Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12492

2026-08-28 Civiel recht; Personen- en familierecht C/10/722759 / JE RK 26-1334
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-08-28
Publicatiedatum
2026-09-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
C/10/722759 / JE RK 26-1334
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beschikking van de meervoudige kamer

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.922 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Team Jeugd



Zaaknummer: C/10/722759 / JE RK 26-1334
Datum uitspraak: 28 augustus 2026




Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van




de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,



over





[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .



De rechtbank merkt als belanghebbende aan:





[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. Nentjes uit Rotterdam.





1Het verloop van de procedure


1.1.

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 7 juli 2026, ingekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 1] .





2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.

[minderjarige] verblijft op behandelgroep [naam groep] van Yulius.



2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 2 september 2026.



2.4.

De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 februari 2026 de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 2 september 2026.
3. Het (gewijzigde) verzoek




3.1.
De GI heeft bij verzoekschrift van 7 juli 2026 verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook heeft de GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, gevolgd door een uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg, dan wel in een of gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI heeft verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.
De GI heeft ter zitting haar verzoek ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing gewijzigd, in die zin dat nu verzocht wordt om de machtiging voor de duur van zes maanden te verlengen en de beslissing op het overige verzochte aan te houden.





4De standpunten


4.1.
De GI heeft het gewijzigde verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Er is in korte tijd veel gebeurd en veranderd. De GI heeft eerder een perspectiefbesluit genomen, inhoudende dat het perspectief van [minderjarige] niet langer bij de moeder ligt. De rechtbank heeft dit besluit onderschreven. De moeder heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Deze zitting zal eind oktober a.s. plaatsvinden. Lange tijd heeft de GI gezocht naar een passende perspectiefbiedende plek voor [minderjarige] , maar vanwege het (fysieke) gedrag van [minderjarige] is het niet gelukt een passende plek voor hem te vinden. Tegelijkertijd is de relatie van de moeder beëindigd en wil zij nog altijd graag een kans om zich in te zetten voor een gezinsopname. Het voorgaande heeft ertoe geleid dat de GI haar perspectiefbesluit intern heeft heroverwogen en heeft besloten de moeder middels een gezinsopname toch een laatste kans te geven. De GI is daarbij zeker niet over één nacht ijs gegaan, maar heeft in de gewijzigde omstandigheden aanleiding gezien haar standpunt te herzien. Op 16 augustus 2026 is de moeder gestart met de samenwerkingsopname bij [naam kliniek] van Yulius. Op 2 september 2026 staat een evaluatie gepland, waarna wordt bepaald of zij door kan naar de gezinsopname. Deze zal drie maanden duren. Omdat [naam kliniek] en [naam groep] op hetzelfde terrein liggen, weet [minderjarige] dat de moeder dichtbij is. Dit leidt regelmatig tot escalaties en hierdoor is hij niet langer te houden op de groep. Daarom onderzoekt de GI of de evaluatie kan worden vervroegd, zodat de gezinsopname mogelijk direct na de samenwerkingsopname kan starten. Desgevraagd geeft de GI aan dat zij nog geen inhoudelijke informatie over het verloop van de samenwerkingsopname heeft ontvangen, maar dat vanuit [naam kliniek] is gevraagd of de gezinsopname aansluitend kan starten. Dat lijkt positief. Hoewel de gezinsopname een spannende stap is en [minderjarige] tijdens het recente verlofmoment bij de moeder moeilijk gedrag heeft laten zien, wil de GI de moeder deze kans geven. Dan hebben zij immers alles met elkaar geprobeerd. De GI handhaaft het verzoek ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar. Gezien de recente ontwikkelingen wijzigt de GI haar verzoek ten aanzien van de machtiging uithuisplaatsing, in die zin dat zij nu verzoekt deze voor de duur van zes maanden te verlengen, waarbij de beslissing op de overige zes maanden wordt aangehouden. Naar verwachting is tegen die tijd meer duidelijkheid over het verloop van de gezinsopname en kunnen passende vervolgstappen worden bepaald.



4.2.
Door en namens de moeder is ter zitting ingestemd met het gewijzigde verzoek van de GI. De samenwerkingsopname verloopt goed en de moeder verblijft samen met haar dochter [naam 2] bij [naam kliniek] . De moeder vindt de begeleiding die zij bij [naam kliniek] krijgt fijn en kan daar haar vragen stellen. De moeder is de afgelopen tijd in samenwerking met de GI gebleven en is blij met de kans voor een gezinsopname. Zelfs als de gezinsopname niet lukt, is het voor de moeder en [minderjarige] fijn dat alles is geprobeerd om [minderjarige] thuis te plaatsen. De moeder heeft stappen gemaakt en hoopt en denkt dat zij de gezinsopname positief gaat afronden. De advocaat van de moeder wenst verder nog op te merken dat de vereiste toetsing van de Raad voor de Kinderbescherming ontbreekt. Wat de moeder betreft hoeft dat op dit moment geen breekpunt te zijn, maar bij een eventueel volgend (aangehouden) verlengingsverzoek moet deze toetsing er wel zijn. Desgevraagd geeft de moeder aan dat zij inmiddels formeel is gescheiden en dat zij geen contact meer heeft met haar ex-partner.





5De beoordeling


5.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De rechtbank legt hieronder uit waarom.



5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog altijd ernstig bedreigd. [minderjarige] heeft veel ingrijpende gebeurtenissen en hechtingsbreuken meegemaakt in zijn leven en vertoonde daardoor heftige gedragsproblematiek. Hij is daarvoor intensief behandeld bij [naam groep] van Yulius, wat positief is verlopen. [minderjarige] is echter nog altijd een pittig kind met een bovengemiddelde opvoedbehoefte. Bij beschikking van 10 februari 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank het perspectiefbesluit van de GI, inhoudende dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder lag, onderschreven. Ter zitting is echter gebleken dat de situatie van [minderjarige] en de moeder de afgelopen periode ingrijpend is veranderd. Zo is de moeder gescheiden van haar partner en bleek dat de GI geen perspectiefbiedende plek voor [minderjarige] kon vinden. Deze combinatie van factoren heeft ertoe geleid dat de GI haar perspectiefbesluit heeft heroverwogen en de moeder is als gevolg daarvan op 16 augustus 2026 gestart met een samenwerkingsopname bij [naam kliniek] . Naar verwachting zal zij op korte termijn kunnen starten met de gezinsopname. Het is positief dat de moeder zich hiervoor in zet en de noodzaak voor verdere hulpverlening inziet. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de door de GI en de moeder ingezette lijn gevolgd dient te worden. De voortzetting van de betrokkenheid van de jeugdbeschermer is hierbij noodzakelijk, hetgeen ook de moeder onderschrijft. De rechtbank zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar, te weten tot 2 september 2027.



5.3.
De rechtbank acht ook de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Er staat de komende maanden veel te gebeuren en de uitkomsten van de gezinsopname zullen uitwijzen of de moeder in staat is zelfstandig, met ambulante hulpverlening, de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen. Tot daar meer duidelijkheid over is, is een thuisplaatsing van [minderjarige] niet aan de orde. De rechtbank zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing op het overig verzochte aanhouden, zoals ter zitting is verzocht en waarmee door en namens de moeder is ingestemd. Over zes maanden zal er naar verwacht duidelijkheid zijn over de uitkomsten van de gezinsopname. Ter zitting is met partijen overeengekomen dat het aangehouden deel van het verzoek, indien dit wordt gehandhaafd, zal worden behandeld op de hierna te noemen datum.



5.4.
De rechtbank constateert dat de toets van de Raad voor de Kinderbescherming over het voortduren van de ondertoezichtstelling met machtiging tot uithuisplaatsing ontbreekt, terwijl [minderjarige] al meer dan twee jaar uit huis is geplaatst en de wet in dat geval vereist dat er een toetsing is. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze bepaling in de wet is opgenomen omdat de kinderrechter bij het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling goed moet kunnen beoordelen of de ondertoezichtstelling nog steeds is aangewezen of dat de maatregel kan vervallen omdat de ouders de noodzakelijke zorg aanvaarden of dat een gezagsbeëindigende maatregel meer voor de hand ligt. De Raad voor de Kinderbescherming geeft zijn visie in de vorm van advies waarbij hij ingaat op de vraag of de ondertoezichtstelling niet onnodig wordt verlengd en of eventueel een gezagsbeëindigende maatregel meer aangewezen is. Uit de hiervoor vermelde overwegingen volgt dat onder de huidige omstandigheden, met name de al gestarte samenwerkingsopname, het herziene perspectiefbesluit van de GI en de op korte termijn te verwachten gezinsopname, een dergelijke toets op dit moment geen meerwaarde heeft.



5.5.
De rechtbank verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de hierna te noemen zittingsdatum (met afschrift daarvan aan de moeder en mr. N. Nentjes) de rechtbank een briefrapportage te doen toekomen en daarbij te vermelden of het restant van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd. Indien het verzoek wordt gehandhaafd, verwacht de rechtbank dat de GI daarbij tevens de toets van de Raad voor de Kinderbescherming als bedoeld in artikel 1:265j, derde lid, Burgerlijk Wetboek overlegt.



5.6.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De rechtbank:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 2 september 2027;



6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, gevolgd door een uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg,
dan wel in een gezinsgerichte voorziening, tot 2 maart 2027;



6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.



en alvorens verder te beslissen:




6.4.
houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan en bepaalt dat de verdere behandeling van het verzoek van de GI zal plaatsvinden op 17 februari 2027 om 11:00 uur in het gerechtsgebouw aan het Wilhelminaplein 100/125 te Rotterdam.



6.5.
De zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.L. Pöll, mr. A.M.I. van der Does en een nog aan te wijzen kinderrechter;



6.6.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de moeder en mr. N. Nentjes;



6.7.
verzoekt de GI twee weken voor de genoemde zittingsdatum de rechtbank de verzochte rapportage (met afschrift daarvan aan de moeder en mr. N. Nentjes) te doen toekomen.










Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026 door mr. A.L. Pöll, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. A.M.I. van der Does en mr. S. Putting, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. S.L. Bulte als griffier, en op schrift gesteld op 7 september 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:260 Burgerlijk Wetboek (BW).


Artikel 1:265c, tweede lid, BW.


Artikel 1:265j, derde lid, BW.


HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:454.