Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12791

2026-08-28 Civiel recht; Personen- en familierecht C/10/712678 / FA RK 25-10024
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-08-28
Publicatiedatum
2026-09-28
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
C/10/712678 / FA RK 25-10024
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking. Beschikking nadat eerder in de procedure een bijzondere curator is benoemd vanwege contactverlies. Gezamenlijk gezag toegewezen. Zorgregeling: verwijzing naar mediation voor definitieve zorgregeling, met overeenstemming over voorlopige regeling voor contactherstel in de zomervakantie. Kinderalimentatie: geen verweer tegen de verzochte hoogte van de kinderalimentatie, rechtbank stelt een ingangsdatum vast.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (18.273 tekens)
Rechtbank Rotterdam


Team familie



Zaaknummer / rekestnummer: C/10/712678 / FA RK 25-10024





Beschikking van 28 augustus 2026 over het ouderlijk gezag, de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de onderhoudsbijdrage




in de zaak van:





[naam man]
, hierna: de man,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. W.F. van Arkel te Rotterdam,



t e g e n





[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam.



De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

mr. J.A. van Gemeren, in hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarigen.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de beschikking van 20 maart 2026;


het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 7 juli 2026;


het verslag van de bijzondere curator van 7 juli 2026;


de berichten met bijlagen van de man van 2 juli 2026 en 8 juli 2026.





1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 10 juli 2026. Daarbij zijn verschenen:


de man, bijgestaan door zijn advocaat;


de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;


de bijzondere curator;


de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .





1.3
De minderjarigen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben hier geen gebruik van gemaakt.






2De vaststaande feiten


2.1

Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats] ;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2014 te [geboorteplaats] ;

[minderjarige 3] ; geboren op [geboortedag 3] 2017 te [geboorteplaats] .




2.2
De man heeft de minderjarigen erkend.



2.3
De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over de minderjarigen.






3De beoordeling


3.1
Bij beschikking van 20 maart 2026 heeft de rechtbank op grond van artikel 1:250 BW mr. J.A. van Gemeren, advocaat te Rotterdam, benoemd tot bijzondere curator over de minderjarigen, omdat in deze zaak sprake is van contactverlies tussen de man en de minderjarigen, zodat de rechtbank het van belang acht dat de stem van de minderjarigen zo vroeg mogelijk in de procedure wordt verkregen. De bijzondere curator heeft op 7 juli 2026 verslag gedaan van haar bevindingen.



3.2

Gezag



3.2.1
De man verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarigen aan partijen gezamenlijk toekomt.



3.2.2
De vrouw voert gemotiveerd verweer.



3.2.3

Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.
Als de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen als (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.




3.2.4
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders als de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.



3.2.5
De bezwaren van de vrouw tegen het gezamenlijk gezag zijn met name gericht op het ontbreken van een goede, constructieve communicatie tussen partijen. Dit is onvoldoende reden om af te wijken van het uitgangspunt dat het ouderlijk gezag door beide ouders wordt uitgeoefend. De vrouw heeft bovendien tijdens de mondelinge behandeling meerdere malen aangegeven dat zij juist een goede communicatie verwacht en wenst. Het is aan partijen zelf om daar aan te werken. De vrouw is daarnaast bang dat de man gezagsbeslissingen zal frustreren. Deze angst heeft zij echter niet nader geconcretiseerd. Nergens is uit gebleken dat partijen in het verleden niet samen beslissingen hebben kunnen nemen over de kinderen toen zij als gezin samenleefden. Ook in de door de vrouw geuite zorgen over de veiligheid van de minderjarigen ziet de rechtbank geen contra-indicaties voor het toewijzen van het gezamenlijk gezag. De vrouw heeft namelijk geen duidelijkheid gegeven over waar deze zorgen concreet op zien, anders dan dat de vrouw het idee heeft dat de man dingen achter haar rug om doet waar zij een groot onveiligheidsgevoel aan overhoudt. De rechtbank ziet in hetgeen partijen naar voren hebben gebracht onvoldoende aanleiding om te concluderen dat bij toewijzing van het gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarigen klem of verloren raken tussen de ouders, of dat afwijzing van het verzoek anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is. Ook de raad ziet geen contra-indicaties voor het gezamenlijk gezag. De rechtbank acht het gezamenlijk gezag ook passend bij de situatie dat de minderjarigen hem kennen als hun vader en hij lange tijd deel uit heeft gemaakt van het dagelijks leven van de minderjarigen, waarin hij samen met de vrouw voor hen heeft gezorgd. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook toewijzen en hem samen met de vrouw belasten met het gezamenlijk ouderlijk gezag.




3.3

Zorgregeling



3.3.1
De man verzoekt een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling)) vast te stellen als volgt:


de minderjarigen verblijven week-op-week afwisselend bij de man en bij de vrouw;


de wissel vindt plaats op zondag om 17:00 uur waarbij de ouder waar de minderjarigen waren hen naar de andere ouder brengt.


De man verzoekt daarnaast de volgende regeling voor de vakanties vast te stellen:
- zomervakantie (zes weken):

o in de oneven jaren de eerste drie aaneengesloten weken bij de vrouw en de tweede drie aaneengesloten weken bij de man;
o in de even jaren de eerste drie aaneengesloten weken bij de man en de tweede drie aaneengesloten weken bij de vrouw;
o de overdracht vindt plaats op zondag om 17:00 uur na drie weken;

- herfstvakantie (één week):
o in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man;
- kerstvakantie (twee weken):

o in de even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw;
o in de oneven jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man;
o de overdracht vindt plaats op zondag om 17:00 uur in het midden van de vakantie;

- voorjaarsvakantie (één week):
o in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;
- meivakantie (één of twee weken):

o indien moederdag in de meivakantie valt: in de week van moederdag bij de vrouw en de andere week bij de man;
o indien moederdag niet in de meivakantie valt: in de even jaren de eerste helft bij de vrouw en de tweede helft bij de man, en in de oneven jaren andersom.

- De vakantieregeling prevaleert boven de reguliere regeling.
De man verzoekt vaststelling van de volgende regeling voor de feestdagen:


Op moederdag verblijven de minderjarigen het gehele weekend bij de vrouw;


Op vaderdag verblijven de minderjarigen het gehele weekend bij de man.





3.3.2
De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek een zorgregeling vast te stellen als volgt:


De minderjarigen verblijven om het weekend bij de man, van vrijdag na school tot maandag naar school;


Wisseling vindt plaats op school (de ene ouder brengt, de andere haalt op)


De reguliere zorgregeling loopt door in de vakanties;


Het weekend van Moederdag verblijven de minderjarigen bij de moeder, het weekend van Vaderdag verblijven de minderjarigen het weekend bij de vader, eventueel meteen wissel van het voorafgaande weekend of het weekend na het betreffende weekend zodat wordt voorkomen dat de minderjarigen twee weekenden achtereen bij dezelfde ouder verblijven.





3.3.3
Op grond van artikel 1:253a BW, voor zover hier van belang, kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een zorgregeling vaststellen.



3.3.4
Tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over de huidige situatie waarin de man al een tijd geen structureel contact heeft gehad met de minderjarigen. Als hij ze heeft gezien, zijn dit vluchtige momenten geweest. De man wenst het contact zo snel mogelijk te herstellen. Hoewel er veel is gebeurd tussen partijen en de vrouw daar de nodige zorgen aan over heeft gehouden, heeft zij tijdens de mondelinge behandeling ook toegelicht dat er inmiddels meer rust is gekomen door het tijdsverloop en dat de minderjarigen een vader verdienen. Zij staat open voor herstel van het contact. De raad heeft geadviseerd het contact tussen de man en de minderjarigen zo snel mogelijk te herstellen. Dit is ook wat de minderjarigen zelf willen. Uit het verslag van de bijzondere curator blijkt vooral dat alle drie de minderjarigen graag contact willen met allebei hun ouders, zonder dat zij last hebben van de problemen tussen hun ouders onderling. Partijen zijn het tot op heden niet eens kunnen worden over hoe de zorgregeling er uit moet komen te zien, maar zijn tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen een mediationtraject in te gaan. Doel van het mediationtraject is overeenstemming bereiken over de zorgregeling en daarnaast hun onderlinge communicatie te verbeteren, zodat zij goed kunnen gaan samenwerken als ouders van de minderjarigen. De rechtbank zal in afwachting van het resultaat van het mediationtraject de beslissing op dit punt aanhouden.



3.3.5
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt over hoe zij tijdens de zomervakantie het contact tussen de man en de minderjarigen gaan herstellen. De rechtbank neemt deze afspraken tussen partijen op in deze beschikking als voorlopige zorgregeling. Partijen hebben daarbij afgesproken dat zij bij de uitvoering daarvan zullen luisteren naar de wensen van de minderjarigen en hun ook voor zover mogelijk tegemoet zullen komen in die wensen.




3.4

Onderhoudsbijdrage



3.4.1
De vrouw verzoekt bij zelfstandig verzoek een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 250,- per maand per kind vast te stellen met ingang van 16 oktober 2025.



3.4.2
De man voert gemotiveerd verweer tegen de door de vrouw verzochte ingangsdatum. De man verweert zich niet tegen het verzoek om een kinderbijdrage vast te stellen en verweert zich niet tegen het door de vrouw verzochte bedrag van € 250,- per maand per kind.



3.4.3
Op grond van artikel 1:404 BW zijn ouders verplicht naar draagkracht bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Komt een ouder die verplichting niet of niet behoorlijk na, dan kan de andere ouder op grond van artikel 1:406 BW de rechtbank verzoeken het bedrag te bepalen dat deze ouder ten behoeve van de minderjarige zal moeten voldoen.



3.4.4

Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden vastgesteld. De vrouw wenst een ingangsdatum van 16 oktober 2026 omdat de man volgens de vrouw vanaf dat moment niet meer heeft bijgedragen voor de minderjarigen. De man stelt dat hij tot dat moment heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding waar hij tot dat moment zelf ook nog woonde, maar dat hij sinds hij vanaf dat moment de echtelijke woning heeft verlaten, geen financiële ruimte had om een alimentatie te betalen. De vrouw heeft volgens de man tot haar zelfstandig verzoek ook nooit om een bijdrage gevraagd. De man wenst de datum van de beschikking vast te stellen als ingangsdatum.
Het zelfstandig verzoek is op 7 juli 2026 bij de rechtbank ingediend, zodat de man vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een eventuele vaststelling van de kinderbijdrage. Daarom zal de rechtbank deze datum als ingangsdatum vaststellen.




3.4.5
De rechtbank beslist voor het overige volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond.



3.4.6
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.




3.5

Proceskosten



3.5.1
Omdat ten aanzien van de zorgregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.







4De beslissing


De rechtbank:



4.1
wijzigt het ouderlijk gezag over de minderjarigen in die zin, dat de man en de vrouw dit gezag over de minderjarigen vanaf de datum van deze beschikking gezamenlijk uitoefenen;



4.2
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;



4.3
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de voorlopige zorgregeling hebben getroffen, in die zin dat de man en de minderjarigen elkaar in de zomervakantie zullen zien op de volgende momenten:


woensdag 15 juli 2026 uit school tot 19:30 uur;


van vrijdag 7 tot vrijdag 14 augustus 2026, waarbij partijen de minderjarigen de mogelijkheid geven om eventueel langer bij de man te blijven als zij dat zelf willen;





4.4
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 7 juli 2026, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 250,- per maand per kind;



4.5
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



en voordat verder wordt beslist:





4.6
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt aangehouden tot 1 november 2026 PRO FORMA, met verzoek aan de advocaten van partijen uiterlijk twee weken vóór laatstgenoemde datum schriftelijk aan de rechtbank te berichten over de resultaten van de mediation en daarbij tevens gemotiveerd aan te geven op welke manier volgens partijen moet worden voort geprocedeerd.










Deze beschikking is gegeven door mr. L.E.D. Tjeertes, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L.C.M. van Gils, griffier, op 28 augustus 2026.













































Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.