Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12588

2026-09-03 Civiel recht C/10/724904 / KG ZA 26-874
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-03
Publicatiedatum
2026-09-24
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/10/724904 / KG ZA 26-874
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Executiegeschil. Vordering tot het verbieden van parate executie woning. Afwijzing.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (23.803 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team handel en haven




Zaaknummer: C/10/724904 / KG ZA 26-874




Vonnis in kort geding van 3 september 2026




in de zaak van





[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de Holding,
advocaat: mr. M.A.C. van den Heuvel,



tegen





[executeur] , IN HAAR HOEDANIGHEID VAN EXECUTEUR OVER DE NALATENSCHAP VAN [de vader],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de executeur,
advocaat: mr. M.J. op 't Ende.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 augustus 2026, met producties 1 tot en met 13;- de producties 1 tot en met 11 van de executeur;- de mondelinge behandeling op 24 augustus 2026;
- de op de mondelinge behandeling door de executeur overgelegde aangepaste productie 11;- de pleitnota van de Holding;- de pleitaantekeningen van de executeur.






2De feiten


2.1.
De Holding is in [jaartal] opgericht door (onder andere) [de vader] (hierna: [de vader] ) en houdt zich bezig met het beheren en exploiteren van commercieel vastgoed.



2.2.
De zoon van [de vader] is [de zoon] (hierna: [de zoon] ). Hij is sinds de jaren ’90 werkzaam binnen (de aan) de Holding (gelieerde ondernemingen).



2.3.
Vanaf 2000 heeft [de vader] voorbereidingen getroffen voor zijn opvolging door [de zoon] als directeur/aandeelhouder van de Holding. [de zoon] is in 2001 benoemd tot bestuurder van de Holding, naast [de vader] .



2.4.


[de vader] en de Holding hebben op 5 maart 2002 een overeenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten waarin onder meer het volgende staat:
“(…) IN AANMERKING NEMENDE




Dat [de vader] en zijn echtgenote maandelijks een bedrag van € 2.722,68 nodig hebben om te voorzien in de kosten van dagelijks levensonderhoud;




Dat [de vader] alle door de Holding uitgegeven aandelen B in zijn bezit heeft;




Dat [de vader] de in zijn bezit zijnde aandelen op enig moment volledig wil overdragen aan de Holding;




Dat de Holding alsdan bereid is tot inkoop van deze aandelen over te gaan;





(…)

Artikel 1



[de vader] of diens echtgenote, in het geval van overlijden van [de vader] , zal van de Holding maandelijks een bedrag van € 2.722,68 ontvangen.



Artikel 2


Betaling van het in artikel 1 genoemde bedrag zal plaatsvinden op initiatief van de Holding. zolang de financiële positie van de Holding dit toelaat. [de vader] kan aan een betaling van de Holding geen rechten ten aanzien van het voortduren hiervan ontlenen.



Artikel 3


Het totaal van de door de Holding aan [de vader] betaalde bedragen zal worden aangemerkt als een voorschot op het door de Holding aan [de vader] in de toekomst te betalen bedrag uit hoofde van de inkoop van de aandelen B welke alsdan in bezit van [de vader] zijn. [de vader] zal over het reeds ontvangen voorschot geen rente aan de Holding verschuldigd zijn.


(…)

Artikel 5.


De Holding verkrijgt een optie op de aandelen B die [de vader] in zijn bezit heeft.



Artikel 6


Uitoefening van het optierecht door de Holding kan jaarlijks plaatsvinden tot een maximum van 170 aandelen B. Op verzoek van de Holding zal [de vader] binnen twee weken overgaan tot daadwerkelijke levering. In welk geval de prijs van de over te dragen aandelen in onderling overleg tussen de Holding en [de vader] zal worden bepaald. Bij de afrekening zal de overeengekomen prijs zoveel als mogelijk met het in artikel 3 genoemde voorschot, of het restant hiervan, worden verrekend. Verrekening zal in dit geval niet leiden tot enige teruggave van gelden door [de vader] aan de Holding.





Artikel 7


In het geval zowel [de vader] als zijn echtgenote zijn overleden, heeft de Holding het recht het optierecht uit te oefenen voor het gehele restant, zonder de hiervoor genoemde jaarlijkse restrictie van 17 stuks, van de aandelen B welke op het moment van overlijden in het bezit waren van [de vader] , respectievelijk zijn echtgenote. In dit geval wordt de prijs van de aandelen bepaald door een externe deskundige. De aldus bepaalde (totaal)prijs zal zoveel als mogelijk worden verrekend met het in artikel 3 genoemde voorschot, of het restant hiervan. Een na verrekening eventueel resterend gedeelte van het voorschot zal aan de Holding dienen te worden terugbetaald. (…)”




2.5.

Bij overeenkomst van 5 februari 2015 heeft [de vader] aan de Holding een geldlening van € 100.000,00 verstrekt. In deze overeenkomst staat onder meer het volgende:
“(…) 2. de hoofdsom moet worden afgelost in tweehonderdveertig (240) achtereenvolgende

termijnen, elk groot vierhonderdzeventien euro (€ 417, 00), te voldoende op voormelde


renteverschijndagen, voor het eerst op 01-03-2015;


(…)

3. de schuldeiser zal te alten tijde het recht hebben de hoofdsom of het eventueel resterend


gedeelte daarvan, met de interest tot en met de betaaldag, verhoogd met ven som gelijk


aan drie maanden interest, ineens en zonder voorafgaande waarschuwing op te eisen,


indien de schuldenaar zijn verplichtingen uit deze overeenkomst voortvloeiende niet of niet


behoorlijk nakomt(…);”



2.6.
Als zekerheid tot terugbetaling van de onder 2.5 vermelde geldlening (inclusief rente en kosten), heeft de Holding ten gunste van [de vader] een hypotheekrecht gevestigd op het pand gelegen aan [adres] te [postcode] [plaats] , kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] (hierna: het pand), tot een bedrag van € 130,000,00.



2.7.

[de vader] en de Holding (lees: [de vader] en [de zoon] ) hebben met elkaar geprocedeerd over de inhoud en de uitvoering van de overeenkomst (en de geldleningsovereenkomst). Bij vonnis van 14 december 2022 van deze rechtbank is de Holding onder meer veroordeeld tot terugbetaling van de geldlening met rente.



2.8.
De Holding is tot op heden niet overgegaan tot (terug)betaling van de geldlening.



2.9.

[de echtgenote] , de echtgenote van [de vader] , is op [datum 1] overleden. [de vader] is op [datum 2] overleden.



2.10.

[de zoon] is door zijn ouders onterfd. [de dochter] is de dochter van [de echtgenote] en [de vader] . Zij is enig erfgenaam en tevens de executeur van beide nalatenschappen.



2.11.
Bij brief van 17 juni 2026 eist de executeur, namens de nalatenschap, de hypothecaire geldlening van € 100.000,00 en de (boete)rente van € 45.000,00 op en kondigt aan dat zij bij het uitblijven van betaling over zal gaan tot uitwinning van de zekerheden middels een openbare executieveiling. De executeur geeft aan dat de reden daarvoor is dat tot 17 juni 2026 geen betaling van de geldlening heeft plaatsgevonden, ondanks eerdere sommaties. Daardoor is de geldlening op grond van artikel 6 lid 1 van de geldleningsovereenkomst integraal opeisbaar is geworden.



2.12.
Bij brief van 17 juli 2026 stelt [persoon A] , werkzaam als register notarisklerk bij [bedrijf] B.V., de Holding op de hoogte van het feit dat de executeur haar op 24 juni 2026 opdracht heeft gegeven om de hypothecaire vordering uit te winnen door middel van een executieveiling. [persoon A] geeft aan dat de executieveiling op 23 september 2026 plaatsvindt.







3Het geschil


3.1.
De Holding vordert bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:



primair:



1. de executeur te verbieden om, zelf dan wel door tussenkomst van een notaris, deurwaarder of andere derde, de parate executie van het ten gunste van wijlen [de vader] gevestigde hypotheekrecht op het registergoed, gelegen aan [adres] te [postcode] [plaats] , kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] , ter zake van de bij brief van 17 juni 2026 opgeëiste hoofdsom, rente, boeterente en kosten voort te zetten, te doen voortzetten, opnieuw te initiëren of te doen initiëren;

2. de executeur te gebieden om binnen vierentwintig uur na betekening van dit vonnis de aan [bedrijf] verstrekte veilingopdracht schriftelijk en onvoorwaardelijk in te trekken en [bedrijf] schriftelijk opdracht te geven alle werkzaamheden ter voorbereiding van de executoriale verkoop te staken, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van deze mededelingen aan de Holding;



subsidiair:



3. de executeur te verbieden om, zelf dan wel door tussenkomst van een notaris, deurwaarder of andere derde, voornoemde parate executie voort te zetten, te doen voortzetten, opnieuw te initiëren of te doen initiëren, totdat in een door de Holding binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aanhangig te maken bodemprocedure bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, dan wel bij een in kracht van gewijsde gegane uitspraak, is beslist:

a. of de Holding bevoegd was haar vordering op de nalatenschap te verrekenen met de door de executeur opgeëiste hypotheekvordering; en
b. of en tot welk bedrag na die verrekening nog een opeisbare en door het hypotheekrecht verzekerde vordering resteert; te bepalen dat het onder 3 gevorderde verbod van rechtswege vervalt indien de Holding de bedoelde bodemprocedure niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aanhangig heeft gemaakt;




meer subsidiair:



4. de executeur te verbieden de voorgenomen executoriale verkoop gedurende een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn voort te zetten of opnieuw te initiëren;



zowel primair als subsidiair:



6. de executeur te verbieden de vóór 1 augustus 2026 gemaakte kosten ter voorbereiding van de executoriale verkoop aan de Holding door te belasten, bij de hypotheekschuld op te tellen of anderszins op de Holding te verhalen;

7. de executeur te veroordelen tot betaling aan de Holding van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere overtreding van de onder 1, 2, 3, 5 of 6 uitgesproken veroordelingen, alsmede € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 250.000,00;

8. veroordeling van de executeur in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.



3.2.
De executeur concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de Holding, met veroordeling van de Holding in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.






4De beoordeling



Spoedeisend belang




4.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend van de Holding bij haar vorderingen voortvloeit uit de aard daarvan, nu de executeur heeft aangekondigd dat de executieveiling plaatsvindt op 14 oktober 2026 (de oorspronkelijk geplande executieveiling op 23 september 2026 is uitgesteld) en de Holding deze verkoop wil voorkomen.



Standpunten partijen





4.2.
De Holding stelt onder meer het volgende. De nalatenschap heeft een vordering van € 100.000,00 (exclusief betwiste rente) op de Holding. Deze vordering heeft de Holding rechtsgeldig verrekend met haar opeisbare tegenvordering op de nalatenschap van € 879.047,00. Daartoe stelt de Holding dat zij in 2002 met [de vader] een overeenkomst heeft gesloten met betrekking tot de beoogde overdracht van de door [de vader] gehouden aandelen B aan de Holding. In dat kader betaalde de Holding maandelijks een bedrag van € 2.722,68 aan [de vader] als voorschot op de koopprijs van de aandelen. De aandelen zouden middels het optierecht op enig moment aan de Holding worden overgedragen, waarbij de betaalde voorschotten met de koopprijs zouden worden verrekend. De aandelen zijn echter niet overgedragen en de voorschotten zijn daardoor niet met de koopprijs verrekend. Volgens de Holding resteert daardoor een voorschotpositie van in totaal € 879.047,00, die vanaf het moment van overlijden van [de vader] opeisbaar is geworden. Omdat deze tegenvordering de volledige vordering (inclusief betwiste rente) van de nalatenschap op de Holding ruimschoots overtreft, resteert volgens de Holding geen vordering aan de zijde van de nalatenschap. Daarnaast stelt de Holding dat de executeur misbruik heeft gemaakt van haar executiebevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW. Volgens de Holding is dus niet voldaan aan artikel 3:268 lid 1 BW en ontbreekt daarom de bevoegdheid aan de zijde van de executeur om tot parate executie over te gaan.



4.3.
De executeur betwist dat de met een hypotheekrecht gezekerde vordering op de Holding door verrekening teniet is gegaan. Volgens de executeur kan de door de Holding gestelde tegenvordering uit hoofde van betaalde voorschotten niet buiten het contractuele afrekenmechanisme als een zelfstandige en opeisbare geldvordering worden aangemerkt. De contractueel voorziene waardering en afrekening zijn niet voltooid en het optierecht waarop de Holding zich beroept is niet rechtsgeldig uitgeoefend. Verder stelt de executeur dat het bestaan en de omvang van een eventuele tegenvordering zich niet lenen voor eenvoudige vaststelling. Daarnaast wijzen de beschikbare financiële gegevens er volgens de executeur op dat de Holding per saldo geen vordering op de nalatenschap heeft, maar dat de nalatenschap juist een substantiële netto-vorderingspositie op de Holding heeft. Van misbruik van bevoegdheid of andere omstandigheden die een verbod van de executie rechtvaardigen, is volgens de executeur dan ook geen sprake.



Juridisch kader




4.4.
De vraag die voorligt is of de door de executeur aangekondigde executieverkoop moet worden verboden. Uitgangspunt is dat de executeur, als hypotheekhouder, op grond van artikel 3:268 lid 1 BW bevoegd is tot executieverkoop van het pand over te gaan, indien de Holding in verzuim is met haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de geldlening waarvoor het hypotheekrecht tot zekerheid strekt. De executie kan worden verboden indien onvoldoende aannemelijk is dat aan de vereisten voor de uitoefening van het recht van parate executie is voldaan. Daarnaast kan daartoe aanleiding bestaan als de hypotheekhouder misbruik maakt van haar executiebevoegdheid of onvoldoende rekening houdt met de gerechtvaardigde belangen van de hypotheekgever (de Holding).



De vorderingen worden afgewezen





4.5.
Het standpunt van de Holding komt erop neer dat zij een opeisbare tegenvordering op de nalatenschap heeft en dat zij die tegenvordering rechtsgeldig heeft verrekend met de door het hypotheekrecht gezekerde vordering van de nalatenschap op de Holding. De stelplicht en bewijslast ten aanzien van dit standpunt rusten op de Holding. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Holding, gelet op de gemotiveerde betwisting door de executeur, hieraan niet heeft voldaan.



4.6.
De voorzieningenrechter acht hiertoe het volgende van belang.



4.7.
Uit artikel 6 van de overeenkomst volgt dat de uitoefening van het optierecht tijdens het leven van [de vader] niet leidt tot enige teruggave van gelden door [de vader] aan de Holding. Artikel 7 voorziet voor de situatie waarin [de vader] en zijn echtgenote zijn overleden in een afrekening waarbij (i) de aandelenprijs wordt vastgesteld door een deskundige, (ii) verrekening plaatsvindt met het totale voorschot en (iii) een na verrekening eventueel resterend gedeelte van het voorschot aan de Holding dient te worden terugbetaald.



4.8.
In dat kader heeft de executeur terecht aangevoerd dat de dat de contractuele regeling zich ertegen verzet dat de Holding de betaalde voorschotten buiten het overeengekomen afrekenmechanisme om door middel van verrekening terugontvangt. Het feit dat de Holding het optierecht niet heeft uitgeoefend en dus geen inkoop van de aandelen B door de Holding heeft plaatsgevonden, betekent niet dat de Holding een opeisbare tegenvordering heeft die zij kan verrekenen met de met hypotheekrecht gezekerde vordering van de executeur, zoals de Holding meent. De bedoeling van [de vader] en de Holding is destijds geweest dat de aandelen B van [de vader] zouden worden ingekocht door de Holding. Het reeds betaalde voorschot diende daarbij te worden verrekend met de koopprijs van de aandelen en was niet bedoeld om andere vorderingen, zoals de gezekerde van vordering van de executeur, te verrekenen. In artikel 7 is geen zelfstandige terugbetalingsaanspraak voor het voorschot opgenomen. Terugbetaling vindt uitsluitend plaats in het kader van de in dat artikel voorgeschreven afrekening, nadat een beroep op het optierecht is gedaan. De voorschotten kunnen dus niet los van de contractuele regeling als een zelfstandige en onmiddellijk opeisbare geldvordering van de Holding op de nalatenschap worden aangemerkt.



4.9.
Daar komt bij dat de door de executeur voor fiscale doeleinden gehanteerde en door de Belastingdienst gevolgde aandelenwaarde van € 1.179.791,00 de voorschotpositie van € 879.047,00 overtreft. Daardoor bestaat geen aanwijzing dat na de afrekening enig aan de Holding terug te betalen restant van het voorschot resteert. Integendeel, uitgaande van deze bedragen resteert een verschil van € 300.924,00 ten gunste van de nalatenschap. De waarde van de aandelen is weliswaar (nog) niet exact vastgesteld, maar er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de aandelen ten behoeve van de erfbelasting te hoog zijn gewaardeerd. Dat de aandelen aanzienlijk lager gewaardeerd moeten worden kan uit de stellingen van eiser niet worden afgeleid; het is niet op enige wijze aannemelijk gemaakt. De voorzieningenrechter gaat in dit kader dan ook uit van de gegevens die in de opstelling voor de Belastingdienst zijn gebruikt.



4.10.
Dat de in opdracht van de executeur opgestelde boedelopstelling van de nalatenschap het bedrag van € 879.047,00 als schuld vermeldt maakt het voorgaande, in tegenstelling tot wat de Holding meent, niet anders. De executeur heeft voldoende toegelicht dat boedelopstelling is opgesteld ten behoeve van de aangifte erfbelasting en dient als een administratieve weergave van de voor de fiscale doeleinden gehanteerde vermogensposities. Deze vermelding in de boedelopstelling kan dan ook niet worden aangemerkt als een erkenning van de door de Holding gestelde vordering en erkenning van een recht op verrekening van de Holding.



4.11.
De stelling van de Holding dat de executeur misbruik maakt van haar bevoegdheid door al op 24 juni 2026 opdracht tot executieverkoop te hebben gegeven, terwijl de betaaltermijn ten aanzien van de geldlening tot 1 augustus 2026 liep, wordt verworpen. De Holding heeft voldoende toegelicht dat de sommatiebrief van 17 juni 2026 een betalingstermijn stelde voor de voldoening van de geldlening, maar dat daarmee de reeds bestaande executiebevoegdheid niet werd opgeschort. Deze bevoegdheid bestond al voor het verstrijken van de termijn, op grond van de geldlening, de hypotheekakte en het vonnis van 2022.



4.12.
Het voorgaande leidt ertoe dat onvoldoende aannemelijk is dat de Holding een te verrekenen opeisbare tegenvordering op de nalatenschap had, zodat de door het hypotheekrecht gezekerde vordering van de nalatenschap niet door verrekening teniet is gegaan. Dit betekent dat de Holding in verzuim is met haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de met een hypotheekrecht gezekerde geldlening. Van misbruik van bevoegdheid of andere omstandigheden die een verbod op de executieverkoop rechtvaardigen, is niet gebleken. De executeur is daarom op grond van artikel 3:268 lid 1 BW bevoegd om tot parate executie van het pand over te gaan.



4.13.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen worden afgewezen.



Proceskosten





4.14.
De Holding is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de executeur worden begroot op:









- griffierecht


€


341,00







- salaris advocaat


€


1.177,00







- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.707,00











4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






5De beslissing


De voorzieningenrechter



5.1.
wijst de vorderingen van de Holding af,



5.2.
veroordeelt de Holding in de proceskosten van € 1.707,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,



5.3.
veroordeelt de Holding tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman. Het is ondertekend door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026.
[3894/1729]