Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12576

2026-09-25 Bestuursrecht ROT 25/5309
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-25
Publicatiedatum
2026-09-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 25/5309
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom. Artikel 2.74 APV (overlast door straathandel drugs). Het enkele gegeven dat eiser in de gemeente Schiedam in een auto rondreed, terwijl hij daarbij in het bezit bleek te zijn van een handelshoeveelheid drugs, contant geld en meerdere mobiele telefoons, op zichzelf onvoldoende is om te concluderen dat eiser daarbij het kennelijke doel had om in de gemeente Schiedam harddrugs, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of aan te nemen of daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Beroep gegrond.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.455 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 25/5309


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D.C.D. Newoor),


en


de burgemeester van de gemeente Schiedam
(gemachtigde: mr. P. Meuldijk).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over het besluit waarbij eiser een last onder dwangsom is opgelegd vanwege het overtreden van artikel 2:74 (drugshandel op straat) van de Algemene plaatselijke verordening Schiedam 2013 (hierna: de APV). Eiser is het niet eens met dit besluit en heeft hiertegen beroep ingesteld. Volgens eiser is geen sprake van een overtreding van artikel 2:74 van de APV, omdat niet is aangetoond dat hij het kennelijke doel had om middelen, als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, al dan niet tegen betaling af te leveren of aan te bieden.



1.1

Het beroep is naar het oordeel van de rechtbank gegrond, omdat het enkele gegeven dat eiser in de gemeente Schiedam in een auto rondreed, terwijl hij daarbij in het bezit bleek te zijn van een handelshoeveelheid drugs, contant geld en meerdere mobiele telefoons, op zichzelf onvoldoende is om te concluderen dat eiser daarbij het kennelijke doel had om in de gemeente Schiedam harddrugs, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of aan te nemen of daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.





Procesverloop


2. Met het besluit van 16 januari 2025 heeft de burgemeester eiser een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 2:74 van de APV.



2.1
Met het bestreden besluit van 28 mei 2025 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij dat besluit tot oplegging van een last onder dwangsom gebleven.



2.2
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.3
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de burgemeester.




Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit




3. De burgemeester heeft bij besluit van 16 januari 2025 aan eiser een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van artikel 2:74 van de APV, omdat eiser zich op 12 november 2024 in een auto op de openbare weg bevond met het kennelijke doel om middelen, als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, al dan niet tegen betaling af te leveren of aan te bieden. Dit betekent dat wanneer eiser deze overtreding nogmaals begaat, hij een dwangsom moet betalen van € 10.000,- per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 30.000,-.[



3.1
De burgemeester heeft het primaire besluit gebaseerd op de bestuurlijke rapportage van 20 november 2024 van de Politie Eenheid Rotterdam, District Rijnmond Noord, Basisteam Schiedam.



3.2

Uit deze bestuurlijke rapportage blijkt dat de politie op 12 november 2024 in Schiedam uit de richting van Vlaardingen, een grijze Opel Mokka ziet rijden, voorzien van het kenteken [kenteken] . Ze herkennen deze Opel Mokka als zijnde een huurauto van de firma [bedrijf] B.V. en weten dat deze recent twee keer is gecontroleerd met een voor hen ambtshalve bekende bestuurder, te weten eiser, die hun ambtshalve bekend is als zijnde een persoon met antecedenten op het gebied van verdovende middelen.
De politieambtenaren keren direct om en rijden achter de betrokken Opel Mokka aan. Ze zien dat de bestuurder hierop de snelheid aanzienlijk verhoogt, waardoor zij het vermoeden krijgen dat deze een eventuele controle door de politie wil voorkomen. Ze zien dat de Opel Mokka linksaf de Paulus Potterstraat in rijdt, waardoor deze gedurende circa drie seconden uit het zicht verdwijnt. Wanneer de politieambtenaren linksaf de hoek om rijden, zien zij dat de Opel Mokka al een stuk verder in de straat rijdt en dat de remlichten branden. De politieambtenaren stoppen achter de Opel Mokka en zien dat er één persoon in het voertuig zit, namelijk eiser.
Omdat het bestuurdersraam is geopend wanneer de politiesurveillanten bij het voertuig aankomen vermoeden deze dat eiser mogelijk verdovende middelen uit het raam heeft gegooid op het moment dat zij tijdens de achtervolging (even) geen zicht op hem hadden. Later treft een politiesurveillant een plastic zakje met vermoedelijk verdovende middelen aan achter een zwart geparkeerd staand busje op de Paulus Potterstraat.
Een buurtbewoonster verklaart tegenover de politie dat zij heeft gezien dat de bestuurder van de grijze Opel Mokka het aangetroffen boterhamzakje met de vermoedelijke verdovende middelen achter dit zwarte busje gooide.
Een andere buurtbewoner toont camerabeelden aan de politie. Daarop is te zien dat de bestuurder van de grijze Opel Mokka een voorwerp, met de uiterlijke kenmerken van een gevuld boterhamzakje, uit het raam gooit achter het zwarte busje.
Het in beslag genomen plastic zakje blijkt 109 gripzakjes met wit poeder en 30 gripzakjes met bruin poeder te bevatten. Het gaat om 23,5 gram cocaine en 4,3 gram heroïne. Eiser is op het moment van aanhouding in het bezit van twee telefoons, die beide in beslag worden genomen. Verder wordt bij hem een bedrag van € 260,-- aan geld aangetroffen, bestaande uit 3 biljetten van 50, 2 biljetten van 20, 6 biljetten van 10 en twee biljetten van 5 euro.
In de bestuurlijke rapportage staat dat bij eiser sprake is van meerdere antecedenten op het gebied van de Opiumwet.




3.3
De Commissie bezwaarschriften van de gemeente Schiedam heeft de burgemeester in het advies van 21 mei 2025 geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren en het primaire besluit te handhaven.



3.4
Bij het bestreden besluit van 28 mei 2025 heeft de burgemeester het advies van de Commissie bezwaarschriften overgenomen en het bezwaar ongegrond verklaard.



Wat vindt eiser?



4. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij ten onrechte is aangemerkt als overtreder van artikel 2:74 van de APV omdat niet is aangetoond dat hij het kennelijke doel had te handelen in drugs, nu hij slechts rondreed in een auto. Daartoe verwijst hij naar uitspraken van de rechtbank Den Haag van 16 december 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:21522) en van de rechtbank Rotterdam van 1 juli 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:5428).



Wat vindt de burgemeester?



5. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat de in de bestuurlijke rapportage genoemde relevante omstandigheden voldoende grondslag vormen voor het oordeel dat er in het geval van eiser sprake is van ‘dealergedrag’ en vindt dat hij hem daarom een dwangsom mocht opleggen wegens overtreding van artikel 2:74 van de APV.



Wat is het toetsingskader?



6. Artikel 2:74 van de APV luidt: "Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de openbare weg met de daarin gelegen portieken, galerijen, arcaden of nissen post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan openbare wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of aan te nemen of daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen."



6.1

De toelichting bij artikel 2:74 van de APV luidt:
"(…) Artikel 2:74 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. (…)
De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen, die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten. In praktijk gaat het met name om harddrugs. In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars ("drugsrunners") strafbaar gesteld. Het "kennelijk doel" kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties enz.




Heeft de burgemeester de dwangsom mogen opleggen?




7. De rechtbank stelt voorop dat de opgelegde last onder dwangsom een herstelmaatregel is, met als doel het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet.




7.1
De rechtbank stelt verder vast dat de burgemeester, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid om het bewijs zelf vast te stellen, op grond van vaste rechtspraak in beginsel mag uitgaan van de informatie in een bestuurlijke rapportage.



7.2
De relevante feiten, zoals genoemd in de bestuurlijke rapportage van 20 november 2024, zijn niet in geschil. Wel in geschil is de vraag of de burgemeester daarmee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser het kennelijke doel had om drugs te verhandelen en daarmee artikel 2:74 van de APV heeft overtreden.



7.3

De rechtbank overweegt dat artikel 2:74 van de APV ziet op handhaving van de openbare orde door de burgemeester. Het artikel is bedoeld om overlast door drugshandel op openbare plekken tegen te gaan. De bepaling wordt al overtreden door het ‘postvatten op de openbare weg met de kennelijke bedoeling’ zonder dat vaststaat dat de betrokkene op dat moment al drugs bij zich heeft of heeft verhandeld. Daarom is in deze bepaling opgenomen dat wie ‘het kennelijke doel’ heeft om drugs te verhandelen (of hierbij behulpzaam te zijn of erbij te bemiddelen) in overtreding is. Dit ‘kennelijke doel’ kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden, zoals het aanspreken van voorbijgangers of het waarnemen van transacties. Overtreding van artikel 2:74 van de APV wordt bijvoorbeeld aannemelijk geacht als sprake is van verklaringen van getuigen dat drugs worden verhandeld en wanneer handelingen zijn waargenomen die worden herkend als ‘dealergedrag’.
Hoewel het daadwerkelijk aantreffen van (handelshoeveelheden) drugs, meerdere mobiele telefoons en aanzienlijke bedragen in contant geld, in beginsel omstandigheden zijn die kunnen worden betrokken bij de vraag of artikel 2:74 van de APV is overtreden, betekent dit nog niet dat daarmee al voldoende vast staat dat iemand op de plek in de gemeente waar hij is aangetroffen, het kennelijk doel had drugs ter verkoop aan te bieden.




7.4

Voorop staat dat artikel 2:74 van de APV ziet op het tegengaan van overlast op straat door handel in drugs. Eiser is op 21 november 2024 in zijn eigen woonplaats, al rijdend in een auto op de openbare weg, door politieagenten gezien en vervolgens tot stoppen gemaand.
Het enkele gegeven dat eiser in de gemeente Schiedam in een auto rondreed, terwijl hij daarbij in het bezit bleek te zijn van een handelshoeveelheid drugs, contant geld en meerdere mobiele telefoons, is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat eiser daarbij het kennelijke doel had om in de gemeente Schiedam harddrugs, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of aan te nemen of daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Er zijn namelijk geen waarnemingen gedaan die erop duiden dat eiser op dat moment het doel had drugs af te leveren of aan te bieden. Concrete omstandigheden of feiten die daarop wijzen ontbreken. Eiser is niet op heterdaad betrapt op straathandel en er is geen sprake van het aanspreken van voorbijgangers of van getuigen die transacties hebben waargenomen. Ook ontbreken verklaringen van klanten en/of getuigen en (andere) waarnemingen dat het hier om (bemiddeling in) straathandel zou gaan. Straathandel in drugs en (daarmee) verstoring van de openbare orde door eiser in de gemeente Schiedam is daarom niet aannemelijk gemaakt. Aan het bestreden besluit zijn dus onvoldoende concrete feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd om te concluderen dat eiser artikel 2:74 van de APV heeft overtreden. Dit artikel kan dan ook geen grondslag bieden voor de aan eiser opgelegde last onder dwangsom.




7.5
Op grond van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de burgemeester geen dwangsom aan eiser had mogen opleggen.




Conclusie en gevolgen


8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.



8.1

In het kader van de finale geschillenbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en het besluit van 16 januari 2025 herroepen. De rechtbank zal verder bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Dit betekent dat de last onder dwangsom van de baan is.




8.2

Omdat het beroep gegrond is moet de burgemeester het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Daarnaast krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet ook deze vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling.
In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend. De vergoeding daarvoor bedraagt € 666,-.
In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.



























Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit gegrond en herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat de burgemeester het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- vergoedt;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 2.534,- aan proceskosten aan eiser.


Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Egter van Wissekerke, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 september 2026.











De griffier is verhinderd om te tekenen


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2407.


Zie de uitspraken van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2170, en van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5330.


Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2170.