Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12622

2026-08-25 Civiel recht; Personen- en familierecht C/10/717812 / FA RK 26-2809
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-08-25
Publicatiedatum
2026-09-25
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
C/10/717812 / FA RK 26-2809
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wijziging voorlopige voorziening, artikel 824 lid 2 Rv. Wijziging toevertrouwing afgewezen. Overeenstemming over gewijzigde zorgverdeling opgenomen. Verzoeken tot vervangende toestemming niet ontvankelijk verklaard. Eerdere afspraak kinderalimentatie in onderling overleg niet gelukt, rechtbank bepaalt bedrag.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (66.624 tekens)
Rechtbank Rotterdam


Team familie



Zaaknummer / rekestnummer: C/10/717812 / FA RK 26-2809




Beschikking van 25 augustus 2026 over wijziging voorlopige voorzieningen




in de zaak van:





[naam 1]
, hierna: de vrouw,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. D.S. Harhangi-Asarfi te Rotterdam,



t e g e n





[naam 2]
, hierna: de man,
wonende te [plaats 2] ,
advocaat mr. M.P. Kloppenburg te Rotterdam.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het gewijzigde verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 15 april 2026 en de bijlage bij het oorspronkelijke verzoekschrift van 8 april 2026;


het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 3 augustus 2026;


het verweerschrift op het zelfstandig verzoek zonder bijlagen van de vrouw van 10 augustus 2026.





1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen:


de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;


de man, bijgestaan door zijn advocaat;


de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .





1.3
De rechtbank heeft aan het begin van de mondelinge behandeling medegedeeld de bijlagen bij het verweerschrift van de vrouw van 10 augustus 2026, die niet dienen ter onderbouwing van het verweerschrift en het stuk van de man van 11 augustus 2026 buiten beschouwing te laten wegens te late indiening van die stukken.







2De vaststaande feiten


2.1
Partijen zijn op [huwelijksdag] 2022 met elkaar gehuwd.



2.2

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2022 te [geboorteplaats] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2024 te [geboorteplaats] .




2.3
Bij beschikking van deze rechtbank van 21 maart 2025 is:


bepaald dat de man met ingang van de datum van deze beschikking bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) te [plaats 3] ;


de vrouw bevolen (voor zover zij dat nog niet heeft gedaan) met ingang van de


datum van deze beschikking de echtelijke woning te verlaten en haar verboden deze verder te betreden;
- de regeling opgenomen die partijen over de minderjarigen hebben getroffen, te weten:

- de minderjarigen worden met ingang van 1 april 2025 aan de vrouw toevertrouwd;
- de minderjarigen verblijven met ingang van 1 april 2025 in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man als volgt:
- elke woensdag van 10.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de minderjarigen worden opgehaald en teruggebracht door de man;
- elke week van vrijdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij de minderjarigen worden opgehaald en teruggebracht door de man;
- met ingang van de datum waarop de echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) te [plaats 3] wordt geleverd aan een derde, geldt het volgende:
- de man zal met ingang van die datum een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vrouw voldoen;
- partijen zullen met ingang van die datum de hoogte van dit bedrag in onderling overleg berekenen.




2.4
De vrouw heeft inmiddels een verzoek tot echtscheiding gedaan, bekend onder zaak- en rekestnummer C/10/698156 FA RK 25-3039.






3De beoordeling


3.1

Juridisch kader



3.1.1
Partijen verzoeken beiden wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 21 maart 2025, elk op een andere manier.





3.1.2
Op grond van artikel 824 lid 2 Rv kan op verzoek van de echtgenoten of van één van hen kan een beschikking, als bedoeld in artikel 822 Rv, door de rechtbank die of het gerechtshof dat de beschikking heeft gegeven, worden gewijzigd of ingetrokken, indien:


de omstandigheden na de dagtekening der beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd; of


bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan,


dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven.



3.1.3
Zoals besproken tijdens de zitting is dit een hoge drempel in de wet om te kunnen komen tot wijziging van een eerdere voorlopige voorzieningenbeschikking. Een voorlopige voorziening is een ordemaatregel, die bedoeld is om een brand te blussen. Voor de wijziging van een voorlopige voorziening moeten er nieuwe omstandigheden zijn die er overtuigend toe leiden dat de eerdere brand volledig is opgelaaid of er moet eerder van onjuiste gegevens zijn uitgegaan waardoor de brand nooit geblust is geweest, en dat alles moet er toe leiden dat het noodzakelijk is, bij wijze van uitzondering, opnieuw een ordemaatregel te treffen, in afwachting van de echtscheidingsprocedure. Hieronder zal de rechtbank per onderwerp beoordelen of die hoge drempel is bereikt.




3.2

Toevertrouwing van de minderjarigen



3.2.1
De man verzoekt wijziging van de toevertrouwing, namelijk dat de minderjarigen worden toevertrouwd aan de man.



3.2.2
De vrouw voert gemotiveerd verweer.



3.2.3
De rechtbank zal het verzoek van de man afwijzen. In de vorige voorlopige voorzieningenprocedure hebben partijen samen afgesproken dat de minderjarigen worden toevertrouwd aan de vrouw. De man wil nu dat de minderjarigen worden toevertrouwd aan hem. De man onderbouwt zijn verzoek met zijn stellingen dat hij beschikt over een geschiktere woning dan de vrouw in een kindvriendelijke buurt, terwijl de buurt waar de vrouw woont niet goed bekend zou staan, en dat de oudste minderjarige vanaf het komende schooljaar naar school gaat. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit geen gewijzigde omstandigheden die maken dat de voorlopige voorziening niet in stand kan blijven. Tijdens de procedure die heeft geleid tot de beschikking van 21 maart 2025 woonde de vrouw namelijk in dezelfde woning en in dezelfde buurt als nu. Daarnaast was toen al bekend dat de man zou gaan wonen in de woning waar hij nu woont. Verder kan het geen verrassing zijn dat beide minderjarigen op enig moment de schoolgaande leeftijd bereiken. Partijen hebben toen, dit alles wetende, afgesproken dat de minderjarigen worden toevertrouwd aan de vrouw. De rechtbank ziet in de stellingen van de man geen enkele gewijzigde omstandigheid, laat staan dat de voorlopige voorziening écht niet in stand kan blijven. Dat partijen het erover eens zijn dat dat de co-ouderschapsregeling die zij toen zijn overeengekomen niet goed werkt, maakt het oordeel van de rechtbank over de toevertrouwing niet anders. Dat betekent dat de hoge drempel voor wijziging van de beschikking niet is bereikt en dat de afspraak dat de minderjarigen worden (en inmiddels dus zijn) toevertrouwd aan de vrouw, die is opgenomen in die beschikking, in stand zal blijven.





3.3

Zorgregeling



3.3.1
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling een onderlinge regeling getroffen, waarmee de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) over de weekends wordt gewijzigd. De rechtbank zal deze nieuwe regeling als nieuwe afspraak opnemen in de beschikking.



3.3.2
De rechtbank zal de verzoeken van de vrouw dat:


als de ouder bij wie de minderjarigen volgens de zorgregeling verblijven meer dan vier uur verhinderd is, deze ouder de zorg eerst moet aanbieden aan de andere ouder, met een reactietermijn van acht uur, en waarbij pas bij weigering of uitblijven van reactie opvang door derden mag worden ingeschakeld, onder verbeurte van een dwangsom van € 50,- per overtreding, met een maximum van € 500,- per maand;


de ouder bij wie de minderjarigen volgens de zorgregeling verblijven minimaal twee belmomenten per dag faciliteert;


ouders bij iedere wisseling rapporteren over voeding, gezondheid, dagritme en bijzonderheden,


afwijzen. De vrouw voert ter onderbouwing van haar verzoeken tijdens de mondelinge behandeling aan dat het (achteraf) onjuist is geweest dat bovengenoemde onderwerpen tijdens de vorige voorlopige voorzieningenprocedure niet zijn behandeld, omdat de minderjarigen er last van hebben dat over deze onderwerpen nu geen duidelijkheid bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee echter niet voldaan aan de wettelijke voorwaarde (hoge drempel) voor wijziging van de voorlopige voorzieningenbeschikking. Zoals gezegd moet er dan sprake zijn van nieuwe omstandigheden die maken dat de eerdere brand volledig is opgelaaid of er moet eerder van onjuiste gegevens zijn uitgegaan waardoor de brand nooit geblust is geweest. Daarin is geen plaats voor de wens om bij de rechtbank op detailniveau in te gaan op alle aspecten rondom de verzorging en opvoeding die verbetering behoeven, waar het verzoek van de vrouw in de optiek van de rechtbank op neerkomt. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om, zoals de vrouw bepleit, op basis van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind of het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens artikel 824 lid 2 Rv opzij te zetten. Verder kan de omstandigheid dat partijen het erover eens zijn dat de voorlopige voorzieningenbeschikking van 21 maart 2025 inmiddels ‘door de tijd is ingehaald’ naar het oordeel van de rechtbank ook niet leiden tot wijziging van die beschikking. Als de enkele grondslag dat voorlopige voorzieningen door de tijd zijn ingehaald telkens voldoende zou zijn voor een herbeoordeling en wijziging, dan zou, in het licht van de grenzen aan de beschikbare capaciteit bij de rechtbanken, nooit meer worden toegekomen aan de behandeling van de echtscheidingsprocedure. In dat geval zou de voorlopige voorzieningenprocedure zijn doel voorbijschieten.



3.3.3
Net als partijen constateert de rechtbank wel dat het allesbehalve soepel loopt tussen partijen, dat veel van de problemen tussen hen worden veroorzaakt door de gebrekkige onderlinge communicatie en dat verbetering daarvan noodzakelijk is. Zo is de uitwisseling van informatie tijdens de overdracht die de vrouw onder het derde streepje hierboven verzoekt, een voorbeeld van een actiepunt dat partijen absoluut moeten gaan oppakken. Daarover zullen partijen afspraken moeten gaan maken. Tijdens de vorige voorlopige voorzieningenprocedure is al aan de orde gekomen dat partijen met hulp tot een ouderschapsplan kunnen komen, bijvoorbeeld tijdens een viergesprek, in mediation of bij het wijkteam. Tijdens de zitting heeft de vrouw verteld dat zij eind september 2026 een belafspraak heeft met het wijkteam voor hulp in de onderlinge communicatie en voor opvoedondersteuning met betrekking tot [minderjarige 1] . De man heeft desgevraagd geantwoord dat hij ervoor open staat om met de vrouw bij het wijkteam om tafel te gaan om professionele hulp en begeleiding te krijgen hoe zij samen de beste ouders voor hun jongens kunnen worden. In de optiek van de rechtbank is dit onder de gestelde omstandigheden de aangewezen route om de benodigde verbeteringen te bereiken, in plaats van wijziging van een eerdere voorlopige voorzieningenbeschikking. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen zich daar allebei voor zullen inzetten.



3.3.4
De rechtbank zal het verzoek van de man dat de feestdagen en schoolvakanties bij helfte worden verdeeld, afwijzen. De omstandigheid dat tijdens de vorige voorlopige voorzieningenprocedure geen voorziening is verzocht noch getroffen over de feestdagen en schoolvakanties, is nog geen omstandigheid waardoor de voorlopige voorzieningenbeschikking niet in stand kan blijven.



3.3.5
De rechtbank zal ook de voorwaardelijke verzoeken van de man afwijzen, omdat de voorwaarde voor beoordeling daarvan (toevertrouwing van de minderjarigen aan de man) niet is vervuld.




3.4

Vervangende toestemming



3.4.1
De vrouw verzoekt haar vervangende toestemming te verlenen, die de toestemming van de man vervangt, voor:


inschrijving van [minderjarige 1] bij [naam school 1] te [plaats 1] ;


inschrijving van [minderjarige 2] bij de aan die school verbonden peuterspeelzaal;


het aanvragen van een paspoort voor [minderjarige 2] .





3.4.2
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt hem vervangende toestemming te verlenen, die de toestemming van de vrouw vervangt, voor:


inschrijving van [minderjarige 1] bij basisschool [naam school 2] te [plaats 2] ;


inschrijving van [minderjarige 2] bij kinderdagverblijf [naam kinderdagverblijf] te [plaats 2] .





3.4.3
De verzoeken van partijen vallen niet onder de in artikel 822 Rv gegeven limitatieve opsomming van te vragen voorlopige voorzieningen. Daarom zullen partijen niet ontvankelijk worden verklaard in hun verzoeken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man desgevraagd geantwoord dat het voor hem akkoord is dat de minderjarigen in [plaats 1] naar school gaan in de situatie dat de minderjarigen aan de vrouw worden toevertrouwd. De rechtbank gaat ervan uit dat de man ook zijn medewerking zal verlenen aan het aanvragen van een paspoort voor [minderjarige 2] .




3.5

Onderhoudsbijdrage



3.5.1
De vrouw verzoekt de kinderalimentatie vast te stellen op € 1.002,- per maand, jaarlijks te indexeren conform artikel 1:402a BW, en primair ingaande op 1 juni 2025 en verweerder te veroordelen de achterstallige termijnen ineens te voldoen, subsidiair ingaande op de datum van indienen van haar verzoekschrift, en dat is 15 april 2026.



3.5.2
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt de kinderalimentatie te beperken tot een bedrag van € 159,- per maand per kind.



3.5.3
Vaststaat dat partijen uiteindelijk geen gevolg hebben gegeven aan de onderlinge regeling over de kinderbijdrage die in de voorlopige voorzieningenbeschikking van 21 maart 2025 is opgenomen. Deze onderlinge regeling luidt dat de man met ingang van de datum waarop de echtelijke woning wordt geleverd aan een derde, een kinderbijdrage aan de vrouw zal voldoen en partijen de hoogte van dit bedrag met ingang van diezelfde datum in onderling overleg berekenen. Omdat dit niet is gebeurd en de minderjarigen daar de dupe van zijn, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een gewijzigde omstandigheid die maakt dat de eerdere beschikking niet in stand kan blijven. Anders dan een bel- of achtervangregeling is een voorziening over de kinderbijdrage immers geen onderwerp op detailniveau, maar een broodnodige voorziening in de aanloop naar echtscheiding. Daarom zal de rechtbank overgaan tot het vaststellen van de kinderbijdrage.



3.5.4
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).



Ingangsdatum





3.5.5
Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden vastgesteld. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst over dit geschilpunt een beslissing nemen.



3.5.6
De vrouw verzoekt primair 1 juni 2025 en subsidiair de datum van indiening van haar verzoekschrift – 15 april 2026 – als ingangsdatum vast te stellen.



3.5.7
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een voorlopige kinderalimentatie over de periode van 1 juni 2025 tot 1 september 2026 te beperken tot een bedrag van € 159,- per kind per maand, en voor het overige af te wijzen.



3.5.8
Hoewel de rechtbank in beginsel terughoudend moet omgaan met het vaststellen van alimentatie met terugwerkende kracht, ziet de rechtbank in het gegeven dat partijen in de vorige voorlopige voorzieningenprocedure zijn overeengekomen dat de datum van levering van de echtelijke woning aan een derde als ingangsdatum geldt, aanleiding om daarbij aan te sluiten. Tijdens de mondelinge behandeling is onweersproken gesteld dat de echtelijke woning op 1 mei 2025 is geleverd aan een derde. De rechtbank zal aansluiten bij de datum van 1 juni 2025 die de vrouw primair verzoekt, omdat deze datum het dichtstbij de eerder overeengekomen ingangsdatum ligt. De rechtbank voelt zich in deze procedure niet vrij om, nu de man lijkt in te stemmen met een (beperkte) bijdrage vanaf 1 juni 2025, buiten de rechtsstrijd van partijen te treden en als ingangsdatum 1 mei 2025 te bepalen. Het had op de weg van de vrouw gelegen om haar verzoek op dat punt te wijzigen. De rechtbank betrekt daarbij dat deze ingangsdatum weliswaar een hele tijd geleden is waardoor de man mogelijk met een grote achterstand wordt geconfronteerd, maar tegelijkertijd heeft de man ruimschoots de tijd gehad om rekening te houden met een kinderbijdrage. In de eerdere voorlopige voorzieningenprocedure is immers ook al om een kinderbijdrage verzocht en hebben partijen een afspraak gemaakt over de ingangsdatum.






Behoefte





3.5.9

Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen) € 1.432,- per maand bedraagt (in 2025). Dit is gebaseerd op een inkomen van de man van € 83.983,- bruto per jaar in 2024 (netto besteedbaar inkomen: € 4.545,- per maand) en een gemiddelde winst uit onderneming van de vrouw van € 11.031,- in 2024 (netto besteedbaar inkomen: € 891,- per maand) en een kindgebonden budget van € 100,- per maand, waarmee het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2024 uitkwam op een bedrag van € 5.536,- per maand, het eigen aandeel in 2024
€ 1.345,- bedroeg en dit eigen aandeel geïndexeerd naar 2025 € 1.432,- bedraagt.




Draagkracht





3.5.10
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.



3.5.11
Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2025-1.



Draagkracht man




3.5.12

Tussen partijen is niet in geschil dat, als de rechtbank een datum in 2025 als ingangsdatum hanteert, de draagkracht van de man moet worden berekend aan de hand van zijn jaaropgave over het jaar 2025, waarop een jaarloon staat genoemd van € 88.636,-. Zoals de man tijdens de mondelinge behandeling aanvoert, zal de rechtbank daarop de fiscale bijtelling voor de auto van de zaak van € 818,39 die uit de loonstroken over 2026 blijkt, in mindering worden gebracht. De rechtbank zal rekening houden met een inkomen van € 88.636 – (€ 818,39 x 12 maanden) = € 78.815,32. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man op € 4.412,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting.



3.5.13

De draagkracht van de man moet, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,- per maand, in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [4.412 – (0,3x 4.412 + 1.365)] = € 1.245,-.
De man stelt dat rekening gehouden moet worden met de aflossing van een (voorhuwelijkse) privéschuld van € 10.000,- aan zijn ouders, waarvoor hij met ingang van 1 september 2026 € 200,- per maand zal aflossen. De vrouw betwist bij gebrek aan onderbouwende stukken het bestaan van deze schuld. Daarnaast voert zij aan dat schulden bij familieleden kritisch moeten worden beoordeeld en merkt zij op dat de timing (voorhuwelijkse schuld die pas vanaf september 2026 wordt afgelost) opmerkelijk is. Verder bepleit de vrouw dat de onderhoudsplicht jegens minderjarige kinderen voorrang heeft op schulden bij familieleden.
In het licht van deze gemotiveerde betwisting van de vrouw heeft de man het bestaan van deze schuld niet (tijdig) onderbouwd terwijl de man ook bij zijn verweerschrift al tijdig stukken had kunnen indienen. De rechtbank zal dus geen rekening houden met deze schuld en uitgaan van een draagkracht van € 1.245,-.

Draagkracht vrouw




3.5.14

Tussen partijen is het inkomen van de vrouw in geschil.
De vrouw stelt dat dat haar draagkracht maximaal op € 50,- per maand in totaal kan worden vastgesteld, omdat de vrouw sinds de geboorte van de oudste parttime heeft gewerkt, zij tijdens haar zwangerschapsverlof klanten is kwijtgeraakt, haar winst over de jaren 2022 tot en met 2024 gemiddeld € 11.000,- per jaar is geweest, zij een half jaar in een safe house heeft gezeten en niet heeft kunnen werken om veiligheidsredenen en daarna [minderjarige 2] is geboren. Sinds dit alles is zij nog maar net begonnen om haar klantenbestand weer op te bouwen naar het oude niveau. Daarbij is zij afhankelijk van het aantal boekingen, waardoor haar werkzame tijd niet altijd is gevuld met een betaalde afspraak.
De man bepleit dat de vrouw in staat moet worden geacht om een bruto winst van € 40.000,- per jaar te realiseren. De man voert aan dat de vrouw al twee jaar zonder kinderbijdrage rondkomt, op basis waarvan hij concludeert dat óf de minderjarigen iets te kort komen, óf de vrouw méér inkomen heeft dan zij in de stukken laat zien. De man voert verder aan dat de vrouw de best lopende schoonheidssalon van de stad heeft, zij gemakkelijk minimaal 20 uur per week tegen € 50,- per uur zou kunnen werken en zij een luxe Range Rover Evoque met een dagwaarde van ongeveer € 60.000,- leaset waarvoor een behoorlijk bedrijfsresultaat nodig zal zijn. De vrouw betwist dat zij meer inkomen heeft met haar stelling dat zij geld leent van haar ouders en zus. De vrouw betwist ook dat de Range Rover duidt op een aanzienlijke winst met haar stelling dat zij door een goed aanbod van de leasemaatschappij haar vorige auto kon ruilen voor een luxere auto zonder dat de lasten stegen.
De rechtbank is van oordeel dat het, gezien het verblijf van de vrouw in de safe house en de geboorte van beide minderjarigen vlak voor en vlak na die tijd, wat er al met al toe heeft geleid dat de vrouw een jaar lang niet in haar onderneming heeft kunnen werken, niet redelijk is om in deze voorlopige voorzieningenprocedure al van haar te verwachten dat zij
€ 40.000,- winst per jaar zal kunnen genereren. Daarom zal de rechtbank de draagkracht van de vrouw vaststellen op het minimumbedrag van € 50,- per maand, uitgaande van de gestelde gemiddelde winst, wat ook het uitgangspunt is geweest bij het bepalen van de behoefte van de minderjarigen.




3.5.15
Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 701,- per maand, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.



Draagkrachtvergelijking





3.5.16
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen lager is dan de behoefte van de minderjarigen kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van de man is beperkt tot zijn draagkracht.



Zorgkorting





3.5.17
De man had op grond van de vorige afspraak de zorg voor de minderjarigen op woensdagen van 10.00 tot 19.00 uur en elk weekend van vrijdag 10.00 tot zondag 19.00 uur. Tijdens deze procedure zijn partijen overeengekomen dat de weekendregeling wordt gewijzigd zodat de minderjarigen om het weekend bij de man zijn en het andere weekend bij de vrouw. Gezien de nu op te nemen afspraak over de zorgregeling, stelt de rechtbank vast dat de man gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor de minderjarigen. Hierbij hoort een zorgkorting van 25%.



3.5.18
Omdat de behoefte van de minderjarigen € 1.432,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 358,- per maand.



3.5.19
Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Dit geschiedt als volgt:


Het tekort bedraagt € 137,-, zodat de helft daarvan is € 68,50.
Laatstgenoemd bedrag wordt afgetrokken van de zorgkorting: was € 358,-, zodat resteert € 358 - € 68,50 = € 289,50.
Dit restant komt in mindering op de eerder berekende bijdrage: € 1.245 - € 289,50 =
€ 955,50.
De aan de man op te leggen bijdrage wordt dus: € 956,- per maand (afgerond).




Conclusie





3.5.20
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 478,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.


3.5.21
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.



3.5.22
Omdat de onderhoudsbijdrage in 2026 wordt vastgesteld, zal de rechtbank bepalen dat de onderhoudsbijdrage per 1 januari 2026 en ieder jaar daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering. De rechtbank treedt hiermee niet buiten de rechtsstrijd van partijen omdat de vrouw een hogere bijdrage per maand heeft verzocht.




3.6

Proceskosten



3.6.1
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.







4De beslissing


De rechtbank:



4.1

wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 21 maart 2025 gegeven beslissing, waarin de onderlinge regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is opgenomen, in die zin dat die onderlinge regeling over de weekends nu wordt vastgesteld als volgt:
- de minderjarigen verblijven om de week van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij de man, waarbij de overdracht van beide minderjarigen op vrijdag zal plaatsvinden bij school;




4.2
bepaalt het bedrag dat de man met ingang van 1 juni 2025 aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen op € 478,- per maand per kind bij vooruitbetaling te voldoen;



4.3
bepaalt het bedrag dat de man met ingang van 1 januari 2026 aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen op € 500,- per maand per kind bij vooruitbetaling te voldoen;



4.4
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



4.5
verklaart partijen niet ontvankelijk in hun verzoeken tot vervangende toestemming, ter vervanging van de toestemming van de andere ouder;



4.6
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;



4.7
wijst af het meer of anders verzochte.










Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C.A. van 't Zelfde, griffier, op 25 augustus 2026.




















































Partij


Alimentatieplichtige




Zaak


Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde ( [nummer] )




Berekening


Draagkrachtberekening




Tarieven


2025-1




Datum uitdraai


24-08-2026





























Box 1 Inkomen uit werk en woning











Loon volgens jaaropgaaf











(60)





60


Loon volgens jaaropgaaf








€


88.636




































In het loon volgens jaaropgaaf begrepen








- fiscale bijtelling voor het privé gebruik van de zakelijke auto





-


€


9.821




































Op het bruto loon ingehouden





59


Inkomsten (transport)








€


78.815




































Belastbaar loon (61-64)










64







Belastbaar loon





















€







78.815




































Heffing box 1 (94-95)










94







Belastbaar inkomen uit werk en woning





















€







78.815







- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)








€


13.769







- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817








€


14.383







- Schijf 3, 49,5% over € 76.818 of meer








€


989









95







Inkomensheffing box 1





















€







29.141




































Besteedbaar inkomen (113-120)





113


Inkomen voor aftrek inkomensheffing








€


78.815









114


Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3





€


29.141







115/116


Heffingskorting en standaard heffingskorting


-


€


3.273







117


Verschuldigde inkomensheffing





-


€


25.868
















Inkomen na aftrek inkomensheffing





















€







52.947


































Specificaties voor post: 115/116














Algemene Heffingskorting





€


0


jaar










Arbeidskorting





€


3.273


jaar






































120







Besteedbaar inkomen





















€







52.947




































120a

















Netto besteedbaar inkomen (per jaar)





















€







52.947




120a


Netto besteedbaar inkomen (per maand)








€


4.412














Partij


Alimentatiegerechtigde




Zaak


Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde ( [nummer] )




Berekening


Draagkrachtberekening




Tarieven


2025-1




Datum uitdraai


24-08-2026





























Box 1 Inkomen uit werk en woning











Winst uit onderneming (65-75)





65


Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)








€


11.000




70


Winst uit onderneming








€


11.000




































Ondernemersaftrek








MKB Winstvrijstelling





-


€


1.397









75







Belastbare winst uit onderneming





















€







9.603




































Heffing box 1 (94-95)










94







Belastbaar inkomen uit werk en woning





















€







9.603







- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)








€


3.439









95







Inkomensheffing box 1





















€







3.439




































Besteedbaar inkomen (113-120)





113


Inkomen voor aftrek inkomensheffing








€


11.000









114


Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3





€


3.439







115/116


Heffingskorting en standaard heffingskorting


-


€


4.510



















Inkomen na aftrek inkomensheffing





















€







11.000


































Specificaties voor post: 115/116














Algemene Heffingskorting





€


3.068


jaar










Arbeidskorting





€


886


jaar










Combinatiekorting





€


556


jaar







































117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW








Winst uit onderneming





€


9.603










Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd





€


9.603










Maximum bijdrage loon





€


75.864










Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd





€


75.864










Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd





€


9.603










Percentage Zvw





%


5,26










Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW





€


505




































Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW





-


€


505

































Bij: Kindgebonden budget





€


8.411






































120







Besteedbaar inkomen





















€







18.906




































120a

















Netto besteedbaar inkomen (per jaar)





















€







18.906




120a


Netto besteedbaar inkomen (per maand)








€


1.576