.
Ten aanzien van de gevorderde vrijwaring overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 15 van de overeenkomst is bepaald dat de BV, als koper, de verkoper, vrijwaart van alle mogelijke aanspraken van derden die verband houden met de overgenomen onderneming. Het staat vast dat de BV de FOR-verplichtingen en NOW-schuld heeft overgenomen. Voorts is hiervoor geoordeeld dat de BV aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan doordat zij de onderneming heeft doorverkocht aan een derde, waardoor de vereiste band tussen de lijfrenteverplichting en de overgenomen onderneming is verbroken en nadelige fiscale gevolgen zijn ontstaan voor [eisers] .
6.23.
Gelet op de vrijwaringsbepaling van artikel 15 van de overeenkomst ziet de rechtbank aanleiding om de BV te veroordelen [eisers] (zijnde vennoten van de VOF) te vrijwaren voor aanspraken van het UWV en de Belastingdienst die betrekking hebben op de NOW-schuld en de FOR-verplichtingen, waaronder begrepen de naheffingen, aanslagen, (boete)rente en de revisierente.
6.24.
De rechtbank ziet geen grond voor een veroordeling tot vrijwaring van [gedaagde 3] in persoon en [gedaagde 2] BV. Zij zijn geen partij bij de overeenkomst, waarin de vrijwaringsbepaling is opgenomen, en evenmin zijn er feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat op hen een vrijwaringsverplichting rust. De vrijwaringsverplichting ten aanzien van [gedaagde 3] in persoon en [gedaagde 2] BV wordt daarom afgewezen.
Vordering IV: De BV moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen.
6.25.
[eisers] maken aanspraak op een bedrag van € 1.361,81 ter zake de gemaakte kosten voor het incasseren van de openstaande geldbedragen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eisers] voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en dat het redelijk was dat daarvoor kosten zijn gemaakt. De kosten blijven onder het maximum dat volgens de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten geldt en zullen daarom worden toegewezen.
Vordering V: Er is geen belang meer bij de gevorderde verklaringen voor recht
6.26.
Ten aanzien van de gevorderde verklaringen voor recht overweegt de rechtbank als volgt. Uit de hierboven genoemde overwegingen volgt al dat er een activa-passivaovereenkomst tussen de VOF en de BV tot stand is gekomen met de inhoud zoals opgenomen in de schriftelijke overeenkomst (productie 3 bij dagvaarding). Daarmee staat onder meer in rechte vast dat de overeenkomst bestaat, wie de partijen bij deze overeenkomst zijn en welke verplichtingen er op de BV. rusten. Er is daarom geen rechtsgeldig belang meer bij deze vorderingen. [eisers] hebben dat ook onvoldoende nader toegelicht. De rechtbank zal deze vorderingen afwijzen.
Vordering VI: De rechtbank komt niet aan de beoordeling van deze vordering toe
6.27.
Ter zitting is vordering VI met [eisers] besproken. Ten grondslag aan deze vordering beroepen [eisers] zich op vernietiging van de overeenkomst met nadeelsopheffing. Deze vernietiging is volgens [eisers] “gegrond op alle wilsgebreken en in het bijzonder dwaling.” De rechtbank heeft ter zitting onder meer de vraag gesteld hoe deze vordering, die op vernietiging van de overeenkomst is gebaseerd, zich verhoudt tot de eveneens ingestelde vorderingen die juist uitgaan van de geldigheid van de overeenkomst en die zien op nakoming van de overeenkomst. [eisers] hebben ter zitting toegelicht dat deze vordering voorwaardelijk wordt ingesteld, in die zin dat deze vordering slechts aan de orde is indien de rechtbank zou oordelen dat de overeenkomst niet rechtsgeldig tot stand is gekomen.
6.28.
Omdat de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld dat tussen de VOF en BV een rechtsgeldige activa-passivaovereenkomst tot stand is gekomen met de inhoud als opgenomen in de overeenkomst van productie 3 bij dagvaarding, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze vordering.
Vordering VII: Er is geen belang (meer) bij de inzagevordering
6.29.
Ten aanzien van de onder sub a gevorderde inzage overweegt de rechtbank als volgt. Met het oog op de mondelinge behandeling heeft de rechtbank [eisers] op grond van artikel 22 Rv in de zittingsagenda verzocht om de rechtbank en eisers te informeren of de onderneming is doorverkocht aan een derde. En zo ja, aan wie, op welk moment en tegen welke prijs. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagden] vervolgens vrijwillig de koopovereenkomst tussen de BV en de derde overgelegd aan [eisers] en de rechtbank. Uit deze overeenkomst volgt dat de BV per 1 januari 2025 een activa-passivatransactie is aangegaan met [bedrijf] B.V. Ook volgt daaruit dat de koopprijs voor de goodwill € 230.000,00 bedraagt en dat de koopprijs voor de activa en passiva is vastgesteld op basis van de boekwaarde per 31 december 2024. Omdat de gevorderde koopovereenkomst is overgelegd, hebben [eisers] geen belang meer bij deze vordering. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
6.30.
Ten aanzien van de onder sub b gevorderde overweegt de rechtbank als volgt. De 2023 jaarstukken van de BV zijn al gedeponeerd bij de KvK en zijn bovendien door [eisers] zelf in het geding gebracht. Er is daarom geen belang meer bij toewijzing van de inzagevordering die ziet op de 2023 jaarstukken. Met betrekking tot de 2024 jaarstukken heeft [gedaagde 3] ter zitting de BV toegezegd deze aan [eisers] te zullen verstrekken. [eisers] hebben vervolgens aangegeven daarmee genoegen te nemen. De rechtbank gaat ervan uit de BV de 2024 jaarstukken conform toezegging aan [eisers] zal toezenden. Er is daarom evenmin op dit punt nog belang bij deze vordering. Deze vordering zal daarom ook worden afgewezen.
6.31.
Ten aanzien van de initieel onder sub c gevorderde inzage die ziet op de correspondentie gevoerd door [gedaagde 3] en de BV met het UWV over de NOW-schuld merkt de rechtbank volledigheidshalve op dat deze vordering tijdens de mondelinge behandeling is ingetrokken door [eisers]
Proceskosten: De BV betaalt de proceskosten van [eisers]
6.32.
De BV is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,28
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
7.486,28
6.33.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6.34.
Volledigheidshalve, hoewel de vorderingen tegen [gedaagde 3] in persoon en [gedaagde 2] BV worden afgewezen, ziet de rechtbank geen aanleiding hen een proceskostenveroordeling ten laste van [eisers] toe te kennen. [gedaagde 3] in persoon en [gedaagde 2] BV hebben namelijk geen afzonderlijk griffierecht betaald en niet is gebleken dat zij additionele proceskosten hebben gemaakt die losstaan van de kosten die de BV heeft gemaakt.
Nader in reconventie
6.35.
De vorderingen in reconventie zijn gebaseerd op de stelling dat de tussen partijen gesloten overeenkomst niet de NOW-schuld en de FOR-verplichtingen omvatten. Uit hetgeen de rechtbank in conventie heeft overwogen, volgt dat deze stelling van [gedaagden] onjuist is. Die overeenkomst bestaat wel.
6.36.
Anders dan door [gedaagden] gesteld volgt daaruit dat de door BV verrichte betalingen uit hoofde van de NOW-schuld en FOR-verplichtingen niet als onverschuldigd kunnen worden aangemerkt. De reconventionele vorderingen zijn grotendeels het spiegelbeeld van de conventionele vorderingen. Onder verwijzing naar de rechtsoverwegingen in conventie, zullen de vorderingen in reconventie daarom worden afgewezen.
6.37.
De rechtbank merkt nog op dat tijdens de procedure is onderzocht of mediation tot de mogelijkheden behoorde. Hoewel dat toen niet het geval was, hoopt de rechtbank dat het partijen lukt om (met behulp van mediation) hun (verdere) geschilpunten onderling op te lossen.
Proceskosten: [gedaagden] betaalt de proceskosten van [eisers]
6.38.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- salaris advocaat
€
1.442,50
(0,5 punt × € 2.885,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.631,50
6.39.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
7De beslissing
De rechtbank
in conventie
7.1.
veroordeelt de BV tot betaling van € 47.955,30 aan de VOF met de verplichting voor [eisers] om dit bedrag vervolgens door te betalen aan het UWV en/of de Belastingdienst ter delging van de NOW-schuld,
7.2.
veroordeelt de BV tot betaling van een vervangende schadevergoeding aan [eisers] in verband met de niet nakoming van haar FOR-verplichtingen en verwijst de begroting van deze vergoeding naar de schadestaatprocedure,
7.3.
veroordeelt de BV om [eisers] te vrijwaren voor aanspraken van het UWV en de Belastingdienst die betrekking hebben op de NOW-schuld en de FOR-verplichtingen,
7.4.
veroordeelt de BV tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten aan [eisers] van € 1.361,81,
7.5.
veroordeelt de BV in de proceskosten van [eisers] van € 7.486,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de BV niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
7.6.
veroordeelt de BV tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
7.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wat de veroordelingen in 7.1 tot en met 7.6 betreft,
7.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
7.9.
wijst de vorderingen van [gedaagden] af,
7.10.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van [eisers] van € 1.631,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
3893/3455
Vanwege de gelijkluidende achternamen is, bij wege van uitzondering, gekozen voor de voornamen.
Handel en haven
Zaaknummer: C/10/712145 / HA ZA 25-1133
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
1 [eiser] ,
te [woonplaats] ,
2. [eiseres],
te [woonplaats] ,
eisers in conventie, verweersters in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. S. Velthuizen,
tegen
1 [gedaagde 1] B.V.,
te [plaats] ,2. [gedaagde 2] B.V.,
te [plaats] ,3. [gedaagde 3],
te [plaats] ,
gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. H.E. Eelkman Rooda.
1De zaak in het kort
Tussen partijen is in geschil of bij de overdracht van de onderneming van de vennootschap onder firma [naam VOF] (hierna: de VOF) aan [gedaagde 1] B.V. (hierna: de BV) via een activa-passivatransactie ook de FOR-verplichtingen en NOW-schuld zijn overgedragen. De rechtbank oordeelt dat is overeengekomen dat de BV deze verplichting en schuld op zich heeft genomen. De BV wordt veroordeeld tot betaling van de NOW-schuld bij het UWV/en of de Belastingdienst via de VOF, waarna de VOF de ontvangen bedragen conform afspraak moet doorbetalen aan het UWV en/of de Belastingdienst.
Als gevolg van de latere doorverkoop van de onderneming door de BV aan een derde zijn er nadelige fiscale gevolgen ontstaan in het kader van de FOR-verplichtingen. De BV moet in dat kader daarom een vervangende schadevergoeding betalen aan [eisers] De begroting van deze schadevergoeding wordt verwezen naar de schadestaatprocedure. De rechtbank zal haar beslissingen hierna motiveren.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 december 2025 met producties 1 tot en met 14;
- conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 5;
- conclusie van antwoord in reconventie;
de brief van de rechtbank van 24 februari 2026 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald op 14 juli 2026;
de e-mail van de rechtbank van 16 juni 2026 met daarin een zittingsagenda met daarin specifieke vragen van de rechtbank en informatie die op zitting gedeeld moet worden;
de akte overlegging producties met producties 15 tot en met 25 van [eisers] ;
de akte wijziging van eis van [eisers]
de mondelinge behandeling van 14 juli 2026, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt;
de spreekaantekeningen van de advocaat van [eisers] ; en
de spreekaantekeningen van de advocaat van [gedaagden] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[eiser] (hierna: [eiser] ) is de vader van [gedaagde 3] (hierna: [gedaagde 3] ). [eiser] is getrouwd met [eiseres] (hierna: [eiseres] ).
3.2.
[eiser] had sinds jaar en dag een boeketterie en sinds 10 januari 2014 is deze boeketterie ingebracht in en geëxploiteerd via de vennootschap onder firma [naam VOF] (hierna: de VOF).
3.3.
Sinds 10 januari 2014 zijn [eiser] , [eiseres] en [gedaagde 3] de drie vennoten van de VOF. Zij exploiteerden met z’n drieën de boeketterie.
3.4.
De onderneming die door de VOF werd geëxploiteerd is verkocht aan de BV via een activa-passivatransactie. [gedaagde 3] is enig aandeelhouder en bestuurder van de BV.
3.5.
Voor deze verkoop is een ‘Overeenkomst van bedrijfsoverdracht (activa/passiva)’ (hierna: de overeenkomst) opgesteld tussen de VOF en de BV, welke in juni 2023 naar partijen is gestuurd. De overeenkomst is ondertekend door [eiser] en [eiseres] , in hun hoedanigheid van vennoten van de VOF, maar niet door [gedaagde 3] , in zijn hoedanigheid van bestuurder van de BV en vennoot van de VOF.
3.6.
In de overeenkomst staat in artikel 2 het volgende over de koop en verkoop van de onderneming:
2. De onderneming van verkoper bestaat uit de volgende activa en passiva:
a. handelsvoorraad;
b. bedrijfsinventaris en -uitrusting;
c. overige roerende zaken;
d. goodwill;
e. administratie, klantenbestand en alle daarbij behorende informatie;
f. handelsnaam;
g. merkrechten, octrooirechten, etc.;
h. overige activa;
i. schulden (waaronder NOW schulden en Corona Belastingschulden);
j. Rechtsverhoudingen (huurcontracten, lease overeenkomsten etc);
k. Koper treedt op als verzekeraar waarbij de fiscale oude reserve (FOR) van [eiser] en [eiseres] zullen worden omgezet in een direct ingaande lijfrente; (..)
3.7.
In de overeenkomst staat in artikel 4 het volgende over de schuldoverneming:
1. Partijen wensen tevens vast te leggen dat koper van verkoper diens schulden aan het UWV (NOW) en de Belastingdienst ten bedrage van € 159.536,74 heeft overgenomen (schuld per 1-1-2023).
2. Verkoper verklaart dat zij bij uitsluiting gehouden was deze schuld te voldoen, alsmede dat zij bevoegd was deze schuld aan koper over te dragen. Koper verklaart dat zij bereid is voornoemde schuld van verkoper over te nemen. De schuld, aan partijen zonder nadere omschrijving genoegzaam bekend, wordt overgedragen met alle daaraan verbonden verplichtingen.
3. De schuldeiser (UWV en Belastingdienst) heeft geen toestemming gegeven voor de
schuldoverneming waardoor de schuldoverneming middels een doorbetaling aan verkoper zal worden afgelost.
3.8.
In de overeenkomst staat in artikel 15 het volgende over vrijwaring:
Koper vrijwaart verkoper, behoudens het bepaalde in artikel 9 (personeel), voor alle mogelijke aanspraken van werknemer en van derden, voor zover betrekking hebbend op de periode vanaf de overnamedatum.
3.9.
In de periode van februari 2023 tot en met december 2024 heeft de BV betalingen verricht aan [eiser] en [eiseres] met als omschrijving “pensioen”.
3.10.
De BV heeft ook betalingen gedaan aan de rekening van de VOF, waarna vanuit de VOF de NOW-schuld werd voldaan bij het UWV en de Belastingdienst.
3.11.
Eind 2024 bereikt [eisers] het bericht dat de BV de onderneming zou hebben doorverkocht aan een derde partij.
3.12.
Op 20 maart 2025 en op 4 april 2025 wordt namens [eisers] een brief verzonden aan de BV en aan [gedaagde 3] met een sommatie en ingebrekestelling tot nakoming van de verplichtingen met betrekking tot de fiscale oudedagreserve (hierna: de FOR) en de NOW-schuld, alsmede een verzoek tot toezending van stukken die betrekking hebben op onder meer de (door)verkoop aan de derde partij.
3.13.
Op 10 april 2025 reageert [gedaagde 3] op deze brieven en betwist hij dat de FOR-verplichtingen en NOW-schuld door de BV zijn overgenomen.
3.14.
Op 4 juni 2025 verzoekt de advocaat van [gedaagden] per e-mail aan [belastingadviseur] van [bedrijf belastingadviseur] (hierna: [belastingadviseur] ), de belastingadviseur van de VOF, zijn herinneringen te delen met betrekking tot de (afspraken aangaande de) overname, de NOW-schuld en de FOR.
3.15.
Op 8 juli 2025 informeert [belastingadviseur] per e-mail de advocaat van [gedaagden] als volgt:
In mijn rol als destijds betrokken vennootschapsadviseur bij de overdracht van de
onderneming van [naam VOF] VOF aan [gedaagde 1] B.V., stuur ik u
hierbij een feitelijke uiteenzetting over de totstandkoming en inhoud van die
overdracht.
Ik doe dit niet namens een van de betrokken partijen, maar om bij te dragen aan
waarheidsvinding en feitelijke reconstructie, met als doel dat alle partijen hun
fiscale verplichtingen kunnen nakomen op een wijze die in overeenstemming is met
de werkelijkheid en zonder voorbehoud conform de eisen van de Algemene wet
inzake rijksbelastingen (AWR).
(..)
Voorafgaand aan de oprichting van [gedaagde 1] B.V. zijn meerdere gesprekken gevoerd met [eiser] , [eiseres] en [gedaagde 3] . De intentie was dat de onderneming van de VOF om niet zou worden ingebracht in de nieuw op te richten BV, met overname van de volgende posten:
• Belastingschulden als gevolg van corona;
• NOW-schuld aan het UWV;
• Fiscale oudedagsreserve (FOR) van [eiser] en [eiseres] .
Deze elementen zijn herhaaldelijk besproken, ook in aanwezigheid van meerdere vennoten. De FOR werd uitgelegd als fiscale voorziening die bij inbreng fiscaal moet worden omgezet in een lijfrente. [gedaagde 3] heeft zich in eerste instantie kritisch uitgelaten over de overname van deze oosten, maar heeft uiteindelijk, zij het met enige tegenzin, aangegeven de activa/passiva-overeenkomst te zullen ondertekenen . De feitelijke ondertekening is echter uitgebleven. (..)
4Het geschil in conventie
4.1.
[eisers] vorderen - samengevat na wijziging van eis – dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van al hetgeen de VOF verschuldigd is aan het UWV en/of de Belastingdienst uit hoofde van de NOW-schuld, althans tot betaling van een bedrag van € 47.955,30 te vermeerderen met daarover verschenen wettelijke (handels)rente en eventuele boetes etc., waarbij primair deze betaling dient te geschieden aan UWV en/of de Belastingdienst, op straffe van een dwangsom, en subsidiair dat deze betaling dient te geschieden aan [eisers] , zodat zij de betaling aan het UWV en/of de Belastingdienst kunnen verrichten;
II. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van primair het bedrag van € 189.199,00 aan [eisers] , te verhogen met 20% revisierente, vermeerderd met de wettelijke rente over het verschuldigde bedrag, dan wel subsidiair de verplichtingen die volgen uit de FOR, inhoudende betaling van een bedrag aan [eiser] van € 509,38 per maand en aan [eiseres] van € 438,46 per maand, vermeerderd met de wettelijke rente, dan wel primair en subsidiair schade op te maken bij staat;
III. [gedaagden] veroordeelt tot vrijwaring van [eisers] voor alle vorderingen van het UWV en de Belastingdienst uit hoofde van niet betaalde en/of te laat betaalde vorderingen van het UWV en de Belastingdienst, uit hoofde van al hetgeen de VOF verschuldigd is (geweest) aan UWV en de Belastingdienst (de NOW-schuld in het bijzonder) en uit hoofde van niet betaalde en/of te laat betaalde vorderingen onder de FOR, daaronder begrepen naheffingen, aanslagen, boetes, (boete)rente, revisierente e.d., daaronder begrepen indien de Belastingdienst zich op het standpunt stelt dat er sprake is van afkoop van een FOR en/of indien er sprake is van een negatieve uitgave in de inkomensvoorziening, dan wel de Belastingdienst zich op dat standpunt stelt;
IV. [eisers] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 1.361,81 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente;
V. voor recht verklaart dat:
1) [gedaagde 3] en/of de BV verbonden zijn aan de verplichtingen die volgen uit de overeenkomst;
2) de overeenkomst rechtsgeldig tussen partijen tot stand is gekomen;
3) sprake is geweest van een activa- en passivatransactie, waarbij de onderneming van de VOF is overgedragen aan de BV, waarbij
4) is afgesproken dat [gedaagde 3] en/of de BV zich heeft/hebben verbonden tot het voldoen van de NOW-schuld en de (verplichtingen die voortvloeien uit de) FOR;
VI. In geval niet in rechte vast staat dat de overeenkomst rechtsgeldig is: [gedaagden] veroordeelt tot betaling van schadevergoeding en/of tot opheffing van het nadeel door betaling van (schade)vergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente;
VII. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot inzage van één of meer van de volgende gegevens:
a. de schriftelijke vastlegging van de afspraken die zijn gemaakt door de BV met de overnemende partij(en), zoals de koopovereenkomst; en
b. de volledige jaarstukken over 2023 van de BV en de winst- en verliesrekening en saldibalans over 2023 en over 2024 tot het moment van overname met betrekking tot de BV.
VIII. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt.
4.2.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] in hun vorderingen, dan wel tot afwijzing van deze vordering, met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5Het geschil in reconventie
[eisers] vorderen - samengevat - dat deze rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
5.1.
primair voor recht verklaart dat:
geen overeenkomst voor de overname van de NOW-schulden of FOR-verplichtingen tot stand is gekomen tussen de VOF en [gedaagden] ;
de betalingen door BV aan de VOF voor de terugbetaling van de NOW-schuld onverschuldigd verricht zijn;
en subsidiair voor recht verklaart dat:
- [eisers] ongerechtvaardigd verrijkt zijn ten koste van de BV;
5.2.
[eisers] veroordelen tot betaling van een bedrag van € 20.505,74 aan de BV voor de door de BV gedane betalingen aan de VOF voor de aflossing van de NOW-schuld ten behoeve van [eisers] , te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente;
5.3.
[eiser] veroordeelt tot betaling van € 11.339,47 aan de BV, voor de door de BV aan hem gedane betalingen voor de FOR-verplichtingen, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente;
5.4.
[eiseres] veroordeelt tot betaling van € 9.345,63 aan de BV, voor de door de BV aan haar gedane betalingen voor de FOR-verplichtingen, te vermeerderen met de wettelijke
(handels)rente;
5.5.
[eisers] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien voldoening niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt.
5.6.
[eisers] voeren verweer. [eisers] concluderen tot afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.
5.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
6De beoordeling
In conventie en reconventie
De FOR-verplichtingen en de NOW-schuld zijn overgenomen door de BV
6.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de onderneming van de VOF door middel van een activa-passivatransactie is overgedragen aan de BV. Partijen verschillen wel van mening over de vraag welke passiva onderdeel uitmaken van die overdracht. [eisers] stellen namelijk dat ook de verplichtingen uit hoofde van de FOR en de NOW-schuld zijn overgenomen door de BV. [gedaagden] betwisten dat en stellen dat deze verplichtingen buiten de overeenkomst zijn gebleven. De rechtbank oordeelt dat tussen de VOF en de BV is overeengekomen dat de FOR-verplichtingen en de NOW-schuld zijn overgenomen door de BV en zal dat hieronder motiveren.
Er is feitelijke uitvoering gegeven aan de benodigde stappen voor de overdracht van de onderneming inclusief FOR-verplichtingen en de NOW-schuld
6.2.
Volgens [eisers] blijkt uit de wijze waarop er feitelijk uitvoering gegeven is aan de overdracht van de onderneming dat de FOR-verplichtingen en de NOW-schuld wel degelijk onder de overeenkomst vielen. Daartoe hebben zij aangevoerd dat partijen op 26 oktober 2022 gezamenlijk aan [belastingadviseur] opdracht hebben gegeven om de besproken stappen uit te rollen. Vervolgens hebben [gedaagden] ook uitvoering gegeven aan diverse benodigde stappen voor de beoogde overdracht van de onderneming inclusief de FOR-verplichtingen en de NOW-schuld. Zo heeft [gedaagde 3] de BV opgericht (hetgeen nodig was voor een aandelenfusie), is er lijfrente betaald aan zowel [eiser] als [eiseres] , zijn er betalingen verricht ter aflossing van de NOW-schuld en is de lijfrente ook in de administratie en de salarisspecificaties van [eiser] en [eiseres] als zodanig verwerkt. Daarnaast blijkt uit de 2022/2023 jaarrekening van de BV dat ook administratief en fiscaal is verwerkt dat de BV als verzekeraar voor de lijfrente optreedt. Eveneens is in die jaarrekening de NOW-schuld als een eigen schuld van de BV verwerkt. Ten slotte is er door [gedaagde 3] een (met [belastingadviseur] ) besproken aandelenfusie uitgevoerd die noodzakelijk was om ervoor te zorgen dat er geen sprake is van overdracht van de materiële onderneming omdat anders niet aan de vereisten van de FOR zou worden voldaan.
6.3.
[gedaagden] hebben de feitelijke uitvoering van de door [eisers] genoemde handelingen als zodanig niet betwist. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat deze handelingen hebben plaatsgevonden. Dit wordt overigens ook grotendeels ondersteund door de genoemde schriftelijke stukken. Deze opeenvolgende uitvoeringshandelingen wijzen erop dat partijen feitelijk uitvoering hebben gegeven aan de overdracht van de onderneming inclusief de FOR-verplichtingen en de NOW-schuld conform de stappen die met [belastingadviseur] zijn besproken. De rechtbank licht dit nader toe.
Er is feitelijk uitvoering gegeven aan de betalingen van de FOR-verplichtingen
6.4.
De rechtbank stelt vast dat er feitelijk uitvoering is gegeven aan de betalingen van de FOR-verplichtingen door lijfrente-uitkeringen te doen. De BV is daarbij als verzekeraar opgetreden. Partijen zijn het erover eens dat deze betalingen hebben plaatsgevonden vanuit de BV aan [eisers] in de periode van februari 2023 tot en met december 2024.
6.5.
[gedaagden] betwisten dat deze betalingen van de BV door [gedaagde 3] zelf zijn gedaan. Zij voeren aan dat deze betalingen zijn verricht door de boekhoudster na instructies en onder druk van [eiser] . De BV zou daar ten tijde van de betalingen niets van af hebben geweten. Dit acht de rechtbank niet geloofwaardig. [eisers] hebben gemotiveerd betwist dat de boekhoudster onder druk van [eiser] tot deze betalingen is overgegaan. Vast staat dat deze betalingen hebben plaatsgevonden tot en met december 2024, dus tot vlak voor de verkoop van de onderneming aan een derde. Zoals door [eisers] aangevoerd is de boekhoudster in oktober 2023 uit dienst getreden bij de BV en hebben er na haar vertrek ook nog FOR-betalingen vanuit de BV aan [eisers] plaatsgevonden. Dat na haar vertrek deze betalingen nog zijn verricht, strookt niet met [gedaagden] ’s stelling dat deze betalingen door de boekhoudster werden gedaan. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat in de toelichting op de balans van de 2022/2023 jaarrekening van de BV de lijfrenteverplichtingen ten aanzien van [eiser] en [eiseres] ook expliciet zijn opgenomen inclusief het beginsaldo, de rentetoevoeging en de uitkering. Niet valt in te zien waarom deze lijfrenteverplichtingen opgenomen worden in de jaarrekening van de BV als [gedaagden] menen dat deze verplichting niet is overgenomen. Ook dit ondersteunt daarom de stelling van [eisers] dat de BV de FOR-verplichtingen als overgenomen verplichtingen heeft beschouwd.
Er is feitelijk uitvoering gegeven aan aflossingen van de NOW-schuld
6.6.
De rechtbank stelt vast dat er daarnaast ook feitelijk uitvoering is gegeven aan aflossing van de NOW-schuld. [gedaagden] hebben aangevoerd dat deze betalingen zijn gedaan zonder de erkenning dat deze NOW-schuld onderdeel was van de overdracht van de onderneming. Volgens [gedaagden] zijn deze betalingen verricht vanuit [gedaagde 3] ’s positie als vennoot van de VOF en om kostenverhogende incassomaatregelen van het UWV en/of de Belastingdienst te voorkomen.
6.7.
Ook deze verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig. Uit de overgelegde stukken volgt immers betaling heeft plaatsgevonden overeenkomstig de in artikel 4 sub 3 van de overeenkomst omschreven constructie, waarbij de BV het verschuldigde bedrag eerst aan de VOF overmaakt en de VOF dit vervolgens aan het UWV betaalde. Deze wijze van betaling sluit aan bij de door [eisers] gegeven verklaring dat de schuld formeel niet rechtstreeks door de BV kon worden voldaan aan het UWV en/of de Belastingdienst, omdat het UWV en/of de Belastingdienst geen toestemming had gegeven voor een schuldovername door de BV. In zoverre is de NOW-schuld van de VOF formeel niet overgedragen aan de BV, maar is tussen de VOF en de BV wel afgesproken dat de BV voor betaling zorg moet dragen (via de VOF). Bovendien staat ook de NOW-schuld aan het UWV expliciet opgenomen in de 2022/2023 balans van de BV onder het kopje ‘overige schulden’. Dit ondersteunt dat de BV de NOW-schuld als overgenomen verplichting heeft beschouwd.
[belastingadviseur] heeft verklaard dat [gedaagde 3] akkoord was met de overeenkomst
6.8.
Ter onderbouwing van hun stelling dat de NOW-schuld en FOR-verplichtingen in de relatie tussen de VOF en de BV zijn overgedragen aan de BV hebben [eisers] een schriftelijke verklaring van [belastingadviseur] ingebracht. Deze verklaring heeft [belastingadviseur] afgelegd vanuit zijn rol als onafhankelijke adviseur die destijds de (structuur van de) overdracht van de onderneming heeft begeleid. [belastingadviseur] heeft verklaard dat [gedaagde 3] zich in eerste instantie kritisch had uitgelaten over de overname van de NOW-schuld en FOR-verplichtingen, maar uiteindelijk wel heeft aangegeven de overeenkomst te zullen ondertekenen.
6.9.
[gedaagden] hebben de juistheid van deze verklaring betwist en hebben ook de objectiviteit en onpartijdigheid van [belastingadviseur] betwist, omdat [belastingadviseur] zich meer voor de belangen van [eiser] en [eiseres] zou inzetten dan voor het belang van de VOF en [gedaagde 3] . De rechtbank volgt [gedaagden] daarin niet, omdat zij deze stelling niet met concrete feiten of omstandigheden hebben onderbouwd. In dit kader speelt bovendien mee dat het de advocaat van [gedaagden] was die [belastingadviseur] heeft gevraagd een verklaring af te geven over de inhoud van de gemaakte afspraken. Als [gedaagden] daadwerkelijk zou menen dat [belastingadviseur] niet onpartijdig zou zijn, ligt het niet voor de hand dat zij hem vervolgens wel zelf verzoeken een verklaring af te geven over de gang van zaken. Het feit dat de inhoud van de verklaring [gedaagden] achteraf onwelgevallig is, maakt [belastingadviseur] daarom niet partijdig of niet-objectief.
De activa-passivatransactie heeft de inhoud als opgenomen in de overeenkomst
6.10.
Gelet op de hiervoor genoemde gemotiveerde stellingen van [eisers] en de onvoldoende concrete betwistingen van [gedaagden] oordeelt de rechtbank dat [eisers] voldoende gemotiveerd hebben onderbouwd dat de activa-passivatransactie van de onderneming van VOF aan de BV mede de FOR-verplichtingen en de NOW-schuld omvat. De rechtbank oordeelt dat de activa-passivatransactie de inhoud heeft zoals opgenomen in de schriftelijke overeenkomst (productie 3 bij dagvaarding). Dat deze overeenkomst uitsluitend door [eisers] is ondertekend en niet door [gedaagde 3] en de BV, maakt dit oordeel niet anders. De inhoud van die overeenkomst wordt immers bevestigd door de wijze waarop partijen feitelijk uitvoering hebben gegeven aan de gemaakte afspraken.
De overeenkomst geldt alleen tussen de VOF en de BV
6.11.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de overeenkomst uitsluitend is gesloten tussen de VOF en de BV. [gedaagde 3] in persoon en [gedaagde 2] B.V. (hierna: [gedaagde 2] BV) zijn geen partij bij de overeenkomst. [eisers] hebben ongemotiveerd gesteld dat er sprake is van vereenzelviging van [gedaagde 3] in persoon en/of de BV met [gedaagde 2] BV, dan wel vice versa. Op geen enkele wijze is echter gebleken dat er sprake is van vereenzelviging, noch dat [gedaagde 3] in persoon of [gedaagde 2] BV anderszins partij bij de activa-passivaovereenkomst zijn (geworden). De enkele omstandigheid dat [gedaagde 3] aandeelhouder is van [gedaagde 2] BV en [gedaagde 2] BV op haar beurt aandeelhouder is van de BV, evenals dat [gedaagde 3] bestuurder is van [gedaagde 2] BV en BV, is daarvoor onvoldoende. De hierop gebaseerde vorderingen van [eisers] tegen [gedaagde 3] in persoon of [gedaagde 2] BV zullen daarom worden afgewezen.
Nader in conventie
De rechtbank zal op de gewijzigde eis in conventie beslissen
6.12.
[eisers] hebben bij akte hun eis gewijzigd en deze eiswijziging toegelicht ter zitting. Omdat [gedaagden] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt en de rechtbank de eiswijziging niet in strijd acht met de goede procesorde, zal de rechtbank op de gewijzigde vorderingen beslissen.
6.13.
Ter zitting zijn alle vorderingen in conventie met partijen besproken. Gebleken is dat tussen bepaalde vorderingen een zekere mate van overlap bestond en dat sommige vorderingen juridisch niet goed op elkaar aansloten, als gevolg waarvan sommige vorderingen ter zitting zijn gewijzigd en ingetrokken. De rechtbank zal de thans ingestelde (gewijzigde) vorderingen hierna afzonderlijk beoordelen.
Vordering I: De BV wordt veroordeeld tot betaling van de NOW-schuld via de VOF
6.14.
Uit r.o. 6.10 volgt dat de NOW-schuld onderdeel uitmaakt van de tussen de VOF en de BV gesloten overeenkomst. Op grond daarvan rust op BV de verplichting de NOW-schuld van het UWV en/of de Belastingdienst af te lossen. De NOW-schuld bedraagt, zoals door [eisers] gesteld en door [gedaagden] niet betwist, € 47.955,30 per 30 oktober 2025.
6.15.
De rechtbank zal de BV veroordelen tot betaling van de NOW-schuld (van € € 47.955,30) aan de VOF, waarna de [eisers] (als vennoten van de VOF) deze betaling door moeten betalen aan het UWV en/of de Belastingdienst ter delging van deze schuld. Dit sluit aan bij artikel 4 sub 3 van de overeenkomst, waarin is overeengekomen hoe betaling van de NOW-schuld dient plaats te vinden. Ook sluit dit aan op de wijze waarop partijen na de activa-passivatransactie feitelijk uitvoering hebben gegeven aan de aflossing van de NOW-schuld en hetgeen ter zitting met partijen is besproken. Daarnaast hebben [eisers] , toegezegd om - in hun hoedanigheid van vennoten van de VOF - de BV te informeren zodra zij het bedrag aan het UWV hebben doorbetaald, zodat het voor de BV vaststaat dat het door haar betaalde bedrag daadwerkelijk is aangewend ter aflossing van de NOW-schuld.
6.16.
De gevorderde dwangsom wordt afgewezen. Artikel 611a Rv sluit de mogelijkheid uit om een dwangsom te verbinden aan een veroordeling tot betaling van een geldsom. Dat er al boetes zijn verschuldigd als gevolg van te late betalingen is niet gebleken en hiervoor is ook onvoldoende gesteld.
Vordering II: De BV moet een schadevergoeding aan [eisers] betalen in het kader van de FOR-verplichtingen – verwijzing naar de schadestaat.
6.17.
Zoals in r.o. 6.4 is overwogen is er door partijen bij de overeenkomst uitvoering gegeven aan de met [belastingadviseur] besproken stappen voor het omzetten van de FOR in een lijfrenteverplichting en heeft de BV vervolgens ook bijna twee jaar lijfrente-uitkeringen aan [eisers] voldaan. De rechtbank stelt daarom allereerst vast dat de FOR is omgezet in een lijfrenteverplichting. Verder staat vast dat de BV in december 2024 is gestopt met het verrichten van deze betalingen, terwijl zij daartoe gehouden was. De BV heeft de onderneming daarna doorverkocht aan een derde.
6.18.
[eisers] stellen dat bij staking van de onderneming door de VOF op grond van art. 3.129 Wet IB 2001 de FOR is omgezet in een lijfrentepremie, waarbij de BV - als voortzettende vennootschap - als verzekeraar is opgetreden voor de lijfrentepremie op grond van art. 3.126 lid 1 onderdeel a sub 2° Wet IB 2001. Dit artikel bepaalt dat lijfrentepremies slechts in aanmerking worden genomen indien zij zijn verschuldigd aan een in Nederland gevestigd lichaam, mits de lijfrenten zijn bedongen als tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming of een gedeelte van een onderneming aan dat lichaam. De BV kwalificeerde uitsluitend als verzekeraar omdat zij de onderneming (van de VOF) heeft overgenomen. Daaruit volgt dat er een band moet (blijven) bestaan tussen de lijfrenteverplichting en de overgenomen onderneming.
6.19.
Door de onderneming evenwel weer door te verkopen aan een derde is de vereiste band verbroken. [gedaagden] hebben niet betwist dat het verbreken van die band nadelige fiscale gevolgen heeft voor [eisers] hebben ook nader toegelicht dat deze schade onder meer bestaat uit het feit dat de volledige waarde van de lijfrenteaanspraak als inkomen bij [eisers] zal worden belast tegen het progressieve tarief van box 1, vermeerderd met 20% revisierente over de verschuldigde belasting.
6.20.
Gelet op deze nadelige fiscale gevolgen willen [eisers] niet langer nakoming door de BV van de lijfrenteverplichting. De BV komt die contractuele verplichting (toerekenbaar) niet na en kan deze volgens [eisers] ook niet langer nakomen. [eisers] hebben in dit kader hun eis gewijzigd en vorderen, blijkens hun toelichting ter zitting, op dit punt onder meer vervangende schadevergoeding op te maken bij staat. Voor zover nodig geldt de dagvaarding en de akte wijziging van eis als de in artikel 6:87 BW bedoelde omzettingsverklaring. Omdat [gedaagden] de gestelde nadelige fiscale gevolgen voor [eisers] als gevolg van de doorverkoop van de onderneming door de BV aan een derde niet hebben betwist, zal de rechtbank de vordering tot vervangende schadevergoeding toewijzen.
6.21.
De omvang van de schade als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van de BV van haar lijfrenteverplichting kan momenteel niet worden vastgesteld. Het is immers nog onduidelijk wat de exacte fiscale gevolgen zullen zijn en op welk moment de Belastingdienst de verschuldigde belasting en revisierente zal heffen. De rechtbank zal daarom de begroting van deze schadevergoedingsvordering verwijzen naar de schadestaatprocedure.
Vordering III: [eisers] wordt gevrijwaard door de BV
6.22.
Ten aanzien van de gevorderde vrijwaring overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 15 van de overeenkomst is bepaald dat de BV, als koper, de verkoper, vrijwaart van alle mogelijke aanspraken van derden die verband houden met de overgenomen onderneming. Het staat vast dat de BV de FOR-verplichtingen en NOW-schuld heeft overgenomen. Voorts is hiervoor geoordeeld dat de BV aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan doordat zij de onderneming heeft doorverkocht aan een derde, waardoor de vereiste band tussen de lijfrenteverplichting en de overgenomen onderneming is verbroken en nadelige fiscale gevolgen zijn ontstaan voor [eisers] .
6.23.
Gelet op de vrijwaringsbepaling van artikel 15 van de overeenkomst ziet de rechtbank aanleiding om de BV te veroordelen [eisers] (zijnde vennoten van de VOF) te vrijwaren voor aanspraken van het UWV en de Belastingdienst die betrekking hebben op de NOW-schuld en de FOR-verplichtingen, waaronder begrepen de naheffingen, aanslagen, (boete)rente en de revisierente.
6.24.
De rechtbank ziet geen grond voor een veroordeling tot vrijwaring van [gedaagde 3] in persoon en [gedaagde 2] BV. Zij zijn geen partij bij de overeenkomst, waarin de vrijwaringsbepaling is opgenomen, en evenmin zijn er feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat op hen een vrijwaringsverplichting rust. De vrijwaringsverplichting ten aanzien van [gedaagde 3] in persoon en [gedaagde 2] BV wordt daarom afgewezen.
Vordering IV: De BV moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen.
6.25.
[eisers] maken aanspraak op een bedrag van € 1.361,81 ter zake de gemaakte kosten voor het incasseren van de openstaande geldbedragen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eisers] voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en dat het redelijk was dat daarvoor kosten zijn gemaakt. De kosten blijven onder het maximum dat volgens de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten geldt en zullen daarom worden toegewezen.
Vordering V: Er is geen belang meer bij de gevorderde verklaringen voor recht
6.26.
Ten aanzien van de gevorderde verklaringen voor recht overweegt de rechtbank als volgt. Uit de hierboven genoemde overwegingen volgt al dat er een activa-passivaovereenkomst tussen de VOF en de BV tot stand is gekomen met de inhoud zoals opgenomen in de schriftelijke overeenkomst (productie 3 bij dagvaarding). Daarmee staat onder meer in rechte vast dat de overeenkomst bestaat, wie de partijen bij deze overeenkomst zijn en welke verplichtingen er op de BV. rusten. Er is daarom geen rechtsgeldig belang meer bij deze vorderingen. [eisers] hebben dat ook onvoldoende nader toegelicht. De rechtbank zal deze vorderingen afwijzen.
Vordering VI: De rechtbank komt niet aan de beoordeling van deze vordering toe
6.27.
Ter zitting is vordering VI met [eisers] besproken. Ten grondslag aan deze vordering beroepen [eisers] zich op vernietiging van de overeenkomst met nadeelsopheffing. Deze vernietiging is volgens [eisers] “gegrond op alle wilsgebreken en in het bijzonder dwaling.” De rechtbank heeft ter zitting onder meer de vraag gesteld hoe deze vordering, die op vernietiging van de overeenkomst is gebaseerd, zich verhoudt tot de eveneens ingestelde vorderingen die juist uitgaan van de geldigheid van de overeenkomst en die zien op nakoming van de overeenkomst. [eisers] hebben ter zitting toegelicht dat deze vordering voorwaardelijk wordt ingesteld, in die zin dat deze vordering slechts aan de orde is indien de rechtbank zou oordelen dat de overeenkomst niet rechtsgeldig tot stand is gekomen.
6.28.
Omdat de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld dat tussen de VOF en BV een rechtsgeldige activa-passivaovereenkomst tot stand is gekomen met de inhoud als opgenomen in de overeenkomst van productie 3 bij dagvaarding, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze vordering.
Vordering VII: Er is geen belang (meer) bij de inzagevordering
6.29.
Ten aanzien van de onder sub a gevorderde inzage overweegt de rechtbank als volgt. Met het oog op de mondelinge behandeling heeft de rechtbank [eisers] op grond van artikel 22 Rv in de zittingsagenda verzocht om de rechtbank en eisers te informeren of de onderneming is doorverkocht aan een derde. En zo ja, aan wie, op welk moment en tegen welke prijs. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagden] vervolgens vrijwillig de koopovereenkomst tussen de BV en de derde overgelegd aan [eisers] en de rechtbank. Uit deze overeenkomst volgt dat de BV per 1 januari 2025 een activa-passivatransactie is aangegaan met [bedrijf] B.V. Ook volgt daaruit dat de koopprijs voor de goodwill € 230.000,00 bedraagt en dat de koopprijs voor de activa en passiva is vastgesteld op basis van de boekwaarde per 31 december 2024. Omdat de gevorderde koopovereenkomst is overgelegd, hebben [eisers] geen belang meer bij deze vordering. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
6.30.
Ten aanzien van de onder sub b gevorderde overweegt de rechtbank als volgt. De 2023 jaarstukken van de BV zijn al gedeponeerd bij de KvK en zijn bovendien door [eisers] zelf in het geding gebracht. Er is daarom geen belang meer bij toewijzing van de inzagevordering die ziet op de 2023 jaarstukken. Met betrekking tot de 2024 jaarstukken heeft [gedaagde 3] ter zitting de BV toegezegd deze aan [eisers] te zullen verstrekken. [eisers] hebben vervolgens aangegeven daarmee genoegen te nemen. De rechtbank gaat ervan uit de BV de 2024 jaarstukken conform toezegging aan [eisers] zal toezenden. Er is daarom evenmin op dit punt nog belang bij deze vordering. Deze vordering zal daarom ook worden afgewezen.
6.31.
Ten aanzien van de initieel onder sub c gevorderde inzage die ziet op de correspondentie gevoerd door [gedaagde 3] en de BV met het UWV over de NOW-schuld merkt de rechtbank volledigheidshalve op dat deze vordering tijdens de mondelinge behandeling is ingetrokken door [eisers]
Proceskosten: De BV betaalt de proceskosten van [eisers]
6.32.
De BV is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
153,28
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
7.486,28
6.33.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6.34.
Volledigheidshalve, hoewel de vorderingen tegen [gedaagde 3] in persoon en [gedaagde 2] BV worden afgewezen, ziet de rechtbank geen aanleiding hen een proceskostenveroordeling ten laste van [eisers] toe te kennen. [gedaagde 3] in persoon en [gedaagde 2] BV hebben namelijk geen afzonderlijk griffierecht betaald en niet is gebleken dat zij additionele proceskosten hebben gemaakt die losstaan van de kosten die de BV heeft gemaakt.
Nader in reconventie
6.35.
De vorderingen in reconventie zijn gebaseerd op de stelling dat de tussen partijen gesloten overeenkomst niet de NOW-schuld en de FOR-verplichtingen omvatten. Uit hetgeen de rechtbank in conventie heeft overwogen, volgt dat deze stelling van [gedaagden] onjuist is. Die overeenkomst bestaat wel.
6.36.
Anders dan door [gedaagden] gesteld volgt daaruit dat de door BV verrichte betalingen uit hoofde van de NOW-schuld en FOR-verplichtingen niet als onverschuldigd kunnen worden aangemerkt. De reconventionele vorderingen zijn grotendeels het spiegelbeeld van de conventionele vorderingen. Onder verwijzing naar de rechtsoverwegingen in conventie, zullen de vorderingen in reconventie daarom worden afgewezen.
6.37.
De rechtbank merkt nog op dat tijdens de procedure is onderzocht of mediation tot de mogelijkheden behoorde. Hoewel dat toen niet het geval was, hoopt de rechtbank dat het partijen lukt om (met behulp van mediation) hun (verdere) geschilpunten onderling op te lossen.
Proceskosten: [gedaagden] betaalt de proceskosten van [eisers]
6.38.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- salaris advocaat
€
1.442,50
(0,5 punt × € 2.885,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.631,50
6.39.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
7De beslissing
De rechtbank
in conventie
7.1.
veroordeelt de BV tot betaling van € 47.955,30 aan de VOF met de verplichting voor [eisers] om dit bedrag vervolgens door te betalen aan het UWV en/of de Belastingdienst ter delging van de NOW-schuld,
7.2.
veroordeelt de BV tot betaling van een vervangende schadevergoeding aan [eisers] in verband met de niet nakoming van haar FOR-verplichtingen en verwijst de begroting van deze vergoeding naar de schadestaatprocedure,
7.3.
veroordeelt de BV om [eisers] te vrijwaren voor aanspraken van het UWV en de Belastingdienst die betrekking hebben op de NOW-schuld en de FOR-verplichtingen,
7.4.
veroordeelt de BV tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten aan [eisers] van € 1.361,81,
7.5.
veroordeelt de BV in de proceskosten van [eisers] van € 7.486,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de BV niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
7.6.
veroordeelt de BV tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
7.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wat de veroordelingen in 7.1 tot en met 7.6 betreft,
7.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
7.9.
wijst de vorderingen van [gedaagden] af,
7.10.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van [eisers] van € 1.631,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
3893/3455
Vanwege de gelijkluidende achternamen is, bij wege van uitzondering, gekozen voor de voornamen.