Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12560

2026-09-23 Bestuursrecht ROT 25/5709
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-23
Publicatiedatum
2026-09-24
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 25/5709
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Weigering om een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een levensloopbestendige woning. Beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.419 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 25/5709


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,


en


het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee, het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).


Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de weigering een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een levensloopbestendige woning. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.



1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eisers aanvraag mocht afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop


2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor de omgevingsplanactiviteit bouwen, te weten, een levensloopbestendige woning op het perceel met kadastrale aanduiding [kadastrale aanduiding 1] aan [straat] in [plaats] . Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 21 mei 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.



2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.3.
Eiser heeft een nader stuk ingediend.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college en mr. N.J.H.M. Slaats.




Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit


3. Eiser wil met zijn bouwplan een levensloopbestendige woning bouwen op het perceel.
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee (omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel was voor zover relevant vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Buitengebied” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het perceel heeft voor zover relevant de bestemmingen Wonen en Waarde - Archeologie - 3 met een maximaal aantal wooneenheden van vier.

5. Met het primaire besluit heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd, omdat volgens de plankaart in het aangegeven vlak vier woningen mogen staan, die er alle vier al staan, waardoor het niet is toegestaan om nog een woning toe te voegen. Verder heeft het college bepaald dat niet kan worden meegewerkt aan een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Met het bestreden besluit heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, het primaire besluit gehandhaafd. In dat advies is onder meer geconcludeerd dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat verlening van de gevraagde vergunning in strijd is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).



Toetsingskader


6. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

7. Niet in geschil is dat het bouwplan van eiser in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op ETFAL. In geschil is of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet voldoet aan ETFAL.

8. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State komt het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met ETFAL. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht, of het voldoende is gemotiveerd en of de nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.



Standpunt eiser


9. Eiser betoogt dat het bouwplan voldoet aan de ETFAL. Daartoe voert hij aan dat de ontwikkeling niet in strijd is met het geldende provinciale beleid en dat elke vorm van uitbreiding van het aantal woningen omarmd zou moeten worden en niet zou moeten worden bestreden met een discretionaire bevoegdheid. Verder voert eiser aan dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het overhevelen van een (vooralsnog) ongebruikte mogelijkheid binnen het ene bouwvlak naar het bouwvlak waarin het perceel zich bevindt en dat hij daarin wel ruimte ziet voor aanpassingen, zeker omdat volgens eiser het bestemmingsplan destijds (abusievelijk) onjuist is vastgesteld. Ten slotte betoogt eiser dan sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de nummers 49a en 61a.



Standpunt college


10. Het college heeft zich op het standpunt gesteld niet bereid te zijn om mee te werken aan de ontwikkeling en dat het daarvoor een discretionaire bevoegdheid heeft. Daarnaast heeft het college geconcludeerd dat zowel het gemeentelijk als provinciaal beleid restrictief is ten aanzien van woningbouw in het buitengebied. Ten aanzien van het overhevelen van mogelijkheden binnen een bepaald bouwvlak stelt het college dat moet worden uitgegaan van het bestaande bouwvlak waarin de realisatie van maximaal vier woningen is toegestaan en dat het gegeven dat in een ander bouwvlak minder woningen zijn gerealiseerd dan toegestaan geen rechtvaardiging biedt om de (vooralsnog) ongebruikte mogelijkheid over te hevelen naar het onderhavige bouwvlak. Daarbij heeft het college erop gewezen dat een dergelijke overheveling bovendien zou kunnen leiden tot het ten onrechte benadelen van de eigenaar van het perceel met het bouwvlak waarin de ruimte wel is voorzien.



Oordeel rechtbank


11. De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellend dat het bouwplan van eiser niet voldoet aan een ETFAL. Het college heeft daarbij kunnen wijzen op de omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland. Het college heeft gemotiveerd dat de provincie inzet op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaande stads- en dorpsgebied waarbij het uitgangspunt is om primair binnen bestaand stads- en dorpsgebied te bouwen, terwijl het perceel buiten bestaand stads- en dorpsgebied ligt. Het college heeft voorts kunnen wijzen op het gemeentelijk beleid dat restrictief is voor wat betreft woningbouw in het buitengebied en het omgevingsplan dat conservatief van aard is ten aanzien van woningbouw. Ten slotte heeft het college gemotiveerd dat het plan van eiser in strijd is met de omgevingsvisie Voorne aan Zee waarin de landschappelijke kwaliteit wordt benadrukt, waarbij die kwaliteit moet worden behouden en waar nodig moet worden versterkt, waardoor het realiseren van de woningbouwopgave binnen bestaand stedelijk gebied en eventueel aan de stads- en dorpsranden prioriteit heeft waardoor het open buitengebied zoveel mogelijk haar karakter behoudt.


11.1.
Het betoog van eiser dat geen sprake is van strijd met het geldende provinciale beleid is niet nader onderbouwd en legt onvoldoende gewicht in de schaal tegenover het gemotiveerde standpunt van het college. De enkele mening van eiser dat een uitbreiding van het aantal woningen omarmd zou moeten worden, laat onverlet dat het college beleidsruimte heeft bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het omgevingsplan. Eiser betwist weliswaar dat het perceel niet in of aan de rand van bestaand stads- en dorpsgebied ligt, maar [straat] ligt op minimaal één kilometer van de bebouwde kom af. De rechtbank volgt daarom het college in zijn standpunt dat het perceel niet in of aan de rand van bestaand stads- en dorpsgezicht ligt, deze beroepsgrond slaagt daarom niet.


11.2.
Met het college is de rechtbank van oordeel dat het gegeven dat in een ander bouwvlak vijf wooneenheden zijn toegestaan, terwijl er maar vier zijn gerealiseerd geen rechtvaardiging biedt om de (vooralsnog) ongebruikte mogelijkheid over te hevelen naar het onderhavige bouwvlak en dat een dergelijke overheveling zou kunnen leiden tot het ten onrechte benadelen van het bouwvlak waarin de ruimte wel is voorzien. Daarmee is niet gebleken van onvoldoende onderzoek. Eiser heeft ook niet gespecificeerd wat het college volgens hem nader had moeten onderzoeken. Ook het betoog van eiser dat sprake is van een behoorlijke tegenstrijdigheid ten aanzien van een ETFAL slaagt niet, nu slechts het bouwvlak waarin het perceel is gelegen ter beoordeling voorligt.



11.3.
Wat eiser betoogt ten aanzien van de inspraakreacties bij de totstandkoming van het bestemmingsplan ten aanzien van het perceel [kadastrale aanduiding 2] kan hem niet baten, nu voor dat perceel hetzelfde geldt als voor het perceel van eiser. Ook in het bouwvlak waarin [kadastrale aanduiding 2] is gelegen is sprake van maximaal vier woningen en overigens is ook niet gebleken van een vergissing bij de totstandkoming van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan staat bovendien in rechte vast. In het enkele feit dat sprake is van woningnood heeft het college geen aanleiding hoeven zien om daarvan af te wijken op de manier die eiser voorstaat.



Het beroep op het gelijkheidsbeginsel


12. In reactie op eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft het college ter zitting toegelicht dat voor huisnummer 61a geen omgevingsvergunning is verleend en dat het mogelijk gaat om een vergunningsvrije mantelzorgwoning, die wel een huisnummer krijgt in het kader van de BAG-registratie. Voor wat betreft huisnummer 49a heeft het college toegelicht dat geen sprake is van een woning, maar van een schuur met een industriefunctie op het perceel van een agrarisch bedrijf. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van gelijke gevallen. Het enkele feit dat deze huisnummers zijn uitgegeven maakt niet dat sprake is van een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

13. Ten aanzien van het betoog dat eiser tijdens de bezwaarprocedure het verweerschrift pas na de hoorzitting heeft ontvangen overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft toegelicht welke consequenties de rechtbank hieraan volgens hem moet verbinden. Wat hier ook van zij, het is niet gebleken dat eiser hierdoor is benadeeld. Dit kan daarom niet leiden tot een gegrond beroep.

14. Gelet op het voorgaande heeft het college in redelijkheid kunnen weigeren af te wijken van het omgevingsplan.



Het verzoek om vergoeding van geleden schade


15. Nu niet gebleken is van een onrechtmatig besluit komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van schade. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.




Conclusie en gevolgen


16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.





Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, rechter, in aanwezigheid van J.G. Mierop, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.













griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Omgevingswet





Artikel 5.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,

[…]
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.




Besluit kwaliteit leefomgeving





Artikel 8.0a

[…]
2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.




Artikel 8.0b
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing:
a. de regels van hoofdstuk 5;
b. op grond van artikel 2.22 van de wet gestelde regels over omgevingsplannen; en
c. op grond van de artikelen 2.33 en 2.34 van de wet gegeven instructies over omgevingsplannen.
2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd als:
a. de omgevingsplanactiviteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van een regel of instructie als bedoeld in het eerste lid;
b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan; of
c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door een bestuursorgaan van de provincie of het Rijk belemmert.



Omgevingsplan gemeente Voorne aan Zee





Artikel 22.26
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.



Bestemmingsplan “Buitengebied”





Artikel 15.2.1

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:
[…]
d. het maximaal aantal wooneenheden bedraagt niet meer dan één per bestemmingsvlak, tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' een ander aantal is aangeduid;



Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.


Zie artikel 15.2.1. aanhef en onder d, van het bestemmingsplan “Buitengebied”.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:634, r.o. 7.1.