Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12786
2026-08-28
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/10/722714 / FA RK 26-5447
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Artikel 824 Rv. Rechtbank wijzigt voorlopige zorgregeling niet, want geen gewijzigde omstandigheden. Rechtbank verbindt dwangsom aan eerder vastgestelde regeling.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9908 Rechtbank Den Haag 20-03-2026
- ECLI:NL:RBDOR:2012:BW7377 Rechtbank Dordrecht 18-04-2012
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (17.385 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/722714 / FA RK 26-5447
Beschikking van 28 augustus 2026 over wijziging voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A. Aksü te Rotterdam,
t e g e n
[naam man]
, hierna: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A. Harent te Dordrecht.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 6 juli 2026;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen op 13 augustus 2026.
Buiten de toegestane termijn zijn de volgende stukken overgelegd:
de berichten met bijlagen van de man van 18 augustus 2026;
het bericht met bijlage van de vrouw van 19 augustus 2026.
Beide partijen hebben over en weer geen bezwaar gemaakt tegen toelating van deze stukken, zodat de rechtbank de stukken zal toevoegen aan het procesdossier.
1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
1.3
De oudste minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft haar mening schriftelijk kenbaar gemaakt.
2De vaststaande feiten
2.1
Partijen zijn op 20 augustus 2021 met elkaar gehuwd.
2.2
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] .
2.3
De vrouw heeft inmiddels een verzoek tot echtscheiding gedaan, bekend onder zaak- en rekestnummer C/10/722022 / FA RK 26-5071.
2.4
Bij de beschikking van deze rechtbank van 27 mei 2026 is, voor zover relevant, bepaald dat de minderjarigen aan de vrouw worden toevertrouwd en een weekend per veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 19.00 uur bij de man verblijven.
3De beoordeling
3.1
Zorgregeling
3.1.1
De vrouw verzoekt wijziging van de door de rechtbank in het kader van voorlopige voorzieningen tussen partijen gegeven beschikking van 27 mei 2026 ten aanzien van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, hierna te noemen: de zorgregeling, in die zin dat de zorgregeling met onmiddellijke ingang wordt geschorst totdat nader onderzoek naar de veiligheid van de minderjarigen bij de man heeft plaatsgevonden en totdat de rechtbank in de hoofdzaak of bij andere voorlopige voorziening anders heeft beslist. Daarnaast verzoekt de vrouw:
te bepalen dat de man de minderjarigen niet van school, opvang, woning of elders mag ophalen of meenemen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de vrouw dan wel rechterlijke beslissing;
de raad voor de kinderbescherming te verzoeken ter zitting te verschijnen, althans haar te verzoeken met spoed advies uit te brengen over de veiligheid van de minderjarigen en de voorwaarden waaronder contact tussen de man en de minderjarigen verantwoord kan plaatsvinden;
bij wijze van onmiddellijke ordemaatregel de in de beschikking van 27 mei 2026 bepaalde zorgregeling te schorsen totdat op dit verzoek is beslist.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat desgevraagd bevestigd dat namens de vrouw verzocht wordt de eerdere beschikking voorlopige voorzieningen te wijzigen en te bepalen dat het de man tijdelijk is verboden om contact te hebben met de minderjarigen, althans uitsluitend onder begeleiding en zonder overnachting waarbij de rechtbank zo nodig aan de raad kan vragen om onderzoek te doen en advies uit te brengen.
3.1.2
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek de vrouw te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling zoals opgenomen in voornoemde beschikking van 27 mei 2026, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat de zorgregeling niet wordt nagekomen.
3.1.3
Op grond van artikel 824 lid 2 Rv kan een beschikking houdende voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 822 Rv, op verzoek van de echtgenoten of van één van hen door de rechtbank worden gewijzigd of ingetrokken, indien de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van die beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven.
3.1.4
De procedure tot het treffen en wijzigen van een voorlopige voorziening is bedoeld om een ordemaatregel te treffen. In verband met dit bijzondere karakter heeft de wetgever bepaald dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden een eerder getroffen voorlopige voorziening kan worden gewijzigd. Daarmee wordt onder meer voorkomen dat sprake is van een verkapt hoger beroep. De wetgever heeft met het opnemen van de zinsneden “in zodanige mate” en “alle betrokken belangen in aanmerking genomen” tot uitdrukking gebracht dat niet iedere wijziging in omstandigheden en niet iedere onjuistheid of onvolledigheid van gegevens waarvan de rechtbank is uitgegaan, tot een wijziging of intrekking kan leiden.
3.1.5
De vrouw stelt dat de omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van de beschikking van 27 mei 2026 zijn gewijzigd. Zij stelt dat er na de beschikking van 27 mei 2026 stukken van ASVZ van 23 juni 2026 en de huisarts van 30 juni 2026 beschikbaar zijn gekomen, waardoor de door de vrouw geuite zorgen over de man, althans over de veiligheid van de minderjarigen bij de man, niet meer uitsluitend berusten op haar eigen verklaringen of van haar netwerk maar inmiddels ook zijn vastgelegd door professioneel betrokkenen. De man heeft betwist dat er een wijziging dient te komen in de reeds vastgestelde zorgregeling. Hij heeft een verklaring per e-mail overgelegd van de leidinggevende van de medewerker van ASVZ die de eerdere verklaring van 23 juni 2026 heeft afgelegd. Uit die mail van 12 augustus 2026 blijkt volgens de man dat de leidinggevende heeft verklaard dat wat door de vrouw is overgelegd uit de zorgcontext is gehaald en geen verklaring is. Uit de uitdraai van de huisarts blijkt dat de huisarts na een gesprek met de man geen Veilig Thuis melding gaat doen. Op 19 augustus 2026, in de ochtend voorafgaand aan de mondelinge behandeling, zijn aanvullend rapportages van ASVZ van 29 juni, 2 juli, 7 juli en 9 juli 2026 door de vrouw overgelegd. De man heeft alle beschuldigingen betwist.
3.1.6
De rechtbank is van oordeel dat door de vrouw geen gewijzigde omstandigheden zijn gesteld die maken dat de getroffen voorziening niet in stand kan blijven. In de beschikking van de rechtbank van 27 mei 2026 staat over de zorgregeling: ‘De vrouw uit zorgen over de veiligheid van de minderjarigen bij de man. Duidelijk is er dat er al lange tijd hulpverlening bij het gezin betrokken is van onder andere ‘Sterk Papendrecht’ en dat de betrokken hulpverlenende instanties tot nu toe niet aan de bel hebben getrokken over een mogelijke zorgelijke situatie bij de man of bij de vrouw. De zorgen van de vrouw worden dus niet ondersteund door (stukken van) de hulpverlenende instanties. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad wel geconstateerd dat sprake is van een zorgelijke situatie, waarin de minderjarigen wisselende uitspraken doen over het contact met de man, maar kennelijk ziet de hulpverlening deze uitspraken niet als dermate ernstig dat daarop maatregelen zijn getroffen. Op 23 april 2026 hebben partijen, beide afzonderlijk, met de betrokken hulpverlening een beschermingsgesprek gevoerd. De raad zag op dat moment geen reden voor een onderzoek. De rechtbank ziet dan ook geen belemmeringen om een zorgregeling tussen de man en de minderjarigen vast te leggen. De man heeft toegelicht dat hij mogelijk terecht kan bij zijn zusje of moeder als hij de woning moet verlaten, zodat hij de minderjarigen daar kan zien. Hoewel de rechtbank geen aanleiding heeft te bepalen dat de contacten onder begeleiding van een derde moeten plaatsvinden, betekent dit dat in ieder geval in de eerste periode dat de man geen ander alternatief heeft gevonden een derde betrokken zal zijn doordat de man nu eenmaal bij iemand in huis verblijft. De rechtbank gaat ervan uit dat die periode kan bijdragen aan het herstel van het vertrouwen van de vrouw in de man en zo de zorgen die de vrouw heeft weggenomen kunnen worden.’
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de zorgen van de vrouw inmiddels worden ondersteund door (stukken van) de hulpverlenende instanties. Weliswaar heeft de vrouw stukken van ASVZ en de huisarts overgelegd, maar de rechtbank kan, mede op basis van de onderbouwde betwisting door de man, hieraan niet de conclusie verbinden die de vrouw hieraan verbindt. Uit de stukken blijkt niet dat professionals verklaren dat de minderjarigen niet veilig zijn bij de man, het betreft weergaven van wat er is gezegd, onder andere door de minderjarigen zelf. Uit het verweer van de man blijkt bovendien dat er op 20 juli 2026 een tweede gesprek bij de beschermingstafel heeft plaatsgevonden. Besproken is dat het wenselijk is dat er op korte termijn weer wordt gestart met de bezoeken aan de man en zijn er afspraken gemaakt over de nadere invulling van deze contactmomenten. De raad heeft volgens de man opnieuw beslist dat er geen raadsonderzoek zal worden gestart. Dit is tijdens de mondelinge behandeling door de raad bevestigd. Daar is het volgens de raad te vroeg voor. Het advies van de raad luidt om het verzoek van de vrouw af te wijzen omdat er heel recent veiligheidsafspraken zijn gemaakt. Ook op basis van deze informatie kan de rechtbank niet vaststellen dat de zorgen van de vrouw over de man, althans over de veiligheid van de minderjarigen bij de man, worden gedeeld of ondersteund door de hulpverlenende instanties. Feitelijk is er dus, ten opzichte van de situatie ten tijde van de eerdere beschikking, niets gewijzigd zoals door de vrouw gesteld. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank niet aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de vrouw toekomt. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.
3.1.7
Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen bij de beschermingstafel veiligheidsafspraken hebben gemaakt, op schrift gesteld op 22 juli 2026. De afspraken zien op het ophalen en wegbrengen tijdens het eerste weekend maar ook op het moment dat de minderjarigen bij de man zijn. Namens de vrouw is naar voren gebracht dat het de vraag is of de man gaat meewerken en dat er ook geen zicht is op de uitvoering. Namens de man is aangegeven dat hij ermee akkoord kan gaan dat de beschikking van 27 mei 2026 wordt aangevuld met de veiligheidsafspraak dat de man niet alleen is met de minderjarigen, dat oma of tante daar altijd bij is (vierogen principe). Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegezegd zich aan de veiligheidsafspraken te houden. Ten overvloede drukt de rechtbank partijen op het hart deze afspraken na te leven, in het belang van de minderjarigen en het onderlinge vertrouwen.
Nakoming en dwangsom
3.1.8
Het verzoek van de man tot nakoming van de beschikking van 27 mei 2026 is geen voorlopige voorziening in de zin van artikel 822 Rv, zodat de rechtbank de man niet-ontvankelijk zal verklaren in dit verzoek.
3.1.9
De vraag is of de rechtbank de vrouw dan wel een dwangsom kan verbinden aan de contactregeling zoals opgenomen in de beschikking van 27 mei 2026. De man heeft zelf gewezen op een uitspraak van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2026:9908) waarin aan de afgifte van de dagelijkse goederen, in dit geval een fiets, een dwangsom is verbonden. De rechtbank leidt uit deze uitspraak af dat in het kader van een voorlopige voorzieningenprocedure op grond van artikel 822 Rv een dwangsom door de rechtbank Den Haag mogelijk wordt geacht. De vraag die dan nog voorligt is of de rechtbank ook in het kader van een wijzigingsprocedure alsnog een dwangsom kan verbinden aan de eerder vastgestelde voorlopige zorgregeling. De rechtbank beantwoord die vraag bevestigend onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 18 april 2012 (ECLI:NL:RBDOR:2012:BW7377). Uit die uitspraak blijkt dat op 30 november 2011 in het kader van een voorlopige voorzieningen procedure een zorgregeling is bepaald. De man verzoekt op 21 februari 2012 vaststelling van dezelfde voorlopige zorgregeling maar nu op straffe van een dwangsom. De rechtbank heeft daarop beslist door de vrouw te gelasten haar medewerking te verlenen aan de eerder vastgestelde zorgregeling onder verbeurte van een dwangsom.
3.1.10
De rechtbank ziet aanleiding om in deze zaak op gelijke wijze te beslissen en wel een dwangsom op te leggen. De man heeft gesteld dat inmiddels meer dan duidelijk is dat de vrouw ondanks een beschikking en afspraken bij de beschermtafel niet wenst mee te werken aan contact tussen de man en de minderjarigen. De vrouw heeft zich tegen een dwangsom verweerd. De man heeft zeker een plaats in het leven van de minderjarigen maar eerst moet uitgezocht worden wat er is gebeurd, aldus de vrouw. Een dwangsom is onwenselijk en kan niet van de vrouw gevergd worden, het is niet de juiste prikkel. Anders dan de vrouw is de rechtbank, net als de raad, van oordeel dat het nog steeds in het belang van de minderjarigen is dat er contact is met de man zoals eerder beslist, wetende dat er inmiddels ook veiligheidsafspraken zijn gemaakt. Uit wat namens de vrouw naar voren is gebracht, leidt de rechtbank af dat er zeker een kans is dat de vrouw alsnog niet gaat meewerken. Om die reden acht de rechtbank een dwangsom noodzakelijk. Uitspraken van rechters moeten namelijk worden nagekomen.
De rechtbank zal de dwangsom wel in hoogte beperken en ook maximeren. De rechtbank zal bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 50,- per dag of dagdeel dat zij haar medewerking niet verleent aan de zorgregeling en te maximeren door te bepalen dat de vrouw dwangsommen verbeurt tot 1 januari 2027 voor elke dag dat zij niet meewerkt. Op die manier weet de vrouw wat de rechtbank van haar verwacht, namelijk dat zij in ieder geval dit kalenderjaar gehouden is om mee te werken. Uiteraard ook daarna maar de rechtbank hoopt en verwacht dat een financiële prikkel dan niet meer nodig is omdat de zorgen van de vrouw over de man dan door tijdsverloop zijn verbleekt.
3.2
Proceskosten
3.2.1
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
gelast de vrouw haar medewerking te verlenen aan de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van deze rechtbank van 27 mei 2026;
4.2
bepaalt dat de vrouw voor iedere dag of dagdeel tot 1 januari 2027 dat zij nalaat haar medewerking aan deze zorgregeling te verlenen aan de man een dwangsom verbeurt van € 50,-;
4.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.5
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot nakoming;
4.6
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. C.A. Sedoc, griffier, op 28 augustus 2026.
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/722714 / FA RK 26-5447
Beschikking van 28 augustus 2026 over wijziging voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A. Aksü te Rotterdam,
t e g e n
[naam man]
, hierna: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A. Harent te Dordrecht.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 6 juli 2026;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen op 13 augustus 2026.
Buiten de toegestane termijn zijn de volgende stukken overgelegd:
de berichten met bijlagen van de man van 18 augustus 2026;
het bericht met bijlage van de vrouw van 19 augustus 2026.
Beide partijen hebben over en weer geen bezwaar gemaakt tegen toelating van deze stukken, zodat de rechtbank de stukken zal toevoegen aan het procesdossier.
1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
1.3
De oudste minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft haar mening schriftelijk kenbaar gemaakt.
2De vaststaande feiten
2.1
Partijen zijn op 20 augustus 2021 met elkaar gehuwd.
2.2
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] .
2.3
De vrouw heeft inmiddels een verzoek tot echtscheiding gedaan, bekend onder zaak- en rekestnummer C/10/722022 / FA RK 26-5071.
2.4
Bij de beschikking van deze rechtbank van 27 mei 2026 is, voor zover relevant, bepaald dat de minderjarigen aan de vrouw worden toevertrouwd en een weekend per veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 19.00 uur bij de man verblijven.
3De beoordeling
3.1
Zorgregeling
3.1.1
De vrouw verzoekt wijziging van de door de rechtbank in het kader van voorlopige voorzieningen tussen partijen gegeven beschikking van 27 mei 2026 ten aanzien van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, hierna te noemen: de zorgregeling, in die zin dat de zorgregeling met onmiddellijke ingang wordt geschorst totdat nader onderzoek naar de veiligheid van de minderjarigen bij de man heeft plaatsgevonden en totdat de rechtbank in de hoofdzaak of bij andere voorlopige voorziening anders heeft beslist. Daarnaast verzoekt de vrouw:
te bepalen dat de man de minderjarigen niet van school, opvang, woning of elders mag ophalen of meenemen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de vrouw dan wel rechterlijke beslissing;
de raad voor de kinderbescherming te verzoeken ter zitting te verschijnen, althans haar te verzoeken met spoed advies uit te brengen over de veiligheid van de minderjarigen en de voorwaarden waaronder contact tussen de man en de minderjarigen verantwoord kan plaatsvinden;
bij wijze van onmiddellijke ordemaatregel de in de beschikking van 27 mei 2026 bepaalde zorgregeling te schorsen totdat op dit verzoek is beslist.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat desgevraagd bevestigd dat namens de vrouw verzocht wordt de eerdere beschikking voorlopige voorzieningen te wijzigen en te bepalen dat het de man tijdelijk is verboden om contact te hebben met de minderjarigen, althans uitsluitend onder begeleiding en zonder overnachting waarbij de rechtbank zo nodig aan de raad kan vragen om onderzoek te doen en advies uit te brengen.
3.1.2
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek de vrouw te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling zoals opgenomen in voornoemde beschikking van 27 mei 2026, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat de zorgregeling niet wordt nagekomen.
3.1.3
Op grond van artikel 824 lid 2 Rv kan een beschikking houdende voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 822 Rv, op verzoek van de echtgenoten of van één van hen door de rechtbank worden gewijzigd of ingetrokken, indien de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van die beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven.
3.1.4
De procedure tot het treffen en wijzigen van een voorlopige voorziening is bedoeld om een ordemaatregel te treffen. In verband met dit bijzondere karakter heeft de wetgever bepaald dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden een eerder getroffen voorlopige voorziening kan worden gewijzigd. Daarmee wordt onder meer voorkomen dat sprake is van een verkapt hoger beroep. De wetgever heeft met het opnemen van de zinsneden “in zodanige mate” en “alle betrokken belangen in aanmerking genomen” tot uitdrukking gebracht dat niet iedere wijziging in omstandigheden en niet iedere onjuistheid of onvolledigheid van gegevens waarvan de rechtbank is uitgegaan, tot een wijziging of intrekking kan leiden.
3.1.5
De vrouw stelt dat de omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van de beschikking van 27 mei 2026 zijn gewijzigd. Zij stelt dat er na de beschikking van 27 mei 2026 stukken van ASVZ van 23 juni 2026 en de huisarts van 30 juni 2026 beschikbaar zijn gekomen, waardoor de door de vrouw geuite zorgen over de man, althans over de veiligheid van de minderjarigen bij de man, niet meer uitsluitend berusten op haar eigen verklaringen of van haar netwerk maar inmiddels ook zijn vastgelegd door professioneel betrokkenen. De man heeft betwist dat er een wijziging dient te komen in de reeds vastgestelde zorgregeling. Hij heeft een verklaring per e-mail overgelegd van de leidinggevende van de medewerker van ASVZ die de eerdere verklaring van 23 juni 2026 heeft afgelegd. Uit die mail van 12 augustus 2026 blijkt volgens de man dat de leidinggevende heeft verklaard dat wat door de vrouw is overgelegd uit de zorgcontext is gehaald en geen verklaring is. Uit de uitdraai van de huisarts blijkt dat de huisarts na een gesprek met de man geen Veilig Thuis melding gaat doen. Op 19 augustus 2026, in de ochtend voorafgaand aan de mondelinge behandeling, zijn aanvullend rapportages van ASVZ van 29 juni, 2 juli, 7 juli en 9 juli 2026 door de vrouw overgelegd. De man heeft alle beschuldigingen betwist.
3.1.6
De rechtbank is van oordeel dat door de vrouw geen gewijzigde omstandigheden zijn gesteld die maken dat de getroffen voorziening niet in stand kan blijven. In de beschikking van de rechtbank van 27 mei 2026 staat over de zorgregeling: ‘De vrouw uit zorgen over de veiligheid van de minderjarigen bij de man. Duidelijk is er dat er al lange tijd hulpverlening bij het gezin betrokken is van onder andere ‘Sterk Papendrecht’ en dat de betrokken hulpverlenende instanties tot nu toe niet aan de bel hebben getrokken over een mogelijke zorgelijke situatie bij de man of bij de vrouw. De zorgen van de vrouw worden dus niet ondersteund door (stukken van) de hulpverlenende instanties. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad wel geconstateerd dat sprake is van een zorgelijke situatie, waarin de minderjarigen wisselende uitspraken doen over het contact met de man, maar kennelijk ziet de hulpverlening deze uitspraken niet als dermate ernstig dat daarop maatregelen zijn getroffen. Op 23 april 2026 hebben partijen, beide afzonderlijk, met de betrokken hulpverlening een beschermingsgesprek gevoerd. De raad zag op dat moment geen reden voor een onderzoek. De rechtbank ziet dan ook geen belemmeringen om een zorgregeling tussen de man en de minderjarigen vast te leggen. De man heeft toegelicht dat hij mogelijk terecht kan bij zijn zusje of moeder als hij de woning moet verlaten, zodat hij de minderjarigen daar kan zien. Hoewel de rechtbank geen aanleiding heeft te bepalen dat de contacten onder begeleiding van een derde moeten plaatsvinden, betekent dit dat in ieder geval in de eerste periode dat de man geen ander alternatief heeft gevonden een derde betrokken zal zijn doordat de man nu eenmaal bij iemand in huis verblijft. De rechtbank gaat ervan uit dat die periode kan bijdragen aan het herstel van het vertrouwen van de vrouw in de man en zo de zorgen die de vrouw heeft weggenomen kunnen worden.’
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de zorgen van de vrouw inmiddels worden ondersteund door (stukken van) de hulpverlenende instanties. Weliswaar heeft de vrouw stukken van ASVZ en de huisarts overgelegd, maar de rechtbank kan, mede op basis van de onderbouwde betwisting door de man, hieraan niet de conclusie verbinden die de vrouw hieraan verbindt. Uit de stukken blijkt niet dat professionals verklaren dat de minderjarigen niet veilig zijn bij de man, het betreft weergaven van wat er is gezegd, onder andere door de minderjarigen zelf. Uit het verweer van de man blijkt bovendien dat er op 20 juli 2026 een tweede gesprek bij de beschermingstafel heeft plaatsgevonden. Besproken is dat het wenselijk is dat er op korte termijn weer wordt gestart met de bezoeken aan de man en zijn er afspraken gemaakt over de nadere invulling van deze contactmomenten. De raad heeft volgens de man opnieuw beslist dat er geen raadsonderzoek zal worden gestart. Dit is tijdens de mondelinge behandeling door de raad bevestigd. Daar is het volgens de raad te vroeg voor. Het advies van de raad luidt om het verzoek van de vrouw af te wijzen omdat er heel recent veiligheidsafspraken zijn gemaakt. Ook op basis van deze informatie kan de rechtbank niet vaststellen dat de zorgen van de vrouw over de man, althans over de veiligheid van de minderjarigen bij de man, worden gedeeld of ondersteund door de hulpverlenende instanties. Feitelijk is er dus, ten opzichte van de situatie ten tijde van de eerdere beschikking, niets gewijzigd zoals door de vrouw gesteld. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank niet aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de vrouw toekomt. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.
3.1.7
Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen bij de beschermingstafel veiligheidsafspraken hebben gemaakt, op schrift gesteld op 22 juli 2026. De afspraken zien op het ophalen en wegbrengen tijdens het eerste weekend maar ook op het moment dat de minderjarigen bij de man zijn. Namens de vrouw is naar voren gebracht dat het de vraag is of de man gaat meewerken en dat er ook geen zicht is op de uitvoering. Namens de man is aangegeven dat hij ermee akkoord kan gaan dat de beschikking van 27 mei 2026 wordt aangevuld met de veiligheidsafspraak dat de man niet alleen is met de minderjarigen, dat oma of tante daar altijd bij is (vierogen principe). Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegezegd zich aan de veiligheidsafspraken te houden. Ten overvloede drukt de rechtbank partijen op het hart deze afspraken na te leven, in het belang van de minderjarigen en het onderlinge vertrouwen.
Nakoming en dwangsom
3.1.8
Het verzoek van de man tot nakoming van de beschikking van 27 mei 2026 is geen voorlopige voorziening in de zin van artikel 822 Rv, zodat de rechtbank de man niet-ontvankelijk zal verklaren in dit verzoek.
3.1.9
De vraag is of de rechtbank de vrouw dan wel een dwangsom kan verbinden aan de contactregeling zoals opgenomen in de beschikking van 27 mei 2026. De man heeft zelf gewezen op een uitspraak van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2026:9908) waarin aan de afgifte van de dagelijkse goederen, in dit geval een fiets, een dwangsom is verbonden. De rechtbank leidt uit deze uitspraak af dat in het kader van een voorlopige voorzieningenprocedure op grond van artikel 822 Rv een dwangsom door de rechtbank Den Haag mogelijk wordt geacht. De vraag die dan nog voorligt is of de rechtbank ook in het kader van een wijzigingsprocedure alsnog een dwangsom kan verbinden aan de eerder vastgestelde voorlopige zorgregeling. De rechtbank beantwoord die vraag bevestigend onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 18 april 2012 (ECLI:NL:RBDOR:2012:BW7377). Uit die uitspraak blijkt dat op 30 november 2011 in het kader van een voorlopige voorzieningen procedure een zorgregeling is bepaald. De man verzoekt op 21 februari 2012 vaststelling van dezelfde voorlopige zorgregeling maar nu op straffe van een dwangsom. De rechtbank heeft daarop beslist door de vrouw te gelasten haar medewerking te verlenen aan de eerder vastgestelde zorgregeling onder verbeurte van een dwangsom.
3.1.10
De rechtbank ziet aanleiding om in deze zaak op gelijke wijze te beslissen en wel een dwangsom op te leggen. De man heeft gesteld dat inmiddels meer dan duidelijk is dat de vrouw ondanks een beschikking en afspraken bij de beschermtafel niet wenst mee te werken aan contact tussen de man en de minderjarigen. De vrouw heeft zich tegen een dwangsom verweerd. De man heeft zeker een plaats in het leven van de minderjarigen maar eerst moet uitgezocht worden wat er is gebeurd, aldus de vrouw. Een dwangsom is onwenselijk en kan niet van de vrouw gevergd worden, het is niet de juiste prikkel. Anders dan de vrouw is de rechtbank, net als de raad, van oordeel dat het nog steeds in het belang van de minderjarigen is dat er contact is met de man zoals eerder beslist, wetende dat er inmiddels ook veiligheidsafspraken zijn gemaakt. Uit wat namens de vrouw naar voren is gebracht, leidt de rechtbank af dat er zeker een kans is dat de vrouw alsnog niet gaat meewerken. Om die reden acht de rechtbank een dwangsom noodzakelijk. Uitspraken van rechters moeten namelijk worden nagekomen.
De rechtbank zal de dwangsom wel in hoogte beperken en ook maximeren. De rechtbank zal bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 50,- per dag of dagdeel dat zij haar medewerking niet verleent aan de zorgregeling en te maximeren door te bepalen dat de vrouw dwangsommen verbeurt tot 1 januari 2027 voor elke dag dat zij niet meewerkt. Op die manier weet de vrouw wat de rechtbank van haar verwacht, namelijk dat zij in ieder geval dit kalenderjaar gehouden is om mee te werken. Uiteraard ook daarna maar de rechtbank hoopt en verwacht dat een financiële prikkel dan niet meer nodig is omdat de zorgen van de vrouw over de man dan door tijdsverloop zijn verbleekt.
3.2
Proceskosten
3.2.1
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
gelast de vrouw haar medewerking te verlenen aan de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van deze rechtbank van 27 mei 2026;
4.2
bepaalt dat de vrouw voor iedere dag of dagdeel tot 1 januari 2027 dat zij nalaat haar medewerking aan deze zorgregeling te verlenen aan de man een dwangsom verbeurt van € 50,-;
4.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.5
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot nakoming;
4.6
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. C.A. Sedoc, griffier, op 28 augustus 2026.