Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12578
2026-06-03
Civiel recht
C/10/703740 / HA ZA 25-614
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aansprakelijkheid assurantietussenpersoon; procesbevoegdheid eiser op grond van artikel 3:171 BW om in de procedure het totale bedrag aan schade als gevolg van de onderverzekering te vorderen?
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:1999:ZC2868 Hoge Raad 05-03-1999
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.541 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer / rolnummer: C/10/703740 / HA ZA 25-614
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. V. Kortenbach te Den Haag,
tegen
BSR ASSURANTIËN B.V. t.h.o.d.n. D+F Assurantiën,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde partij,
advocaat: mrs. R. Bosman en K.M. Roos te Rotterdam.
Partijen worden hierna genoemd [eiser] en BSR.
De zaak in het kort
[eiser] is samen met twee anderen eigenaar van een bedrijfspand. BSR heeft als assurantietussenpersoon het bedrijfspand namens [eiser] verzekerd op basis van herbouwwaarde. Het bedrijfspand is op 25 januari 2023 door brand verloren gegaan. Er bleek sprake van onderverzekering. BSR heeft erkend dat zij in de op haar rustende zorgplicht als assurantietussenpersoon tekort is geschoten, maar voert een aantal verweren die er volgens haar toe moeten leiden dat de door [eiser] gevorderde schade als gevolg van de onderverzekering niet (geheel) voor toewijzing in aanmerking komt. Dit vonnis gaat over het meest verstrekkende verweer van BSR, namelijk het verweer dat [eiser] niet bevoegd is om in deze procedure het totale bedrag aan schade als gevolg van de onderverzekering te vorderen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 29 oktober 2025;
- de conclusie van antwoord van 10 december 2025 met producties;
- de brief van de rechtbank van 22 december 2025 met een oproep voor een mondelinge behandeling;
- de zittingsagenda van 10 februari 2026;
- de akte uitlaten en indienen nadere productie, teven akte wijziging van eis van [eiser] van 2 maart 2026;
- de spreekaantekeningen van [eiser] ;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 maart 2026;
- akte van de zijde van [eiser] van 8 april 2026;
- akte van de zijde van BSR van 15 april 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eiser] is samen met 2 anderen eigenaar van het bedrijfspand, staande en gelegen aan de [adres] (hierna: het bedrijfspand), ieder voor 1/3 deel. Dat bedrijfspand is in 2017 gekocht voor € 220.000,- en werddt sinds de aankoop verhuurd. [eiser] bezit meerdere panden.
2.2.
BSR is de assurantietussenpersoon van [eiser] .
2.3.
VDM Vastgoed Groep B.V. (hierna: VDM) is de vastgoedbeheerder van [eiser] . VDM heeft ten behoeve van het afsluiten van de opstalverzekering voor het bedrijfspand op 23 januari 2020 namens [eiser] een aanvraagformulier ingevuld.
2.4.
Op het aanvraagformulier is door VDM een verzekerde som van € 300.000,-- ingevuld. Op de vraag of de waarde van het bedrijfspand door een deskundige moest worden vastgesteld is “nee” geantwoord.
Het formulier is ondertekend door [eiser] en door VDM opgestuurd naar BSR.
2.5.
BSR heeft vervolgens namens [eiser] het bedrijfspand met ingang van 23 januari 2020 bij ASR Schadeverzekeringen N.V. (hierna: ASR) verzekerd tegen brand op basis van herbouwwaarde voor een bedrag van € 300.000,-.
2.6.
De polisbladen zijn door ASR toegezonden aan [eiser] . De premie voor de verzekering is door [eiser] betaald via VDM.
2.7.
Op de avond van 25 januari 2023 is het bedrijfspand door brand verloren gegaan.
2.8.
ASR heeft de totale opstalschade berekend op € 495.851,-.
2.9.
De schade door onderverzekering is door ASR berekend op € 108.461,-.
2.10.
[eiser] heeft BSR op 4 oktober 2023 aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de onderverzekering.
2.11.
HDI Global Specialty SE (hierna: HDI), de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van BSR, heeft op 3 november 2023 per e-mail gereageerd op de aansprakelijkstelling. In die brief schrijft HDI dat BSR, [eiser] en VDM alle drie een even grote verantwoordelijkheid in het ontstaan van de schade hebben. Daarom is HDI bereid een bedrag van € 35.960,82 te vergoeden aan [eiser] , zijnde 1/3 van de schade.
2.12.
De advocaat van [eiser] heeft BSR bij brief van 16 februari 2024 nogmaals aansprakelijk gesteld voor de schade die hij samen met mede-eigenaren heeft geleden en/of lijdt wegens onderverzekering na de brand in het bedrijfspand.
2.13.
Na herhaling door HDI van het standpunt en aanbod namens BSR, heeft de advocaat van [eiser] op 25 maart 2024 aan HDI bericht niet akkoord te gaan.
2.14.
Op 25 oktober 2024 heeft BSR, nadat [eiser] BSR in kort geding had gedagvaard, aan [eiser] een voorschot van € 35.960,82 betaald.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert, samengevat en na wijziging van eis, veroordeling van BSR, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan [eiser] van:- een bedrag van € 94.359,66, vermeerderd met de wettelijke rente over € 92.549,25 vanaf 1 april 2026 tot de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten, inclusief de nakosten vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
BSR voert verweer en concludeert, samengevat, tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4De beoordeling
Eiswijziging
4.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] zijn eiswijziging als opgenomen in de akte wijzing van eis van 2 maart 2026 ingetrokken. BSR heeft met de intrekking van de eiswijziging ingestemd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld aktes te nemen over de berekening van de schade. [eiser] heeft zijn akte op 8 april 2026 ingediend. In die akte heeft [eiser] nogmaals zijn eiswijziging als opgenomen in de akte wijzing van eis van 2 maart 2026 ingetrokken en opnieuw zijn eis gewijzigd. BSR heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging als opgenomen in de akte van 8 april 2026. Nu BSR geen bezwaar heeft gemaakt en de eiswijziging niet in strijd is met de eisen van de goede procesorde gaat de rechtbank bij de beoordeling uit van de eis zoals opgenomen in de akte van 8 maart 2026.
Erkenning aansprakelijkheid door BSR
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat BSR heeft erkend dat het op haar weg had gelegen om - in de drie jaar dat de verzekering liep voor de brand - de brandverzekering bij ASR te controleren, na te gaan of daarmee nog wel de gewenste c.q. vereiste dekking werd geboden en dat zij dit niet heeft gedaan. BSR heeft dus in zoverre erkend dat zij daarmee in de op haar rustende zorgplicht als assurantietussenpersoon tekort is geschoten.
Verweren BSR
4.3.
Tussen partijen is ook niet in geschil dat de hoogte van de schade als gevolg van de onderverzekering € 108.461,- bedraagt. BSR betwist de aanwezigheid van het causaal verband tussen schending van haar zorgplicht als assurantietussenpersoon en de schade. Verder beroept BSR zich op eigen schuld aan de zijde van [eiser] en op het ontbreken van procesbevoegdheid voor [eiser] om namens de andere eigenaren van het bedrijfspand de vordering in te stellen.
4.4.
De rechtbank behandelt eerst het meest verstrekkende verweer van BSR.
Procesbevoegdheid
4.5.
BSR heeft in de conclusie van antwoord het verweer gevoerd dat de [eiser] met zijn vordering ten onrechte geen rekening houdt met de eigendomsverhouding. [eiser] is voor 1/3 deel eigenaar van het pand. Niet is gebleken dat [eiser] het totale bedrag aan schade als gevolg van de onderverzekering voor de andere eigenaren mag incasseren of dat hij aan hen zal uitbetalen. [eiser] is om die reden niet bevoegd om het totale bedrag aan schade in deze procedure te vorderen. Hij kan hooguit aanspraak maken op vergoeding van 1/3 deel van de eventueel door BSR te betalen schadevergoeding. Aangezien door de verzekeraar 1/3 deel van de schade uit hoofde van een voorwaardelijk voorschot is voldaan, is [eiser] hiermee voor zijn aandeel in elk geval schadeloos gesteld, aldus BSR.
4.6.
Volgens [eiser] kan hij aanspraak maken op het totale gevorderde bedrag aan schadevergoeding. Hij staat als verzekeringnemer op de polis van de opstalverzekering. Bovendien is er sprake van een wettelijke gemeenschap als bedoeld in artikel 3:171 BW en is [eiser] bevoegd om namens de twee mede-eigenaren te procederen om een rechterlijke uitspraak te verkrijgen ten behoeve van de gemeenschap.
4.7.
Dat [eiser] als verzekeringnemer op de polis van de opstalverzekering staat, brengt naar het oordeel van de rechtbank geen procesbevoegdheid voor [eiser] mee om namens de andere eigenaren het totale bedrag aan schade als gevolg van de onderverzekering te vorderen. Deze procedure betreft immers niet de uitkering door ASR op grond van de opstalverzekering.
4.8.
De vraag is vervolgens of [eiser] op grond van artikel 3:171 BW wel procesbevoegdheid heeft om in deze procedure het totale bedrag aan schade als gevolg van de onderverzekering te vorderen.
4.9.
Artikel 3:166 BW bepaalt dat een gemeenschap aanwezig is, wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk. Artikel 3:171 BW bepaalt dat, tenzij een regeling anders bepaalt, iedere deelgenoot bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoek en ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap.
4.10.
In beginsel is elke deelgenoot zelfstandig bevoegd tot procederen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. De deelgenoten hebben gezamenlijk één vorderingsrecht. Dit sluit uit dat een deelgenoot voor zichzelf een rechterlijke uitspraak verlangt ten aanzien van de gehele of een gedeelte van de vordering.
De rechter zal de schuldenaar slechts mogen veroordelen tot voldoening van de vordering aan de deelgenoten gezamenlijk. Dat brengt de wettekst tot uitdrukking met de woorden ‘ten behoeve van de gemeenschap’ (zie Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 59). Deze prestatie kan immers in beginsel slechts door de gezamenlijke deelgenoten worden aangenomen (artikel 3:170 lid 2 BW). Een vordering strekkende tot betaling van gevorderde bedragen aan deelgenoten in privé, terwijl de vordering tot de gemeenschap behoort, is dan ook niet toewijsbaar (zie HR 5 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2868).
4.11.
[eiser] is samen met twee anderen eigenaar van het bedrijfspand. Dit betekent dat sprake is van een gemeenschap. De vordering tot vergoeding van de door [eiser] en de andere eigenaren van het bedrijfspand geleden schade als gevolg van de onderverzekering, betreft een rechtsvordering die tot de gemeenschap behoort. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] bevestigd dat hij optreedt (als formele partij) ten behoeve van de gezamenlijke deelgenoten (als materiële procespartijen). [eiser] procedeert dus ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. [eiser] heeft echter geen veroordeling jegens de gezamenlijke deelgenoten gevorderd, maar alleen veroordeling jegens hem in privé. Dit brengt mee dat, mocht de rechtbank tot het oordeel komen dat (een deel van) de vordering voor toewijzing in aanmerking komt, de vordering in de huidige vorm niet toewijsbaar lijkt te zijn.
4.12.
[eiser] heeft dan, hoewel de gemeenschap in dat geval wel recht heeft op vergoeding van (een deel van) de schade, geen titel om betaling van dat schadebedrag af te dwingen van BSR. Tegelijkertijd heeft BSR er, in het geval de rechtbank tot het oordeel zou komen dat zij (een deel van) de schade moet vergoeden, een gerechtvaardigd belang bij zeker te weten dat zij deze prestatie voldoet aan de gezamenlijke deelgenoten, zodat zij niet het risico loopt dat een van de andere eigenaren op een later moment bij haar aanklopt om opnieuw vergoeding van dezelfde schade te vorderen.
4.13.
Over het hiervoor geschetste juridische kader en bijbehorende implicaties heeft nog geen echt debat plaatsgevonden tussen partijen. Naar het oordeel van de rechtbank is het partijdebat ten aanzien van dit verweer van BSR onvoldragen. Om tot een verantwoorde beslissing te komen, acht de rechtbank het geraden dat partijen zich hierover alsnog kunnen uitlaten. Dit stelt de rechtbank in staat om, met inachtneming van de uitlatingen van partijen, tot een definitieve beslissing te komen ten aanzien van dit verweer van BSR. Hiervoor verwijst de rechtbank de zaak naar de rol voor een aktewisseling. Eerst krijgt [eiser] de gelegenheid een akte te nemen, waarin hij desgewenst zijn vordering kan wijzigen, waarna BSR de gelegenheid krijgt een antwoordakte te nemen.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 17 juni 2026 voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiser] als bedoeld in rov. 4.13, waarna BSR een antwoordakte kan nemen;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Dongelmans en in het openbaar uitgesproken op
3 juni 2026.
3262/1980
Team handel en haven
Zaaknummer / rolnummer: C/10/703740 / HA ZA 25-614
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. V. Kortenbach te Den Haag,
tegen
BSR ASSURANTIËN B.V. t.h.o.d.n. D+F Assurantiën,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde partij,
advocaat: mrs. R. Bosman en K.M. Roos te Rotterdam.
Partijen worden hierna genoemd [eiser] en BSR.
De zaak in het kort
[eiser] is samen met twee anderen eigenaar van een bedrijfspand. BSR heeft als assurantietussenpersoon het bedrijfspand namens [eiser] verzekerd op basis van herbouwwaarde. Het bedrijfspand is op 25 januari 2023 door brand verloren gegaan. Er bleek sprake van onderverzekering. BSR heeft erkend dat zij in de op haar rustende zorgplicht als assurantietussenpersoon tekort is geschoten, maar voert een aantal verweren die er volgens haar toe moeten leiden dat de door [eiser] gevorderde schade als gevolg van de onderverzekering niet (geheel) voor toewijzing in aanmerking komt. Dit vonnis gaat over het meest verstrekkende verweer van BSR, namelijk het verweer dat [eiser] niet bevoegd is om in deze procedure het totale bedrag aan schade als gevolg van de onderverzekering te vorderen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 29 oktober 2025;
- de conclusie van antwoord van 10 december 2025 met producties;
- de brief van de rechtbank van 22 december 2025 met een oproep voor een mondelinge behandeling;
- de zittingsagenda van 10 februari 2026;
- de akte uitlaten en indienen nadere productie, teven akte wijziging van eis van [eiser] van 2 maart 2026;
- de spreekaantekeningen van [eiser] ;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 maart 2026;
- akte van de zijde van [eiser] van 8 april 2026;
- akte van de zijde van BSR van 15 april 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[eiser] is samen met 2 anderen eigenaar van het bedrijfspand, staande en gelegen aan de [adres] (hierna: het bedrijfspand), ieder voor 1/3 deel. Dat bedrijfspand is in 2017 gekocht voor € 220.000,- en werddt sinds de aankoop verhuurd. [eiser] bezit meerdere panden.
2.2.
BSR is de assurantietussenpersoon van [eiser] .
2.3.
VDM Vastgoed Groep B.V. (hierna: VDM) is de vastgoedbeheerder van [eiser] . VDM heeft ten behoeve van het afsluiten van de opstalverzekering voor het bedrijfspand op 23 januari 2020 namens [eiser] een aanvraagformulier ingevuld.
2.4.
Op het aanvraagformulier is door VDM een verzekerde som van € 300.000,-- ingevuld. Op de vraag of de waarde van het bedrijfspand door een deskundige moest worden vastgesteld is “nee” geantwoord.
Het formulier is ondertekend door [eiser] en door VDM opgestuurd naar BSR.
2.5.
BSR heeft vervolgens namens [eiser] het bedrijfspand met ingang van 23 januari 2020 bij ASR Schadeverzekeringen N.V. (hierna: ASR) verzekerd tegen brand op basis van herbouwwaarde voor een bedrag van € 300.000,-.
2.6.
De polisbladen zijn door ASR toegezonden aan [eiser] . De premie voor de verzekering is door [eiser] betaald via VDM.
2.7.
Op de avond van 25 januari 2023 is het bedrijfspand door brand verloren gegaan.
2.8.
ASR heeft de totale opstalschade berekend op € 495.851,-.
2.9.
De schade door onderverzekering is door ASR berekend op € 108.461,-.
2.10.
[eiser] heeft BSR op 4 oktober 2023 aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de onderverzekering.
2.11.
HDI Global Specialty SE (hierna: HDI), de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van BSR, heeft op 3 november 2023 per e-mail gereageerd op de aansprakelijkstelling. In die brief schrijft HDI dat BSR, [eiser] en VDM alle drie een even grote verantwoordelijkheid in het ontstaan van de schade hebben. Daarom is HDI bereid een bedrag van € 35.960,82 te vergoeden aan [eiser] , zijnde 1/3 van de schade.
2.12.
De advocaat van [eiser] heeft BSR bij brief van 16 februari 2024 nogmaals aansprakelijk gesteld voor de schade die hij samen met mede-eigenaren heeft geleden en/of lijdt wegens onderverzekering na de brand in het bedrijfspand.
2.13.
Na herhaling door HDI van het standpunt en aanbod namens BSR, heeft de advocaat van [eiser] op 25 maart 2024 aan HDI bericht niet akkoord te gaan.
2.14.
Op 25 oktober 2024 heeft BSR, nadat [eiser] BSR in kort geding had gedagvaard, aan [eiser] een voorschot van € 35.960,82 betaald.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert, samengevat en na wijziging van eis, veroordeling van BSR, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling aan [eiser] van:- een bedrag van € 94.359,66, vermeerderd met de wettelijke rente over € 92.549,25 vanaf 1 april 2026 tot de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten, inclusief de nakosten vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
3.2.
BSR voert verweer en concludeert, samengevat, tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4De beoordeling
Eiswijziging
4.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] zijn eiswijziging als opgenomen in de akte wijzing van eis van 2 maart 2026 ingetrokken. BSR heeft met de intrekking van de eiswijziging ingestemd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld aktes te nemen over de berekening van de schade. [eiser] heeft zijn akte op 8 april 2026 ingediend. In die akte heeft [eiser] nogmaals zijn eiswijziging als opgenomen in de akte wijzing van eis van 2 maart 2026 ingetrokken en opnieuw zijn eis gewijzigd. BSR heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging als opgenomen in de akte van 8 april 2026. Nu BSR geen bezwaar heeft gemaakt en de eiswijziging niet in strijd is met de eisen van de goede procesorde gaat de rechtbank bij de beoordeling uit van de eis zoals opgenomen in de akte van 8 maart 2026.
Erkenning aansprakelijkheid door BSR
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat BSR heeft erkend dat het op haar weg had gelegen om - in de drie jaar dat de verzekering liep voor de brand - de brandverzekering bij ASR te controleren, na te gaan of daarmee nog wel de gewenste c.q. vereiste dekking werd geboden en dat zij dit niet heeft gedaan. BSR heeft dus in zoverre erkend dat zij daarmee in de op haar rustende zorgplicht als assurantietussenpersoon tekort is geschoten.
Verweren BSR
4.3.
Tussen partijen is ook niet in geschil dat de hoogte van de schade als gevolg van de onderverzekering € 108.461,- bedraagt. BSR betwist de aanwezigheid van het causaal verband tussen schending van haar zorgplicht als assurantietussenpersoon en de schade. Verder beroept BSR zich op eigen schuld aan de zijde van [eiser] en op het ontbreken van procesbevoegdheid voor [eiser] om namens de andere eigenaren van het bedrijfspand de vordering in te stellen.
4.4.
De rechtbank behandelt eerst het meest verstrekkende verweer van BSR.
Procesbevoegdheid
4.5.
BSR heeft in de conclusie van antwoord het verweer gevoerd dat de [eiser] met zijn vordering ten onrechte geen rekening houdt met de eigendomsverhouding. [eiser] is voor 1/3 deel eigenaar van het pand. Niet is gebleken dat [eiser] het totale bedrag aan schade als gevolg van de onderverzekering voor de andere eigenaren mag incasseren of dat hij aan hen zal uitbetalen. [eiser] is om die reden niet bevoegd om het totale bedrag aan schade in deze procedure te vorderen. Hij kan hooguit aanspraak maken op vergoeding van 1/3 deel van de eventueel door BSR te betalen schadevergoeding. Aangezien door de verzekeraar 1/3 deel van de schade uit hoofde van een voorwaardelijk voorschot is voldaan, is [eiser] hiermee voor zijn aandeel in elk geval schadeloos gesteld, aldus BSR.
4.6.
Volgens [eiser] kan hij aanspraak maken op het totale gevorderde bedrag aan schadevergoeding. Hij staat als verzekeringnemer op de polis van de opstalverzekering. Bovendien is er sprake van een wettelijke gemeenschap als bedoeld in artikel 3:171 BW en is [eiser] bevoegd om namens de twee mede-eigenaren te procederen om een rechterlijke uitspraak te verkrijgen ten behoeve van de gemeenschap.
4.7.
Dat [eiser] als verzekeringnemer op de polis van de opstalverzekering staat, brengt naar het oordeel van de rechtbank geen procesbevoegdheid voor [eiser] mee om namens de andere eigenaren het totale bedrag aan schade als gevolg van de onderverzekering te vorderen. Deze procedure betreft immers niet de uitkering door ASR op grond van de opstalverzekering.
4.8.
De vraag is vervolgens of [eiser] op grond van artikel 3:171 BW wel procesbevoegdheid heeft om in deze procedure het totale bedrag aan schade als gevolg van de onderverzekering te vorderen.
4.9.
Artikel 3:166 BW bepaalt dat een gemeenschap aanwezig is, wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk. Artikel 3:171 BW bepaalt dat, tenzij een regeling anders bepaalt, iedere deelgenoot bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoek en ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap.
4.10.
In beginsel is elke deelgenoot zelfstandig bevoegd tot procederen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. De deelgenoten hebben gezamenlijk één vorderingsrecht. Dit sluit uit dat een deelgenoot voor zichzelf een rechterlijke uitspraak verlangt ten aanzien van de gehele of een gedeelte van de vordering.
De rechter zal de schuldenaar slechts mogen veroordelen tot voldoening van de vordering aan de deelgenoten gezamenlijk. Dat brengt de wettekst tot uitdrukking met de woorden ‘ten behoeve van de gemeenschap’ (zie Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 59). Deze prestatie kan immers in beginsel slechts door de gezamenlijke deelgenoten worden aangenomen (artikel 3:170 lid 2 BW). Een vordering strekkende tot betaling van gevorderde bedragen aan deelgenoten in privé, terwijl de vordering tot de gemeenschap behoort, is dan ook niet toewijsbaar (zie HR 5 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2868).
4.11.
[eiser] is samen met twee anderen eigenaar van het bedrijfspand. Dit betekent dat sprake is van een gemeenschap. De vordering tot vergoeding van de door [eiser] en de andere eigenaren van het bedrijfspand geleden schade als gevolg van de onderverzekering, betreft een rechtsvordering die tot de gemeenschap behoort. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] bevestigd dat hij optreedt (als formele partij) ten behoeve van de gezamenlijke deelgenoten (als materiële procespartijen). [eiser] procedeert dus ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. [eiser] heeft echter geen veroordeling jegens de gezamenlijke deelgenoten gevorderd, maar alleen veroordeling jegens hem in privé. Dit brengt mee dat, mocht de rechtbank tot het oordeel komen dat (een deel van) de vordering voor toewijzing in aanmerking komt, de vordering in de huidige vorm niet toewijsbaar lijkt te zijn.
4.12.
[eiser] heeft dan, hoewel de gemeenschap in dat geval wel recht heeft op vergoeding van (een deel van) de schade, geen titel om betaling van dat schadebedrag af te dwingen van BSR. Tegelijkertijd heeft BSR er, in het geval de rechtbank tot het oordeel zou komen dat zij (een deel van) de schade moet vergoeden, een gerechtvaardigd belang bij zeker te weten dat zij deze prestatie voldoet aan de gezamenlijke deelgenoten, zodat zij niet het risico loopt dat een van de andere eigenaren op een later moment bij haar aanklopt om opnieuw vergoeding van dezelfde schade te vorderen.
4.13.
Over het hiervoor geschetste juridische kader en bijbehorende implicaties heeft nog geen echt debat plaatsgevonden tussen partijen. Naar het oordeel van de rechtbank is het partijdebat ten aanzien van dit verweer van BSR onvoldragen. Om tot een verantwoorde beslissing te komen, acht de rechtbank het geraden dat partijen zich hierover alsnog kunnen uitlaten. Dit stelt de rechtbank in staat om, met inachtneming van de uitlatingen van partijen, tot een definitieve beslissing te komen ten aanzien van dit verweer van BSR. Hiervoor verwijst de rechtbank de zaak naar de rol voor een aktewisseling. Eerst krijgt [eiser] de gelegenheid een akte te nemen, waarin hij desgewenst zijn vordering kan wijzigen, waarna BSR de gelegenheid krijgt een antwoordakte te nemen.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 17 juni 2026 voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiser] als bedoeld in rov. 4.13, waarna BSR een antwoordakte kan nemen;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Dongelmans en in het openbaar uitgesproken op
3 juni 2026.
3262/1980