Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12512

2026-09-23 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/10/703197 HA ZA 25-588
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-23
Publicatiedatum
2026-09-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
C/10/703197 HA ZA 25-588
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Einde samenwerking tussen medisch specialist en ziekenhuis. In de omstandigheden van het moment was definitieve ontzegging van de toegang tot het ziekenhuis geen proportionele, zorgvuldige reactie op de conflictsituatie. Er had onderzoek moeten plaatsvinden naar alternatieven. Het ziekenhuis is daarom wegens onrechtmatig handelen aansprakelijk voor schade. Het handelen van de arts dat de aanleiding vormde voor twee voorlopige ontzeggingen heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Dit aandeel (eigen schuld) begroot de rechtbank op 30%. De hoogte van de schade moet in een vervolgprocedure worden vastgesteld als partijen het daarover in onderling overleg niet eens worden.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (43.848 tekens)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM


Team handel en haven



zaaknummer / rolnummer: C/10/703197 / HA ZA 25-588





Vonnis van 23 september 2026




in de zaak van





1 [bedrijf] B.V.,

gevestigd te [plaats 1] ,
2. [eiser],
wonende te [plaats 2] ,
eisers,
advocaat mr. B. van Mieghem te Rotterdam,



tegen




STICHTING IJSSELLAND ZIEKENHUIS,
gevestigd te Capelle aan den IJssel ,
gedaagde,
advocaat mr. A.J.H.W.M. Versteeg te Heemstede.




Eisers worden ook samen (in enkelvoud) aangeduid als ‘ [eiser] ’.
Gedaagde wordt hierna ‘het Ziekenhuis’ genoemd.






1De zaak in het kort



[eiser] is als medisch specialist jarenlang werkzaam geweest in het IJsselland Ziekenhuis (hierna: het ziekenhuis). Daaraan is op 28 april 2020 een einde gekomen door een definitieve ontzegging van de toegang van [eiser] door het Ziekenhuis als reactie op een conflictsituatie. Daaraan ging tweemaal een tijdelijke ontzegging van de toegang vooraf.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het Ziekenhuis ten onrechte op 28 april 2020 naar het middel van een definitieve ontzegging van de toegang heeft gegrepen. Dit was in de omstandigheden van het moment geen proportionele, zorgvuldige reactie. Gelet op het grote belang van [eiser] bij voortzetting van zijn werkzaamheden in het ziekenhuis, had onderzoek naar alternatieven behoren plaats te vinden. Het Ziekenhuis is daarom wegens onrechtmatig handelen aansprakelijk voor de schade van [eiser] .
Het handelen van [eiser] dat de aanleiding vormde voor de voorlopige ontzeggingen heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Dit aandeel begroot de rechtbank op 30% van de totale schade, zodat dit deel voor rekening van [eiser] blijft en 70% van de schade door het Ziekenhuis vergoed dient te worden.
De hoogte van de schade moet in een vervolgprocedure worden vastgesteld als partijen het daarover in onderling overleg niet eens worden.






2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 juli 2025 en de producties 1-22;
- de conclusie van antwoord en de producties 1-7;
- de uitnodiging voor de zitting en de zittingsagenda;
- de akte van [eiser] met de producties 23-24;
- de mondelinge behandeling op 22 mei 2026;
- de spreekaantekeningen van de advocaten van partijen.



2.2.
Na de mondelinge behandeling hebben partijen geprobeerd het geschil onderling via mediation op te lossen. Omdat dit niet tot een schikking heeft geleid, heeft de rechtbank vervolgens bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.






3Het geschil


3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat:
a. a) de beëindiging door het Ziekenhuis van de overeenkomst met eisers en de daarmee samenhangende toegangsontzegging ten aanzien van eisers onrechtmatig waren; en
b) het Ziekenhuis aansprakelijk is voor de schade die eisers als gevolg hiervan lijden, nader op te maken bij staat;
een en ander met veroordeling van het Ziekenhuis in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.



3.2.
Op de zitting heeft [eiser] de toelichting gegeven dat de vorderingen zo moeten worden begrepen dat 'de beëindiging door het Ziekenhuis van de overeenkomst' ziet op het samenstel van de overeenkomsten tussen betrokkenen, en dat ook de veroordeling van het Ziekenhuis wordt gevraagd tot vergoeding van schade (op te maken bij staat). Het Ziekenhuis heeft bevestigd dat de vorderingen zo kunnen worden begrepen.



3.3.
Het Ziekenhuis voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot afwijzing daarvan.






4De vaststaande feiten en omstandigheden


4.1.


[eiser] , geboren in 1962, is vanaf 2014 als medisch specialist / [naam functie 1] werkzaam geweest binnen de [naam vakgroep] in het ziekenhuis. De werkzaamheden verrichtte hij via [bedrijf] BV (eiseres 1). [eiser] was en is de enige aandeelhouder en bestuurder.
De vennootschap had een overeenkomst afgesloten – een ledenovereenkomst, ingaande 1 januari 2015 – met de coöperatie Medisch Specialistisch Bedrijf IJsselland U.A. (hierna: het MSB ), zijnde een samenwerkingsverband van vrijgevestigde specialisten .




4.2.

In de ledenoverkomst tussen [bedrijf] BV en het MSB staat, voor zover hier van belang:
"Artikel 3. Opdracht, vergoeding en overdracht
(…)
Lid 3
Het Lid is geheel vrij in de wijze waarop het de Opdracht uitvoert, met dien verstande dat het zich dient te houden aan de bepalingen van deze Ledenovereenkomst, de in de Samenwerkingsovereenkomst opgenomen verplichtingen en aanwijzingen als bedoeld in artikel 7:402 BW.
(…)

Artikel 4. Verplichtingen van het Lid

Lid 1 (…)Het lid (…) is gehouden zich te conformeren aan de besluiten en aanwijzingen op grond van artikel 7:402 BW van het Bestuur. Bij niet naleving van de aanwijzing kan het Bestuur daar consequenties aan verbinden.
(…)

Artikel 9. Opzegging en beëindiging

(…)
Lid 6
De Overeenkomst neemt zonder opzegging een einde:
(…) i. op het moment dat de betrokken Medisch Specialist de toegang tot het Ziekenhuis definitief is ontzegd;
(…)."



Verder is in artikel 1 lid 3 bepaald dat de verplichtingen uit deze overeenkomst (met de vennootschap) van overeenkomstige toepassing zijn op de betrokken aandeelhouder, zijnde de medisch specialist .




4.3.
Het MSB heeft op zijn beurt een samenwerkingsovereenkomst gesloten met het Ziekenhuis, eveneens ingaande 1 januari 2015, als bijlage behorend bij de ledenovereenkomst.



4.4.

In deze samenwerkingsovereenkomst staat onder meer:
"1 Doel samenwerking en algemene verplichtingen
(…)1.7 Het Ziekenhuis en het MSB houden rekening met elkaars gerechtvaardigde belangen en de continuïteit van de in het Ziekenhuis te verlenen zorg (…).
(…)



1.9

De overige algemene wederzijdse verplichtingen van Ziekenhuis en MSB en haar
Leden zijn opgenomen in bijlage 3 bij deze Overeenkomst.
(…)7 Binding Leden



7.1

Het MSB staat er jegens het Ziekenhuis voor in dat de Leden de verplichtingen
nakomen voor zover die op grond van deze Overeenkomst (mede) op hen rusten.
(…)




Bijlage 3 Overige algemene verplichtingen
(…)12 Algemene aanwijzingsbevoegdheid12.1 De Raad van Bestuur kan de Medisch Specialisten aanwijzingen geven omtrent de
kwaliteit en veiligheid en de organisatie en administratie van de zorg. (…)



12.2

De Raad van Bestuur deelt aanwijzingen schriftelijk mede of bevestigt deze aanwijzingen schriftelijk binnen 24 uur na mondelinge mededeling daarvan onder vermelding van de aan de aanwijzing ten grondslag liggende redenen.
(…)



12.4

De Medisch Specialisten nemen bij de uitoefening van hun werkzaamheden, taken en bevoegdheden de aanwijzingen in acht.
(…)



12.6
Indien de medisch specialist zich niet met een aanwijzing kan verenigen kan zij uiterlijk binnen 30 dagen na verzending van de schriftelijke mededeling als bedoeld in het derde lid beroep instellen bij de bevoegde rechter of het Scheidsgerecht Gezondheidszorg. Op deze termijn is de Algemene termijnenwet van toepassing. Het beroep schorst de aanwijzing niet.13 Toegang ontzegging


13.1

De Raad van Bestuur kan, na overleg met het MSB -bestuur, een Medisch Specialist , of een andere natuurlijke persoon die door het MSB wordt ingezet, de toegang tot het Ziekenhuis ontzeggen, op grond van omstandigheden van zo ernstige aard of een gegrond vermoeden van zodanige aard dat aanwezigheid van die Medisch Specialist of andere natuurlijke persoon in het Ziekenhuis niet langer kan worden geaccepteerd.
(…)



13.2
Indien het besluit tot ontzegging van de toegang achteraf ongegrond blijkt treden de Instelling en het MSB bestuur in overleg over vergoeding van de schade als gevolg van toegangsontzegging."


4.5.

[eiser] is vanaf februari 2017 [naam functie 2] van de [naam vakgroep] geweest. Gedurende een aantal jaren is binnen de vakgroep sprake geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Niet in discussie is dat [eiser] hierbij niet betrokken was. Los daarvan was binnen de vakgroep ook sprake van ander intimiderend / onveilig gedrag.



4.6.

Op 3 oktober 2019 heeft in het kader van de erkenning van de opleidingen binnen de vakgroep een reguliere visitatie plaatsgevonden. De visitatiecommissie heeft gesignaleerd dat sprake was van grensoverschrijdend gedrag. In vervolg daarop hebben het Ziekenhuis en het MSB onderzoek gedaan en intern gesprekken gevoerd.
Het MSB heeft bij brief van 29 oktober 2019 aan de [naam vakgroep] zijn bevindingen gedeeld en maatregelen aangekondigd, waaronder het terugtreden van de [naam functie 2] van de vakgroep. Bij gelegenheid van een bijeenkomst met de vakgroep op diezelfde dag heeft het MSB (onder andere) [eiser] een mondelinge aanwijzing gegeven, met de strekking dat de leden van de vakgroep geen arts-assistenten en andere betrokkenen mogen benaderen met vragen over wie informatie over hem / haar heeft verstrekt.




4.7.

Bij brief van 25 november 2019 aan [eiser] heeft het MSB bericht dat hem tijdelijk de toegang tot het ziekenhuis wordt ontzegd:
"Vrijdag jl., 22 november 2019 heeft ons bestuur telefonisch bericht ontvangen van Erasmus
Medisch Centrum dat de sfeer waarin assistenten hun werkzaamheden in de vakgroep interne
moeten verrichten (mede) door uw toedoen van dien aard zijn, dat de werkomgeving niet langer als veilig kon worden aangemerkt. Op basis van die constatering bestond het voornemen de
assistenten terug te halen uit ons ziekenhuis. Volgens deze informatie bent u een van de
supervisoren die afbreuk doen aan een werkomgeving zoals die redelijkerwijs mag worden
gevraagd van een instelling die een opleiding tot medisch specialist heeft.
Naast de Informatie die ons bestuur van Erasmus Medisch Centrum ontving, kregen wij ook bericht dat u bezig bent te achterhalen wie informatie over uw functioneren hebben verstrekt aan zowel de visitatiecommissie als aan ons bestuur en de raad van bestuur.
(…)
In de mededeling van Erasmus Medisch Centrum en in de constatering dat u doende bent de
identiteit te achterhalen van degenen die de visitatiecommissie, ons bestuur en de [naam functie 2] van de raad van bestuur hebben ingelicht, vinden ons bestuur, de raad van bestuur en het bestuur van de Vereniging Medische Staf aanleiding om u en uw vennootschap met ingang van vandaag, maandag 25 november 2019 en het tijdstip waarop u deze brief wordt overhandigd, tot nader order te ontheffen uit de verplichtingen uit hoofde van de ledenovereenkomst en u de toegang tot het ziekenhuis te ontzeggen. Aan die beslissingen ligt ten grondslag dat alleen op die manier tijdelijk een situatie kan worden gecreëerd die voor assistenten voldoende veilig is omdat geborgd is dat u afwezig bent. (…)Deze beslissingen zijn van kracht totdat ons bestuur in samenwerking met de raad van bestuur en het bestuur van de vereniging medische staf het onderzoek naar de redenen die Erasmus Medisch Centrum ertoe hebben gebracht het voornemen kenbaar te maken de assistenten terug te halen uit ons ziekenhuis, heeft afgerond.
(…)."




4.8.
Op 6 december 2019 heeft [naam 1] (hierna: [naam 1] ) verslag gedaan van zijn bevindingen uit door hem gevoerde gesprekken met vakgroepleden, ingevolge opdracht van (kort gezegd) het Ziekenhuis en het MSB . De conclusies van [naam 1] waren negatief op een aantal punten: een gebrekkige onderlinge communicatie, het bestaan van wantrouwen jegens elkaar, onvermogen elkaar aan te spreken op grensoverschrijdend gedrag en het daarmee samenhangende onveilige opleidingsklimaat. [naam 1] heeft een aantal aanbevelingen voor verbetering gedaan.



4.9.

Op 15 januari 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden van het door [eiser] aangespannen kort geding tegen het Ziekenhuis / MSB , waarmee hij beoogde weer te worden toegelaten tot het ziekenhuis en de uitoefening van zijn praktijk.
Daags hierna heeft [eiser] de leden van de vakgroep een e-mail gestuurd, waarin hij zich uiterst negatief en cynisch over hen heeft uitgelaten, met name vanwege het uitblijven van steun aan hem.




4.10.

Bij vonnis in kort geding van 29 januari 2020 is het Ziekenhuis geboden [eiser] weer toe te laten tot het ziekenhuis om daar zijn praktijk uit te kunnen oefenen.
Het Hof heeft dit vonnis vernietigd bij arrest van 29 maart 2022 (zie hierna onder 4.16).




4.11.
Op 30 januari 2020 hebben het Ziekenhuis en het MSB overleg gevoerd met de meerderheid van de leden van de [naam vakgroep] , met als uitkomst dat de leden geen basis meer zagen voor voortzetting van de samenwerking met [eiser] .



4.12.

Het Ziekenhuis heeft bij brief van 11 februari 2020 [eiser] de toegang tot het ziekenhuis (voorlopig) ontzegd:
"Op 30 januari jl. heeft er een overleg plaatsgevonden tussen onze raad van bestuur, het bestuur van het MSB en de leden van de vakgroep. Alleen u, de [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] waren daarbij niet aanwezig.
Tijdens dit gesprek hebben de aanwezige leden van de vakgroep uitdrukkelijk te kennen gegeven geen basis meer te zien voor samenwerking met u. Dat standpunt hebben zij uitvoerig toegelicht. Zij hebben voorts gewezen op de positieve veranderingen die het gevolg zijn van uw afwezigheid, op het verdwenen zijn van een bron van tweespalt en op een samenwerking die eindelijk verloopt zoals de leden van de vakgroep dat wensen. De mail die u daags na de mondelinge behandeling aan de leden van de vakgroep hebt geschreven, Is ervaren als een bevestiging van uw onveranderlijke karakter en van uw onvermogen te reflecteren op uw positie en de consequenties van uw handelen. Gevraagd naar de consequenties van een mogelijke terugkeer, hebben verschillende leden van de vakgroep aangegeven daarin aanleiding te vinden om zelf weg te gaan en in ieder geval uw aanwezigheid te mijden.(…)
Tegen u bestaan belangrijke bezwaren omdat u afbreuk doet aan een veilig werk- en
opleidingsklimaat en omdat u afbreuk doet aan goede onderlinge verhoudingen binnen de
vakgroep. (…)Op deze gronden ontzeggen wij u de toegang tot het ziekenhuis totdat er op basis van de
uitkomsten van extern onderzoek dat op dit moment wordt uitgevoerd door [naam onderzoeksbureau] een definitieve beslissing wordt genomen over de vraag of en zo ja welke consequenties aan de uitkomsten van dat onderzoek en alle overige relevante feiten en omstandigheden dienen te worden verbonden voor de overeenkomst die wij met u hebben als bedoeld In artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.
Wij baseren deze ontzegging op de in deze brief genoemde feiten die zich hebben voorgedaan ná de mondelinge behandeling van 15 januari 2020.
(…)."




4.13.

In opdracht van het Ziekenhuis en het MSB heeft [naam onderzoeksbureau] onderzoek gedaan en op 2 april 2020 een rapport uitgebracht. In dat rapport wordt onder meer geconcludeerd:
"Hoofdstuk 8 Conclusies
(…)

6 (…) Het resterende vertrouwen dat tekortkomingen aan de orde kunnen worden gesteld zonder te vrezen voor negatieve consequenties is grondig ondermijnd toen arts-assistenten duidelijk merkten dat [eiser] en [naam 2] kort na de visitatie op zoek gingen naar de namen van degenen die met de opleidingsvisitatie commissie hadden gesproken. (…)(…)
12 Ook de onderzoekers hebben de indruk gekregen dat de uitkomst van de opleidingsvisitatie een zeker schokeffect teweeg heeft gebracht. Zo geven meerdere vakgroepleden en arts-assistenten aan dat o.a. de overdracht inmiddels beter is georganiseerd en de opleiding een onderwerp van gemeenschappelijke zorg is geworden.

Aan deze veranderingen ten goede hebben bijgedragen de maatregelen die het MSB -bestuur
en de raad van bestuur mede naar aanleiding van de opleidingsvisitatie hebben getroffen. Daarbij kan worden genoemd de aanstelling van een extern [naam functie 2] a.i. van de vakgroep.(…)14 In dit verband achten de onderzoekers van belang dat de vakgroep [naam functie 2] a.i. als zijn
mening te kennen heeft gegeven dat een terugkeer van [naam 2] en [eiser] de
angst-cultuur in de vakgroep zal doen herleven.(…)

18 De algehele conclusie luidt dat ten tijde van de opleidingsvisitatie in oktober 2019 sprake is
geweest van een onveilige opleidingssituatie binnen de [naam vakgroep] ."



4.14.

Bij brief van 28 april 2020 heeft (de raad van bestuur van) het Ziekenhuis aan [eiser] , onder meer, meegedeeld dat de tijdelijke ontzegging van de toegang tot het ziekenhuis wordt omgezet in een definitieve ontzegging. De brief houdt in:
"(…) Wij hebben in de bevindingen van [naam onderzoeksbureau] geen aanleiding gezien het MSB en de leden van de [naam vakgroep] te vragen of er reden is terug te komen op het door een grote meerderheid van de vakgroep gedragen gevoelen dat er geen basis is voor voortzetting van de samenwerking met u.
In het rapport van [naam onderzoeksbureau] dat een bevestiging is van de feiten die wij eerder aan een ontzegging van de toegang ten grondslag hebben gelegd en in het gevoelen van een grote meerderheid van de leden van de [naam vakgroep] niet meer met u te willen samenwerken, zien wij reden om met handhaving van wat wij in de eerder opgelegde tijdelijke ontzegging als motivering hebben aangegeven, de overeenkomst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel b., van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg met ingang van de dag van verzending van deze brief te beëindigen en de tijdelijke ontzegging van de toegang om te zetten in een definitieve ontzegging.
Van deze beslissing zullen wij melding maken bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Een afschrift van deze brief sturen wij aan het bestuur van het MSB . (…)."



4.15.

Bij vonnis in kort geding van 3 juli 2020 zijn de vorderingen van [eiser] tegen het Ziekenhuis en MSB , die strekten tot toelating in het ziekenhuis en het kunnen voortzetten van zijn praktijk, afgewezen. De voorzieningenrechter heeft onder andere overwogen:
"4.16. In het licht van dit alles acht de voorzieningenrechter ook de definitieve
toegangsontzegging door IJsselland gerechtvaardigd. Daarmee is de ledenovereenkomst op
grond van artikel 9 lid 6 sub i. op 28 april 2020 tot een einde gekomen."




4.16.

Het Hof heeft bij arrest van 29 maart 2022 het vonnis in kort geding van 29 januari 2020 (zie overweging 4.10) vernietigd, met afwijzing van de vorderingen van [eiser] , en daarbij onder meer het volgende overwogen en beslist over de tijdelijke ontzegging van 25 november 2019:
"3.3. IJsselland c.s heeft aangegeven dat bij gelegenheid van de terhandstelling van de brief
van 29 oktober 2019 aan [eiser] , aan [eiser] is opgedragen zich ervan te onthouden arts-
assistenten en andere betrokkenen te benaderen met vragen wie wat over hem heeft gezegd
(conclusie van antwoord 19, memorie van grieven 22). [eiser] c.s. hebben dit erkend in de
pleitnota zijdens [eiser] c.s. onder 8 en memorie van antwoord 28, 29 en 31. Daarmee
staat tussen partijen vast dat deze instructie is gegeven op 29 oktober 2019.



3.4.

Naar het voorlopig oordeel van het hof kan deze instructie worden geduid als een
aanwijzing zoals bedoeld in art. 7:402 BW. Dat betekent dat het bestuur van MSB aan het
geheel of ten dele niet naleven van deze instructie consequenties kan verbinden als bedoeld
in art. 4, lid 1, van de ledenovereenkomst.
(…)



3.8.

Ten aanzien van het rechercheren door [eiser] bevestigen het rapport van [naam onderzoeksbureau] en
de vaststellingen van de voorzieningenrechter in het tweede kort geding (hiervoor
aangehaald onder 3.6.) de eerder (op vrijdag 22 november 2019 en in het daarop volgende
weekend) beschikbaar gekomen informatie dat [eiser] pogingen ondernam te achterhalen
wie wat over hem heeft gezegd tegen de visitatiecommissie, respectievelijk het bestuur van
MSB en de raad van bestuur van IJsselland.
(…)



3.11.

Alles bij elkaar gezien, acht het hof in dit kort geding voldoende aannemelijk geworden
dat [eiser] tegen de hem gegeven instructie in, toch heeft gepoogd bij arts-assistenten
informatie te achterhalen omtrent wie wat over hem gezegd heeft.
(…)3.12. (…) Door dat in strijd met de instructie toch te doen, heeft hij de bestaande gevoelens van
onveiligheid bij - in ieder geval een aantal arts-assistenten - vergroot en in ieder geval niet
verminderd. [eiser] heeft in zoverre de opschorting over zichzelf afgeroepen.(…)
De ontzegging van de toegang tot het ziekenhuis door IJsselland kan op dezelfde gronden in
stand blijven."




4.17.
Het Scheidsgerecht Gezondheidszorg heeft in een arbitraal vonnis van 11 mei 2022 het MSB veroordeeld om aan [eiser] € 269.631,00 (met vergoeding van kosten) te betalen, als op grond van de ledenovereenkomst te betalen vergoeding van goodwill na het eindigen van die overeenkomst.



4.18.

[eiser] claimt vergoeding van geleden schade van het Ziekenhuis. Partijen hebben geprobeerd hun geschil hierover onderling op te lossen, evenwel zonder resultaat.






5De beoordeling



de vorderingen en het verweer




5.1.

De vorderingen van [eiser] (zie onder 3 ‘het geschil’) strekken ertoe het Ziekenhuis te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de schade die [eiser] lijdt als gevolg van de (feitelijke) ontzegging van de toegang van [eiser] als medisch specialist tot het ziekenhuis en de (juridische) beëindiging van de samenwerking. De schade dient bij toewijzing van deze veroordeling in een schadestaat(procedure) te worden vastgesteld.

[eiser] heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat het Ziekenhuis onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij daardoor schade heeft geleden.
Voor de feitelijke onderbouwing hiervan voert [eiser] aan dat het Ziekenhuis op onzorgvuldige wijze, namelijk op basis van onjuiste en ongefundeerde beschuldigingen en daarom zonder goede grond, te vergaande maatregelen heeft getroffen. Het betreft in het bijzonder de ontzegging van de toegang tot het ziekenhuis op 28 april 2020, die resulteerde in beëindiging van de ledenovereenkomst en dus het definitieve vertrek van [eiser] uit het ziekenhuis. Deze maatregel is niet proportioneel. Herstel van de verhoudingen is niet eens geprobeerd door het Ziekenhuis.



Op de zitting heeft [eiser] , onder verwijzing naar de rest van de dagvaarding, de toelichting gegeven dat het niet strikt gaat om alleen die ontzegging maar om het hele traject van gebeurtenissen tot en met de definitieve ontzegging van de toegang. Het Ziekenhuis heeft dit ook zo begrepen.




[eiser] stelt dat door het onrechtmatige handelen van het Ziekenhuis sprake is van inkomensschade, pensioenschade en immateriële schade. Deze schadeposten zijn nu niet eenvoudig te begroten en [eiser] wenst dat de schade wordt vastgesteld in een schadestaatprocedure, of bij voorkeur alsnog in onderling overleg met het Ziekenhuis.




5.2.
Het Ziekenhuis voert als verweer aan dat niet onrechtmatig is gehandeld, zodat het Ziekenhuis niet aansprakelijk is voor de gestelde schade. Volgens het Ziekenhuis heeft het handelen van [eiser] voldoende grond opgeleverd voor ontzegging van de toegang tot het ziekenhuis. Daarbij betrekt het Ziekenhuis een aantal factoren, die als volgt zijn samen te vatten:
a. de medeverantwoordelijkheid van [eiser] voor de bevindingen van de visitatiecommissie;
b. het gedrag van [eiser] na die visitatie waardoor verder afbreuk werd gedaan aan het werk- en opleidingsklimaat, in het bijzonder:
- het negeren van de aanwijzing om niet te proberen de namen van informanten in het kader van het (visitatie)onderzoek te achterhalen, door daar systematisch naar te ‘rechercheren’ / navraag te doen;
- de e-mail van 16 januari 2020 aan de leden van de vakgroep, in combinatie met de omstandigheid dat de leden van de vakgroep op 30 januari 2020 geen basis meer zagen voor verdere samenwerking met [eiser] .


Verder beroept het Ziekenhuis zich – voor het geval aansprakelijkheid wordt aangenomen – op eigen schuld van [eiser] , bestaande in het gedrag van [eiser] dat tot de toegangsontzegging heeft geleid.




de uitgangspunten voor de beoordeling door de rechtbank





5.3.

De rechtbank stelt voor de verdere beoordeling voorop dat de (definitieve) toegangsontzegging op grond van artikel 9 lid 6 van de Ledenovereenkomst (zie overweging 4.2.) het onvoorwaardelijke juridische gevolg heeft dat de ledenovereenkomst direct eindigt.
Het gaat in deze procedure in de kern dan ook alleen om de vraag of de definitieve toegangsontzegging, bezien in de aanloop daarnaartoe, al dan niet onrechtmatig was jegens [eiser] .
Dat kan aan de orde zijn indien de ontzegging in strijd zou zijn met wat in het maatschappelijke verkeer betaamt, concreter gezegd: als op onbehoorlijke wijze de belangen van [eiser] zijn geschaad. Deze zorgvuldigheidsnorm wordt in dit geval nader ingevuld door artikel 13.1 van de Samenwerkingsovereenkomst, welke bepaling met name ziet op de belangen aan de kant van het Ziekenhuis:
"De Raad van Bestuur kan, na overleg met het MSB -bestuur, een Medisch Specialist , of een andere natuurlijke persoon die door het MSB wordt ingezet, de toegang tot het Ziekenhuis ontzeggen, op grond van omstandigheden van zo ernstige aard of een gegrond vermoeden van zodanige aard dat aanwezigheid van die Medisch Specialist of andere natuurlijke persoon in het Ziekenhuis niet langer kan worden geaccepteerd."




de tijdelijke ontzeggingen van de toegang tot het ziekenhuis





5.4.
Tegen deze achtergrond oordeelt de rechtbank in de eerste plaats dat de tijdelijke ontzeggingen van de toegang tot het ziekenhuis – die de aanloop vormen naar de definitieve ontzegging – hun rechtvaardiging vinden in de omstandigheden van dat moment.


De tijdelijke ontzegging van 25 november 2019 was formeel afkomstig van het MSB , maar niet in geschil is dat het MSB en het Ziekenhuis in deze kwestie gezamenlijk optrokken. Deze beslissing is gegrond op het standpunt dat [eiser] mede verantwoordelijk is voor het onveilige werkklimaat in de vakgroep en bezig zou zijn te achterhalen wie informatie over zijn functioneren heeft verstrekt.
Deze ontzegging kan naar het oordeel van de rechtbank niet los worden gezien van de grote impact van de interne problemen die bij gelegenheid van het optreden van de visitatiecommissie naar boven zijn gekomen. Onbetwist is dat dit structurele problemen betrof bestaande in seksueel grensoverschrijdend gedrag. Ook anderszins was het werk- en opleidingsklimaat niet veilig, terwijl [eiser] als [naam functie 2] van de vakgroep naar beste vermogen had dienen te waken voor die veiligheid. Uiteraard is hij niet verantwoordelijk geweest voor het gedrag van anderen, maar in zekere mate wel voor het bewerkstelligen van een werkomgeving waarin dit gedrag niet ontstaat dan wel wordt gecorrigeerd. In die zin diende [eiser] zich de geconstateerde problemen aan te trekken. Daarbij paste tenminste een niet-defensieve en coöperatieve houding tegenover het Ziekenhuis en het MSB . Hiermee valt niet te verenigen dat [eiser] vervolgens in strijd heeft gehandeld met de aanwijzing van het MSB (zie overweging 4.6) om geen arts-assistenten en andere betrokkenen te benaderen met vragen over wie informatie over hem / haar heeft verstrekt.

[eiser] heeft weliswaar het hem gemaakte verwijt betwist dat hij 'systematisch' en/of 'intimiderend' heeft gerechercheerd, maar hij heeft niet, in elk geval niet voldoende gemotiveerd, bestreden dat hij navraag heeft gedaan bij anderen. Zo heeft [eiser] bevestigd twee assistenten een WA-bericht te hebben gestuurd ('of hij hen een vraag mocht stellen') en aan enkele assistenten gevraagd of het onderwerp bejegening op de agenda had gestaan. Verder heeft [eiser] de toelichting gegeven dat het verweten 'rechercheren' in elk geval niet stelselmatig was, maar incidenteel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het MSB / het Ziekenhuis dit handelen terecht bestempeld als handelen in strijd met de aanwijzing of de strekking daarvan. [eiser] heeft dat ook zo moeten begrijpen.
De enkele omstandigheid dat [eiser] de aanwijzing van het MSB om geen navraag te doen heeft genegeerd, maakt – ongeacht de mate waarin dit zich heeft voorgedaan – dat het MSB / het Ziekenhuis de situatie zo serieus en als zo ernstig kon opvatten dat tijdelijke ontzegging nodig was, in afwachting van verdere ontwikkelingen.



De tijdelijke ontzegging door het Ziekenhuis op 11 februari 2020 kan niet los worden gezien van de hiervoor besproken tijdelijke ontzegging van 25 november 2019 en de daarvoor genoemde redenen.
Daarbij kwam dat [eiser] , daags na de mondelinge behandeling van een kort geding op 15 januari 2020, de leden van de vakgroep een e-mail heeft gestuurd waarin hij zich uitermate negatief en cynisch over hen heeft uitgelaten, met name vanwege het uitblijven van steun aan hem.
Hierop volgde de omstandigheid dat de leden van de vakgroep op 30 januari 2020 in een overleg hebben aangegeven geen basis meer te zien voor samenwerking met [eiser] . Omdat [eiser] afbreuk zou doen aan de onderlinge verhoudingen en het werk- en opleidingsklimaat, zag het Ziekenhuis belangrijke bezwaren tegen zijn aanwezigheid en wenste het Ziekenhuis de uitkomsten af te wachten van het door [naam onderzoeksbureau] uit te voeren onderzoek.
In deze omstandigheden is de hierop gegronde tijdelijke ontzegging van de toegang, in afwachting van verder onderzoek en beraad, niet onzorgvuldig jegens [eiser] , ook al was dat nadelig voor zijn positie.




de definitieve ontzegging van de toegang was geen proportionele, zorgvuldige reactie





5.5.
Vervolgens oordeelt de rechtbank dat de omstandigheden op het moment van de definitieve ontzegging van de toegang op 28 april 2020 ernstig genoeg waren om een maatregel te treffen. Echter, een definitieve ontzegging van de toegang was niet een zorgvuldige maatregel in de omstandigheden van het geval. Hieronder wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.



5.6.

In het rapport van 2 april 2020 dat [naam onderzoeksbureau] in opdracht van het Ziekenhuis en het MSB heeft uitgebracht (zie overweging 4.13.), is opnieuw het negatieve effect benoemd van de pogingen te achterhalen wie informanten waren. Verder is gerapporteerd dat inmiddels positieve veranderingen binnen de vakgroep hebben plaatsgevonden, waaraan onder andere de aanstelling van een externe interim- [naam functie 2] heeft bijgedragen. [naam onderzoeksbureau] heeft daarbij opgemerkt het van belang te vinden dat de interim- [naam functie 2] als zijn mening te kennen heeft gegeven dat een terugkeer van [naam 2] en [eiser] de angstcultuur in de vakgroep zal doen herleven.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Ziekenhuis hierin een bevestiging kunnen lezen van de aanname dat [eiser] een aandeel heeft gehad in de sfeer en negatieve cultuur in de vakgroep. Aan de mening van de interim- [naam functie 2] over het risico op herleving van een angstcultuur heeft het Ziekenhuis ook gewicht kunnen toekennen. Er was per saldo dus nog steeds sprake van omstandigheden van ernstige aard die het treffen van maatregelen wenselijk maakten.
Dat wil evenwel nog niet zeggen dat aanwezigheid van [eiser] als medisch specialist in het ziekenhuis niet langer kon worden geaccepteerd. Het Ziekenhuis diende bij een beslissing over te nemen maatregelen de belangen van [eiser] te inventariseren en mee te wegen en vervolgens te bezien of vanwege die belangen een minder ingrijpende maatregel dan definitieve toegangsontzegging mogelijk was.




5.7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Ziekenhuis dat onvoldoende gedaan en is de definitieve ontzegging geen proportionele, zorgvuldige reactie in de omstandigheden van het geval. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen, bezien naar de situatie in april 2020.


5.7.1.
Vertrekpunt is dat een definitieve ontzegging van de toegang tot het ziekenhuis direct tot het einde van de ledenovereenkomst met het MSB zou leiden (zie onder 5.3.). Daarmee zou ook een einde komen aan de feitelijke en juridische samenwerking tussen betrokkenen op basis waarvan [eiser] in het ziekenhuis werkzaam was.



5.7.2.

Evident is dat [eiser] een groot belang had bij continuering van zijn carrière als medisch specialist in het onderhavige ziekenhuis. Aangenomen kan worden dat, mede gelet op zijn leeftijd en gelet op de negatieve bijklank die een vertrek uit het ziekenhuis zou krijgen, het voor hem zeer moeilijk en bezwaarlijk zou zijn om elders een vergelijkbare positie op te bouwen, met alle financiële en sociale gevolgen van dien.
Daarnaast is ook zonder meer voorzienbaar geweest dat een vertrek uit het ziekenhuis tot (nog meer) stress en frustratie zou (kunnen) leiden bij [eiser] en zijn naasten. Deze belangen heeft het Ziekenhuis zwaar moeten laten wegen bij de beslissing over een te nemen maatregel.




5.7.3.
Daartegenover staat het belang van het Ziekenhuis bij een goede, veilige en beheersbare gang van zaken in het ziekenhuis. Ook dat belang weegt zwaar. In dat kader heeft het Ziekenhuis betekenis kunnen toekennen aan het handelen van [eiser] dat tot de voorlopige ontzeggingen heeft geleid en aan het gevoelen van de leden van de vakgroep dat er geen basis meer was voor samenwerking met [eiser] .



5.7.4.

Die factoren verdienden echter wel enige relativering. Het Ziekenhuis is er van uitgegaan dat hervatting door [eiser] een risico zou vormen voor de (algemene) veiligheid van patiënten, dit als gevolg van nieuwe onrust of conflicten en/of problemen in de onderlinge samenwerking binnen de vakgroep. Daarbij maakt het Ziekenhuis [eiser] harde verwijten op het punt van (gebrek aan) zelfreflectie, zonder daarbij oog te tonen voor de moeilijke en stressvolle situatie waarin [eiser] was beland en die in de kern grotendeels is terug te voeren op seksueel grensoverschrijdend gedrag waaraan hij part noch deel had. Voor [eiser] kwamen degenen die hierbij wel betrokken zijn geweest er ogenschijnlijk goed van af, nu zij het ziekenhuis niet hoefden te verlaten. [eiser] voelde zich machteloos, klem gezet en in de steek gelaten door het Ziekenhuis en door de andere leden van de vakgroep.
Die situatie maakt dat het op zijn plaats was geweest als het Ziekenhuis met enige compassie naar het gedrag van [eiser] had gekeken en niet zonder meer de visie van de andere vakgroepleden en van de interim- [naam functie 2] had gevolgd.




5.7.5.

Het had op dat moment op de weg van het Ziekenhuis gelegen om de mogelijkheden van herstel van de verhoudingen met [eiser] te onderzoeken. Het Ziekenhuis / het MSB mocht daarbij van de vakgroepleden verlangen dat zij zich (verder) zouden inspannen om de inzet van [eiser] in het ziekenhuis tenminste nader te onderzoeken. Of [eiser] als nors en onvriendelijk zou zijn bestempeld binnen de vakgroep en/of te eenzijdig aandacht zou hebben gehad voor de financiële cijfers, is onvoldoende om als beletsel te worden gezien. De kwestie van het ‘rechercheren’ zou onderwerp van gesprek kunnen zijn en mediation had als hulpmiddel overwogen kunnen worden. Ook anderszins was een verbetertraject niet op voorhand kansloos.
Op de zitting heeft het Ziekenhuis bevestigd dat geen alternatieven voor de definitieve ontzegging van de toegang zijn onderzocht en dat er ook geen intern protocol is dat dit voorschrijft of aanbeveelt.




de conclusie: het Ziekenhuis heeft onrechtmatig gehandeld





5.7.6.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Ziekenhuis dus ten onrechte op 28 april 2020 naar het middel van een definitieve ontzegging van de toegang gegrepen. Dit was geen proportionele, zorgvuldige reactie in de omstandigheden van het geval. Gelet op de belangen van [eiser] had onderzoek naar alternatieven behoren plaats te vinden.
De belangen van het Ziekenhuis stonden daar niet op voorhand aan in de weg. Op dat moment was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van – in de bewoordingen van artikel 13.1 van de Samenwerkingsovereenkomst – omstandigheden van zo ernstige aard of een gegrond vermoeden van zodanige aard dat aanwezigheid van [eiser] als medisch specialist in het ziekenhuis niet langer kon worden geaccepteerd.
Het Ziekenhuis heeft om deze reden de belangen van [eiser] op onzorgvuldige wijze geschaad en is op die grond wegens onrechtmatig handelen aansprakelijk voor de schade die [eiser] daardoor heeft geleden en/of lijdt. De vraag of het hiervoor bedoelde onderzoek tot succes – in de zin van hervatting van de werkzaamheden door [eiser] – had geleid, kan niet worden beantwoord. Die onmogelijkheid is evenwel toe te rekenen aan het Ziekenhuis.




het Ziekenhuis moet schade vergoeden






5.8.
Het Ziekenhuis zal worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die [eiser] heeft geleden en/of lijdt als gevolg van het onrechtmatig handelen van het Ziekenhuis.



5.9.

Artikel 13.2 van de Samenwerkingsovereenkomst bepaalt voor het geval een ontzegging van de toegang achteraf ongegrond blijkt te zijn, betrokkenen in overleg treden over de schade als gevolg van de toegangsontzegging. Het ligt dan ook nog steeds in de rede dat partijen proberen dit geschil te beëindigen door een schikking te treffen over de hoogte van een schadevergoeding.
Hierbij sluit aan dat de rechtbank beslist – voor het geval partijen daar niet uit komen – dat de schade zal worden begroot in een schadestaat(procedure). Aannemelijk is (de mogelijkheid) dat [eiser] schade heeft geleden.
Naast deze veroordeling bestaat voor [eiser] geen belang bij de gevraagde verklaringen voor recht.





[eiser] heeft voor 30% bijgedragen aan de schade (‘eigen schuld’)





5.10.

Bij deze stand van zaken past dat de rechtbank in dit vonnis een oordeel geeft over het beroep van het Ziekenhuis op ‘eigen schuld’ aan de kant van [eiser] aan het ontstaan van de schade.
Op grond van artikel 6:101 BW wordt de vergoedingsplicht naar evenredigheid verminderd indien de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. Dit wordt aangeduid met een mate van ‘eigen schuld’ aan het ontstaan van de schade.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het hiervoor besproken handelen van [eiser] dat ten grondslag heeft gelegen aan de voorlopige ontzeggingen en dat hem kan worden toegerekend, in relevante mate bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Dit aandeel begroot de rechtbank op 30% van de totale schade, zodat dit deel voor rekening van [eiser] blijft en 70% van de schade door het Ziekenhuis vergoed dient te worden.




het Ziekenhuis betaalt de proceskosten





5.11.
Omdat het Ziekenhuis in het ongelijk is gesteld, dient het Ziekenhuis te worden veroordeeld in de proceskosten, als gevorderd te vermeerderen met wettelijke rente bij niet tijdige betaling. Voor de forfaitaire begroting van de advocaatkosten wordt aangesloten bij een tariefgroep die beter past bij de financiële inzet van de procedure dan de tariefgroep voor zaken van onbepaalde waarde (verklaring voor recht), zonder hiermee enig oordeel te geven over de hoogte van de te vergoeden schade.


De proceskosten van [eiser] worden aldus begroot op:

- dagvaarding € 148,04
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 7.446,00 (2 punten × tarief VII € 3.723,00)
- nakosten € 189,00 (plus eventuele verhoging)
Totaal € 8.497,04.






6De beslissing


De rechtbank



6.1.
veroordeelt het Ziekenhuis tot vergoeding van de schade die [eiser] heeft geleden en/of lijdt als gevolg van het onrechtmatige handelen dat hiervoor in dit vonnis is omschreven, op te maken bij staat, met inachtneming van de beslissing dat 30% van die schade voor rekening blijft van [eiser] ;



6.2.
veroordeelt het Ziekenhuis tot betaling aan [eiser] van € 8.497,04 aan proceskosten, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met a) de wettelijke rente hierover bij niet tijdige betaling en b) een verhoging van € 98,00 en de kosten van betekening indien het Ziekenhuis niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;



6.3.
verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans, mr. B.J.M.P. Cremers en mr. D. Greve en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.1694/4020/1918