Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12769
2026-08-27
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/10/719824 / FA RK 26-3923
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verzoek wijziging hoofdverblijfplaats. Art. 1:253a jo 1:377e BW. Schending art. 21 Rv en substantiëringsplicht. Verzoek wordt afgewezen en verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.717 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/719824 / FA RK 26-3923
Schriftelijke uitwerking van 10 september 2026 van de mondelinge uitspraak van 27 augustus 2026 over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv
in de zaak van:
[naam man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] , gemeente Goeree-Overflakkee,
advocaat mr. C.P. Timmers te Middelharnis,
t e g e n
[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] , gemeente Nissewaard,
advocaat mr. P.H. Kramer te Spijkenisse.
De rechtbank merkt als informant aan:
De gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam,
hierna: de GI.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 15 mei 2026;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 21 augustus 2026;
het bericht met bijlage van de GI van 26 augustus 2026.
1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de GI, vertegenwoordigd door [persoon A] ;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon B] en [persoon C] .
1.3
De man en zijn advocaat zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. De advocaat is zowel op zijn kantoornummer als zijn mobiele nummer gebeld. Deze oproepen werden niet beantwoord. De GI heeft telefonisch contact opgenomen met de man, maar ook die oproep werd niet beantwoord. Aangezien de man op de juiste manier is opgeroepen, is de mondelinge behandeling voortgezet.
1.4
De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft op 26 augustus 2026 met de kinderrechter gesproken.
1.5
De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling op grond van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) mondeling uitspraak gedaan, omdat een zodanig spoedeisend belang bestond bij de beslissing dat een volledige schriftelijke uitwerking daarvan niet kon worden afgewacht. Tijdens de mondelinge behandeling is namelijk gebleken dat de minderjarige er last van heeft dat er onduidelijkheid bestaat over zijn hoofdverblijfplaats. Deze onzekerheid acht de rechtbank niet in zijn belang. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de minderjarige net aan het schooljaar begonnen is en het in zijn belang is dat in die startperiode er zo veel mogelijk rust is.
2De vaststaande feiten
2.1
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
2.2
De man heeft de minderjarige erkend.
2.3
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
2.4
Bij beschikking van deze rechtbank van 20 mei 2025 is de minderjarige onder toezicht gesteld van de GI van 20 mei 2025 tot 20 mei 2026, en is een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in zijn netwerk, te weten bij de grootouders moederszijde, verleend met ingang van 20 mei 2025 tot 20 augustus 2025. Bij beschikking van deze rechtbank van 18 mei 2026 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 20 november 2026.
2.5
Bij beschikking van deze rechtbank van 17 juni 2025 is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn. Daarnaast is de regeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd in die zin dat de GI de regie heeft over de uitvoering van de zorgregeling, waarbij de GI invulling geeft aan een gefaseerd en begeleid traject voor het herstel van het contact tussen de vrouw en de minderjarige en het opnieuw inrichten van het contact tussen de man en de minderjarige.
2.6
De minderjarige woont inmiddels weer bij de vrouw.
3De beoordeling
3.1
Voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv
3.1.1
De man verzoekt een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de man zal zijn en de man te machtigen dit zo nodig ten uitvoer te laten leggen of handhaven met behulp van de sterke arm van politie en justitie.
3.1.2
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.1.3
Op grond van artikel 223 Rv kan tijdens een lopende procedure iedere partij verzoeken dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van de procedure. De rechtbank moet beoordelen of aan de minimumvereisten is voldaan, te weten: aanhangig zijn van een hoofdverzoek, samenhang met het hoofdverzoek en (spoedeisend) belang.
3.1.4
Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening gelijktijdig wordt behandeld met de hoofdzaak heeft de man geen belang meer bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom afwijzen.
3.2
Verblijfplaats
3.2.1
De man verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem zal zijn en de man te machtigen dit zo nodig ten uitvoer te laten leggen of handhaven met behulp van de sterke arm van politie en justitie.
3.2.2
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.2.3
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd.
De rechtbank kan op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over de hoofdverblijfplaats of een door ouders onderling getroffen regeling over de hoofdverblijfplaats wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De rechtbank neemt een beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij deze beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen. Dat kan er soms ook toe leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, ook al moet het belang van het kind een overweging van de eerste orde zijn bij de afweging van alle belangen.
3.2.4
Partijen zijn op grond van artikel 21 Rv verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Als deze verplichting niet wordt nageleefd kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Ook moet de verzoeker in het verzoekschrift al de bekende verweren en de gronden daarvoor vermelden (de zogeheten substantiëringsplicht uit artikel 278 lid 1 in verbinding met artikel 111 lid 3 Rv).
3.2.5
De rechtbank constateert dat het verzoekschrift uit twee pagina’s bestaat. Het geeft geen enkele context over het verleden tussen partijen. Ook aan de substantiëringsplicht is niet voldaan. Uit hetgeen de vrouw heeft aangevoerd blijkt dat partijen een lange en beladen voorgeschiedenis hebben. Zo is de hoofdverblijfplaats van de minderjarige vorig jaar tussen partijen in geschil geweest en bij de vrouw bepaald, en is er sprake geweest van een uithuisplaatsing van de minderjarige nadat hij een periode feitelijk bij de man heeft verbleven. De man heeft nagelaten de rechtbank daarover te informeren, evenals over dat de minderjarige op dit moment onder toezicht staat van de GI en de GI de regie heeft over de contacten tussen de man en de minderjarige.
3.2.6
Het niet voldoen aan de onder 3.2.4. genoemde algemene procesbeginselen leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek afwijst.
3.2.7
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij het op dit moment niet in het belang van de minderjarige acht om zijn hoofdverblijfplaats te wijzigen. Er is al sinds januari geen contact geweest tussen de man en de minderjarige nadat een aantal begeleide omgangsmomenten niet naar behoren zijn verlopen. Daar komt nog bij dat de man in [woonplaats 1] woont en de minderjarige zijn hele leven in [woonplaats 2] heeft gewoond. Het gaat momenteel goed met de minderjarige. De rechtbank ziet in de huidige situatie dan ook geen enkele reden om de minderjarige over te brengen naar een situatie waarin hij gaat wonen bij zijn vader met wie hij geen contact heeft. Ook de raad en de GI achten dit niet in zijn belang.
3.3
Proceskosten
3.3.1
De rechtbank ziet aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat in familiezaken elk van de partijen de eigen kosten draagt. De man heeft bij zijn inleidend verzoekschrift verzuimd de volledige feiten en gronden aan te voeren, heeft deze ook niet later aangevuld en is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. De vrouw is daardoor onnodig op kosten gejaagd om zich te verweren in deze procedure. De rechtbank zal daarom de man als in de in het ongelijk gestelde partij op grond van artikel 289 Rv in de proceskosten veroordelen. De rechtbank sluit hiervoor aan bij het liquidatietarief.
3.3.2
De rechtbank hanteert het liquidatietarief II (€ 653,- per punt) en gaat uit van twee punten, te vermeerderen met het griffierecht. De rechtbank begroot de kosten aan de zijde van de vrouw op:
salaris advocaat: € 1.306,-
griffierecht: € 341,-
totaal: € 1.647,-
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
wijst af de verzoeken van de man;
4.2
veroordeelt de man tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van de vrouw begroot op € 1.647,-;
4.3
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is op 27 augustus 2026 mondeling gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.M. van Gils, griffier, en schriftelijk uitgewerkt op 10 september 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/719824 / FA RK 26-3923
Schriftelijke uitwerking van 10 september 2026 van de mondelinge uitspraak van 27 augustus 2026 over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv
in de zaak van:
[naam man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] , gemeente Goeree-Overflakkee,
advocaat mr. C.P. Timmers te Middelharnis,
t e g e n
[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] , gemeente Nissewaard,
advocaat mr. P.H. Kramer te Spijkenisse.
De rechtbank merkt als informant aan:
De gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam,
hierna: de GI.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 15 mei 2026;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 21 augustus 2026;
het bericht met bijlage van de GI van 26 augustus 2026.
1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de GI, vertegenwoordigd door [persoon A] ;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon B] en [persoon C] .
1.3
De man en zijn advocaat zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. De advocaat is zowel op zijn kantoornummer als zijn mobiele nummer gebeld. Deze oproepen werden niet beantwoord. De GI heeft telefonisch contact opgenomen met de man, maar ook die oproep werd niet beantwoord. Aangezien de man op de juiste manier is opgeroepen, is de mondelinge behandeling voortgezet.
1.4
De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft op 26 augustus 2026 met de kinderrechter gesproken.
1.5
De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling op grond van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) mondeling uitspraak gedaan, omdat een zodanig spoedeisend belang bestond bij de beslissing dat een volledige schriftelijke uitwerking daarvan niet kon worden afgewacht. Tijdens de mondelinge behandeling is namelijk gebleken dat de minderjarige er last van heeft dat er onduidelijkheid bestaat over zijn hoofdverblijfplaats. Deze onzekerheid acht de rechtbank niet in zijn belang. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de minderjarige net aan het schooljaar begonnen is en het in zijn belang is dat in die startperiode er zo veel mogelijk rust is.
2De vaststaande feiten
2.1
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
2.2
De man heeft de minderjarige erkend.
2.3
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
2.4
Bij beschikking van deze rechtbank van 20 mei 2025 is de minderjarige onder toezicht gesteld van de GI van 20 mei 2025 tot 20 mei 2026, en is een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in zijn netwerk, te weten bij de grootouders moederszijde, verleend met ingang van 20 mei 2025 tot 20 augustus 2025. Bij beschikking van deze rechtbank van 18 mei 2026 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 20 november 2026.
2.5
Bij beschikking van deze rechtbank van 17 juni 2025 is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn. Daarnaast is de regeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd in die zin dat de GI de regie heeft over de uitvoering van de zorgregeling, waarbij de GI invulling geeft aan een gefaseerd en begeleid traject voor het herstel van het contact tussen de vrouw en de minderjarige en het opnieuw inrichten van het contact tussen de man en de minderjarige.
2.6
De minderjarige woont inmiddels weer bij de vrouw.
3De beoordeling
3.1
Voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv
3.1.1
De man verzoekt een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de man zal zijn en de man te machtigen dit zo nodig ten uitvoer te laten leggen of handhaven met behulp van de sterke arm van politie en justitie.
3.1.2
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.1.3
Op grond van artikel 223 Rv kan tijdens een lopende procedure iedere partij verzoeken dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van de procedure. De rechtbank moet beoordelen of aan de minimumvereisten is voldaan, te weten: aanhangig zijn van een hoofdverzoek, samenhang met het hoofdverzoek en (spoedeisend) belang.
3.1.4
Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening gelijktijdig wordt behandeld met de hoofdzaak heeft de man geen belang meer bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom afwijzen.
3.2
Verblijfplaats
3.2.1
De man verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem zal zijn en de man te machtigen dit zo nodig ten uitvoer te laten leggen of handhaven met behulp van de sterke arm van politie en justitie.
3.2.2
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.2.3
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd.
De rechtbank kan op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over de hoofdverblijfplaats of een door ouders onderling getroffen regeling over de hoofdverblijfplaats wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De rechtbank neemt een beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij deze beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen. Dat kan er soms ook toe leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, ook al moet het belang van het kind een overweging van de eerste orde zijn bij de afweging van alle belangen.
3.2.4
Partijen zijn op grond van artikel 21 Rv verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Als deze verplichting niet wordt nageleefd kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Ook moet de verzoeker in het verzoekschrift al de bekende verweren en de gronden daarvoor vermelden (de zogeheten substantiëringsplicht uit artikel 278 lid 1 in verbinding met artikel 111 lid 3 Rv).
3.2.5
De rechtbank constateert dat het verzoekschrift uit twee pagina’s bestaat. Het geeft geen enkele context over het verleden tussen partijen. Ook aan de substantiëringsplicht is niet voldaan. Uit hetgeen de vrouw heeft aangevoerd blijkt dat partijen een lange en beladen voorgeschiedenis hebben. Zo is de hoofdverblijfplaats van de minderjarige vorig jaar tussen partijen in geschil geweest en bij de vrouw bepaald, en is er sprake geweest van een uithuisplaatsing van de minderjarige nadat hij een periode feitelijk bij de man heeft verbleven. De man heeft nagelaten de rechtbank daarover te informeren, evenals over dat de minderjarige op dit moment onder toezicht staat van de GI en de GI de regie heeft over de contacten tussen de man en de minderjarige.
3.2.6
Het niet voldoen aan de onder 3.2.4. genoemde algemene procesbeginselen leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek afwijst.
3.2.7
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij het op dit moment niet in het belang van de minderjarige acht om zijn hoofdverblijfplaats te wijzigen. Er is al sinds januari geen contact geweest tussen de man en de minderjarige nadat een aantal begeleide omgangsmomenten niet naar behoren zijn verlopen. Daar komt nog bij dat de man in [woonplaats 1] woont en de minderjarige zijn hele leven in [woonplaats 2] heeft gewoond. Het gaat momenteel goed met de minderjarige. De rechtbank ziet in de huidige situatie dan ook geen enkele reden om de minderjarige over te brengen naar een situatie waarin hij gaat wonen bij zijn vader met wie hij geen contact heeft. Ook de raad en de GI achten dit niet in zijn belang.
3.3
Proceskosten
3.3.1
De rechtbank ziet aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat in familiezaken elk van de partijen de eigen kosten draagt. De man heeft bij zijn inleidend verzoekschrift verzuimd de volledige feiten en gronden aan te voeren, heeft deze ook niet later aangevuld en is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. De vrouw is daardoor onnodig op kosten gejaagd om zich te verweren in deze procedure. De rechtbank zal daarom de man als in de in het ongelijk gestelde partij op grond van artikel 289 Rv in de proceskosten veroordelen. De rechtbank sluit hiervoor aan bij het liquidatietarief.
3.3.2
De rechtbank hanteert het liquidatietarief II (€ 653,- per punt) en gaat uit van twee punten, te vermeerderen met het griffierecht. De rechtbank begroot de kosten aan de zijde van de vrouw op:
salaris advocaat: € 1.306,-
griffierecht: € 341,-
totaal: € 1.647,-
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
wijst af de verzoeken van de man;
4.2
veroordeelt de man tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van de vrouw begroot op € 1.647,-;
4.3
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is op 27 augustus 2026 mondeling gegeven door mr. E.M. Moerman, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.M. van Gils, griffier, en schriftelijk uitgewerkt op 10 september 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.