Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12579

2026-09-09 Civiel recht C/10/703740 / HA ZA 25-614
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-24
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/10/703740 / HA ZA 25-614
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid assurantietussenpersoon; vervolg op tussenvonnis van 3 juni 2026; schade als gevolg van onderverzekering; verweren van assurantietussenpersoon dat de gevorderde schade als gevolg van de onderverzekering niet (geheel) voor toewijzing in aanmerking komt slagen deels. Rechtbank veroordeelt assurantietussenpersoon tot vergoeding van 3/4 van de gevorderde schade aan de deelgenoten tezamen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.579 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team handel en haven



zaaknummer / rolnummer: C/10/703740 / HA ZA 25-614




Vonnis van 9 september 2026




in de zaak van





[eiser]
,
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
advocaat: mr. V. Kortenbach te Den Haag,



tegen




BSR ASSURANTIËN B.V., t.h.o.d.n. D+F Assurantiën,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde partij,
advocaat: mr. R. Bosman te Rotterdam.



Partijen worden hierna genoemd [eiser] en BSR.




De zaak in het kort

Dit vonnis is het vervolg op het tussenvonnis van 3 juni 2026. [eiser] is samen met twee anderen eigenaar van een bedrijfspand. BSR heeft als assurantietussenpersoon het bedrijfspand namens [eiser] verzekerd op basis van herbouw(waarde). Het bedrijfspand is op 25 januari 2023 door brand verloren gegaan. Er bleek sprake van onderverzekering. BSR heeft erkend dat zij in de op haar rustende zorgplicht als assurantietussenpersoon tekort is geschoten, maar voert een aantal verweren die er volgens haar toe moeten leiden dat de door [eiser] gevorderde schade als gevolg van de onderverzekering niet (geheel) voor toewijzing in aanmerking komt. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verweren deels slagen en veroordeelt BSR tot vergoeding van 3/4 van de gevorderde schade aan de deelgenoten tezamen.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 juni 2026;
- de akte na tussenvonnis, tevens akte indienen nadere productie, tevens akte nadere duiding c.q. wijziging van eis van [eiser] van 17 juni 2026;
- de akte van BSR van 1 juli 2026.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.








2De verdere beoordeling



Eiswijzing




2.1.
Bij tussenvonnis van 3 juni 2026 heeft de rechtbank naar aanleiding van het meest verstrekkende verweer van BSR dat [eiser] niet bevoegd zou zijn om in deze procedure het totale bedrag aan schade als gevolg van de onderverzekering te vorderen, [eiser] in de gelegenheid gesteld een akte te nemen als bedoeld in rov. 4.13 van dat tussenvonnis, waarna BSR de gelegenheid heeft gekregen tot het nemen van een antwoordakte.



2.2.
Bij akte van 17 juni 2026 heeft [eiser] een procesvolmacht overgelegd van de andere eigenaren van het bedrijfspand, [persoon 1] en [persoon 2]. Verder heeft [eiser] voor de zekerheid zijn eis gewijzigd.



2.3.

[eiser] vordert na wijziging van eis bij akte van 17 juni 2026, samengevat, uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van BSR om ten behoeve van de gezamenlijke eigenaren van het registergoed [adres] aan [eiser] te betalen, dan wel aan de gezamenlijke deelgenoten tezamen te betalen;
- een bedrag van € 94.359,66, vermeerderd met de wettelijke rente over € 92.549,25 vanaf 1 april 2026 tot de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten, inclusief de nakosten vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.



2.4.
BSR heeft een antwoordakte genomen waarin zij bezwaar maakt tegen de volgens BSR late overlegging van de procesvolmacht en late indiening van de eiswijziging. Volgens BSR is er sprake van een tardieve en proceseconomisch onwenselijke handelswijze. Door pas in dit stadium, na het wijzen van het tussenvonnis waarin de rechtbank [eiser] in de gelegenheid heeft gesteld zich op dit punt nader uit te laten, een volmacht over te leggen en de eis te wijzigen in een vordering namens de gemeenschap, heeft [eiser] nodeloos vertraging veroorzaakt en BSR gedwongen tot het nemen van een nadere akte en het maken van extra kosten. Voor zover de rechtbank de overlegging van de procesvolmacht en de wijziging van eis toelaat, verzoekt BSR om deze gang van zaken uitdrukkelijk te betrekken bij de (uiteindelijke) proceskostenveroordeling.



2.5.
Het is de rechtbank geweest die vanuit proceseconomisch oogpunt [eiser] de gelegenheid heeft gegeven een akte te nemen, waarna hij desgewenst zijn vordering kon wijzigen. BSR heeft voldoende mogelijkheid gehad daarop te reageren. Van strijd met de eisen van een goede procesorde is geen sprake. De rechtbank staat de wijziging van eis dus toe. De rechtbank zal de door BSR geschetste gang van zaken wel betrekken bij de (uiteindelijke) proceskostenveroordeling.



2.6.
Voor BSR is nu kenbaar dat [eiser] in zijn hoedanigheid voor de gezamenlijke deelgenoten optreedt en een uitspraak ten behoeve van de gemeenschap wenst. Verder heeft de wijziging van eis ertoe geleid dat [eiser] nu veroordeling van BSR jegens de gezamenlijke deelgenoten tezamen vordert. Dit leidt ertoe dat er geen procesrechtelijke beletsels zijn voor toewijzing van de vordering.





2.7.
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank voor de verdere beoordeling uitgaat van de door [eiser] gewijzigde eis zoals weergegeven in rov. 2.3.



Overige verweren van BSR





2.8.
In het tussenvonnis van 3 juni 2026 heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat BSR heeft erkend dat het op haar weg had gelegen om - in de drie jaar dat de verzekering liep voor de brand - de brandverzekering bij ASR te controleren, na te gaan of daarmee nog wel de gewenste c.q. vereiste dekking werd geboden en dat zij dit niet heeft gedaan. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat BSR dus in zoverre heeft erkend dat zij daarmee in de op haar rustende zorgplicht als assurantietussenpersoon tekort is geschoten (rov. 4.2).



2.9.
Verder heeft de rechtbank overwogen dat tussen partijen ook niet in geschil is dat de hoogte van de schade als gevolg van de onderverzekering € 108.461,- bedraagt. BSR betwist de aanwezigheid van het causaal verband tussen schending van haar zorgplicht als assurantietussenpersoon en de schade. Verder beroept BSR zich op eigen schuld aan de zijde van [eiser] (rov. 4.3).



2.10.
De resterende verweren van BSR (de betwisting van het causaal verband, het beroep op eigen schuld) worden hier achtereenvolgens besproken.


1) Causaal verband




2.11.
Volgens [eiser] is sprake van causaal verband tussen de tekortkoming van BSR en de schade. Het is evident dat als BSR [eiser] en/of VDM bij aanvang of in de drie jaar dat de verzekering liep tussentijds geadviseerd zou hebben een gratis taxatie te verrichten met de garantie tegen onderverzekering, dat advies zou zijn opgevolgd. Het enkele feit dat daar bij het afsluiten van deze verzekering niet voor is gekozen maakt dit niet anders, aldus [eiser].



2.12.
BSR heeft daar tegenin gebracht dat de gevorderde schade (grotendeels) niet in causaal verband staat tot de beroepsfout. Bij het aangaan van de verzekering hebben [eiser] en VDM er niet voor gekozen een gratis waardebepaling te laten uitvoeren door middel van een taxatie met garantie tegen onderverzekering. Dit maakt het aannemelijk dat, in de situatie dat BSR gedurende de looptijd van de verzekering de polis zou hebben nagelopen, [eiser] en VDM geen gebruik zouden hebben gemaakt van het laten uitvoeren van een waardebepaling met garantie tegen onderverzekering. Het ligt meer voor de hand dat [eiser] en VDM bij een tussentijdse poliscontrole zouden hebben gekozen voor de optie waarbij zij zelf - zonder taxatie - de herbouwwaarde zouden hebben vastgesteld en mogelijk verhoogd. Gelet op de stijging van de bouwkosten tussen 2020 en 2023 met een gemiddelde van 15 á 16% en maximaal 20%, is het onwaarschijnlijk dat [eiser], dan wel VDM, de verzekerde som naar de vereiste € 500.000,- zou hebben verhoogd, aldus BSR.



2.13.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van causaal verband tussen de tekortkoming van BSR en de schade. Het ligt in de rede dat een verzekeringnemer in het algemeen een advies van zijn assurantietussenpersoon tot het laten verrichten van een gratis taxatie zal opvolgen indien daarbij wordt gewezen op het risico van onderverzekering en de garantie tegen onderverzekering die taxatie met zich zou brengen. Het enkele feit dat een verzekeringnemer zich wendt tot een assurantietussenpersoon maakt reeds aannemelijk dat een dergelijk advies zou zijn opgevolgd.



2.14.
Dat dit in deze zaak anders zou zijn, omdat bij aanvang van de verzekering niet voor een taxatie van het bedrijfspand is gekozen, is door BSR onvoldoende onderbouwd. Niet gebleken is dat BSR aan VDM en/of [eiser] voor of na het indienen van het aanvraagformulier daadwerkelijk het advies heeft gegeven een gratis taxatie uit te laten voeren met het oog op een garantie tegen onderverzekering en VDM en/of [eiser] daar vervolgens bewust vanaf heeft/hebben gezien. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank voor de hand dat, als BSR dit advies bij aanvang van de verzekering zou hebben gegeven, dit advies zou zijn opgevolgd. Een taxatie zou immers zonder extra kosten een garantie tegen onderverzekering meebrengen. Uit het feit dat VDM in het aanvraagformulier bij waardebepaling “nee” heeft ingevuld kan dan ook niet worden afgeleid dat - in weerwil van de bij VDM volgens BSR aanwezige kennis van de voordelen van een taxatie en de risico’s ingeval een garantie tegen onderverzekering ontbreekt - bewust is afgezien van een taxatie.



2.15.
Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat, als BSR op enig moment na het afsluiten van de verzekering het advies zou hebben gegeven een gratis taxatie te laten verrichten met de garantie tegen onderverzekering, daarvan zou zijn afgezien. Er was juist temeer reden aan een dergelijk advies gehoor te geven. Zoals beide partijen naar voren hebben gebracht was in de jaren na het afsluiten van de verzekering onder invloed van corona sprake van een algemene stijging in bouw- en materiaalkosten, wat de noodzaak tot het verrichten van een taxatie eerder prangender dan minder prangend maakte. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat, als BSR na het afsluiten van de verzekering het advies zou hebben gegeven een gratis taxatie te laten verrichten met de garantie tegen onderverzekering, dat advies zou zijn opgevolgd.


2) Eigen schuld




2.16.
Verder doet BSR een beroep op eigen schuld van [eiser] op grond van artikel 6:101 BW. Volgens BSR is de schade mede een gevolg is van omstandigheden die aan [eiser] kunnen worden toegerekend. BSR heeft zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat [eiser] ieder jaar polisbladen ontving met daarop de verzekerde som, maar dat [eiser] nooit heeft nagevraagd of de verzekerde som voor het bedrijfspand nog accuraat was. [eiser] heeft dus niet de zorg betracht die in het kader van de ontvangst (en controle) van de polis van haar, als professionele partij, verwacht had mogen worden. Ook het handelen van VDM, als hulppersoon van [eiser] (artikel 6:76 BW), is een omstandigheid die aan [eiser] kan worden toegerekend en moet leiden tot een grotere mate van eigen schuld van [eiser]. Volgens BSR heeft VDM erkend dat zij op de hoogte was van de stijgende bouwkosten en zij had dus kunnen en moeten aanslaan op het feit dat de verzekerde som in drie jaar tijd niet was veranderd. VDM had dit vervolgens met BSR en/of [eiser] moeten bespreken, dan wel zij had bij [eiser] moeten informeren of een verhoging was doorgevoerd. Verder heeft VDM er namens [eiser] bij de aanvraag van de verzekering ten onrechte niet voor gekozen om de waarde van het bedrijfspand vast te laten stellen middels een taxatie. Als VDM dit wel had gedaan dan zou een garantie tegen onderverzekering zijn afgegeven door ASR en zou de gestelde schade achterwege zijn gebleven.



2.17.

[eiser] betwist dat sprake is van eigen schuld. Het is immers primair de taak van de assurantietussenpersoon om ervoor te zorgen dat zijn klant voldoende is verzekerd, wat meebrengt dat van eigen schuld van [eiser] geen sprake kan zijn.



2.18.
Vaststaat dat de polisbladen rechtstreeks naar [eiser] werden gestuurd. Naar het oordeel van de rechtbank kon van [eiser] worden verwacht dat hij deze bestudeerde ofwel dat hij de polisbladen doorstuurde aan VDM met het verzoek er naar te kijken en, indien nodig, BSR daarover te consulteren. Dat [eiser] geen actie heeft ondernomen naar aanleiding van de ongewijzigde verzekerde som op de door hem ontvangen polisbladen, kan hem worden aangerekend. [eiser] is een ondernemer waarvan een bepaalde mate van professionaliteit mag worden verwacht. Bovendien bracht corona, na het afsluiten van de verzekering, mee dat sprake was van een stijging in bouw- en materiaalkosten. [eiser] was daarvan op de hoogte, zoals ook blijkt uit zijn aansprakelijkstelling aan BSR van 4 oktober 2023. Ook om die reden had van [eiser] mogen worden verwacht dat hij zich - ook zonder daarop gewezen te zijn door BSR - afvroeg of de verzekerde som (nog) voldeed en daarop op enig moment voor de brand actie ondernam (al dan niet door tussenkomst van VDM). Dat [eiser] dit heeft gedaan is niet gebleken.



2.19.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van gedragingen van VDM die [eiser] in het kader van eigen schuld kunnen worden toegerekend. Dat er voor VDM als vastgoedbeheerder - naast de verantwoordelijkheid die er op [eiser] rustte - een zelfstandige verantwoordelijkheid rustte om de verzekerde som op de polisbladen in de gaten te houden (terwijl de polisbladen ook niet rechtstreeks aan VDM werden toegezonden), ziet de rechtbank niet in. Om de redenen genoemd in rov. 2.14 is ook niet gebleken van een door VDM gemaakte fout bij het invullen van het aanvraagformulier, die [eiser] in het kader van eigen schuld kan worden toegerekend. Daarbij komt dat ook niet gesteld of gebleken is dat de door VDM in overleg met [eiser] in het aanvraagformulier ingevulde herbouwwaarde van € 300.000,- bij het aangaan van de verzekering niet kloppend zou zijn.


- Causale afweging en billijkheidscorrectie




2.20.
Uit het voorgaande volgt dat in deze procedure vaststaat dat zowel BSR als [eiser] een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het ontstaan van de schade. Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen in welke verhouding de aan hen toe te rekenen omstandigheden aan die schade hebben bijgedragen.



2.21.
De rechtbank acht het aan BSR te maken verwijt (het niet zorgen voor een voldoende verzekeringsdekking, dan wel het niet waarschuwen tegen het risico van onderverzekering) wel aanzienlijk groter dan de fout van [eiser] (het zich niet afvragen of de verzekerde som nog altijd voldeed en zich daarover laten informeren). Het is immers primair de taak van de assurantietussenpersoon om ervoor te zorgen dat zijn klant voldoende is verzekerd. De rechtbank is van oordeel dat de schade voor 1/4 aan de eigen schuld van [eiser] moet worden toegerekend en voor de overige 3/4 aan de tekortkoming van BSR. De rechtbank ziet geen reden voor een andere verdeling op grond van, kort gezegd, de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 lid 1 BW.



2.22.

De rechtbank ziet geen aanleiding [eiser] op grond van artikel 22 Rv te bevelen stukken over te leggen waarmee duidelijkheid wordt verschaft over de verzekeringssituatie van [eiser] voorafgaand aan de oversluiting van de brandschadeverzekering naar ASR.

Buitengerechtelijke kosten





2.23.

[eiser] vordert buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 2.250,13. BSR heeft de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke incassokosten gemotiveerd betwist.



2.24.
De hoofdvordering is een vordering tot betaling van een schadevergoeding en valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank toetst de gevorderde vergoeding aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal. Uit deze toetsing volgt dat er geen grond voor toewijzing bestaat, omdat [eiser] de kosten niet voldoende heeft onderbouwd. [eiser] heeft evenmin voldoende onderbouwd dat de kosten voor de werkzaamheden, die volgens [eiser] vergoeding van buitengerechtelijke kosten rechtvaardigen, vallen buiten de kosten terzake van verrichtingen waarvoor de in artikel 237 tot en met 240 Rv een vergoeding plegen in te sluiten.



Conclusie





2.25.
Het causaliteitsverweer van BSR slaagt niet. Er is sprake van causaal verband tussen de tekortkoming van BSR en de schade als gevolg van de onderverzekering. Het beroep van BSR op eigen schuld slaagt deels. De schade als gevolg van de onderverzekering voor de brandschade moet voor 3/4e deel door BSR worden gedragen en 1/4e deel blijft voor rekening van de gemeenschap.



2.26.

Dit betekent dat van 3/4e deel (€ 81.345,75) van de totale schade als gevolg van de onderverzekering (€ 108.461,-) voor vergoeding aan de gemeenschap in aanmerking komt. [eiser] heeft wettelijke rente gevorderd over het toewijsbare deel van de vordering vanaf
3 november 2023, de datum van de brief waarin HDI namens BSR de vergoeding van de schade gedeeltelijk heeft afgewezen. Deze vordering is niet betwist en toewijsbaar. Dit betekent dat het bedrag van € 81.345,75 moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 november 2023 tot en met 25 oktober 2024 (datum deelbetaling door BSR). De deelbetaling van € 35.960,82 moet op grond van artikel 6:44 lid 1 BW in mindering worden gebracht op de tot dan verschenen wettelijke rente en daarna op de hoofdsom. De dan nog resterende hoofdsom moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2024 tot aan de dag van voldoening.




Proceskosten





2.27.
BSR is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Vanwege de late wijziging van de eis en de daardoor nodeloos veroorzaakte kosten van BSR, bestaat aanleiding om de kosten van de aktewisseling na het tussenvonnis voor rekening van [eiser] te brengen.


De proceskosten van [eiser] worden begroot op:










- griffierecht


€


1.374,00







- salaris advocaat


€


2.580,00


(2 punten × € 1.290,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


4.143,00










2.28.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





3De beslissing


De rechtbank



3.1.
veroordeelt BSR tot betaling van € 81.345,75 aan de deelgenoten van het registergoed [adres] tezamen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 3 november 2023 over € 81.345,75 tot aan de dag van volledige betaling,



3.2.
bepaalt dat de op 25 oktober 2024 door BSR gedane betaling van € 35.960,82 in mindering strekt op deze veroordeling conform de imputatieregeling van artikel 6:44 lid 1 BW,



3.3.
veroordeelt BSR in de proceskosten van € 4.143,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als BSR niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.4.
veroordeelt BSR tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Dongelmans en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.



3262/1980