Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12837

2026-09-23 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/10/691205 / HA ZA 24-1127
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-23
Publicatiedatum
2026-09-28
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/10/691205 / HA ZA 24-1127
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eindvonnis na deskundigenbericht. Gedaagde heeft een overeenkomst van glasbewassing onregelmatig ontbonden. Eerder is beslist dat gedaagde aansprakelijk is voor de schade die de eiser hierdoor heeft geleden. De rechtbank begroot de schade die gedaagde moet betalen overeenkomstig het deskundigenbericht op het resultaat uit de overeenkomst voor belastingen. Geen voordeeltoerekening. Geen eigen schuld. Geen aftrek voor vennootschapsbelasting.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (44.172 tekens)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM


Team handel en haven



zaaknummer / rolnummer: C/10/691205 / HA ZA 24-1127




Vonnis van 23 september 2026




in de zaak van



de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEFACO H.O.D.N. BREEDWEER FACILITAIRE DIENSTEN,
gevestigd te Heemskerk,
eiseres,
advocaat mr. B.J.H. Kesnich,



tegen



de stichting


[gedaagde]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
advocaten mr. M.B. Klijn en mr. O. de Wit.



Partijen worden hierna Breedweer en [gedaagde] genoemd.






1De zaak in het kort
In een eerder vonnis van deze rechtbank is geoordeeld dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die Breedweer heeft geleden als gevolg van de onregelmatige ontbinding van een overeenkomst voor glasbewassing en gevelreiniging. In deze procedure vordert Breedweer vergoeding van haar schade. De rechtbank heeft een deskundige benoemd om de omvang van de winst vast te stellen die Breedweer is misgelopen als gevolg van de onregelmatige ontbinding. De rechtbank volgt de begroting van de deskundige en wijst de vordering van Breedweer gedeeltelijk toe.




2De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken;
- het deskundigenbericht van [naam deskundige] van 31 maart 2026;
- de conclusie van Breedweer van 17 juni 2026;
- de conclusie van [gedaagde] van 15 juli 2026.



2.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.






3De verdere beoordeling
De omvang van de schade volgens partijen


3.1.
Het gaat in deze procedure om de omvang van de schade die Breedweer heeft geleden als gevolg van de onregelmatige ontbinding van de overeenkomst tot glasbewassing en gevelreiniging van 27 mei 2021. Om de omvang van de schade te bepalen moet de situatie vergeleken worden, waarin Breedweer zich bevindt als gevolg van de onregelmatige ontbinding met de situatie waarin Breedweer zich zou hebben bevonden, indien de overeenkomst niet onregelmatig was ontbonden.



3.2.
In het tussenvonnis van 20 augustus 2025 (rov. 5.20) heeft de rechtbank beslist dat het in die hypothetische situatie, waarin de onregelmatige ontbinding was uitgebleven, gebleven zou zijn bij de initiële contractsperiode en dat het contract niet zou zijn verlengd. Dat betekent dat uitsluitend de initiële contractsperiode, die begon op1 juli 2021 en die eindigde op 31 december 2024, bij de begroting van de schade in aanmerking wordt genomen.



3.3.
Partijen hebben, elk met verwijzing naar partijdeskundigen, uiteenlopende stellingen betrokken ten aanzien van de winst die Breedweer is misgelopen, doordat zij gedurende die initiële contractsperiode haar diensten niet (volledig) heeft kunnen leveren. Breedweer begrootte de misgelopen winst na belastingen op een bedrag van € 602.733,65. Zij heeft dit bedrag vermeerderd met € 15.000,00 aan “kostenschade en andere schadeposten” en heeft het verminderd met € 18.199,89, omdat zij voor dat bedrag diensten heeft verleend en betaald gekregen. De schade was volgens Breedweer dus € 599.533,76. [gedaagde] heeft de schade begroot op nihil. De overeenkomst was voor Breedweer verlieslatend, aldus [gedaagde] .



Het deskundigenbericht





3.4.
De rechtbank heeft [naam deskundige] gevraagd om als deskundige de volgende vragen te beantwoorden:

1. Wat is het bedrag van de omzet die besloten ligt in de overeenkomst van 27 mei 2021 met betrekking tot de initiële contractsperiode (1 juli 2021 tot en met 31 december 2024), ervan uitgaande dat Breedweer alle overeengekomen werkzaamheden daadwerkelijk zou hebben uitgevoerd tegen de overeengekomen
prijzen?
2. Wat is de brutomarge die Breedweer op die overeengekomen werkzaamheden had kunnen behalen?
3. Wat is het bedrag van de kosten die Breedweer zou hebben moeten maken om die overeengekomen werkzaamheden te kunnen uitvoeren, uitgesplitst naar:
a. Personeelskosten (benodigde uren en loonkosten);
b. Vervoerskosten;
c. Overige kosten.
4. Wat is het bedrag van de winst na belastingen die Breedweer op die overeengekomen werkzaamheden had kunnen behalen?
5. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?”



3.5.
De deskundige heeft deze vragen in een deskundigenbericht van 31 maart 2026 als volgt beantwoord:



“Vraag 1 – Omzet bij de Overeenkomst


127. Vraag: “Wat is het bedrag van de omzet die besloten ligt in de overeenkomst van 27 mei 2021 met betrekking tot de initiële contractsperiode (1 juli 2021 tot en met 31 december 2024), ervan uitgaande dat Breedweer alle overeengekomen werkzaamheden daadwerkelijk zou hebben uitgevoerd tegen de overeengekomen prijzen?”

128. Antwoord: De totale omzet die besloten ligt in de Overeenkomst is EUR 1.284.834. Tabel 8.1 hieronder geeft de splitsing van deze omzet naar de verschillende jaren weer.



Tabel 8.1 Omzet per jaar















In EUR




2021




2022




2023




2024




Totaal





Totale Omzet


115.455


660.964


242.970


265.445


1.284.834








Vraag 2 – Brutomarge


129. Vraag: “Wat is de brutomarge die Breedweer op die overeengekomen werkzaamheden had kunnen behalen?”

130. Antwoord: Zowel in het [partijdeskundige eiseres] Rapport als het [partijdeskundige gedaagde] Rapport rekenen partijen met een percentage van 4,4% voor de kostprijs verkopen. Wij hebben een percentage van 3,2% toegepast op basis van de in Hoofdstuk 4 uiteengezette toelichting. Door deze kostprijs verkopen af te trekken van de te behalen omzet ontstaat een beeld van de in de Overeenkomst besloten brutomarge.

131. Tabel 8.2 hieronder geeft deze brutomarge per jaar weer.



Tabel 8.2 Brutomarge per jaar















In EUR




2021




2022




2023




2024




Totaal





Brutomarge


111.795


640.011


235.268


257.030


1.244.104








Vraag 3 - Personeels- en overige kosten




132. Vraag: “Wat is het bedrag van de kosten die Breedweer zou hebben moeten maken om die overeengekomen werkzaamheden te kunnen uitvoeren, uitgesplitst naar:



i) Personeelskosten (benodigde uren en loonkosten);
ii) Vervoerskosten;
iii) Overige kosten.”



133. Antwoord: Tabel 8.3 hieronder geeft de toegerekende kosten per jaar weer




Tabel 8.3 Kosten toe te rekenen per jaar















Kostenpost (In EUR)




2021




2022




2023




2024




Totaal





Personeelskosten


86.971


355.125


186.089


189.777


817.961




Autokosten


11.168


44.818


23.502


25.675


105.162




Overige kosten


22.949


36.300


37.679


38.923


135.851





Totaal




121.087




436.242




247.270




254.375




1.058.975









Vraag 4 – Winst na belastingen



132. Vraag: “Wat is het bedrag van de winst na belastingen die Breedweer op die overeengekomen werkzaamheden had kunnen behalen?”

133. Antwoord: De winst na belasting die Breedweer met de Overeenkomst had kunnen behalen hebben wij in Hoofdstuk 7 berekend middels de nominale en de effectieve druk. De effectieve belastingdruk van Breedweer is gedurende de jaren van 2021 tot en met 2024 0% als gevolg van compensabele verliezen.

134. De nominale druk hebben wij vastgesteld door het hypothetische resultaat van Breedweer vast te stellen. Dit betreft het in de jaarrekening gerapporteerde fiscale resultaat plus de gederfde winst. Op basis van dit hypothetische resultaat hebben wij vastgesteld welke nominale druk er van toepassing is op basis van de geldende tarieven en fiscale grenzen.

135. Tabel 8.4 geeft de toegerekende vennootschapsbelasting per jaar weer.



Tabel 8.4 Vennootschapsbelasting op basis van het nominale tarief















Element (in EUR)




2021




2022




2023




2024




Totaal





Resultaat uit de Overeenkomst voor belasting


(9.292)


203.769


(12.002)


2.655


185.130




Vennootschapsbelasting


(1.394)


30.565


-


505


29.676





Resultaat uit Overeenkomst na belasting




(7.898)




173.203




(12.002)




2.151




155.454






(…)”



3.6.
Uit het deskundigenbericht blijkt dat aan de eisen die aan een deskundigenbericht en de manier waarop het tot stand is gekomen, is voldaan. Het kan daarom in deze zaak tot bewijs dienen.



3.7.
Breedweer heeft bij conclusie na deskundigenbericht verklaard dat zij het bedrag van € 185.130,00, dat door de deskundige is begroot als het resultaat uit de overeenkomst voor belastingen, als de vergoedbare schade aanmerkt.



3.8.

[gedaagde] heeft bij conclusie na deskundigenbericht een aantal opmerkingen en bezwaren tegen het deskundigenbericht en het standpunt van Breedweer gericht die de rechtbank hierna zal beoordelen.



Geen verkeerde productienormen





3.9.
Het resultaat uit de overeenkomst wordt overwegend bepaald door de omvang van de loonkosten die Breedweer zou hebben moeten maken om de overeenkomst uit te voeren. De deskundige heeft die loonkosten begroot door aansluiting te zoeken bij het zogenaamde Interne Calculatieblad (productie 16 van Breedweer). Daarin staan onder meer normen voor de verschillende uit te voeren werkzaamheden uitgedrukt in vierkante meters per uur (productienormen). Aan de hand van die productienormen en de te bewassen oppervlakten is te berekenen hoeveel uren Breedweer had moeten besteden en dat heeft de deskundige gedaan. De deskundige heeft vervolgens het aantal uren vermenigvuldigd met het uurloon, zoals dat daadwerkelijk gold voor de op het project in te zetten medewerkers. Op die wijze heeft de deskundige de loonkosten begroot.



3.10.

[gedaagde] is het er mee oneens dat de deskundige de productienormen uit het Interne Calculatieblad heeft gehanteerd. [gedaagde] heeft aangevoerd dat Breedweer in de onderhavige procedure wisselende standpunten heeft ingenomen over de door haar gehanteerde productienormen en dat het Interne Calculatieblad “doorspekt is met fouten”. [gedaagde] stelt ook dat haar huidige glasbewasser, [bedrijf] , desgevraagd andere, lagere productienormen realistisch vindt. Bij toepassing van die lagere productienormen zou Breedweer veel meer personeelskosten hebben moeten maken en zou haar winst aanmerkelijk lager zijn geweest, aldus [gedaagde] . [gedaagde] heeft bovendien betwijfeld of het Interne Calculatieblad wel authentiek is, in de zin dat Breedweer het daadwerkelijk heeft gebruikt bij het doen van haar aanbod in het kader van de aanbesteding.



3.11.

[gedaagde] heeft haar bezwaren tegen het gebruik van het Interne Calculatieblad ook aan de deskundige voorgelegd. Die heeft zijn keuze om aansluiting te zoeken bij het Interne Calculatieblad nader onderbouwd met twee argumenten: (i) het Interne Calculatieblad is afkomstig uit de relevante periode (“ex-ante informatie”) en (ii) het is niet duidelijk of [bedrijf] thans hetzelfde productieproces toepast als Breedweer bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen stond. De deskundige heeft opgemerkt dat Breedweer goed heeft toegelicht dat de productienormen samenhangen met het gebruikte reinigingsmiddel en dat een ander procedé tot andere productienormen leidt. Die toelichting heeft de deskundige ertoe gebracht om niet aan te sluiten bij de productienormen van [bedrijf] , omdat die mogelijk horen bij een ander procedé dan het procedé dat Breedweer wilde toepassen.



3.12.

De rechtbank oordeelt als volgt. In het tussenvonnis van 20 augustus 2025 is overwogen dat met name de ureninschatting van Breedweer en de daarmee samenhangende personeelskosten onvoldoende duidelijk waren (rov. 5.27). Dat is mede de reden geweest dat de rechtbank een deskundige heeft benoemd en ook dat Breedweer is bevolen om de onderliggende interne calculatie, die Breedweer bij de aanbesteding heeft gebruikt, in het geding te brengen. Breedweer heeft aan dat bevel voldaan door het Interne Calculatieblad in het geding te brengen. [gedaagde] heeft de authenticiteit van het Interne Calculatieblad betwijfeld, maar zij heeft de gronden voor die twijfel naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet gemaakt. Daarom verwerpt de rechtbank ook het standpunt van [gedaagde] dat Breedweer door het overleggen van het Interne Calculatieblad niet zou hebben voldaan aan het bevel dat de rechtbank Breedweer bij tussenvonnis van 20 augustus 2025 (rov. 5.28) had gegeven. Het ligt vervolgens voor de hand om bij dat Interne Calculatieblad aansluiting te zoeken, omdat het door Breedweer is gebruikt bij het aanbod dat uiteindelijk heeft geleid tot het totstandkomen van de overeenkomst. De deskundige heeft dat ook gedaan. De rechtbank volgt de deskundige in deze keuze. Dat Breedweer (of haar partijdeskundige) jaren later in de procedure ook andere gangbare productienormen heeft genoemd, is onvoldoende om het Interne Calculatieblad buiten beschouwing te laten. Dat leidt tot de slotsom dat er geen grond is om op dit punt van het deskundigenbericht af te wijken.

Geen verkeerde frequentie





3.13.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de deskundige de hoeveelheid werk en dus de omzet te hoog heeft begroot, omdat uit het onderhoudsschema, dat bij de aanbesteding is gehanteerd, volgt dat in jaren waarin geveldelen worden geconserveerd/geconditioneerd geen afzonderlijk reiniging plaats vindt. De overschatting van de omzet bedraagt hierdoor € 78.014,00 (reiniging beton/steen) en EUR 54.052,00 (reiniging metaal/kunststof) in 2022, aldus [gedaagde] .



3.14.

[gedaagde] heeft dit standpunt ook aan de deskundige voorgehouden. Die heeft de omzet niet overeenkomstig het standpunt van [gedaagde] gewijzigd. De deskundige heeft hiertoe overwogen dat [gedaagde] Breedweer had verzocht om in afwijking van het onderhoudsschema de reiniging beton/steen en metaal/kunststof zo snel mogelijk uit te voeren, zodat het onderhoudsschema op dit onderdeel niet gevolgd dient te worden. De deskundige heeft ook geconstateerd dat de partijdeskundigen [partijdeskundige eiseres] (Breedweer) en [partijdeskundige gedaagde] ( [gedaagde] ) dezelfde keuze hebben gemaakt. De rechtbank volgt hierin de deskundige en acht geen gronden aanwezig om de begrote omzet te verlagen.



De uren voor parkeren en terras





3.15.
De deskundige heeft geschat dat met het reinigen van parkeerplaats en terras 85 uren gemoeid zijn en heeft uitgaande van dat aantal uren de personeelskosten voor dit deel van de werkzaamheden begroot. [gedaagde] acht dit aantal uren niet realistisch. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat [bedrijf] 335 uur rekent.



3.16.
De rechtbank oordeelt als volgt. Ook dit bezwaar heeft [gedaagde] aan de deskundige voorgelegd en de deskundige heeft het verworpen. De deskundige heeft een eigen schatting moeten maken, omdat het Interne Calculatieblad het aantal uren voor dit onderdeel van het werk niet noemt. Het maken van die schatting was nodig om de opdracht goed te kunnen uitvoeren. Anders dan [gedaagde] betoogt, heeft de deskundige hierdoor niet “het bewijstekort van Breedweer opgevuld”. De deskundige is uitgegaan van 5.000m2 en heeft de productienorm toegepast voor het reinigen van beton en steen van 71 m2 per uur die in het Interne Calculatieblad voor vergelijkbare onderdelen van het werk is gehanteerd. Bij het uit die berekening volgend aantal uren heeft de deskundige 15 uur opgeteld voor de trappen. [gedaagde] heeft niet gesteld dat de norm onjuist is toegepast of dat de in de berekening gehanteerde uitgangspunten onjuist zijn. Zij heeft ook niet uitgelegd, hoe [bedrijf] op het veel hogere aantal van 335 uur uitkomt. De deskundige heeft [gedaagde] voorgehouden dat zij uitsluitend het aantal van 335 uur heeft genoemd, maar niet het (totaal)tarief dat [bedrijf] voor deze werkzaamheden rekent, zodat de vergelijking met wat Breedweer aanbood niet goed te maken is. De rechtbank acht de benadering van de deskundige goed verdedigbaar en ziet geen grond om van het deskundigenbericht af te wijken.



Winstderving en schade





3.17.
De deskundige heeft, in overeenstemming met de opdracht van de rechtbank, begroot wat de winst is die Breedweer heeft gederfd. [gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat het bedrag aan gederfde winst niet noodzakelijkerwijs gelijk is aan de schade die Breedweer heeft geleden. Ook de deskundige heeft hierop gewezen. Het bedrag aan gederfde winst is het bedrag dat Breedweer zou hebben gerealiseerd in het hypothetische scenario waarin [gedaagde] de overeenkomst niet had beëindigd (het “Soll-scenario”). De schade dient begroot te worden door het Soll-scenario te vergelijken met het “Ist-scenario”, het scenario dat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan (zie reeds hiervoor onder 3.1).



Geen strenge eisen aan Breedweer bij het bewijzen van het Soll-scenario





3.18.

[gedaagde] betwist de juistheid van het Soll-scenario. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de deskundige, overeenkomstig zijn opdracht, is uitgegaan van de daadwerkelijke uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden, terwijl Breedweer in werkelijkheid te maken had met “uitvoeringsperikelen”, zoals gebrek aan personeel. Breedweer zou daarom niet alle overeengekomen werkzaamheden hebben verricht en zou ook niet alle winst die in de overeenkomst besloten ligt hebben weten te realiseren. Om die reden is een korting op de toewijsbare schadevergoeding geboden, aldus [gedaagde] . Breedweer heeft aangevoerd dat dit betoog als speculatief en niet onderbouwd moet worden gepasseerd.



3.19.
De rechtbank acht een korting niet op haar plaats. Daartoe is het volgende redengevend. De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade rusten in beginsel op Breedweer. Aan Breedweer mogen in dit verband echter geen strenge eisen worden gesteld; het is immers [gedaagde] die aan Breedweer de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen over wat bij het uitvoeren van de overeenkomst zou zijn gebeurd. Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het dan ook aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt. In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft. Dat is vaste rechtspraak.



3.20.
Wat [gedaagde] heeft aangevoerd is, getoetst aan deze maatstaf, onvoldoende om tot het oordeel te komen dat Breedweer in de hypothetische situatie dat de overeenkomst in stand was gebleven, niet alle overeengekomen werkzaamheden zou hebben verricht. Er is in de procedure die tot de vonnissen van 24 mei 2023 en 13 december 2023 heeft geleid uitvoerig gedebatteerd over de vraag of Breedweer tekort was geschoten in de nakoming van de overeenkomst tot het moment van beëindiging. De rechtbank heeft niet geoordeeld dat dat het geval was. [gedaagde] heeft naar deze vonnissen verwezen en heeft haar stellingen op dit punt niet nader onderbouwd. Dat Breedweer in het hypothetische scenario de overeenkomst niet volledig had kunnen uitvoeren als gevolg van uitvoeringsperikelen – in feite dezelfde tekortkomingen die [gedaagde] eerder tevergeefs had gesteld – is daarmee ook in deze procedure onvoldoende onderbouwd.



Schadeomvang





3.21.

[gedaagde] heeft gesteld dat Breedweer in het Ist-scenario winst heeft genoten uit overeenkomsten die zij met derden is aangegaan. Die winst dient volgens [gedaagde] in aanmerking te worden genomen bij het begroten van de schade die Breedweer stelt te hebben geleden, omdat de schade door die winst is afgenomen. Hoewel denkbaar is om het betoog van [gedaagde] te beoordelen in de sleutel van artikel 6:97 BW (bepalen van de schadeomvang), merkt de rechtbank het aan als een beroep op artikel 6:100 BW en behandelt zij het hierna onder 3.22 e.v. Dat betekent dat de schade wordt begroot op een bedrag van € 185.130 voor belastingen en € 155.454 na belastingen.



Geen voordeeltoerekening





3.22.
Artikel 6:100 BW bepaalt dat als een gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel heeft opgeleverd, dat voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening moet worden gebracht voor zover dat redelijk is. De rechtbank merkt daarbij op dat uitsluitend rekening moet worden gehouden met voordelen die in voldoende causaal verband staan met de beëindiging.



3.23.
Voordelen in de vorm van besparingen zullen over het algemeen optreden voor zover direct aan de omzet toe te rekenen variabele kosten in het Ist-scenario niet gemaakt worden. De deskundige heeft opgemerkt dat hem uit de ontvangen informatie niet is gebleken dat sprake is van andere (variabele) kosten waarmee bij het begroten van de schade rekening gehouden dient te worden.



3.24.

[gedaagde] heeft in dit verband gesteld dat Breedweer vervangende omzet heeft kunnen realiseren als gevolg van de beëindiging van de overeenkomst. De medewerkers die bij [gedaagde] ingezet zouden worden, zijn voor andere werkzaamheden beschikbaar gekomen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat algemeen bekend is dat sprake is van een “krappe arbeidsmarkt” en zij heeft cijfers van het UWV overgelegd, waaruit volgt dat in het vierde kwartaal van 2022 zes op de tien schoonmaakbedrijven een belemmering in hun activiteiten ondervonden als gevolg van een tekort aan personeel. De resultaten uit de werkzaamheden voor andere klanten moet als een voordeel op de schade in mindering worden gebracht. Als dat niet gebeurt, wordt Breedweer in een betere positie gebracht dan zonder de tekortkoming van [gedaagde] , aldus [gedaagde] .



3.25.
Breedweer heeft betwist dat de algemene cijfers van het UWV op haar van toepassing zijn. Zij heeft geen gebrek gehad aan personeel. Breedweer bestrijdt dat de resultaten die zij heeft behaald uit opdrachten voor andere klanten als voordeel in mindering moeten strekken op de schade.



3.26.
De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de analyse van de eigen deskundige van [gedaagde] , [partijdeskundige gedaagde] , volgt dat de omzet van Breedweer tussen 2019 en 2023 is gegroeid van € 5,8 miljoen naar € 17,1 miljoen. Dat wijst erop, zoals [partijdeskundige gedaagde] opmerkt, dat Breedweer groei heeft weten te realiseren ondanks de krapte op de arbeidsmarkt. [partijdeskundige gedaagde] merkt ook op dat de omzet die Breedweer bij [gedaagde] had kunnen behalen op de totale omzet “te verwaarlozen is”. Dat maakt onaannemelijk dat voldoende causaal verband bestaat tussen de omzet (en het daaruit voortvloeiende resultaat) die Breedweer elders heeft kunnen behalen en de beëindiging van de overeenkomst met [gedaagde] . Met andere woorden: [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat dat Breedweer dat resultaat niet evengoed had kunnen realiseren naast het resultaat dat Breedweer uit de overeenkomst met [gedaagde] zou hebben gerealiseerd. Het is geen voordeel dat in het vereiste sine qua non-verband staat tot de tekortkoming van [gedaagde] . Er is dan ook geen grond om de winst uit overeenkomsten met derden als voordeel op de schade in mindering te brengen.



3.27.
De deskundige heeft tenslotte opgemerkt dat hem is gebleken dat [gedaagde] in weerwil van de beëindiging een bedrag van € 18.200,00 op facturen van Breedweer heeft betaald voor werkzaamheden in de periode juli 2021 tot februari 2022, dus tijdens de initiële contractsperiode. [gedaagde] heeft aangevoerd dat ook dat bedrag een voordeel is dat in mindering strekt op de schade. Breedweer heeft daar tegenin gebracht dat het gefactureerde bedrag omzet betreft en dat hooguit de winstcomponent in het bedrag als voordeel in mindering kan strekken. Breedweer heeft gesteld dat de winstcomponent als gevolg van aanloopkosten “verwaarloosbaar tot negatief” was. [gedaagde] heeft dat niet weersproken, zodat de rechtbank geen grond aanwezig acht om enig deel van het gefactureerde bedrag als voordeel in mindering te brengen op de door [gedaagde] te vergoeden schade.



Geen eigen schuld





3.28.

[gedaagde] heeft gesteld dat voor zover Breedweer geen vervangende omzet heeft gerealiseerd, zij dat had behoren te doen. In de krappe arbeidsmarkt was het niet nodig geweest om de medewerkers die bij [gedaagde] zouden worden ingezet doelloos op de bank te laten zitten. Dat is grond om de vergoedingsplicht van [gedaagde] te verminderen, aldus [gedaagde] .



3.29.
De rechtbank passeert dit verweer. In hetgeen hiervoor onder 3.26 is overwogen ligt besloten dat Breedweer de medewerkers die bij [gedaagde] zouden worden ingezet, niet doelloos op de bank heeft laten zitten, maar heeft ingezet op werkzaamheden voor derden. Breedweer heeft de schade dus niet onnodig laten oplopen.



Geen aftrek voor vennootschapsbelasting





3.30.
De deskundige heeft er – samengevat - op gewezen dat het minder voor de hand ligt om de schade te begroten op een bedrag na vennootschapsbelasting, omdat ook de door [gedaagde] te betalen schadevergoeding bij Breedweer met vennootschapsbelasting is belast. Indien Breedweer een schadevergoeding zou ontvangen waarop de vennootschapsbelasting reeds in mindering is gebracht, wordt Breedweer niet in de positie gebracht waarin zij zonder de beëindiging van de overeenkomst met [gedaagde] zou hebben verkeerd en komt zij dus tekort, aldus de deskundige.



3.31.
Breedweer heeft het standpunt van de deskundige overgenomen. Zij neemt in zoverre afstand van de schadebegroting van haar eigen deskundige [partijdeskundige eiseres] , die in haar rapport de schade had begroot onder aftrek van vennootschapsbelasting. Breedweer heeft samengevat gesteld dat het bedrag dat zij als schadevergoeding van [gedaagde] ontvangt als winst belastbaar is, zodat zij per saldo geen belastingvoordeel geniet.



3.32.

[gedaagde] heeft tegen de nieuwe stelling van Breedweer bezwaar gemaakt. [gedaagde] heeft aangevoerd, dat de deskundige slechts een beginsel of hoofdregel van schadebegroting heeft willen signaleren, dat de deskundige hiermee buiten de opdracht is getreden, dat Breedweer tardief tegenstrijdige stellingen betrekt over de belastingdruk in het Ist- en het Soll-scenario, die niet te rijmen zijn met het standpunt van [partijdeskundige eiseres] , en tenslotte, dat Breedweer ten onrechte uit het deskundigenbericht afleidt dat de schadevergoeding een component bevat die niet met vennootschapsbelasting is belast. Op deze gronden is de wijziging van standpunt in strijd met de goede procesorde, aldus [gedaagde] .



3.33.
De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] onderschrijft dat Breedweer in het Soll-scenario over het behaalde resultaat vennootschapsbelasting zou hebben moeten betalen. [gedaagde] bestrijdt ook niet het oordeel van de deskundige, dat uitgaande van een resultaat van € 185.130,00 in het Soll-scenario Breedweer een bedrag van € 29.676,00 aan vennootschapsbelasting zou hebben moeten betalen, waarna € 155.454,00 zou zijn overgebleven. De stelling van Breedweer dat het bedrag dat zij in het Ist-scenario als schadevergoeding van [gedaagde] ontvangt (ook) als winst belastbaar is, heeft [gedaagde] niet betwist. Daarmee staat bij deze uitgangspunten vast dat voor zover de vergoedbare schade wordt vastgesteld op € 185.130,00 Breedweer in fiscale zin in de vermogenspositie wordt gebracht waarin zij zou hebben verkeerd, indien de overeenkomst niet door [gedaagde] was beëindigd.



3.34.
Waar het debat nog om gaat, is of Breedweer haar eerdere standpunt mocht herzien. Dat is, anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd, niet in strijd met de goede procesorde. Breedweer is door de opmerkingen van de deskundige in het deskundigenbericht tot het inzicht gekomen dat zij (en [partijdeskundige eiseres] ) ten onrechte is uitgegaan van een besparing aan vennootschapsbelasting in het Ist-scenario. In haar conclusie na deskundigenbericht heeft Breedweer haar positie herzien. In feite heeft Breedweer het Ist-scenario uitgebreid tot en met het moment dat de schadevergoeding van [gedaagde] zal zijn ontvangen. [gedaagde] heeft op die gewijzigde positie in haar conclusie na deskundigenbericht kunnen reageren en zij heeft dat ook gedaan. Aan artikel 19 Rv is daarom voldaan.



3.35.
Het is ook niet zo dat de deskundige buiten zijn opdracht is getreden. De rechtbank heeft hem – met instemming van partijen – de vraag voorgelegd of er nog andere punten zijn waarvan de rechter kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling. De – op zich dus niet inhoudelijk door [gedaagde] bestreden - observatie dat Breedweer bij het toekennen van een schadevergoeding, waarop de vennootschapsbelasting al in mindering is gebracht, te kort komt, is zo’n punt. De schade wordt uiteindelijk begroot door de rechter op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. De rechter heeft daarbij een aanzienlijke mate van vrijheid. Die vrijheid brengt in dit geval mee dat de schade zonder aftrek van vennootschapsbelasting wordt begroot. De rechtbank zal de vergoedbare schade daarom begroten op een bedrag van € 185.130,00 en [gedaagde] veroordelen dat bedrag in hoofdsom aan Breedweer te voldoen.



Kapitaliseren van de schade en wettelijke rente





3.36.
Breedweer vordert dat de schadevergoeding die [gedaagde] haar zal moeten betalen wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2023, omdat [gedaagde] vanaf die datum in verzuim was met het betalen van schadevergoeding. Breedweer heeft het midden van de initiële contractperiode gekozen als datum waarop de schade geacht moet worden te zijn geleden. [gedaagde] heeft verklaard dat zij in beginsel geen bezwaar heeft tegen het hanteren van deze peildatum (CvA, 5.1.3). [gedaagde] heeft wel aangevoerd dat de vertraging in de betaling niet aan haar is toe te rekenen. Zij heeft gesteld dat Breedweer talmde met een deugdelijke schadebegroting en ook in deze procedure geen deugdelijke begroting heeft overgelegd, zodat [gedaagde] niet kon betalen. Om die reden dient de rentevordering te worden afgewezen, althans te worden gematigd, aldus [gedaagde] .



3.37.
De vrijheid die de rechter heeft op grond van artikel 6:97 BW omvat ook de vrijheid om de schade te kapitaliseren naar een bedrag ineens naar een peildatum die voor de uitspraak kan liggen. Het midden van de initiële contractperiode is een aanvaardbare peildatum, waartegen ook [gedaagde] geen bezwaar heeft. De rechtbank begroot de schade daarom op € 185.130,00 per 1 oktober 2023.



3.38.
De wettelijke rente is vanaf die datum toewijsbaar, omdat Breedweer dat vordert en [gedaagde] daartegen in beginsel geen bezwaar heeft. Het beroep van [gedaagde] op overmacht en matiging faalt. Dat Breedweer op 1 oktober 2023, de datum waarop de schade geacht wordt te zijn ingetreden, nog geen concrete schadebegroting aan [gedaagde] heeft voorgelegd, brengt niet mee dat de vertragingsschade niet aan [gedaagde] toerekenbaar is. De wettelijke rente is een gefixeerde vergoeding voor vertragingsschade die doorgaans en ook in dit geval pas begroot kan worden indien de hoofdsom en de verzuimdatum vast staan. [gedaagde] heeft zich bovendien consequent op het standpunt gesteld dat zij niet schadeplichtig was, zodat zij niet kan volhouden dat zij zonder vertraging zou hebben betaald, indien Breedweer haar op 1 oktober 2023 een concreet schadebedrag had voorgehouden. Daarop stranden zowel het beroep op overmacht als het beroep op matiging, dat naar vaste rechtspraak ten aanzien van de wettelijke rente terughoudend gebruikt moet worden.



Partijen dienen ieder de helft van het deskundigenbericht te betalen





3.39.
Breedweer en [gedaagde] dienen ieder de helft van de kosten van het deskundigenbericht te betalen. Weliswaar wordt [gedaagde] overwegend in het ongelijk gesteld, maar de noodzaak van het deskundigenbericht was mede ingegeven door de onduidelijkheid die Breedweer heeft laten bestaan over de kosten die zij bij de uitvoering van de overeenkomst zou hebben moeten maken (vonnis van 20 augustus 2025, rov. 5.27 en 5.28). De kosten van het deskundigenbericht bedragen volgens de eindfactuur van de deskundige € 41.140,00. Breedweer heeft een voorschot betaald van € 41.400,00, waarvan € 260,00 zal worden terugbetaald. [gedaagde] zal worden veroordeeld om de helft van wat Breedweer aan de deskundige zal hebben betaald, dus € 20.570,00, aan Breedweer te betalen.




[gedaagde] moet buitengerechtelijke incassokosten betalen





3.40.

Breedweer vordert buitengerechtelijke incassokosten overeenkomstig
het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] heeft verklaard daartegen geen bezwaar te hebben, met dien verstande dat Breedweer geen vergoeding toekomt, omdat zij geen vordering op [gedaagde] heeft. Daarover oordeelt de rechtbank anders en zij zal de buitengerechtelijke incassokosten volgens het Besluit toewijzen uitgaande van het bedrag van de veroordeling in hoofdsom. De vergoeding bedraagt € 2.626,30.





[gedaagde] moet de proceskosten betalen





3.41.

[gedaagde] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief de nakosten) betalen. De proceskosten van Breedweer worden begroot op:










- dagvaarding


€


115,22







- griffierecht


€


6.617,00







- salaris advocaat


€


7.178,50


3,5 punt x tarief V




- nakosten


€


189,00


plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing





Totaal




€




14.099,72












3.42.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



Uitvoerbaar bij voorraad





3.43.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Breedweer dat vordert en [gedaagde] daartegen geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd.






4De beslissing
De rechtbank


4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Breedweer te betalen € 185.130,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 1 oktober 2023 tot de dag dat is betaald,



4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Breedweer te betalen € 20.570,00 voor het deskundigenbericht,



4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Breedweer te betalen € 2.626,30 aan buitengerechtelijke incassokosten,



4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 14.099,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 98,00 extra betalen plus de kosten van betekening,



4.5.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,



4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.





Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.
[3669/ 106]




Zie bijvoorbeeld HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:568.


Randnummer 15 Conclusie na deskundigenbericht van Breedweer.