Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12774
2026-08-28
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/10/713628 / FA RK 26-516
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoeken wijziging geslacht in geboorteakte in "X", zonder deskundigenverklaring in zin van artikel 1:28a BW, en voornaamswijziging toegewezen. Rechtbank wel bevoegd gelet op instemming (art. 270 Rv).
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2022:336 Hoge Raad 04-03-2022
- ECLI:NL:HR:2025:1959 Hoge Raad 19-12-2025
- ECLI:CE:ECHR:2023:0131JUD007688817
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.851 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/713628 / FA RK 26-516
Beschikking van 28 augustus 2026 over wijziging geboorteakte en wijziging voornaam
in de zaak van:
[persoon A] , hierna: [persoon A] ,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. E.P.J. Appelman te Alkmaar.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Maashorst, hierna: de ambtenaar.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van [persoon A] , ingekomen op 21 januari 2026;
het bericht van de ambtenaar, ingekomen op 10 juni 2026;
het bericht van [persoon A] van 10 augustus 2026.
1.2
[persoon A] heeft afgezien van een mondelinge behandeling. De rechtbank ziet geen aanleiding om een mondelinge behandeling te gelasten en zal de zaak op de stukken afdoen.
2De vaststaande feiten
2.1
[persoon A] is geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] (gemeente Maashorst) en bezit de Nederlandse nationaliteit.
2.2
Aan [persoon A] is de volgende voornaam gegeven: [voornaam 1] .
2.3
Op basis van de geboorteakte is [persoon A] in de registers van de burgerlijke stand opgenomen als zijnde van het vrouwelijk geslacht.
3De beoordeling
3.1
[persoon A] verzoekt de ambtenaar te gelasten aan diens geboorteakte een latere vermelding toe te voegen van wijziging van het geslacht, in die zin dat het geslacht X zal zijn. Daarnaast verzoekt [persoon A] diens voornaam te wijzigen in [voornaam 2] en de ambtenaar te gelasten deze wijziging aan diens geboorteakte toe te voegen.
3.2
[persoon A] heeft aan diens verzoeken ten grondslag gelegd dat [persoon A] een non-binaire beleving van diens gender heeft en zich niet identificeert als man of als vrouw.
3.3
De ambtenaar stemt in met het verzoek aan de geboorteakte een latere vermelding toe te voegen van wijziging van het geslacht.
3.4
Relatieve bevoegdheid
3.4.1
In zaken die zien op de wijziging van de akte van de burgerlijke stand is, op grond van artikel 263 Rv bevoegd de rechtbank binnen wiens rechtsgebied de te wijzigen akte is ingeschreven. Dit betekent dat niet de rechtbank Rotterdam maar de rechtbank Oost-Brabant bevoegd is kennis te nemen van het verzoek. In beginsel moet de zaak daarom op grond van artikel 270 lid 1 Rv, in de stand waarin die zich nu bevindt, verwezen naar laatstgenoemd gerecht. Echter, [persoon A] heeft in het verzoekschrift expliciet aangegeven geen verwijzing te wensen naar de rechtbank Oost-Brabant. Ook uit het bericht van de ambtenaar volgt dat ervan uit wordt gegaan dat de rechtbank Rotterdam een beslissing neemt op het verzoek. De rechtbank begrijpt uit dit bericht dat ook de ambtenaar geen verwijzing wenst. De rechtbank Rotterdam acht zich daarom, op grond van artikel 270 lid 1 BW, het verzoek in behandeling te nemen.
3.4.2
In zaken die betrekking hebben op een voornaamswijziging is, op grond van artikel 262 Rv, de rechtbank bevoegd binnen wiens rechtsgebied de verzoeker woonplaats heeft. Dit betekent dat de rechtbank Rotterdam bevoegd kennis te nemen van het verzoek.
3.4.3
Gezien voorgaande beoordeelt de rechtbank hierna beide verzoeken van [persoon A] .
3.5
Geslacht
3.5.1
De rechtbank overweegt dat op dit moment geen wettelijke grondslag bestaat voor
een wijziging van de geslachtsregistratie in een geboorteakte naar een X of een andere
geslachtsneutrale aanduiding. Het is in beginsel aan de wetgever hiervoor een voorziening
te treffen. De Hoge Raad heeft in zijn prejudiciële beslissing van 4 maart 2022 geconcludeerd dat, zolang er geen wettelijke regeling is, het aan de rechter is om in elke concrete zaak aan de hand van de aard en inhoud van het verzoek en de verdere omstandigheden van het geval te beslissen (ECLI:NL:HR:2022:336). Inmiddels zijn er opnieuw prejudiciële vragen gesteld. In zijn uitspraak van 19 december 2025 heeft de Hoge Raad afgezien van het beantwoorden van die prejudiciële vragen. Dit omdat "de ontwikkelingen nadien, waaruit blijkt dat het onderwerp de aandacht van het parlement en de regering heeft behouden, de Hoge Raad geen aanleiding geven om nu anders te beslissen" (ECLI:NL:HR:2025:1959).
3.5.2
Met het intrekken van het wetsvoorstel 35825 is er op dit moment, anders dan ten tijde van de uitspraak van de Hoge Raad van 4 maart 2022, geen zicht op wetgeving in de nabije toekomst waarmee genderneutrale registratie in een geboorteakte wettelijk mogelijk zal worden gemaakt. Toch is de Hoge Raad in de uitspraak van 19 december 2025 niet overgegaan tot beantwoording van de prejudiciële vragen en is verwezen naar de eerdere uitspraak van 4 maart 2022. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor wat betreft de non-binaire geslachtsregistratie geen sprake van een kentering in de politieke en maatschappelijke opvatting. Dat een geslachtsneutrale registratie in Nederland steeds breder wordt aanvaard, blijkt onder meer uit het feit dat op 25 oktober 2025 zeven politieke partijen (waaronder de vier van de vijf partijen die daarna bij de verkiezingen de meeste stemmen hebben gekregen: D66, CDA, VVD en GroenLinks-PvdA) het “Regenboog Stembusakkoord 2025” hebben ondertekend. Daarin is het voornemen opgenomen voor "een wettelijke mogelijkheid om, zonder tussenkomst van de rechter, de geslachtsvermelding in officiële documenten zoals het paspoort te laten doorhalen met een 'X' op dezelfde wijze als die vermelding wijst van V naar M of andersom". Ook uit (recente) jurisprudentie blijkt een consistente lijn waarin verzoeken tot wijziging van de geslachtsregistratie naar een non-binaire aanduiding worden toegewezen. De intrekking van het wetsvoorstel is voor geen enkele rechtbank of hof aanleiding geweest om beslissingen op voorliggende verzoeken aan te houden. De rechtbank constateert daarom dat er nog altijd sprake is van een maatschappelijke erkenning en (een trend naar) juridische erkenning van een neutrale geslachtelijke identiteit en dat het aan de rechter is om in elke concrete zaak aan de hand van de aard en inhoud van het verzoek en de verdere omstandigheden van het geval te beslissen.
3.5.3
De rechtbank is van oordeel dat het onderhavige verzoek tot wijziging van de geslachtsaanduiding op dezelfde wijze moet worden benaderd als verzoeken op grond van artikel 1:28 BW, die zien op personen die de – door een deskundige getoetste en onderschreven – overtuiging hebben tot het ‘andere geslacht’ te behoren. Dit artikel voorziet niet in de mogelijkheid om te kiezen voor een non-binaire geslachtsaanduiding. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een ongerechtvaardigd en ongeoorloofd onderscheid op tussen personen die de overtuiging hebben tot het andere geslacht te behoren en personen die de overtuiging hebben buiten de exclusief mannelijke of vrouwelijk geslachtsaanduiding te vallen (non-binair), als bedoeld in artikel 26 IVBPR en artikel 1 lid 2 van Protocol nr. 12 EVRM.
3.5.4
Op grond van artikel 1:28a BW moet bij een verzoek om wijziging van het geslacht naar het andere geslacht in de geboorteakte een deskundigenverklaring worden overgelegd. Bij analoge toepassing van dit artikel in situaties waarin iemand zich identificeert als non-binair, is in beginsel dus een deskundigenverklaring vereist die vermeldt dat degene op wie de aangifte betrekking heeft jegens de deskundige heeft verklaard de overtuiging te hebben een genderneutraal geslacht te hebben en jegens de deskundige er blijk van heeft gegeven diens voorlichting omtrent de reikwijdte en de betekenis van deze staat te hebben begrepen en de wijziging van de vermelding van de genderneutrale geslachtsaanduiding in de akte van geboorte weloverwogen te blijven wensen. De rechtbank stelt vast dat een dergelijke verklaring van een deskundige in de onderhavige zaak ontbreekt.
3.5.5
Naar het oordeel van de rechtbank is een genderbeleving geen objectief verifieerbaar gegeven dat door een deskundige is vast te stellen. Dit wordt onderkend in de huidige maatschappelijke ontwikkelingen. De rechtbank beoordeelt of in deze situatie, waarin een deskundigenverklaring ontbreekt, kan worden vastgesteld dat het besluit niet lichtzinnig is genomen. Daarbij is van belang dat op basis van de stukken kan worden aangenomen dat de overtuiging een genderfluïde persoon te zijn een duurzaam karakter heeft.
3.5.6
De rechtbank stelt vast dat [persoon A] zich niet identificeert als man of vrouw en dat de geslachtsvermelding man of vrouw niet overeen komt met de innerlijke overtuiging van [persoon A] . Deze overtuiging bestaat al geruime tijd en wordt door [persoon A] uitgedragen in contacten met derden. Er is dan ook sprake van een duurzame overtuiging over diens genderidentiteit. Verder stelt de rechtbank vast dat de beslissing een wijziging van de geslachtsaanduiding te vragen niet lichtzinnig heeft genomen.
3.5.7
[persoon A] heeft er daarom recht op en belang bij dat diens akte van geboorte in overeenstemming wordt gebracht met het feit dat die zich niet identificeert als man of vrouw. Ontzegging van een geslachtsregistratie overeenkomstig die innerlijke overtuiging zou in strijd zijn met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft reeds bevestigd dat het recht op genderidentiteit en persoonlijke ontwikkeling een fundamenteel element van artikel 8 EVRM vormt en genderidentiteit één van de meest intieme aspecten van het privéleven en één van de meest wezenlijke elementen van zelfbeschikking vormt (EHRM 31 januari 2023, ECLI:CE:ECHR:2023:0131JUD007688817, Y tegen Frankrijk).
3.5.8
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de ambtenaar gelasten aan de akte van geboorte van [persoon A] een latere vermelding toe te voegen van wijziging van het geslacht, waarbij het gewijzigde, non-binaire, geslacht zal worden aangeduid met ‘X’. Het verzoek wordt toegewezen.
3.6
Voornaam
3.6.1
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [persoon A] voldoende zwaarwichtig belang bij wijziging van diens voornaam van [voornaam 1] in [voornaam 2] , terwijl de gevraagde wijziging naar de maatstaven van artikel 1:4 lid 2 BW niet ongeoorloofd is. De rechtbank zal het verzoek dan ook toewijzen.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand om aan de geboorteakte ingeschreven in het register van geboorten van voorheen de gemeente [geboorteplaats] en thans de gemeente Maashorst van het jaar 2004 met nummer [aktenummer] een latere vermelding toe te voegen van de wijziging van het geslacht in die zin dat het geslacht wordt vermeld met X;
4.2
gelast de wijziging van de voornaam van [persoon A] van [voornaam 1] in [voornaam 2] ;
4.3
draagt de griffier op om niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en als daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Maashorst zoals bepaald in artikel 1:20e lid 1 BW.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Siemons, rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Witte op 28 augustus 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/713628 / FA RK 26-516
Beschikking van 28 augustus 2026 over wijziging geboorteakte en wijziging voornaam
in de zaak van:
[persoon A] , hierna: [persoon A] ,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. E.P.J. Appelman te Alkmaar.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Maashorst, hierna: de ambtenaar.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van [persoon A] , ingekomen op 21 januari 2026;
het bericht van de ambtenaar, ingekomen op 10 juni 2026;
het bericht van [persoon A] van 10 augustus 2026.
1.2
[persoon A] heeft afgezien van een mondelinge behandeling. De rechtbank ziet geen aanleiding om een mondelinge behandeling te gelasten en zal de zaak op de stukken afdoen.
2De vaststaande feiten
2.1
[persoon A] is geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] (gemeente Maashorst) en bezit de Nederlandse nationaliteit.
2.2
Aan [persoon A] is de volgende voornaam gegeven: [voornaam 1] .
2.3
Op basis van de geboorteakte is [persoon A] in de registers van de burgerlijke stand opgenomen als zijnde van het vrouwelijk geslacht.
3De beoordeling
3.1
[persoon A] verzoekt de ambtenaar te gelasten aan diens geboorteakte een latere vermelding toe te voegen van wijziging van het geslacht, in die zin dat het geslacht X zal zijn. Daarnaast verzoekt [persoon A] diens voornaam te wijzigen in [voornaam 2] en de ambtenaar te gelasten deze wijziging aan diens geboorteakte toe te voegen.
3.2
[persoon A] heeft aan diens verzoeken ten grondslag gelegd dat [persoon A] een non-binaire beleving van diens gender heeft en zich niet identificeert als man of als vrouw.
3.3
De ambtenaar stemt in met het verzoek aan de geboorteakte een latere vermelding toe te voegen van wijziging van het geslacht.
3.4
Relatieve bevoegdheid
3.4.1
In zaken die zien op de wijziging van de akte van de burgerlijke stand is, op grond van artikel 263 Rv bevoegd de rechtbank binnen wiens rechtsgebied de te wijzigen akte is ingeschreven. Dit betekent dat niet de rechtbank Rotterdam maar de rechtbank Oost-Brabant bevoegd is kennis te nemen van het verzoek. In beginsel moet de zaak daarom op grond van artikel 270 lid 1 Rv, in de stand waarin die zich nu bevindt, verwezen naar laatstgenoemd gerecht. Echter, [persoon A] heeft in het verzoekschrift expliciet aangegeven geen verwijzing te wensen naar de rechtbank Oost-Brabant. Ook uit het bericht van de ambtenaar volgt dat ervan uit wordt gegaan dat de rechtbank Rotterdam een beslissing neemt op het verzoek. De rechtbank begrijpt uit dit bericht dat ook de ambtenaar geen verwijzing wenst. De rechtbank Rotterdam acht zich daarom, op grond van artikel 270 lid 1 BW, het verzoek in behandeling te nemen.
3.4.2
In zaken die betrekking hebben op een voornaamswijziging is, op grond van artikel 262 Rv, de rechtbank bevoegd binnen wiens rechtsgebied de verzoeker woonplaats heeft. Dit betekent dat de rechtbank Rotterdam bevoegd kennis te nemen van het verzoek.
3.4.3
Gezien voorgaande beoordeelt de rechtbank hierna beide verzoeken van [persoon A] .
3.5
Geslacht
3.5.1
De rechtbank overweegt dat op dit moment geen wettelijke grondslag bestaat voor
een wijziging van de geslachtsregistratie in een geboorteakte naar een X of een andere
geslachtsneutrale aanduiding. Het is in beginsel aan de wetgever hiervoor een voorziening
te treffen. De Hoge Raad heeft in zijn prejudiciële beslissing van 4 maart 2022 geconcludeerd dat, zolang er geen wettelijke regeling is, het aan de rechter is om in elke concrete zaak aan de hand van de aard en inhoud van het verzoek en de verdere omstandigheden van het geval te beslissen (ECLI:NL:HR:2022:336). Inmiddels zijn er opnieuw prejudiciële vragen gesteld. In zijn uitspraak van 19 december 2025 heeft de Hoge Raad afgezien van het beantwoorden van die prejudiciële vragen. Dit omdat "de ontwikkelingen nadien, waaruit blijkt dat het onderwerp de aandacht van het parlement en de regering heeft behouden, de Hoge Raad geen aanleiding geven om nu anders te beslissen" (ECLI:NL:HR:2025:1959).
3.5.2
Met het intrekken van het wetsvoorstel 35825 is er op dit moment, anders dan ten tijde van de uitspraak van de Hoge Raad van 4 maart 2022, geen zicht op wetgeving in de nabije toekomst waarmee genderneutrale registratie in een geboorteakte wettelijk mogelijk zal worden gemaakt. Toch is de Hoge Raad in de uitspraak van 19 december 2025 niet overgegaan tot beantwoording van de prejudiciële vragen en is verwezen naar de eerdere uitspraak van 4 maart 2022. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor wat betreft de non-binaire geslachtsregistratie geen sprake van een kentering in de politieke en maatschappelijke opvatting. Dat een geslachtsneutrale registratie in Nederland steeds breder wordt aanvaard, blijkt onder meer uit het feit dat op 25 oktober 2025 zeven politieke partijen (waaronder de vier van de vijf partijen die daarna bij de verkiezingen de meeste stemmen hebben gekregen: D66, CDA, VVD en GroenLinks-PvdA) het “Regenboog Stembusakkoord 2025” hebben ondertekend. Daarin is het voornemen opgenomen voor "een wettelijke mogelijkheid om, zonder tussenkomst van de rechter, de geslachtsvermelding in officiële documenten zoals het paspoort te laten doorhalen met een 'X' op dezelfde wijze als die vermelding wijst van V naar M of andersom". Ook uit (recente) jurisprudentie blijkt een consistente lijn waarin verzoeken tot wijziging van de geslachtsregistratie naar een non-binaire aanduiding worden toegewezen. De intrekking van het wetsvoorstel is voor geen enkele rechtbank of hof aanleiding geweest om beslissingen op voorliggende verzoeken aan te houden. De rechtbank constateert daarom dat er nog altijd sprake is van een maatschappelijke erkenning en (een trend naar) juridische erkenning van een neutrale geslachtelijke identiteit en dat het aan de rechter is om in elke concrete zaak aan de hand van de aard en inhoud van het verzoek en de verdere omstandigheden van het geval te beslissen.
3.5.3
De rechtbank is van oordeel dat het onderhavige verzoek tot wijziging van de geslachtsaanduiding op dezelfde wijze moet worden benaderd als verzoeken op grond van artikel 1:28 BW, die zien op personen die de – door een deskundige getoetste en onderschreven – overtuiging hebben tot het ‘andere geslacht’ te behoren. Dit artikel voorziet niet in de mogelijkheid om te kiezen voor een non-binaire geslachtsaanduiding. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een ongerechtvaardigd en ongeoorloofd onderscheid op tussen personen die de overtuiging hebben tot het andere geslacht te behoren en personen die de overtuiging hebben buiten de exclusief mannelijke of vrouwelijk geslachtsaanduiding te vallen (non-binair), als bedoeld in artikel 26 IVBPR en artikel 1 lid 2 van Protocol nr. 12 EVRM.
3.5.4
Op grond van artikel 1:28a BW moet bij een verzoek om wijziging van het geslacht naar het andere geslacht in de geboorteakte een deskundigenverklaring worden overgelegd. Bij analoge toepassing van dit artikel in situaties waarin iemand zich identificeert als non-binair, is in beginsel dus een deskundigenverklaring vereist die vermeldt dat degene op wie de aangifte betrekking heeft jegens de deskundige heeft verklaard de overtuiging te hebben een genderneutraal geslacht te hebben en jegens de deskundige er blijk van heeft gegeven diens voorlichting omtrent de reikwijdte en de betekenis van deze staat te hebben begrepen en de wijziging van de vermelding van de genderneutrale geslachtsaanduiding in de akte van geboorte weloverwogen te blijven wensen. De rechtbank stelt vast dat een dergelijke verklaring van een deskundige in de onderhavige zaak ontbreekt.
3.5.5
Naar het oordeel van de rechtbank is een genderbeleving geen objectief verifieerbaar gegeven dat door een deskundige is vast te stellen. Dit wordt onderkend in de huidige maatschappelijke ontwikkelingen. De rechtbank beoordeelt of in deze situatie, waarin een deskundigenverklaring ontbreekt, kan worden vastgesteld dat het besluit niet lichtzinnig is genomen. Daarbij is van belang dat op basis van de stukken kan worden aangenomen dat de overtuiging een genderfluïde persoon te zijn een duurzaam karakter heeft.
3.5.6
De rechtbank stelt vast dat [persoon A] zich niet identificeert als man of vrouw en dat de geslachtsvermelding man of vrouw niet overeen komt met de innerlijke overtuiging van [persoon A] . Deze overtuiging bestaat al geruime tijd en wordt door [persoon A] uitgedragen in contacten met derden. Er is dan ook sprake van een duurzame overtuiging over diens genderidentiteit. Verder stelt de rechtbank vast dat de beslissing een wijziging van de geslachtsaanduiding te vragen niet lichtzinnig heeft genomen.
3.5.7
[persoon A] heeft er daarom recht op en belang bij dat diens akte van geboorte in overeenstemming wordt gebracht met het feit dat die zich niet identificeert als man of vrouw. Ontzegging van een geslachtsregistratie overeenkomstig die innerlijke overtuiging zou in strijd zijn met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft reeds bevestigd dat het recht op genderidentiteit en persoonlijke ontwikkeling een fundamenteel element van artikel 8 EVRM vormt en genderidentiteit één van de meest intieme aspecten van het privéleven en één van de meest wezenlijke elementen van zelfbeschikking vormt (EHRM 31 januari 2023, ECLI:CE:ECHR:2023:0131JUD007688817, Y tegen Frankrijk).
3.5.8
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de ambtenaar gelasten aan de akte van geboorte van [persoon A] een latere vermelding toe te voegen van wijziging van het geslacht, waarbij het gewijzigde, non-binaire, geslacht zal worden aangeduid met ‘X’. Het verzoek wordt toegewezen.
3.6
Voornaam
3.6.1
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [persoon A] voldoende zwaarwichtig belang bij wijziging van diens voornaam van [voornaam 1] in [voornaam 2] , terwijl de gevraagde wijziging naar de maatstaven van artikel 1:4 lid 2 BW niet ongeoorloofd is. De rechtbank zal het verzoek dan ook toewijzen.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand om aan de geboorteakte ingeschreven in het register van geboorten van voorheen de gemeente [geboorteplaats] en thans de gemeente Maashorst van het jaar 2004 met nummer [aktenummer] een latere vermelding toe te voegen van de wijziging van het geslacht in die zin dat het geslacht wordt vermeld met X;
4.2
gelast de wijziging van de voornaam van [persoon A] van [voornaam 1] in [voornaam 2] ;
4.3
draagt de griffier op om niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en als daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Maashorst zoals bepaald in artikel 1:20e lid 1 BW.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Siemons, rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Witte op 28 augustus 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.