Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12672

2026-09-25 Bestuursrecht ROT 26/7121
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-25
Publicatiedatum
2026-09-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
ROT 26/7121
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopige voorziening (vovo). Varia. De burgemeester heeft gebruik gemaakt van haar bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, sub a, van de Opiumwet om de woning te sluiten. Gelet op het tijdsverloop is de voorzieningenrechter van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de maatregel zes maanden na de inval nog noodzakelijk en geschikt was.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.571 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 26/7121

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 september 2026 in de zaak tussen




[naam verzoeker] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [persoon A], uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J.H. de Jong),



en


de burgemeester van Rotterdam, de burgemeester
(gemachtigden: mr. J.P. Langenbach en mr. C.W. de Jong).


Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Hef Wonen, uit Rotterdam.



Samenvatting


1. Deze uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de huurwoning (de woning) van verzoeker voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoeker is het niet eens met de sluiting. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe, omdat gelet op het tijdsverloop onvoldoende is onderbouwd dat de sluiting van de woning voor de duur van drie maanden evenredig is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.




Procesverloop


2. Met het bestreden besluit van 7 juli 2026 heeft de burgemeester besloten de woning van verzoeker voor de duur van drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De woning is feitelijk op 14 juli 2026 gesloten. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



2.1.
De burgemeester en verzoeker hebben nadere stukken ingediend.



2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de bewindvoerder van verzoeker [persoon B] , de gemachtigden van de burgemeester en de gemachtigde van Stichting Hef Wonen [persoon C] .







Beoordeling door de voorzieningenrechter



Wat is er gebeurd?




3. Verzoeker woont op het adres [adres] te Rotterdam (de woning). Hij huurt deze woning van Stichting Hef Wonen.



3.1.
Naar aanleiding van een melding ging de politie op 14 januari 2026 naar de woning omdat sprake zou zijn van een verdachte situatie. De melder zou zijn aangesproken door een verwarde man en een andere verwarde man zou bloed in een portiek aan het opruimen zijn. De politie zag dat verzoeker in de hal van de portiek stond en aan het schoonmaken was. Daarnaast zag de politie dat verzoeker bloed op zijn armen en hoofd had en dat hij een dik blauw oog had. De politie is vervolgens met toestemming van verzoeker de woning binnen gegaan.



3.2.
In de woning heeft de politie diverse attributen (zoals een weegschaal en maatbekers) en een grote hoeveelheid chemicaliën en stoffen aangetroffen. In een kunststof Albert Heijn tas is circa 1090 gram cocaïne met procaïne aangetroffen.



3.3.
De politie heeft de bevindingen opgenomen in de bestuurlijke rapportage van 21 januari 2026 (de rapportage). De burgemeester heeft de bestuurlijke rapportage ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit om de woning voor de duur van drie maanden te sluiten.



Waar gaat het in deze zaak om?



4. Verzoeker is het niet eens met de sluiting van zijn woning. Hij voert aan dat de sluiting van zijn woning niet noodzakelijk is. Uit de rapportage volgt niet dat sprake was van een actief drugslaboratorium. Ook blijkt niet uit de rapportage dat ten tijde van de inval daadwerkelijk drugs werden verhandeld of geproduceerd. Na de inval hebben geen nieuwe incidenten plaatsgevonden en is ook geen sprake geweest van overlast. Een eventuele overtreding is daarmee beëindigd. Daarnaast is sprake van een aanzienlijk tijdsverloop tussen de inval en de sluiting, namelijk zes maanden. De woning is niet opnieuw in verband gebracht met drugsgerelateerde activiteiten. Dat zes maanden geleden sprake was van een ernstige situatie in de woning, rechtvaardigt niet dat de woning ten tijde van het bestreden besluit nog voor drie maanden kon worden gesloten. Ook voert verzoeker aan dat de sluiting van zijn woning niet evenwichtig is. Omdat de goederen in de woning niet van hem waren, maar van derden, is de situatie niet volledig aan hem toe te rekenen. Verzoeker is daarnaast een kwetsbare man die al jarenlang zijn leven op orde probeert te krijgen. Hij beschikt niet over vervangende woonruimte en heeft geen sociaal netwerk waarop hij op korte termijn kan terugvallen. Verzoeker staat op dit moment onder beschermingsbewind. Het behoud van zijn woning is ook noodzakelijk om verdere financiële problemen te voorkomen.



Heeft verzoeker een spoedeisend belang?



5. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor een beslissing op het bezwaar niet kan worden afgewacht.



5.1.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij na de sluiting van zijn woning op 14 juli 2026 korte tijd op straat heeft gewoond, maar dat hij momenteel verblijft bij een plek van Antes voor begeleid wonen. Stichting Hef Wonen heeft de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Op 25 september 2026 zal een kort geding plaatsvinden over de ontruiming van de woning. De burgemeester betwist het spoedeisend belang van verzoeker. De woning zal op 14 oktober 2026 weer worden geopend. Verzoeker heeft op dit moment ook onderdak bij Antes, waardoor verzoeker niet met spoed gebaat is bij het treffen van een voorlopige voorziening.



5.2.
De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden die verzoeker heeft aangevoerd voldoende spoedeisend belang om het verzoek om voorlopige voorziening inhoudelijk te beoordelen



Wat zijn de toepasselijke regels?




6. Op grond van artikel 13b, eerste lid, sub a, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang in de vorm van sluiting van een woning, indien in die woning een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.




6.1.
De burgemeester voert beleid om de handel in drugs in Rotterdam tegen te gaan. Dit beleid staat in de Beleidslijn bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet Rotterdam 2022. In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in beginsel overgaat tot sluiting van een woning.



Was de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?



7. De burgemeester is in beginsel bevoegd om de woning te sluiten als er een handelshoeveelheid drugs in een woning wordt aangetroffen. Bij harddrugs is sprake van een handelshoeveelheid als er meer dan 0,5 gram drugs wordt aangetroffen. De burgemeester heeft op basis van de rapportage geconcludeerd dat in de woning een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen en verzoeker heeft dit ook erkend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester dan ook bevoegd was de woning te sluiten. Verzoeker heeft de bevoegdheid van de burgemeester tot het sluiten van de woning ook niet betwist.



Had de burgemeester met een minder ingrijpend middel moeten volstaan?



8. De burgemeester is niet verplicht de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken. Zij dient een belangenafweging te maken bij haar beslissing of en op welke wijze zij van die bevoegdheid gebruik maakt. De burgemeester heeft daartoe de eerder genoemde Beleidslijn vastgesteld. Een sluiting van de woning voor drie maanden past binnen dit beleid. Dit betekent echter nog niet dat de burgemeester dan in alle gevallen zonder meer tot sluiting kan overgaan. Steeds zal zij moeten beoordelen of haar optreden in een concreet geval evenredig is. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van een woning en de duur ervan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn om de met de sluiting gediende doelen te bereiken.



Geschiktheid en noodzaak



9. Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge haar besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. In dat geval is het opleggen van een sluitingsbesluit niet langer geschikt. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester dient bij het beoordelen van de noodzaak ook rekening te houden met het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop zij ingevolge haar besluitvorming tot sluiting overgaat. Als het samenstel van omstandigheden meebrengt dat sluiting niet noodzakelijk is, dan dient de burgemeester hiervan af te zien.



9.1.
Op de zitting heeft de burgemeester ten aanzien van het tijdsverloop aangegeven dat de ernst van de situatie, namelijk de grote hoeveelheid drugs en de gevonden attributen, maakt dat de burgemeester ook na zes maanden na de inval nog over kon gaan tot sluiting van de woning. Gelet op wat er is aangetroffen is aannemelijk dat de woning een rol vervulde in de keten van drugshandel. Daarnaast heeft de burgemeester gewezen op het feit dat de woning in een kwetsbare wijk ligt die op het gebied van veiligheid onder het stedelijk gemiddelde scoort. Het tijdsverloop is deels te wijten aan de procedure die is gevolgd. Op 21 januari 2026 heeft de burgemeester de rapportage ontvangen en op 23 februari 2026 is het voornemen van de woningsluiting uitgebracht. Vervolgens hebben zowel verzoeker als Stichting Hef Wonen een zienswijze ingediend op 9 maart 2026. De burgemeester verwijst verder naar een bij de politie bekende melding van 6 juni 2026. De politie is op die datum aan de deur van de woning geweest naar aanleiding van overlast in de portiek. In de woning bleek een feestje te zijn geweest, waarbij de politie overal base pijpjes en lachgasflessen heeft gezien.



9.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester onvoldoende heeft onderbouwd waarom het sluiten van de woning op 14 juli 2026 voor de duur van drie maanden op dat moment nog een geschikt en noodzakelijk middel was. De voorzieningenrechter begrijpt dat het voornaamste doel van de sluiting is om de woning te onttrekken uit de keten van drugshandel. De overtreding is echter op 14 januari 2026 geëindigd doordat de gevonden harddrugs en attributen in beslag zijn genomen. Er zijn geen verdere meldingen van toeloop in verband met drugshandel bekend. De voorzieningenrechter acht de e-mail van de politie van 17 september 2026 over de melding van 6 juni 2026 niet concreet genoeg om die melding in verband te brengen met dergelijke loop of drugsgerelateerde overlast. Ook zijn er in het recente verleden geen andere (drugsgerelateerde) incidenten bekend in en rondom de woning. Hoewel de voorzieningenrechter het met de burgemeester eens is dat sprake was van een ernstige situatie, gelet op de aangetroffen hoeveelheid harddrugs en attributen, is de ernst van de overtreding niet doorslaggevend bij de vraag of het na zes maanden nog geschikt en noodzakelijk is om de woning voor de duur van drie maanden te sluiten. De omstandigheid dat de woning in een wijk ligt die op veiligheid onder het stedelijk gemiddelde scoort, legt daartoe ook onvoldoende gewicht in de schaal.



9.3.
Gelet op het bovenstaande, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet vast komen te staan dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter geeft mee dat in het besluit op bezwaar de burgemeester nader moet onderbouwen welke doelen zij met de sluiting van drie maanden nog voor ogen had, of die doelen op dat moment nog bereikt konden worden en hoe de duur van de sluiting zich verhoudt tot deze doelen. Omdat de voorzieningenrechter gelet op het voorgaande het bestreden besluit zal schorsen en een voorlopige voorziening zal treffen, komt zij niet meer toe aan een bespreking van de overige gronden, zoals de evenwichtigheid.




Conclusie en gevolgen


10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de woning van verzoeker per direct geopend dient te worden.



10.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Verzoeker krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.






Beslissing


De voorzieningenrechter:


- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van verzoeker.



Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Shahani, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.



Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2026.












De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.


griffier





voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.


Zie de uitspraak bij voetnoot 1, r.o. 9.


Zie de uitspraak bij voetnoot 1, r.o. 10.2.


Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2281.