Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12499
2026-09-23
Civiel recht
C/10/668639 HA ZA 23-980
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
CMR. Vonnis na getuigenverhoor. Gedaagde in conventie is geslaagd in de aan haar opgedragen bewijsopdracht dat de lading is geladen in de vrachtwagen met de door eiseres in conventie doorgegeven kentekenplaten. Begroting schade van gedaagde in conventie. Verrekening vorderingen over en weer.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.117 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/668639 / HA ZA 23-980
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
CABOOTER LOGISTICS,
gevestigd te Venlo,
eisende partij in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: Cabooter,
advocaten: mrs. K.H.L. van Waasbergen en W. Wajer te Rotterdam,
tegen
[bedrijf A]
,
gevestigd te ‘ [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie
hierna te noemen: [bedrijf A] ,
advocaat: mr. G. Janssen te Den Haag.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 juni 2025;
- de akte na tussenvonnis van [bedrijf A] van 2 juli 2025;
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 17 december 2025;
- het bericht van Cabooter van 23 december 2025 dat wordt afgezien van contra-enquête;
- de conclusie na enquête van [bedrijf A] van 21 januari 2026;
- de conclusie na enquête van Cabooter van 18 februari 2026.
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling in conventie en reconventie
het tussenvonnis
2.1.
In het tussenvonnis van 18 juni 2025 heeft de rechtbank – kort gezegd - geoordeeld:
- dat, in conventie, [bedrijf A] nog € 78.057,10 aan Cabooter is verschuldigd voor door Cabooter uitgevoerde opdrachten (overweging 4.6);
- dat Cabooter, in reconventie, – kort gezegd – primair € 32.200,90 aan schadevergoeding vordert, en subsidiair € 108.558,00, voor het geval haar bevrijdende verweer in conventie gegrond op opschorting en verrekening niet slaagt (overwegingen 3.3 en 4.4);
- dat de tussen Cabooter en [bedrijf A] gesloten overeenkomsten moeten worden aangemerkt als vervoersovereenkomsten (overweging 4.22);
- dat [bedrijf A] moet bewijzen dat op 15 juni 2023 vanuit haar opslagfaciliteit in de vrachtwagen met de door Cabooter doorgegeven kentekenplaten [kenteken 1] / [kenteken 2] een lading bestaande uit 26 pallets zonnepanelen is geladen (overwegingen 4.8 tot en met 4.13 en 5.2);
- dat als [bedrijf A] in de aan haar opgedragen bewijsopdracht slaagt, Cabooter tekort is geschoten in haar resultaatsverplichting als vervoerder om ten vervoer ontvangen zaken op de bestemming af te leveren (artikel 8:1095 BW) (overweging 4.23);
- dat geen sprake is van opzet en bewuste roekeloosheid aan de zijde van Cabooter (overweging 4.26);
- dat partijen zich nog niet hebben uitgelaten over de wijze van schadebegroting, die is vast te stellen op grond van de bepalingen van afdeling 8.13.2 BW, in het bijzonder met inachtneming van artikel 8:1105 BW, en dat partijen zich daarover bij akte mogen uitlaten (overwegingen 4.27 en 5.8); en
- dat, vooruitlopend op het geval dat [bedrijf A] een vordering jegens Cabooter toekomt, verrekening niet contractueel is uitgesloten (overweging 4.28), met aanhouding van iedere (verdere) beslissing in conventie en reconventie (overwegingen 5.1 en 5.9).
Bewijsbeoordeling: [bedrijf A] is geslaagd in de aan haar opgedragen bewijsopdracht
2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de directeur van [bedrijf A] de algemene gang van zaken met betrekking tot het transport van de lading vanuit haar [locatie 1] opslagfaciliteiten toegelicht, waaronder dat zij de lading uit containers ompakt naar pallets en dat zij voor de omgepakte lading nog steeds het containernummer als referentienummer gebruikt (overweging 4.12 tussenvonnis 18 juni 2025).
2.3.
Tijdens het getuigenverhoor heeft mevrouw [persoon A] onder meer verklaard:
- dat zij op 15 juni 2023 als magazijnmedewerker aanwezig was op de locatie [locatie 2] , naast nog twee zzp’ers die hielpen bij het laden en lossen;
- dat zij na aankomst van de chauffeur het referentienummer en het kenteken ( [kenteken 1] / [kenteken 2] ) heeft gecontroleerd. Die klopten. Het kenteken was tevoren door Cabooter aan [bedrijf A] doorgegeven;
- dat de chauffeur voor het laden de CMR-vrachtbrief niet wilde ondertekenen en dat zij dat vreemd vond. De chauffeur zou bij mevrouw [persoon A] terugkomen na het laden;
- dat zij enige tijd heeft gewacht, de zzp’ers terugkwamen van het laden en de zzp’ers haar toen vertelden dat de chauffeur was vertrokken;
- dat de zzp’ers direct daarna weer naar buiten zijn gelopen om de chauffeur te zoeken, maar dat hij weg was.
- dat zij werkzaam is aan de computertafel in magazijn 15 en de vrachtauto in dock 7 werd geladen;
- dat zij voor het controleren van het kenteken van de vrachtauto even naar buiten is gelopen, voorafgaand aan het laden, toen de chauffeur aankwam op het parkeerterrein;
- dat zij zelf niet aanwezig was bij het laden;
- dat in die periode in de loods alleen maar zonnepanelen stonden opgeslagen, allemaal op pallets;
- dat op de CMR-vrachtbrief in vak 6 helemaal rechts de plaats [locatie loods] staat vermeld. Dat is de plaats waar de pallets stonden opgeslagen. De ‘ [locatie loods] ’ staat voor de loods en de ‘ [locatie loods] ’ voor de plaats in de loods;
- dat zij zelf niet op de locatie [locatie loods] is gaan kijken na het laden. De zzp’ers hebben aan haar verteld dat de zonnepanelen weg waren;
- dat zij de CMR-vrachtbrief op 15 juni 2023 heeft ondertekend. Het vakje 23 daarop is leeg omdat de chauffeur niets wilde invullen. In vakje 6 is de handtekening van zzp’er [naam 1] te zien, ter bevestiging van het laden;
- dat de heer [persoon B] niet aanwezig was toen de chauffeur kwam, maar later die dag wel naar de locatie [locatie 2] is gekomen.
2.4.
Tijdens het getuigenverhoor heeft de heer [persoon B] onder meer verklaard:
- dat hij 15 juni 2023 een vergadering en training op een andere locatie had;
- dat rond 14.00 à 14.30 uur mevrouw [persoon A] belde dat iemand een lading zonnepanelen had opgehaald, maar niet voor ontvangst had getekend;
- dat hij toen met een paar mensen naar de locatie [locatie 2] is gereden, maar de vrachtauto toen weg was;
- dat hij niet in de loods heeft gekeken of de zonnepanelen daar nog stonden. De zonnepanelen waren namelijk in de vrachtauto geladen, zo had mevrouw [persoon A] hem verteld;
- dat in die periode in de loods aan de [locatie 3] alleen zonnepanelen waren opgeslagen.
2.5.
[bedrijf A] concludeert dat zij aan de aan haar opgedragen bewijsopdracht heeft voldaan, onder andere vanwege de uitgebreide en gedetailleerde getuigenverklaringen. In haar conclusie na enquête wijst [bedrijf A] verder nog op e-mails van 15 juni 2023, overgelegd in haar productie 4 bij conclusie van antwoord in conventie, waarin [bedrijf A] aan Cabooter schrijft: “this driver forgot about CMR” en Cabooter antwoordt: “Yess i try to reach him and send him back”. De zzp’ers zijn niet meer werkzaam bij [bedrijf A] en het is ook niet meer te achterhalen waar zij thans verblijven, waardoor het niet mogelijk was hen te doen horen, aldus [bedrijf A] .
2.6.
Cabooter concludeert dat [bedrijf A] niet aan de aan [bedrijf A] opgedragen bewijsopdracht heeft voldaan. Cabooter wijst in haar conclusie na enquête, naar de kern genomen, op het volgende:
- dat de getuigen niet uit eigen waarneming hebben verklaard over het laden van de vrachtwagen of over de inhoud van de lading terwijl zij naderhand ook geen verificatie hebben verricht van de gestelde belading. Zo heeft mevrouw [persoon A] verklaard dat zij niet bij het laden van de vrachtauto aanwezig is geweest, waardoor zij niet weet of en wat er dan is geladen, en dat zij na het gestelde plotselinge vertrek van de vrachtwagen niet zelf op de locatie in de opslag waar de verloren zonnepanelen stonden is gaan kijken of die weg waren. De heer [persoon B] heeft verklaard dat hij niet aanwezig was in de opslaglocatie op het moment dat volgens [bedrijf A] de zonnepanelen zouden zijn verladen en dat hij de locatie waar de zonnepanelen stonden opgeslagen ook niet heeft gecontroleerd;
- dat ook na het getuigenverhoor van mevrouw [persoon A] onduidelijk is gebleven wie werkelijk betrokken is geweest bij de door [bedrijf A] gestelde verlading. Zij heeft verklaard dat de belading is verricht door twee zzp’ers, zonder concreet te maken wie dat waren. De enkele handtekening met de naam “ [naam 1] ” op de CMR-vrachtbrief kan daarom ook niet worden geverifieerd. De CMR-vrachtbrief kan daarom evenmin als bewijs dienen voor de belading;
- dat het, anders dan mevrouw [persoon A] heeft verklaard, juist gebruikelijk is dat een chauffeur de CMR-vrachtbrief pas na afronding van de belading ondertekent, omdat in die handtekening dan niet een bevestiging kan worden gelezen dat zou zijn beladen terwijl dat nog niet het geval is;
- dat de verklaringen van mevrouw [persoon A] en de heer [persoon B] dat er in die periode alleen zonnepanelen waren opgeslagen, zonder onderbouwing van schriftelijke en objectieve stukken van een voorraadcontrole voor en na 15 juni 2023, niet de gevolgtrekking rechtvaardigt dat op de CMR-vrachtbrief vermelde 26 pallets, pallets met zonnepanelen waren;
- dat de rechtbank al heeft vastgesteld in overweging 4.13 van het tussenvonnis van 18 juni 2025 dat uit de CMR-vrachtbrief niet blijkt dat het zonnepanelen betreft en nadere onderbouwing onderbreekt.
2.7.
Voor de rest zijn de door Cabooter bij conclusie na enquête ingenomen standpunten suggestief en/of gaan die niet in op de vraag of 26 pallets met zonnepanelen in de betreffende vrachtwagen zijn geladen. Te minder nu Cabooter zelf heeft afgezien van contra-enquête, zal de rechtbank deze standpunten dan ook verder niet bespreken.
2.8.
De rechtbank komt tot het oordeel dat [bedrijf A] aan de aan haar opgedragen bewijsopdracht heeft voldaan. Tijdens het getuigenverhoor heeft mevrouw [persoon A] een uitgebreide en gedetailleerde verklaring afgelegd. Hetgeen de heer [persoon B] heeft verklaard tijdens het getuigenverhoor is weliswaar minder uitgebreid, maar ondersteunt wel de door mevrouw [persoon A] afgelegde verklaringen. Gelet op deze verklaringen in onderling verband met de eerdere toelichting van haar directeur en de tekst van de CMR-vrachtbrief acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat het zo is gegaan zoals [bedrijf A] stelt, namelijk dat de lading bestaande uit 26 pallets zonnepanelen zijn geladen in de vrachtwagen met de door Cabooter doorgegeven kentekenplaten [kenteken 1] / [kenteken 2] .
2.9.
Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Op basis van de getuigenverklaringen, in aanvulling op de CMR-vrachtbrief (vergelijk overweging 4.13 tussenvonnis 18 juni 2025), stelt de rechtbank allereerst vast dat er in de loods alleen zonnepanelen aanwezig waren, dat deze allemaal waren omgepakt naar pallets, en daarmee dat de op de CMR-vrachtbrief vermelde 26 pallets alleen pallets zonnepanelen kunnen zijn geweest. Dat er verder geen schriftelijke stukken zijn waaruit dat blijkt, doet daaraan niets af. Aanwijzingen dat er ook andere zaken dan zonnepanelen in de loods zouden zijn opgeslagen ontbreken volledig.
2.10.
Voorts stelt de rechtbank vast dat de 26 pallets zonnepanelen zijn geladen in de vrachtwagen met de door Cabooter doorgegeven kentekenplaten [kenteken 1] / [kenteken 2] . Mevrouw [persoon A] heeft in detail verklaard hoe zij de chauffeur heeft ontvangen, het kenteken van de vrachtauto heeft gecontroleerd en dat de chauffeur niet voorafgaand aan belading wilde tekenen voor ontvangst. Uit de verklaring van mevrouw [persoon A] volgt dat zij de chauffeur daarna heeft doorgelaten naar het loadingdock voor belading, alwaar de chauffeur is geholpen door twee zzp’ers die daarvoor verantwoordelijk waren. Uit de CMR-vrachtbrief, ondertekend door één van deze zzp’ers, en de verklaring van mevrouw [persoon A] dat de zzp’ers kort daarna bij haar terugkwamen met de mededeling dat de zonnepanelen in de vrachtwagen van de chauffeur zijn geladen en dat de chauffeur is vertrokken, blijkt voorts dat de 26 pallets zonnepanelen in die vrachtwagen met kenteken [kenteken 1] / [kenteken 2] zijn geladen. Dat de chauffeur na belading van deze zonnepanelen, oorspronkelijk afkomstig uit container [container nummer] , is vertrokken zonder de CMR-vrachtbrief te tekenen voor ontvangst, wordt ook met een schriftelijk stuk onderbouwd, namelijk met de e-mail van [bedrijf A] aan Cabooter van 15 juni 2023. Die e-mail, overgelegd in productie 4 bij conclusie van antwoord in conventie, is een reactie op het bericht van [bedrijf A] eerder die dag dat die lading zou worden opgehaald door een gewijzigde vrachtauto op een gewijzigd tijdstip, namelijk met kentekens [kenteken 1] / [kenteken 2] en tussen 13.00 en 14.00 uur. De verklaring van de heer [persoon B] dat hij rond 14.00 à 14.30 uur door mevrouw [persoon A] werd gebeld over de chauffeur die zonder tekenen met de zonnepanelen is vertrokken, sluit hierop aan. Dat de twee voornoemde, buitenlandse zzp’ers intussen niet meer verifieerbaar zijn, twee à drie jaar na dato terwijl zij niet meer werkzaam zijn bij [bedrijf A] , en dat mevrouw [persoon A] en de heer [persoon B] niet zelf bij de belading en nadien ter controle bij locatie [locatie loods] zijn geweest, doet aan het voorgaande niet af.
2.11.
Dat [bedrijf A] slaagt in de aan haar opgedragen bewijsopdracht, betekent vervolgens ook dat Cabooter tekort is geschoten in haar resultaatsverplichting als vervoerder om ten vervoer ontvangen zaken op de bestemming af te leveren (artikel 8:1095 BW).
Begroting schade van Cabooter op € 66.742,00
2.12.
Cabooter heeft in haar akte na enquête de vraag opgeworpen of [bedrijf A] wel schade heeft geleden. De rechtbank gaat voorbij aan de (overigens erg laat) door Cabooter opgeworpen vraag of [bedrijf A] wel schade heeft geleden. Reeds in het tussenvonnis (zie overweging 4.10) is immers overwogen dat niet in geschil is dat Cabooter van [bedrijf A] de opdracht heeft gekregen om de bewuste lading te laten ophalen door een chauffeur bij de opslagfaciliteit van [bedrijf A] . Hiermee staat vast dat [bedrijf A] als afzender is opgetreden en artikel 8:1103 lid 1 BW kent aan de afzender een (abstract) vorderingsrecht toe als de vervoerder aansprakelijk is.
2.13.
Omdat partijen zich verder niet meer over de schadebegroting hebben uitgelaten, gaat de rechtbank over tot begroting van de schade (artikel 6:97 BW). De totale (subsidiaire) vordering van [bedrijf A] in reconventie bedraagt € 108.558,00. Dit is hetzelfde bedrag als het bedrag dat [naam 2] aan [bedrijf A] in rekening heeft gebracht blijkens de factuur van 1 augustus 2023. Gelet daarop neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat zonnepanelen € 108.558,00 waard waren toen deze verloren zijn gegaan. De door Cabooter aan [bedrijf A] te vergoeden schade moet echter beperkt worden tot € 3,40 per kilogram (zie overweging 4.27 tussenvonnis van 18 juni 2025). De lading zonnepanelen had volgens de CMR-vrachtbrief een gewicht van 19.630 kilogram (zie productie 3 bij conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie). Met dat gewicht is de door Cabooter aan [bedrijf A] te vergoeden schade beperkt tot een bedrag van € 66.742,00. Daarom begroot de rechtbank de schade die Cabooter aan [bedrijf A] moet vergoeden op € 66.742,00.
[bedrijf A] mocht opschorten en verrekenen; Cabooter resteert in conventie een vordering op [bedrijf A]
2.14.
Nu verrekening niet contractueel was uitgesloten, stond het [bedrijf A] vrij op te schorten en te verrekenen (artikel 6:52 en 6:127 BW). De opschorting door [bedrijf A] was echter pas gerechtvaardigd vanaf het moment dat zij een opeisbare vordering had en daarmee slechts tot het beloop van die vordering (artikel 6:52 lid 1 BW), dus tot het beloop van € 66.742,00 en eerst vanaf 15 juni 2023.
2.15.
Van factuur [factuurnummer 1] (€ 2.274, 80), [factuurnummer 2] (€ 369,05) en [factuurnummer 3] (€ 4.386,25) was de vervaltermijn van 30 dagen al verlopen voor 15 juni 2023. Over die factuurbedragen is daarom tot 15 juni 2023 al wettelijke handelsrente verschenen, namelijk:
- over factuur [factuurnummer 1] (€ 2.274, 80), vanaf 14 mei 2023: € 20,94;
- over factuur [factuurnummer 2] (€ 369,05), vanaf 21 mei 2023: € 2,65; en
- over factuur [factuurnummer 3] (€ 4.386,25), vanaf 11 juni 2023: € 5,05.
Dus in totaal: € 28,64.
2.16.
Omdat verrekening terugwerkt tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan (artikel 6:129 lid 1 BW), is er over deze facturen vanaf 15 juni 2023 geen verdere wettelijke rente verschenen. Om dezelfde reden is er geen wettelijke handelsrente verschuldigd over de na 15 juni 2023 opeisbaar geworden facturen, voor zover deze daarmee het beloop van de vordering van [bedrijf A] van € 66.742,00 niet wordt overschreden.
2.17.
Tot en met de factuur van 7 juli 2023 ( [factuurnummer 4] van € 12.432,75), inclusief de hierboven berekende rente over de eerste drie facturen, bedraagt de vordering van Cabooter op [bedrijf A] in totaal € 63.505,24. De vorderingen gebaseerd op de facturen van 14 april 2023 tot en met 7 juli 2023 (zie overweging 2.3 tussenvonnis 18 juni 2023) zijn zodoende volledig teniet gegaan door verrekening (artikel 6:129 lid 1 BW).
2.18.
Van de vordering van [bedrijf A] op Cabooter resteert op dat moment nog (€ 66.742,00 minus € 63.505,24 is) € 3.236,76. Van het op 14 juli 2023 door Cabooter aan [bedrijf A] gefactureerde bedrag resteert daarom na verrekening nog een vordering van (€ 4.719,00 minus € 3.236,76 is) € 1.482,24.
2.19.
Verder staan nog open de facturen [factuurnummer 6] (€ 2.662,00), [factuurnummer 7] (€ 4.416,50) en [factuurnummer 8] (€ 2.783,00). Zodoende resteert Cabooter na verrekening een vordering van (€ 1.482,24 plus € 2.662,00 plus € 4.416,50 plus € 2.783,00 is) € 11.343,74.
2.20.
Over de resterende hoofdsom is [bedrijf A] wettelijke handelsrente verschuldigd, namelijk:
- over € 1.482,24 (het restant van factuur [factuurnummer 5] ) vanaf 13 augustus 2023;
- over € 2.662,00 (factuur [factuurnummer 6] ) vanaf 20 augustus 2023;
- over € 4.416,50 (factuur [factuurnummer 7] ) vanaf 10 september 2023; en
- over € 2.783,00 (factuur [factuurnummer 8] ) vanaf 24 september 2023.
2.21.
De rechtbank veroordeelt [bedrijf A] daarom in conventie deze vordering van € 11.343,74 te betalen aan Cabooter, vermeerderd met de hierboven genoemde wettelijke handelsrente.
[bedrijf A] moet buitengerechtelijke kosten betalen (conventie)
2.22.
Cabooter heeft buitengerechtelijke handelingen verricht, zoals het schriftelijk aanmanen tot betaling. Voor toewijzing van de buitengerechtelijke kosten wordt aangesloten bij de staffel genoemd in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (vergelijk overweging 4.28 tussenvonnis 18 juni 2025), zoals passend bij de toegewezen hoofdsom van € 11.343,74. [bedrijf A] moet daarom € 888,44 aan buitengerechtelijke kosten aan Cabooter betalen.
Afwijzing reconventionele vorderingen [bedrijf A]
2.23.
Omdat na verrekening niets meer resteert van de vorderingen van [bedrijf A] , worden haar vorderingen in reconventie om Cabooter tot betaling te veroordelen afgewezen.
2.24.
Omdat de rechtbank de schadevergoedingsvordering van [bedrijf A] al heeft verrekend met de vorderingen van Cabooter jegens [bedrijf A] en bij bepaling van de rente daarover al heeft meegewogen dat [bedrijf A] terecht heeft opgeschort, heeft [bedrijf A] geen belang meer bij de door haar gevorderde verklaring voor recht dat zij terecht haar betalingen aan Cabooter heeft opgeschort alsmede dat zij zich terecht heeft beroepen op verrekening. Daarom wordt deze vordering van [bedrijf A] in reconventie eveneens afgewezen.
[bedrijf A] wordt in conventie in de proceskosten, inclusief beslagkosten, veroordeeld
2.25.
Cabooter is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld. Cabooter had namelijk de schade van [bedrijf A] te vergoeden omdat zij tekort is geschoten in haar resultaatsverplichting als vervoerder. Cabooter wordt daarom veroordeeld in de proceskosten, inclusief beslagkosten (artikel 237 Rv). De proceskosten van [bedrijf A] worden begroot op:
- griffierecht € 2.873,00
- salaris advocaat € 3.870,00 (3,5 x 1 punt × tarief IV € 1.290,00)
- getuigentaxen € 50,00 (25,00 + 25,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging vermeld in de beslissing)
Totaal € 7.627,00
2.26.
De door [bedrijf A] in conventie gevorderde beslagkosten worden dan ook afgewezen.
Cabooter wordt in reconventie in de proceskosten veroordeeld
2.27.
[bedrijf A] is in reconventie in het ongelijk gesteld. Haar reconventionele vordering heeft zij onnodig ingesteld gelet op de beperkte aansprakelijkheid van [bedrijf A] . [bedrijf A] wordt daarom veroordeeld in de proceskosten (artikel 237 Rv). De proceskosten van Cabooter worden begroot op:
- salaris advocaat € 1.935,00 (3 x 0,5 punt × tarief IV € 1.290,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.124,00
Uitvoerbaar bij voorraad
2.28.
De rechtbank verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad (artikel 233 Rv).
3De beslissing
in conventie
3.1.
veroordeelt [bedrijf A] om aan Cabooter € 11.343,74 te betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a lid 1 BW over € 1.482,24 vanaf 13 augustus 2023, over € 2.662,00 vanaf 20 augustus 2023, over € 4.416,50 vanaf 10 september 2023, en over € 2.783,00 vanaf 24 september 2023;
3.2.
veroordeelt [bedrijf A] om aan Cabooter € 888,44 aan buitengerechtelijke kosten te betalen;
3.3.
veroordeelt Cabooter in de proceskosten van € 7.627,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
in reconventie
3.4.
veroordeelt [bedrijf A] in de proceskosten van € 2.124,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
in conventie en reconventie
3.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.3718/32
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/668639 / HA ZA 23-980
Vonnis van 23 september 2026
in de zaak van
CABOOTER LOGISTICS,
gevestigd te Venlo,
eisende partij in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen: Cabooter,
advocaten: mrs. K.H.L. van Waasbergen en W. Wajer te Rotterdam,
tegen
[bedrijf A]
,
gevestigd te ‘ [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie
hierna te noemen: [bedrijf A] ,
advocaat: mr. G. Janssen te Den Haag.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 juni 2025;
- de akte na tussenvonnis van [bedrijf A] van 2 juli 2025;
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 17 december 2025;
- het bericht van Cabooter van 23 december 2025 dat wordt afgezien van contra-enquête;
- de conclusie na enquête van [bedrijf A] van 21 januari 2026;
- de conclusie na enquête van Cabooter van 18 februari 2026.
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling in conventie en reconventie
het tussenvonnis
2.1.
In het tussenvonnis van 18 juni 2025 heeft de rechtbank – kort gezegd - geoordeeld:
- dat, in conventie, [bedrijf A] nog € 78.057,10 aan Cabooter is verschuldigd voor door Cabooter uitgevoerde opdrachten (overweging 4.6);
- dat Cabooter, in reconventie, – kort gezegd – primair € 32.200,90 aan schadevergoeding vordert, en subsidiair € 108.558,00, voor het geval haar bevrijdende verweer in conventie gegrond op opschorting en verrekening niet slaagt (overwegingen 3.3 en 4.4);
- dat de tussen Cabooter en [bedrijf A] gesloten overeenkomsten moeten worden aangemerkt als vervoersovereenkomsten (overweging 4.22);
- dat [bedrijf A] moet bewijzen dat op 15 juni 2023 vanuit haar opslagfaciliteit in de vrachtwagen met de door Cabooter doorgegeven kentekenplaten [kenteken 1] / [kenteken 2] een lading bestaande uit 26 pallets zonnepanelen is geladen (overwegingen 4.8 tot en met 4.13 en 5.2);
- dat als [bedrijf A] in de aan haar opgedragen bewijsopdracht slaagt, Cabooter tekort is geschoten in haar resultaatsverplichting als vervoerder om ten vervoer ontvangen zaken op de bestemming af te leveren (artikel 8:1095 BW) (overweging 4.23);
- dat geen sprake is van opzet en bewuste roekeloosheid aan de zijde van Cabooter (overweging 4.26);
- dat partijen zich nog niet hebben uitgelaten over de wijze van schadebegroting, die is vast te stellen op grond van de bepalingen van afdeling 8.13.2 BW, in het bijzonder met inachtneming van artikel 8:1105 BW, en dat partijen zich daarover bij akte mogen uitlaten (overwegingen 4.27 en 5.8); en
- dat, vooruitlopend op het geval dat [bedrijf A] een vordering jegens Cabooter toekomt, verrekening niet contractueel is uitgesloten (overweging 4.28), met aanhouding van iedere (verdere) beslissing in conventie en reconventie (overwegingen 5.1 en 5.9).
Bewijsbeoordeling: [bedrijf A] is geslaagd in de aan haar opgedragen bewijsopdracht
2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de directeur van [bedrijf A] de algemene gang van zaken met betrekking tot het transport van de lading vanuit haar [locatie 1] opslagfaciliteiten toegelicht, waaronder dat zij de lading uit containers ompakt naar pallets en dat zij voor de omgepakte lading nog steeds het containernummer als referentienummer gebruikt (overweging 4.12 tussenvonnis 18 juni 2025).
2.3.
Tijdens het getuigenverhoor heeft mevrouw [persoon A] onder meer verklaard:
- dat zij op 15 juni 2023 als magazijnmedewerker aanwezig was op de locatie [locatie 2] , naast nog twee zzp’ers die hielpen bij het laden en lossen;
- dat zij na aankomst van de chauffeur het referentienummer en het kenteken ( [kenteken 1] / [kenteken 2] ) heeft gecontroleerd. Die klopten. Het kenteken was tevoren door Cabooter aan [bedrijf A] doorgegeven;
- dat de chauffeur voor het laden de CMR-vrachtbrief niet wilde ondertekenen en dat zij dat vreemd vond. De chauffeur zou bij mevrouw [persoon A] terugkomen na het laden;
- dat zij enige tijd heeft gewacht, de zzp’ers terugkwamen van het laden en de zzp’ers haar toen vertelden dat de chauffeur was vertrokken;
- dat de zzp’ers direct daarna weer naar buiten zijn gelopen om de chauffeur te zoeken, maar dat hij weg was.
- dat zij werkzaam is aan de computertafel in magazijn 15 en de vrachtauto in dock 7 werd geladen;
- dat zij voor het controleren van het kenteken van de vrachtauto even naar buiten is gelopen, voorafgaand aan het laden, toen de chauffeur aankwam op het parkeerterrein;
- dat zij zelf niet aanwezig was bij het laden;
- dat in die periode in de loods alleen maar zonnepanelen stonden opgeslagen, allemaal op pallets;
- dat op de CMR-vrachtbrief in vak 6 helemaal rechts de plaats [locatie loods] staat vermeld. Dat is de plaats waar de pallets stonden opgeslagen. De ‘ [locatie loods] ’ staat voor de loods en de ‘ [locatie loods] ’ voor de plaats in de loods;
- dat zij zelf niet op de locatie [locatie loods] is gaan kijken na het laden. De zzp’ers hebben aan haar verteld dat de zonnepanelen weg waren;
- dat zij de CMR-vrachtbrief op 15 juni 2023 heeft ondertekend. Het vakje 23 daarop is leeg omdat de chauffeur niets wilde invullen. In vakje 6 is de handtekening van zzp’er [naam 1] te zien, ter bevestiging van het laden;
- dat de heer [persoon B] niet aanwezig was toen de chauffeur kwam, maar later die dag wel naar de locatie [locatie 2] is gekomen.
2.4.
Tijdens het getuigenverhoor heeft de heer [persoon B] onder meer verklaard:
- dat hij 15 juni 2023 een vergadering en training op een andere locatie had;
- dat rond 14.00 à 14.30 uur mevrouw [persoon A] belde dat iemand een lading zonnepanelen had opgehaald, maar niet voor ontvangst had getekend;
- dat hij toen met een paar mensen naar de locatie [locatie 2] is gereden, maar de vrachtauto toen weg was;
- dat hij niet in de loods heeft gekeken of de zonnepanelen daar nog stonden. De zonnepanelen waren namelijk in de vrachtauto geladen, zo had mevrouw [persoon A] hem verteld;
- dat in die periode in de loods aan de [locatie 3] alleen zonnepanelen waren opgeslagen.
2.5.
[bedrijf A] concludeert dat zij aan de aan haar opgedragen bewijsopdracht heeft voldaan, onder andere vanwege de uitgebreide en gedetailleerde getuigenverklaringen. In haar conclusie na enquête wijst [bedrijf A] verder nog op e-mails van 15 juni 2023, overgelegd in haar productie 4 bij conclusie van antwoord in conventie, waarin [bedrijf A] aan Cabooter schrijft: “this driver forgot about CMR” en Cabooter antwoordt: “Yess i try to reach him and send him back”. De zzp’ers zijn niet meer werkzaam bij [bedrijf A] en het is ook niet meer te achterhalen waar zij thans verblijven, waardoor het niet mogelijk was hen te doen horen, aldus [bedrijf A] .
2.6.
Cabooter concludeert dat [bedrijf A] niet aan de aan [bedrijf A] opgedragen bewijsopdracht heeft voldaan. Cabooter wijst in haar conclusie na enquête, naar de kern genomen, op het volgende:
- dat de getuigen niet uit eigen waarneming hebben verklaard over het laden van de vrachtwagen of over de inhoud van de lading terwijl zij naderhand ook geen verificatie hebben verricht van de gestelde belading. Zo heeft mevrouw [persoon A] verklaard dat zij niet bij het laden van de vrachtauto aanwezig is geweest, waardoor zij niet weet of en wat er dan is geladen, en dat zij na het gestelde plotselinge vertrek van de vrachtwagen niet zelf op de locatie in de opslag waar de verloren zonnepanelen stonden is gaan kijken of die weg waren. De heer [persoon B] heeft verklaard dat hij niet aanwezig was in de opslaglocatie op het moment dat volgens [bedrijf A] de zonnepanelen zouden zijn verladen en dat hij de locatie waar de zonnepanelen stonden opgeslagen ook niet heeft gecontroleerd;
- dat ook na het getuigenverhoor van mevrouw [persoon A] onduidelijk is gebleven wie werkelijk betrokken is geweest bij de door [bedrijf A] gestelde verlading. Zij heeft verklaard dat de belading is verricht door twee zzp’ers, zonder concreet te maken wie dat waren. De enkele handtekening met de naam “ [naam 1] ” op de CMR-vrachtbrief kan daarom ook niet worden geverifieerd. De CMR-vrachtbrief kan daarom evenmin als bewijs dienen voor de belading;
- dat het, anders dan mevrouw [persoon A] heeft verklaard, juist gebruikelijk is dat een chauffeur de CMR-vrachtbrief pas na afronding van de belading ondertekent, omdat in die handtekening dan niet een bevestiging kan worden gelezen dat zou zijn beladen terwijl dat nog niet het geval is;
- dat de verklaringen van mevrouw [persoon A] en de heer [persoon B] dat er in die periode alleen zonnepanelen waren opgeslagen, zonder onderbouwing van schriftelijke en objectieve stukken van een voorraadcontrole voor en na 15 juni 2023, niet de gevolgtrekking rechtvaardigt dat op de CMR-vrachtbrief vermelde 26 pallets, pallets met zonnepanelen waren;
- dat de rechtbank al heeft vastgesteld in overweging 4.13 van het tussenvonnis van 18 juni 2025 dat uit de CMR-vrachtbrief niet blijkt dat het zonnepanelen betreft en nadere onderbouwing onderbreekt.
2.7.
Voor de rest zijn de door Cabooter bij conclusie na enquête ingenomen standpunten suggestief en/of gaan die niet in op de vraag of 26 pallets met zonnepanelen in de betreffende vrachtwagen zijn geladen. Te minder nu Cabooter zelf heeft afgezien van contra-enquête, zal de rechtbank deze standpunten dan ook verder niet bespreken.
2.8.
De rechtbank komt tot het oordeel dat [bedrijf A] aan de aan haar opgedragen bewijsopdracht heeft voldaan. Tijdens het getuigenverhoor heeft mevrouw [persoon A] een uitgebreide en gedetailleerde verklaring afgelegd. Hetgeen de heer [persoon B] heeft verklaard tijdens het getuigenverhoor is weliswaar minder uitgebreid, maar ondersteunt wel de door mevrouw [persoon A] afgelegde verklaringen. Gelet op deze verklaringen in onderling verband met de eerdere toelichting van haar directeur en de tekst van de CMR-vrachtbrief acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat het zo is gegaan zoals [bedrijf A] stelt, namelijk dat de lading bestaande uit 26 pallets zonnepanelen zijn geladen in de vrachtwagen met de door Cabooter doorgegeven kentekenplaten [kenteken 1] / [kenteken 2] .
2.9.
Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Op basis van de getuigenverklaringen, in aanvulling op de CMR-vrachtbrief (vergelijk overweging 4.13 tussenvonnis 18 juni 2025), stelt de rechtbank allereerst vast dat er in de loods alleen zonnepanelen aanwezig waren, dat deze allemaal waren omgepakt naar pallets, en daarmee dat de op de CMR-vrachtbrief vermelde 26 pallets alleen pallets zonnepanelen kunnen zijn geweest. Dat er verder geen schriftelijke stukken zijn waaruit dat blijkt, doet daaraan niets af. Aanwijzingen dat er ook andere zaken dan zonnepanelen in de loods zouden zijn opgeslagen ontbreken volledig.
2.10.
Voorts stelt de rechtbank vast dat de 26 pallets zonnepanelen zijn geladen in de vrachtwagen met de door Cabooter doorgegeven kentekenplaten [kenteken 1] / [kenteken 2] . Mevrouw [persoon A] heeft in detail verklaard hoe zij de chauffeur heeft ontvangen, het kenteken van de vrachtauto heeft gecontroleerd en dat de chauffeur niet voorafgaand aan belading wilde tekenen voor ontvangst. Uit de verklaring van mevrouw [persoon A] volgt dat zij de chauffeur daarna heeft doorgelaten naar het loadingdock voor belading, alwaar de chauffeur is geholpen door twee zzp’ers die daarvoor verantwoordelijk waren. Uit de CMR-vrachtbrief, ondertekend door één van deze zzp’ers, en de verklaring van mevrouw [persoon A] dat de zzp’ers kort daarna bij haar terugkwamen met de mededeling dat de zonnepanelen in de vrachtwagen van de chauffeur zijn geladen en dat de chauffeur is vertrokken, blijkt voorts dat de 26 pallets zonnepanelen in die vrachtwagen met kenteken [kenteken 1] / [kenteken 2] zijn geladen. Dat de chauffeur na belading van deze zonnepanelen, oorspronkelijk afkomstig uit container [container nummer] , is vertrokken zonder de CMR-vrachtbrief te tekenen voor ontvangst, wordt ook met een schriftelijk stuk onderbouwd, namelijk met de e-mail van [bedrijf A] aan Cabooter van 15 juni 2023. Die e-mail, overgelegd in productie 4 bij conclusie van antwoord in conventie, is een reactie op het bericht van [bedrijf A] eerder die dag dat die lading zou worden opgehaald door een gewijzigde vrachtauto op een gewijzigd tijdstip, namelijk met kentekens [kenteken 1] / [kenteken 2] en tussen 13.00 en 14.00 uur. De verklaring van de heer [persoon B] dat hij rond 14.00 à 14.30 uur door mevrouw [persoon A] werd gebeld over de chauffeur die zonder tekenen met de zonnepanelen is vertrokken, sluit hierop aan. Dat de twee voornoemde, buitenlandse zzp’ers intussen niet meer verifieerbaar zijn, twee à drie jaar na dato terwijl zij niet meer werkzaam zijn bij [bedrijf A] , en dat mevrouw [persoon A] en de heer [persoon B] niet zelf bij de belading en nadien ter controle bij locatie [locatie loods] zijn geweest, doet aan het voorgaande niet af.
2.11.
Dat [bedrijf A] slaagt in de aan haar opgedragen bewijsopdracht, betekent vervolgens ook dat Cabooter tekort is geschoten in haar resultaatsverplichting als vervoerder om ten vervoer ontvangen zaken op de bestemming af te leveren (artikel 8:1095 BW).
Begroting schade van Cabooter op € 66.742,00
2.12.
Cabooter heeft in haar akte na enquête de vraag opgeworpen of [bedrijf A] wel schade heeft geleden. De rechtbank gaat voorbij aan de (overigens erg laat) door Cabooter opgeworpen vraag of [bedrijf A] wel schade heeft geleden. Reeds in het tussenvonnis (zie overweging 4.10) is immers overwogen dat niet in geschil is dat Cabooter van [bedrijf A] de opdracht heeft gekregen om de bewuste lading te laten ophalen door een chauffeur bij de opslagfaciliteit van [bedrijf A] . Hiermee staat vast dat [bedrijf A] als afzender is opgetreden en artikel 8:1103 lid 1 BW kent aan de afzender een (abstract) vorderingsrecht toe als de vervoerder aansprakelijk is.
2.13.
Omdat partijen zich verder niet meer over de schadebegroting hebben uitgelaten, gaat de rechtbank over tot begroting van de schade (artikel 6:97 BW). De totale (subsidiaire) vordering van [bedrijf A] in reconventie bedraagt € 108.558,00. Dit is hetzelfde bedrag als het bedrag dat [naam 2] aan [bedrijf A] in rekening heeft gebracht blijkens de factuur van 1 augustus 2023. Gelet daarop neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat zonnepanelen € 108.558,00 waard waren toen deze verloren zijn gegaan. De door Cabooter aan [bedrijf A] te vergoeden schade moet echter beperkt worden tot € 3,40 per kilogram (zie overweging 4.27 tussenvonnis van 18 juni 2025). De lading zonnepanelen had volgens de CMR-vrachtbrief een gewicht van 19.630 kilogram (zie productie 3 bij conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie). Met dat gewicht is de door Cabooter aan [bedrijf A] te vergoeden schade beperkt tot een bedrag van € 66.742,00. Daarom begroot de rechtbank de schade die Cabooter aan [bedrijf A] moet vergoeden op € 66.742,00.
[bedrijf A] mocht opschorten en verrekenen; Cabooter resteert in conventie een vordering op [bedrijf A]
2.14.
Nu verrekening niet contractueel was uitgesloten, stond het [bedrijf A] vrij op te schorten en te verrekenen (artikel 6:52 en 6:127 BW). De opschorting door [bedrijf A] was echter pas gerechtvaardigd vanaf het moment dat zij een opeisbare vordering had en daarmee slechts tot het beloop van die vordering (artikel 6:52 lid 1 BW), dus tot het beloop van € 66.742,00 en eerst vanaf 15 juni 2023.
2.15.
Van factuur [factuurnummer 1] (€ 2.274, 80), [factuurnummer 2] (€ 369,05) en [factuurnummer 3] (€ 4.386,25) was de vervaltermijn van 30 dagen al verlopen voor 15 juni 2023. Over die factuurbedragen is daarom tot 15 juni 2023 al wettelijke handelsrente verschenen, namelijk:
- over factuur [factuurnummer 1] (€ 2.274, 80), vanaf 14 mei 2023: € 20,94;
- over factuur [factuurnummer 2] (€ 369,05), vanaf 21 mei 2023: € 2,65; en
- over factuur [factuurnummer 3] (€ 4.386,25), vanaf 11 juni 2023: € 5,05.
Dus in totaal: € 28,64.
2.16.
Omdat verrekening terugwerkt tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan (artikel 6:129 lid 1 BW), is er over deze facturen vanaf 15 juni 2023 geen verdere wettelijke rente verschenen. Om dezelfde reden is er geen wettelijke handelsrente verschuldigd over de na 15 juni 2023 opeisbaar geworden facturen, voor zover deze daarmee het beloop van de vordering van [bedrijf A] van € 66.742,00 niet wordt overschreden.
2.17.
Tot en met de factuur van 7 juli 2023 ( [factuurnummer 4] van € 12.432,75), inclusief de hierboven berekende rente over de eerste drie facturen, bedraagt de vordering van Cabooter op [bedrijf A] in totaal € 63.505,24. De vorderingen gebaseerd op de facturen van 14 april 2023 tot en met 7 juli 2023 (zie overweging 2.3 tussenvonnis 18 juni 2023) zijn zodoende volledig teniet gegaan door verrekening (artikel 6:129 lid 1 BW).
2.18.
Van de vordering van [bedrijf A] op Cabooter resteert op dat moment nog (€ 66.742,00 minus € 63.505,24 is) € 3.236,76. Van het op 14 juli 2023 door Cabooter aan [bedrijf A] gefactureerde bedrag resteert daarom na verrekening nog een vordering van (€ 4.719,00 minus € 3.236,76 is) € 1.482,24.
2.19.
Verder staan nog open de facturen [factuurnummer 6] (€ 2.662,00), [factuurnummer 7] (€ 4.416,50) en [factuurnummer 8] (€ 2.783,00). Zodoende resteert Cabooter na verrekening een vordering van (€ 1.482,24 plus € 2.662,00 plus € 4.416,50 plus € 2.783,00 is) € 11.343,74.
2.20.
Over de resterende hoofdsom is [bedrijf A] wettelijke handelsrente verschuldigd, namelijk:
- over € 1.482,24 (het restant van factuur [factuurnummer 5] ) vanaf 13 augustus 2023;
- over € 2.662,00 (factuur [factuurnummer 6] ) vanaf 20 augustus 2023;
- over € 4.416,50 (factuur [factuurnummer 7] ) vanaf 10 september 2023; en
- over € 2.783,00 (factuur [factuurnummer 8] ) vanaf 24 september 2023.
2.21.
De rechtbank veroordeelt [bedrijf A] daarom in conventie deze vordering van € 11.343,74 te betalen aan Cabooter, vermeerderd met de hierboven genoemde wettelijke handelsrente.
[bedrijf A] moet buitengerechtelijke kosten betalen (conventie)
2.22.
Cabooter heeft buitengerechtelijke handelingen verricht, zoals het schriftelijk aanmanen tot betaling. Voor toewijzing van de buitengerechtelijke kosten wordt aangesloten bij de staffel genoemd in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (vergelijk overweging 4.28 tussenvonnis 18 juni 2025), zoals passend bij de toegewezen hoofdsom van € 11.343,74. [bedrijf A] moet daarom € 888,44 aan buitengerechtelijke kosten aan Cabooter betalen.
Afwijzing reconventionele vorderingen [bedrijf A]
2.23.
Omdat na verrekening niets meer resteert van de vorderingen van [bedrijf A] , worden haar vorderingen in reconventie om Cabooter tot betaling te veroordelen afgewezen.
2.24.
Omdat de rechtbank de schadevergoedingsvordering van [bedrijf A] al heeft verrekend met de vorderingen van Cabooter jegens [bedrijf A] en bij bepaling van de rente daarover al heeft meegewogen dat [bedrijf A] terecht heeft opgeschort, heeft [bedrijf A] geen belang meer bij de door haar gevorderde verklaring voor recht dat zij terecht haar betalingen aan Cabooter heeft opgeschort alsmede dat zij zich terecht heeft beroepen op verrekening. Daarom wordt deze vordering van [bedrijf A] in reconventie eveneens afgewezen.
[bedrijf A] wordt in conventie in de proceskosten, inclusief beslagkosten, veroordeeld
2.25.
Cabooter is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld. Cabooter had namelijk de schade van [bedrijf A] te vergoeden omdat zij tekort is geschoten in haar resultaatsverplichting als vervoerder. Cabooter wordt daarom veroordeeld in de proceskosten, inclusief beslagkosten (artikel 237 Rv). De proceskosten van [bedrijf A] worden begroot op:
- griffierecht € 2.873,00
- salaris advocaat € 3.870,00 (3,5 x 1 punt × tarief IV € 1.290,00)
- getuigentaxen € 50,00 (25,00 + 25,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging vermeld in de beslissing)
Totaal € 7.627,00
2.26.
De door [bedrijf A] in conventie gevorderde beslagkosten worden dan ook afgewezen.
Cabooter wordt in reconventie in de proceskosten veroordeeld
2.27.
[bedrijf A] is in reconventie in het ongelijk gesteld. Haar reconventionele vordering heeft zij onnodig ingesteld gelet op de beperkte aansprakelijkheid van [bedrijf A] . [bedrijf A] wordt daarom veroordeeld in de proceskosten (artikel 237 Rv). De proceskosten van Cabooter worden begroot op:
- salaris advocaat € 1.935,00 (3 x 0,5 punt × tarief IV € 1.290,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.124,00
Uitvoerbaar bij voorraad
2.28.
De rechtbank verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad (artikel 233 Rv).
3De beslissing
in conventie
3.1.
veroordeelt [bedrijf A] om aan Cabooter € 11.343,74 te betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a lid 1 BW over € 1.482,24 vanaf 13 augustus 2023, over € 2.662,00 vanaf 20 augustus 2023, over € 4.416,50 vanaf 10 september 2023, en over € 2.783,00 vanaf 24 september 2023;
3.2.
veroordeelt [bedrijf A] om aan Cabooter € 888,44 aan buitengerechtelijke kosten te betalen;
3.3.
veroordeelt Cabooter in de proceskosten van € 7.627,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
in reconventie
3.4.
veroordeelt [bedrijf A] in de proceskosten van € 2.124,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
in conventie en reconventie
3.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.3718/32