Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12569

2026-09-23 Civiel recht C/10/708194 / HA ZA 25-905
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-23
Publicatiedatum
2026-09-24
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/10/708194 / HA ZA 25-905
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht; kennisgevingsplicht; aanspraak tot schadevergoeding; onzeker voorval. Verzekerde doet aanspraak op dekking onder de met verzekeraars gesloten aansprakelijkheidsverzekering, omdat verzekerde aansprakelijk is gesteld door een voormalig werknemer vanwege een beroepsziekte. De vorderingen van verzekerde worden afgewezen, omdat geen sprake is van een onzeker voorval als bedoeld in de polisvoorwaarden.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (47.511 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team handel en haven



Zaaknummer: C/10/708194 / HA ZA 25-905




Vonnis van 23 september 2026




in de zaak van




MATRANS MARINE SERVICES B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eisende partij,
advocaat: mr. N. Anbergen,



tegen





1POST & CO. (P. & I.) B.V.,

gevestigd te Rotterdam,2. ARCH UNDERWRITING AT LLOYD'S LTD,
gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),3. TOKIO MARINE KILN SYNDICATES LIMITED,
gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),4. AXA VERSICHERUNG AG,
gevestigd te Keulen (Duitsland),5. CHINA PACIFIC PROPERTY INSURANCE COMPANY LTD. NING,
gevestigd te Ningbo (China),6. ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,7. NUMBERGER VERSICHERING AG,
gevestigd te Nürnberg (Duitsland),
gedaagde partijen,
advocaat: mr. N.P. Jonker.



Eiser wordt hierna Matrans genoemd. Gedaagde 1 wordt Post & Co genoemd, gedaagden 1 tot en met 7 Post & Co c.s. en gedaagden 2 tot en met 7 Verzekeraars.





De zaak in het kort

De rechtbank komt tot afwijzing van de vorderingen van Matrans, omdat geen sprake is van een onzeker voorval.
Matrans heeft aanspraak gemaakt op dekking onder de door haar met Verzekeraars gesloten aansprakelijkheidsverzekering, omdat Matrans aansprakelijk is gesteld door [naam] (een voormalig werknemer) vanwege de beroepsziekte die hij stelt te hebben opgelopen door de werkomstandigheden bij Matrans. Volgens Matrans is voldaan aan alle voorwaarden om tot uitkering over te moeten gaan. Verzekeraars stellen zich op het standpunt dat dekking ontbreekt, omdat Matrans haar mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst heeft geschonden, het een risico betreft dat zich heeft verwezenlijkt vóór aanvang van de verzekeringsovereenkomst en van een onzeker voorval geen sprake is. De eerste twee verweren van Verzekeraars slagen niet, maar het laatste wel. Omdat geen sprake is van een onzeker voorval, bestaat er geen dekking onder de aansprakelijkheidsverzekering.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 oktober 2025 met 22 producties;- de conclusie van antwoord met 4 producties;
- de brief van 19 januari 2026 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de zittingsagenda van 1 juni 2026;
- de brief van 5 juni 2026 met de aanvullende productie 5 van Post & Co c.s.;
- de akte overlegging aanvullende producties van 18 juni 2026 met producties 23 tot en met 30 van Matrans;- de mondelinge behandeling van 18 juni 2026 en de ter gelegenheid daarvan door mr. Anbergen namens Matrans en mr. Jonker namens Post & Co c.s. overgelegde spreekaantekeningen.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.
Matrans is specialist in het los- en vastmaken van ladingen aan boord van zeeschepen. Zij houdt zich voornamelijk bezig met systeemsjorren, te weten het vastzetten van lading en containers op zeeschepen. Op enig moment is Matrans begonnen met het sjorren van stukgoed op en in containers (stukgoedsjorren).



2.2.
Matrans was per 1 januari 2017 voor het risico van aansprakelijkheid verzekerd onder de Logistieke Aansprakelijkheidsverzekering (polisnummer [polisnummer]) van Matrans Holding B.V., die was afgesloten bij Verzekeraars (hierna: de verzekering). Post & Co treedt voor die verzekering op als gevolmachtigde van gedaagde 2 en 3.



2.3.
De verzekering is tot stand gekomen via Howden Insurance Brokers Nederland B.V. (hierna: Howden).



2.4.
Op de verzekering zijn de verzekeringsvoorwaarden HN3700.2014 (hierna: de polisvoorwaarden) van toepassing. In de polisvoorwaarden staat onder meer het volgende:


“Artikel 1 Definities




1.2.

Onzeker Voorval
Deze overeenkomst beantwoordt aan het vereiste van onzekerheid als bedoeld in artikel 7:925 BW, indien en voor zover de door een derde geleden schade op vergoeding waarvan jegens een verzekerde aanspraak wordt gemaakt, het gevolg is van een gebeurtenis waarvan voor partijen ten tijde van het sluiten van de verzekering onzeker was dat daaruit schade voor de derde was ontstaan dan wel naar de normale loop van omstandigheden nog zou ontstaan.
Schade welke niet aan voornoemd onzekerheidsvereiste voldoet is niet gedekt. (…)




1.9

Handelen of nalaten
Het handelen of nalaten zijn gedragingen van een verzekerde waaruit een aanspraak voortvloeit. Met een gedraging van verzekerde wordt gelijkgesteld een schadevoorval dat vanwege een aan verzekerde toebehorende hoedanigheid krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van de verzekerde komt.




1.10

Omstandigheid
Een omstandigheid is een feit waaruit een reële dreiging van een aanspraak kan worden afgeleid. Als zodanig worden beschouwd, feiten ten aanzien waarvan verzekerde concreet kan meedelen van wie de aanspraak kan worden verwacht en uit welk handelen of nalaten de aanspraak kan voortvloeien.




1.11

Aanspraak
Een aanspraak is een tegen verzekerde ingestelde (al dan niet terechte) aansprakelijkstelling of vordering tot vergoeding van schade, voortvloeiend uit een handelen of nalaten van een verzekerde. (…)




1.12
Schade

1.12.1

Personenschade is:
Letsel of benadeling/aantasting van de gezondheid van personen, al of niet de dood tot gevolg hebbend, met inbegrip van de op geld waardeerbare gevolgen hiervan. (…)



Artikel 3 Omvang van de verzekering





3.1
Voorwaarde voor dekking

3.1.1
Voorwaarde voor dekking is dat de aanspraken tot schadevergoeding tijdens de looptijd van de verzekering tegen verzekerde worden ingesteld en bij verzekeraars zijn gemeld en niet voor aanvang van de verzekering bij verzekerde bekend waren.


3.1.2
Aanspraken tot schadevergoeding die na de looptijd van de verzekering tegen verzekerde worden ingesteld, mits deze aanspraken voortvloeien uit omstandigheden die verzekerde tijdens de looptijd van de verzekering bij verzekeraars heeft gemeld. Voor de vaststelling van de toepasselijke polisvoorwaarden alsmede verzekerde bedragen en eigen risico’s wordt de melding van een omstandigheid geacht een aanspraak te zijn.




3.2
Dekking

3.2.1

Deze verzekering dekt het financieel nadeel van verzekerden in verband met
aansprakelijkheid, verplichting tot vergoeding van schade uit hoofde van vrijwaringsverplichtingen daaronder begrepen, voor door derden geleden schade, mits is voldaan aan de onder artikel 3.1 gestelde voorwaarden voor dekking. (...)



Artikel 6 Schadebehandeling en schadevergoeding





6.1

Verplichtingen in geval van schade
Zodra een verzekerde kennis draagt van een aanspraak of omstandigheid op grond waarvan verzekerde tot schadevergoeding, verhaalbaar krachtens deze verzekering gehouden zou kunnen zijn, is verzekerde verplicht:



de verzekeraar zo spoedig mogelijk van die omstandigheid of aanspraak in kennis te stellen. (…)”




2.5.
Tot 1 januari 2017 was Matrans tegen het risico van aansprakelijkheid verzekerd onder een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering die liep via Aon.



2.6.

[naam] (hierna: [naam]) was vanaf 1 november 2007 in dienst bij Matrans als stukgoedsjorder. [naam] was sinds 21 mei 2013 arbeidsongeschikt. Nadat de termijn van loondoorbetaling bij ziekte verstreek, heeft Matrans een ontslagaanvraag ingediend bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: het UWV). Het UWV verleende toestemming om de arbeidsovereenkomst met [naam] op te zeggen. Dat heeft Matrans gedaan: zij zegde de arbeidsovereenkomst op 26 april 2016 op tegen 1 september 2016. [naam] is per 31 augustus 2016 vanwege arbeidsongeschiktheid ziek uit dienst gegaan.



2.7.

Matrans heeft [naam] in de periode daarna een transitievergoeding betaald en een eindafrekening van het dienstverband verstrekt. [naam] kon zich in de hoogte van de door Matrans betaalde transitievergoeding en afrekening van de resterende vakantiedagen niet vinden. De Federatie Nederlandse Vakbeweging (hierna: de FNV) stuurde namens [naam] op 24 oktober 2016 een brief waarin de FNV sommeerde de vermeende resterende
€ 4.008,80 te betalen. Ook stond aan het eind van die brief, voor zover van belang:



“Letselschade/beroepsziekte.
Ten slotte kan ik u berichten dat cliënt meent dat zijn gezondheidsklachten veroorzaakt zijn door de werkzaamheden die hij bij u heeft verricht. Cliënt heeft een onderzoek gestart naar de mogelijke aansprakelijkheid van u als werkgever voor de gezondheidsklachten die hij heeft opgelopen tijdens of door het werk dat hij bij u heeft verricht.



Op grond hiervan wenst cliënt ten aanzien van dit onderwerp zich alle rechten voor te behouden. Om te voorkomen dat vorderingen voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst met u verjaren, deel ik u namens cliënt nadrukkelijk mee dat cliënt zich ondubbelzinnig alle rechten en in het bijzonder die op nakoming voorbehoudt. En zeker de rechten en vorderingen die al dan niet volledig gebaseerd zijn op letselschade dan wel beroepsziekte. Deze stuiting vindt plaats onder verwijzing naar artikel 3:316 jo. 317 BW. ”




2.8.
Op 18 februari 2019 ontving Matrans een brief van de FNV. In die brief staat, voor zover van belang:


“[naam] wordt vanaf 21 mei 2013 arbeidsongeschikt geacht voor zijn
oorspronkelijke functie binnen uw bedrijf.



Bureau Beroepsziekten onderzoekt op dit moment het mogelijk causale verband tussen de arbeidsomstandigheden en de opgetreden gezondheidsschade.



In verband met dit onderzoek verzoek ik u op grond van Artikel 5 van de
Arbeidsomstandighedenwet om de sinds 1996 wettelijk verplichte Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) en het daarbij behorende Plan van Aanpak (PvA) toe te sturen naar onderstaand adres. Tevens verzoek ik u de Arbojaarplannen en Arbojaarverslagen uit de periode 1990-1995 mee te zenden. Specifiek gaat het om de betreffende stukken die betrekking hebben op de functie van [naam] in de periode dat hij werkzaam bij u was.



Tevens verzoek ik u vriendelijk mij een kopie van het volledige personeelsdossier toe te sturen. (…)”




2.9.
Matrans heeft de brief van 18 februari 2019 (via Howden) doorgestuurd aan Post & Co.



2.10.
Bij brief van 5 september 2019 heeft [naam] Matrans, voor zover van belang, het volgende bericht:


“(…) Door de gebrekkige arbeidsomstandigheden heeft zich bij cliënt een beroepsziekte ontwikkeld. Mijn cliënt heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden klachten ontwikkeld aan zijn bewegingsapparaat (te weten nek- en rugklachten).



Namens cliënt stellen wij u aansprakelijk voor de door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade die het gevolg is van deze beroepsziekte. Deze aansprakelijkstelling is gebaseerd op artikel 7:658 BW. (…)”




2.11.
Matrans heeft de brief van 5 september 2019 via haar assurantietussenpersoon bij Post & Co gemeld en heeft aanspraak gemaakt op uitkering onder de bij Verzekeraars afgesloten verzekering.



2.12.
Matrans heeft de brief van 5 september 2019 ook naar Aon gestuurd. Aon heeft dekking afgewezen, omdat de melding na de looptijd (na 1 januari 2017) van de betreffende bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering was gedaan.



2.13.
Op 13 april 2021 heeft Post & Co per e-mail stukken opgevraagd bij Howden, waaronder de brief van 24 oktober 2016 van de FNV (zie 2.7). In die e-mail staat:


“(…) Zoals besproken kan dit een ander licht werpen op de zaak te meer omdat deze info niet beschikbaar was bij de aanmelding van het dossier in maart 2019.
Indien effectief sprake is van een aansprakelijkheidsstelling in de periode 2015-2016 dan zou […] de toenmalige verzekeraar op de hoogte moeten gebracht zijn. Graag vernemen wij of deze zaak eerder werd aangemeld en hoe de betreffende verzekeraar hierop heeft gereageerd. Is hiervan enige correspondentie voorhanden? (…)”




2.14.
Op 8 juni 2021 heeft Post & Co, naar aanleiding van de ontvangst van het schrijven van de FNV van 24 oktober 2016, Howden het volgende bericht:


“(…) Ik dank u voor de bijkomende stukken die wij gisteren mochten ontvangen.
In het bijzonder verwijs ik naar het schrijven dd. 24.10.2016 van het FNV dat duidelijk namens [naam] een ingebrekestelling voor letselschade ten aanzien van verzekerde inhoudt, dit op een moment dat onze polis nog niet in werking was getreden. Bijgevolg diende deze zaak bij de vorige verzekeraar worden aangemeld en in behandeling worden genomen. Mocht dit heden nog niet gebeurd zijn nemen wij aan dat verzekerde hiertoe alsnog het nodige zal doen. (…)”




2.15.
Op 7 september 2021 heeft er een telefoongesprek plaatsgevonden tussen Post & Co en Howden over de claim van Matrans op de verzekering.



2.16.
Op 5 oktober 2021 heeft Post & Co Matrans bericht, voor zover van belang:


“Schending mededelingsplicht
(…)
13. Los daarvan, had verzekerde ex art. 7:928 BW bij het aangaan van de verzekering in ieder geval melding moeten maken van de brief van het FNV uit 2016 en de concrete omstandigheden waaronder zij deze brief had ontvangen.
(…)
18. Nu verzekerde de mededelingsplicht ex art. 7:928 lid 1 BW niet is nagekomen en Verzekeraars het aansprakelijkheidsrisico m.b.t. de vordering [naam] bij kennis van de ware stand van zaken zouden hebben uitgesloten, bestaat daarvoor thans ex art. 7:930 lid 1 jo. lid 3 BW geen dekking voor de eventuele aansprakelijkheid van verzekerde jegens Ipenburg.”




2.17.
Verdere correspondentie tussen partijen heeft niet tot wijziging van het standpunt van Post & Co geleid.



2.18.
Op 12 maart 2021 is Matrans door [naam] gedagvaard. Op 6 september 2024 is door de rechtbank Rotterdam, na een aantal tussenvonnissen, een eindvonnis gewezen waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat Matrans haar zorgplicht heeft geschonden en dat zij proportioneel aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade van [naam]. Door [naam] is hoger beroep ingesteld tegen de tussenvonnissen en het eindvonnis. De hoger beroepsprocedure (bekend onder zaaknummer: 200.348.304) ving op 26 november 2024 bij het gerechtshof Den Haag aan. Ten tijde van de mondelinge behandeling in deze procedure stond de zaak op 4 augustus 2026 voor arrest.





3Het geschil


3.1.
Matrans vordert, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
- voor recht te verklaren dat Post & Co c.s. gehouden zijn de schade die Matrans heeft geleden, lijdt en zal lijden in verband met de aansprakelijkheid jegens haar oud-werknemer, [naam], onder de Logistieke Aansprakelijkheidsverzekering (polisnummer [polisnummer]) te vergoeden;
- Post & Co c.s. hoofdelijk te veroordelen te vergoeden de buitengerechtelijke kosten, nader door de rechtbank conform de toepasselijke staffel te begroten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- Post & Co c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure en in de nakosten.



3.2.
Post & Co c.s. voeren gemotiveerd verweer en concluderen:
- Matrans niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen jegens Post & Co, danwel de vorderingen van Matrans jegens Post & Co af te wijzen en
- Matrans niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen jegens Verzekeraars, danwel de vorderingen van Matrans jegens Verzekeraars af te wijzen;
- een en ander met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Matrans in de kosten en nakosten van deze procedure, met vermeerdering van de wettelijke rente indien de kosten niet binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis zijn voldaan.





4De beoordeling



Ontvankelijkheid vordering Post & Co




4.1.

Verzekeraars hebben zich op het standpunt gesteld dat Matrans niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen jegens gedaagde 1, Post & Co. Post & co treedt op als gevolmachtigde van gedaagden sub 2 en sub 3 (Arch Underwriting en Tokio Marine). Post & Co is niet als partij betrokken bij deze zaak, omdat zij zelf geen verzekeraar of
risicodrager op de polis is.




4.2.
Ter zitting heeft Matrans desgevraagd bevestigd dat voor haar, met de toelichting in de conclusie van antwoord, voldoende duidelijk is dat Post & Co enkel gevolmachtigde is en geen risicodrager op de polis en dat zij Post & Co inderdaad ten onrechte heeft gedagvaard.



4.3.
De rechtbank zal Matrans dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen jegens Post & Co.



Verdere beoordeling





4.4.
In deze procedure gaat het over de vraag of Matrans aanspraak kan maken op dekking onder de verzekering. Matrans heeft aanspraak gemaakt op dekking onder de verzekering, omdat zij aansprakelijk is gesteld wegens een beroepsziekte door [naam].



4.5.
Volgens Matrans is voldaan aan alle voorwaarden om tot uitkering over te moeten gaan. Verzekeraars stellen zich - kort samengevat - op het standpunt dat dekking onder de verzekering ontbreekt, omdat Matrans haar mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst heeft geschonden, het een risico betreft dat zich heeft verwezenlijkt vóór aanvang van de verzekeringsovereenkomst en van een onzeker voorval geen sprake is.



Mededelingsplicht





4.6.
Volgens Verzekeraars heeft Matrans niet voldaan aan haar mededelingsplicht als bedoeld in artikel 7:928 lid 1 BW. De schending van de mededelingsplicht leidt ertoe dat de schade van Matrans in verband met haar aansprakelijkheid jegens [naam] niet is gedekt onder de verzekering (artikel 7:930 BW). Matrans had bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst melding moeten maken van de beroepsziekte die [naam] stelde te hebben opgelopen (hierna: de zaak [naam]). Indien Verzekeraars voorafgaand aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst bekend zouden zijn geweest met de zaak [naam], dan hadden zij de verzekeringsovereenkomst alleen afgesloten met een uitsluiting voor de schade die daarmee verband hield, aldus Verzekeraars.



4.7.

Matrans heeft betwist dat zij haar mededelingsplicht heeft geschonden. Volgens Matrans wordt aan de beoordeling van het beroep op schending van de mededelingsplicht echter niet toegekomen, omdat Verzekeraars het recht hebben verloren om zich te beroepen op de eventuele gevolgen van de schending van de mededelingsplicht. Verzekeraars hadden na ontdekking van de schending van de mededelingsplicht - de dag van ontvangst van de brief van 24 oktober 2016 op 7 juni 2021 - op grond van artikel 7:929 lid 1 BW twee maanden de tijd om Matrans te wijzen op de niet-nakoming onder vermelding van de mogelijke gevolgen. Post & Co heeft zich namens de Verzekeraars echter pas bij brief van
5 oktober 2021, en dus vier maanden na de ontdekking, voor het eerst op het standpunt gesteld dat Matrans haar mededelingsplicht zou hebben geschonden.




4.8.
De rechtbank volgt Matrans in haar verweer dat Verzekeraars het recht hebben verloren om zich te beroepen op de eventuele gevolgen van de schending van de mededelingsplicht en overweegt daartoe als volgt.



4.9.

Volgens artikel 7:928 lid 1 BW is de verzekeringnemer verplicht vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen. Als de verzekeringnemer niet aan deze mededelingsplicht heeft voldaan, is
geen uitkering verschuldigd indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten (art. 7:930 lid 4 BW).




4.10.
Artikel 7:929 lid 1 BW bepaalt dat de verzekeraar die ontdekt dat aan de in artikel 7:928 BW omschreven mededelingsplicht niet is voldaan, de gevolgen daarvan slechts kan inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen (hierna: de kennisgevingsplicht). De in artikel 7:929 lid 1 BW genoemde vervaltermijn van twee maanden gaat pas lopen als de verzekeraar voldoende zekerheid heeft verkregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer de verzekeraar de bedoelde zekerheid heeft verkregen, en of en in welke mate van de verzekeraar mag worden verwacht dat hij onderzoek doet nadat hij aanwijzingen heeft gekregen dat de verzekeringnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen.



4.11.
Artikel 7:929 lid 1 BW heeft een ruim toepassingsbereik. De kennisgevingsplicht geldt ook als de schending van de mededelingsplicht pas na verwezenlijking van het verzekerde risico wordt ontdekt. Aan de kennisgevingsplicht ligt de gedachte ten grondslag dat de verzekeraar zijn wederpartij niet in onzekerheid mag laten over de vraag of hij zich een beroep op schending van de mededelingsplicht wil voorbehouden, en de zaak niet op haar beloop mag laten. Verder heeft de wetgever met de kennisgevingsplicht ook meer specifieke belangen van de verzekeringnemer willen beschermen. Zo kan het voor de verzekeringnemer van belang zijn snel duidelijkheid te hebben over de vraag of de verzekeraar dekking weigert, omdat de verzekeringnemer dan nog de gelegenheid heeft elders een verzekering te sluiten of een derde aan te spreken.



4.12.
Indien de verzekeraar niet tijdig heeft voldaan aan de kennisgevingsplicht, kan hij zich op grond van artikel 7:929 lid 1 BW niet meer op zijn rechten ter zake van de niet-nakoming van de mededelingsplicht beroepen. Dit gevolg treedt in ongeacht of de verzekeringnemer daadwerkelijk nadeel ondervindt van het niet tijdig voldoen aan de kennisgevingsplicht.



4.13.
De stelplicht en de bewijslast ter zake van de vraag of de verzekeraar aan de kennisgevingsplicht heeft voldaan rust op de verzekeraar. Dit vloeit voort uit de hoofdregel van de bewijslastverdeling van artikel 150 Rv. Naleving van de kennisgevingsplicht is immers nodig voor een geslaagd beroep van de verzekeraar op de rechtsgevolgen van de niet-nakoming van de mededelingsplicht.



4.14.
Volgens Verzekeraars hebben zij aan de kennisgevingsplicht voldaan. Op 7 juni 2021 is door Post & Co een kopie ontvangen van de brief van 24 oktober 2016. Op 8 juni 2021, dus ruim binnen de twee maanden, is aan Matrans medegedeeld dat er geen dekking voor de zaak [naam] bestond. In de voorgaande berichten, waarin namens Verzekeraars is verzocht om de brief van 24 oktober 2016, werd ook al gewezen op de mogelijke consequenties van die brief. Daarin moet redelijkerwijs worden gelezen dat is voldaan aan de verplichting binnen twee maanden te wijzen op de consequenties van de schending van de mededelingsplicht. De latere brief van 5 oktober 2021 is alleen een nadere toelichting op het dekkingsstandpunt uit de e-mail van 8 juni 2021, aldus Verzekeraars.



4.15.

Naar het oordeel van de rechtbank ligt in de stellingen van Verzekeraars besloten dat Verzekeraars met ontvangst van de brief op 7 juni 2021 voldoende zekerheid hadden verkregen dat Matrans (volgens hen) niet had voldaan aan diens mededelingsplicht. Verzekeraars stellen immers dat zij hebben voldaan aan de vereisten van artikel 7:929 lid 1 BW, omdat zij binnen twee maanden na ontvangst van de brief, namelijk al bij brief van 8 juni 2021, aan Matrans hebben meegedeeld dat de zaak van [naam] niet is gedekt en zij dus zouden hebben gewezen op de mogelijke consequenties. Verzekeraars miskennen echter dat artikel 7:929 lid 1 BW vereist dat de verzekeraar die ontdekt dat aan de in
artikel 7:928 BW omschreven mededelingsplicht niet is voldaan binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming van de mededelingsplicht wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen. In de e-mail van 8 juni 2021 is naar het oordeel van de rechtbank niet te lezen dat Verzekeraars hebben gewezen op de niet-nakoming van de mededelingsplicht en het om die reden ontbreken van dekking onder de verzekering en de gevolgen daarvan. Dit hebben Verzekeraars voor het eerst gedaan bij brief van 5 oktober 2021, en dus ongeveer vier maanden na het moment dat blijkens de stellingen van Verzekeraars sprake was van ontdekking.




4.16.
Verzekeraars hebben subsidiair naar voren gebracht dat, gezien de inhoud van het telefoongesprek van 7 september 2021 tussen Post & Co en Howden en het feit dat nadien geen informatie meer door Matrans is aangeleverd, pas na 7 september 2021 voldoende zekerheid bestond dat de mededelingsplicht was geschonden. Daarna is de brief van 5 oktober 2021 verstuurd en dat is volgens Verzekeraars ruim binnen de termijn van twee maanden na 7 september 2021.



4.17.
Met deze stellingen hebben Verzekeraars evenmin voldoende onderbouwd dat zij hebben voldaan aan de kennisgevingsplicht. In de eerste plaats, omdat dit subsidiaire standpunt innerlijk tegenstrijdig is met het primaire standpunt.



4.18.
Bovendien kan, anders dan Verzekeraars stellen, niet aangenomen worden dat pas op 7 september 2021 voldoende zekerheid bestond dat de mededelingsplicht was geschonden. Uit de inhoud van de tussen Howden en de Verzekeraars gevoerde correspondentie volgt dat de brief van 24 oktober 2016 bepalend was voor Verzekeraars om een standpunt te kunnen bepalen. In de e-mail van 13 april 2021 (zie 2.13) heeft Post & Co de brief van 24 oktober 2016 van de FNV opgevraagd. Deze brief kon, zo staat in de brief, een ander licht werpen op de zaak, omdat deze info niet beschikbaar was bij de aanmelding van het dossier in maart 2019. Onder verwijzing naar de brief van 24 oktober 2016 hebben Verzekeraars bij e-mail van 8 juni 2021 (zie 2.14) dekking afgewezen, omdat de zaak onder de vorige verzekeraar had moeten worden gemeld. Daarna is in de brief van 5 oktober 2021 enkel onder verwijzing naar de brief van 24 oktober 2016 vermeld dat Matrans op grond van artikel 7:928 BW bij het aangaan van de verzekering melding had moeten maken van de brief en de concrete omstandigheden waaronder zij deze brief had ontvangen. Op basis daarvan is het standpunt ingenomen dat Matrans de mededelingsplicht niet was nagekomen en er op grond van artikel 7:930 lid 1 jo. lid 3 BW geen dekking bestond. Naar het oordeel van de rechtbank bestond met de ontvangst van de brief van 24 oktober 2016 op 7 juni 2021 dus voldoende zekerheid (los van wat Verzekeraars daar primair zelf over hebben gesteld), en was er niet slechts sprake van een vermoeden dat Matrans zijn mededelingsplicht had geschonden, waarna nog verder onderzoek nodig was om een daadwerkelijke schending vast te stellen.



4.19.
Voor zover Verzekeraars betogen dat de kennisgevingsplicht in dit geval niet zou gelden, omdat artikel 7:929 lid 1 BW alleen zou zien op een situatie waarin een risico zich niet heeft verwezenlijkt op het moment dat de schending van de mededelingsplicht, stuit dat betoog af op wat is overwogen in rov. 4.11. Van een situatie waarin een verzekerde moet worden gewezen op de mogelijke gevolgen van de schending van de mededelingsplicht kan, anders dan Verzekeraars betogen, sprake zijn in zowel de situatie dat het verzekerde risico zich nog niet heeft verwezenlijkt als de situatie waarin dat risico zich al wel heeft verwezenlijkt.



4.20.
Dit alles leidt tot de conclusie dat Matrans niet binnen twee maanden na de ontdekking van de schending van de mededelingsplicht is bericht dat Verzekeraars zich op die schending beriepen en wat de gevolgen daarvan waren. Dit betekent dat Verzekeraars geen gevolgen kunnen verbinden aan de volgens hen bestaande schending van de mededelingsplicht, zoals afwijzing van dekking onder de verzekering.



4.21.
De verdere stellingen van partijen ten aanzien van de schending van de mededelingsplicht en de daaraan mogelijk te verbinden gevolgen kunnen verder onbesproken blijven.




Aanspraak tijdens looptijd





4.22.
Tussen partijen is verder in geschil of is voldaan aan artikel 3.1.1 van de polisvoorwaarden.



4.23.
Uit artikel 3.1.1 volgt dat voorwaarde voor dekking is dat aanspraken tot schadevergoeding tijdens de looptijd van de verzekering tegen verzekerde worden ingesteld en bij verzekeraars zijn gemeld en niet voor aanvang van de verzekering bij verzekerde bekend waren. Een aanspraak is op grond van artikel 1.11 van de polisvoorwaarden een tegen verzekerde ingestelde (al dan niet terechte) aansprakelijkstelling of vordering tot vergoeding van schade, voortvloeiend uit een handelen of nalaten van een verzekerde



4.24.
Volgens Matrans is voldaan aan de vereisten van artikel 3.1.1 van de polisvoorwaarden. De verzekering is op 1 januari 2017 ingegaan. De brief van 24 oktober 2016 moet worden gezien als een stuitingshandeling, maar niet als een aansprakelijkstelling. Matrans heeft voor het eerst een aansprakelijkstelling ontvangen op 5 september 2019. Deze aansprakelijkstelling is (dus) tijdens de looptijd van de Verzekering aan Matrans verstuurd. Deze aansprakelijkstelling was Matrans niet eerder bekend.



4.25.
Volgens Verzekeraars valt de zaak [naam] buiten de dekking, omdat niet voldaan is aan de vereisten van artikel 3.1.1 van de polisvoorwaarden. De brief van de FNV van 24 oktober 2016 is een aanspraak tot schadevergoeding. Gelet op de ingangsdatum van de polis (1 januari 2017), is de aanspraak tot schadevergoeding dus niet tegen verzekerde ingesteld tijdens de looptijd van de verzekering. Ook is niet voldaan aan de dekkingsvoorwaarde dat de aanspraak vóór aanvang van de verzekering bij verzekerde onbekend was. Daarmee valt de eventuele aansprakelijkheid voor de schade [naam] niet onder de dekking van de polis, aldus Verzekeraars.



4.26.
De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de vereisten van artikel 3.1.1 van de polisvoorwaarden en licht dit als volgt toe.



4.27.
Het gaat hier om een zogenaamde makelaarspolis die ter beurze door beursmakelaar (in dit geval Howden) bij verzekeraars is ondergebracht. Vaststaat dat over de tekst niet is onderhandeld. Er is ook geen toelichting op de desbetreffende voorwaarden voorhanden. Onder deze omstandigheden vindt de uitleg plaats aan de hand van de bewoordingen van de desbetreffende polisbepaling, gelezen in het licht van de verzekeringsvoorwaarden als geheel.



4.28.
Uit artikel 3.1.1, gelezen in samenhang met artikel 1.11, vloeit volgens de rechtbank voort dat, wil er dekking bestaan, tijdens de looptijd van de verzekering aan verzekerde een bericht moet zijn verstuurd met daarin de mededeling dat verzekerde schade heeft veroorzaakt en daarvoor aansprakelijk wordt gesteld (een aansprakelijkstelling) en/of een bericht met daarin (ook) de eis om de geleden schade daadwerkelijk te herstellen of te compenseren (vordering tot vergoeding van schade).



4.29.
De brief van 24 oktober 2016 kan naar het oordeel van de rechtbank niet als een van beide worden gezien. In de brief van 24 oktober 2016 wordt door de FNV namens [naam] meegedeeld hij meent dat zijn gezondheidsklachten veroorzaakt zijn door de werkzaamheden die hij bij Matrans heeft verricht. Verder staat in de brief dat de FNV een onderzoek is gestart naar de mogelijke aansprakelijkheid van Matrans als werkgever voor de gezondheidsklachten die hij heeft opgelopen tijdens of door het werk dat hij bij Matrans heeft verricht. Om te voorkomen dat vorderingen voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst met Matrans verjaren, wordt - kort gezegd - meegedeeld dat [naam] zich ten aanzien van dit onderwerp alle rechten en vorderingen voorbehoudt, zeker de rechten en vorderingen die al dan niet gebaseerd zijn op letselschade dan wel beroepsziekte. In die brief staat niet dat Matrans voor de schade aansprakelijk wordt gesteld en de brief bevat ook geen eis om de geleden schade daadwerkelijk te herstellen of te compenseren. De brief van 24 oktober 2016 is naar het oordeel van de rechtbank om die reden ‘slechts’ als een stuitingshandeling aan te merken. Deze uitleg past ook bij de inhoud van de brief van 18 februari 2019, waarin de FNV stukken opvraagt, omdat Bureau Beroepsziekten van de FNV het mogelijke causale verband tussen de arbeidsomstandigheden en de opgetreden gezondheidsschade onderzocht.



4.30.
Vervolgens heeft [naam] bij brief van 5 september 2019 Matrans daadwerkelijk aansprakelijk gesteld. In die brief staat immers dat door de gebrekkige arbeidsomstandigheden zich bij [naam] een beroepsziekte heeft ontwikkeld en de FNV Matrans namens [naam] aansprakelijk stelt voor de door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade die het gevolg is van deze beroepsziekte. De brief van 5 september 2019 is de eerste aanspraak als bedoeld in artikel 3.1.1 van de polisvoorwaarden en die aanspraak was Matrans nog niet bekend voor aanvang van de verzekering.



4.31.
Dit betekent dat Verzekeraars geen dekking kunnen weigeren, omdat niet zou zijn voldaan aan de vereisten van artikel 3.1.1 van de polisvoorwaarden.



Onzeker voorval





4.32.
Tot slot is tussen partijen in geschil of er sprake is van een onzeker voorval als bedoeld in artikel 1.2 van de polisvoorwaarden.



4.33.
Uit artikel 7:925 BW volgt dat een verzekeringsovereenkomst een element van onzekerheid moet bevatten. Ontbreekt dat element, dan is van een verzekeringsovereenkomst geen sprake. Aan dit wettelijk vereiste van onzekerheid is voldaan als bij het sluiten van de verzekering voor partijen onzekerheid bestaat dat, wanneer of tot welk bedrag enige uitkering moet worden gedaan. In de polisvoorwaarden kunnen verzekeraars een zogenaamde onzekerheidsclausule opnemen ter nadere bepaling van de vereiste onzekerheid. In de polisvoorwaarden is een onzekerheidsclausule opgenomen in artikel 1.2.



4.34.
Artikel 1.2 van de polisvoorwaarden bepaalt dat de overeenkomst aan het vereiste van onzekerheid als bedoeld in artikel 7:925 BW beantwoordt, indien en voor zover de door een derde geleden schade op vergoeding waarvan jegens een verzekerde aanspraak wordt gemaakt, het gevolg is van een gebeurtenis waarvan voor partijen ten tijde van het sluiten van de verzekering onzeker was dat daaruit schade voor de derde was ontstaan dan wel naar de normale loop van omstandigheden nog zou ontstaan. Verder bepaalt artikel 1.2 dat schade welke niet aan voornoemd onzekerheidsvereiste voldoet niet is gedekt. Het begrip gebeurtenis is niet gedefinieerd in de polisvoorwaarden.


4.35.
Volgens Matrans is aan artikel 1.2 voldaan. Artikel 1.2 moet worden gelezen tegen de achtergrond van de polis als geheel. Gelet op de definitie van aanspraak in artikel 1.11 van de polisvoorwaarden is “een gebeurtenis” als bedoeld in dit artikel een handelen of nalaten van verzekerde waaruit mogelijk een aanspraak voortvloeit. Matrans wist dat [naam] gezondheidsklachten had, maar het gaat erom - zo begrijpt de rechtbank de stellingen van Matrans - of onzeker was dat uit juridisch verwijtbaar handelen of nalaten van Matrans schade voor [naam] was ontstaan dan wel naar de normale loop van omstandigheden nog zou ontstaan. Matrans wist ten tijde van het sluiten van de verzekering niet dat hier sprake van was. Uit de brief van 24 oktober 2016 bleek dit niet. Toen was zowel voor Matrans als voor de Verzekeraars nog onzeker dat [naam] (daadwerkelijk) aanspraak zou maken op vergoeding van enige schade én die claim vervolgens bij Matrans zou neerleggen. Er was destijds ook géén sprake van een duidelijk aanwijsbare omstandigheid, bijvoorbeeld een bedrijfsongeval, die kort voor de ontvangst van de brief had plaatsgevonden en mogelijk tot aansprakelijkheid zou kunnen leiden.



4.36.
Verzekeraars betogen dat het begrip “een gebeurtenis” uit artikel 1.2 naar normaal spraakgebruik moet worden uitgelegd, en niet kan worden uitgelegd aan de hand van het bepaalde in artikel 1.11 van de polisvoorwaarden. Het gaat om een feitelijke gebeurtenis, en dat zijn in dit geval de arbeidsomstandigheden bij Matrans in de periode van 1997 tot 2013. Artikel 1.2 vereist dat onzeker moet zijn dat uit die feitelijke gebeurtenis schade voor de derde was ontstaan dan wel naar de normale loop van omstandigheden nog zou ontstaan. De voor dekking vereiste onzekerheid ziet dus op de schade van [naam] en niet op de vraag of Matrans daarvoor ook aansprakelijk is of zou worden gesteld. Ten tijde van het sluiten van de verzekeringsovereenkomst was er al schade als bedoeld in artikel 1.12 van de polisvoorwaarden ingetreden en Matrans had daar kennis van.



4.37.
Gelet op de bewoordingen artikel 1.2 van de polisvoorwaarden kan naar het oordeel van de rechtbank onder gebeurtenis als genoemd in dat artikel niet anders worden verstaan dan een feitelijke gebeurtenis (of feitelijke gebeurtenissen). Dit betekent dat op grond van artikel 1.2 is voldaan aan het vereiste van onzekerheid als bedoeld in artikel 7:925 BW, indien onzeker is dat uit een feitelijke gebeurtenis schade voor de derde is ontstaan dan wel naar de normale loop van omstandigheden nog zou ontstaan (tot vergoeding waarvan de verzekerde vervolgens wordt aangesproken). Vertaald naar deze procedure moest ten tijde van het sluiten van de verzekeringsovereenkomst voor Matrans dus onzeker zijn dat door de arbeidsomstandigheden bij Matrans in de periode 1997 tot 2013 bij [naam] schade was ontstaan dan wel naar de normale loop van omstandigheden nog zou ontstaan.



4.38.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in redelijkheid niet worden aangenomen dat die onzekerheid er ten tijde van het sluiten van de verzekeringsovereenkomst (nog) was. Matrans was, zoals Verzekeraars naar voren hebben gebracht, (in ieder geval) sinds 2013 bekend met de arbeidsongeschiktheid van [naam] wegens gezondheidsklachten. Gezondheidsklachten vallen onder de definitie van schade als bedoeld in artikel 1.12 van de polisvoorwaarden, namelijk “letsel of benadeling of aantasting van de gezondheid van een persoon”. Voor zover Matrans er toen nog niet mee bekend was dat de klachten van [naam] mogelijk werkgerelateerd waren, moet dat Matrans in elk geval wel duidelijk zijn geweest vanaf 24 oktober 2016. Na de ontvangst van de brief van 24 oktober 2016 was Matrans er, gezien de inhoud daarvan, mee bekend dat [naam] van mening was dat zijn gezondheidsklachten veroorzaakt zijn tijdens of door het werk dat hij bij Matrans heeft verricht. Er bestond volgens Matrans dus een direct verband tussen zijn schade en de arbeidsomstandigheden bij Matrans. Ook stelde hij in de brief ten aanzien van dit onderwerp zijn rechten en vorderingen veilig, al dan niet volledig gebaseerd op letselschade dan wel beroepsziekte. Dat op dat moment nog niet duidelijk was of [naam] Matrans daadwerkelijk aansprakelijk zou stellen is, zoals overwogen in 4.37, niet bepalend.



4.39.
Ter zitting is nog aan de orde geweest in hoeverre de overlegde rapporten (de RI&E van Matrans uit 2005, de rapporten van Fysergo uit 2008, 2009 en 2011 en de rapporten van de arbeidsinspectie uit 2007 en 2012) van belang zijn voor de bekendheid van Matrans met de risico's op beroepsziekten voor sjorders. Volgens Verzekeraars staat, nu uit die stukken blijkt dat het werk als sjorder een (te) vergaande fysieke belasting met zich brengt, vast dat Matrans bekend was met de risico's op beroepsziekten zoals die van [naam]. Volgens Matrans zien die onderzoeken alleen op het werk van systeemsjorders en niet op het werk stukgoedsjorders, terwijl [naam] een stukgoedsjorder was. Het werk van stukgoedsjorders gaat gepaard met een minder vergaande fysieke belasting dan het werk van systeemsjorders, en om die reden zeggen de onderzoeken en rapporten dus niets over de oorzaak van de schade van [naam]. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven in hoeverre de rapporten van belang zijn voor de bekendheid van Matrans met de risico's op beroepsziekten bij stukgoedsjorders. Het standpunt van Matrans brengt geen wijziging in het feit na de ontvangst van de brief van 24 oktober 2016 in redelijkheid niet kan worden aangenomen dat de op grond van artikel 1.2 van de polisvoorwaarden vereiste onzekerheid er ten tijde van sluiten van de verzekeringsovereenkomst (nog) was.



4.40.
Dit betekent dat de schade waarvoor Matrans wordt aangesproken door [naam] niet voldoet aan het vereiste van onzekerheid en die schade dus niet is gedekt op grond van artikel 1.2 van de polisvoorwaarden.



4.41.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat met de brief van 24 oktober 2016 voor Matrans duidelijk was dat zij mogelijk in de toekomst nog zou kunnen worden aangesproken door [naam] vanwege schade die hij had opgelopen gedurende zijn werk als stuksjorder bij Matrans in genoemde periode. Tussen partijen staat vast dat Matrans deze omstandigheid toentertijd had kunnen melden onder de aansprakelijkheidsverzekering van Matrans bij AON die per 31 december 2016 was opgezegd en het risico daarmee onder de uitloopdekking van die verzekering zou zijn gevallen. Ditzelfde geldt onder deze verzekering. Op grond van artikel 3.1.2 van de polisvoorwaarden vallen aanspraken onder de verzekering die na de looptijd van de verzekering tegen verzekerde worden ingediend, indien die aanspraken voortvloeien uit omstandigheden die verzekerde tijdens de looptijd van de verzekering bij verzekeraars heeft gemeld.



Conclusie





4.42.
Verzekeraars zijn niet gehouden de schade die Matrans heeft geleden, lijdt en zal lijden in verband met de aansprakelijkheid jegens [naam] te vergoeden onder de verzekering. De jegens Verzekeraars gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen.



Buitengerechtelijke kosten





4.43.
Nu de vorderingen van Matrans worden afgewezen, bestaat er geen grond voor toewijzing van een bedrag aan buitengerechtelijke kosten.



Proceskosten





4.44.
Matrans wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Matrans worden begroot op:









- griffierecht


€


714,00







- salaris advocaat


€


1.108,00


(2 punten × € 554,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.011,00











4.45.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.






5De beslissing


De rechtbank



5.1.
verklaart Matrans niet-ontvankelijk in haar vorderingen jegens Post & Co;



5.2.
wijst de vorderingen van Matrans jegens Verzekeraars af;



5.3.
veroordeelt Matrans in proceskosten van € 2.011,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Verzekeraars niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;



5.4.
veroordeelt Matrans tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;



5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Dongelmans en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.



3262/1980








HR 7 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:1050.


Conclusie AG Hartlief voor HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1050.


HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:178.


HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:178.


HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:178.