Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12481
2026-09-23
Strafrecht
ROT 25/8955
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Tabaks- en rookwarenwet. Boete van € 1.360,- voor verkoop tabak aan minderjarige. De omstandigheid dat eiseres wel het identiteitsdocument van de testkoper heeft gecontroleerd, maar daarbij mogelijk een vergissing heeft gemaakt met het uitrekenen van de leeftijd, geeft de rechtbank in dit geval onvoldoende grond om de boete te matigen.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBROT:2025:3777 Rechtbank Rotterdam 26-03-2025
- ECLI:NL:CBB:2026:134 College van Beroep voor het bedrijfsleven 31-03-2026
- ECLI:NL:RVS:2025:4531 Raad van State 24-09-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.584 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8955
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit Riel, eiseres
(gemachtigde: [naam 1]),
en
de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Kool).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de bestuurlijke boete die verweerder aan eiseres heeft opgelegd voor overtreding van de Tabaks- en rookwarenwet (Trw). Eiseres is het niet eens met die boete. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder eiseres terecht een boete heeft opgelegd en dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor matiging van het boetebedrag. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.
Procesverloop
2.
2.1.
Met het besluit van 19 augustus 2025 heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 1.360,-.
2.2.
Met het bestreden besluit van 7 november 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld door [naam 2] (vennoot van eiseres), en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3.
3.1.
Op 6 juni 2025 heeft een assistent-toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) samen met een testkoper de door eiseres geëxploiteerde zaak ‘Primera de Boerenschuur’ aan de [adres] bezocht. De bevindingen van de assistent-toezichthouder zijn neergelegd in een relaas van bevindingen van 10 juni 2025, dat deel uitmaakt van een door een toezichthouder van de NVWA opgestelde rapport van bevindingen van 23 juli 2025. Op basis hiervan heeft verweerder de boete opgelegd.
3.2.
Het bestreden besluit berust op verweerders standpunt dat is waargenomen dat bedrijfsmatig een tabaksproduct is verkocht aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Daarmee is volgens verweerder gehandeld in strijd met artikel 8, eerste lid, van de Trw. De hoogte van de boete volgt uit de wet. Dat mogelijk sprake is geweest van een rekenfout bij het vaststellen van de leeftijd is volgens verweerder geen bijzondere omstandigheid die aanleiding zou moeten geven de boete te matigen.
Beoordeling door de rechtbank
4. Eiseres voert aan dat de aan haar opgelegde boete onevenredig hoog is. Daartoe betoogt zij dat de standaardboete is opgelegd zonder dat daarbij rekening is gehouden met de concrete omstandigheden van het geval. In dit geval is wel een leeftijdscontrole uitgevoerd, maar daarbij is een begrijpelijke rekenvergissing gemaakt, aangezien de testkoper vier dagen voor de testkoop jarig was geweest. Eiseres wijst in dat verband op de schriftelijke verklaring van de bewuste medewerker waarin zij schrijft een rekenfout te hebben gemaakt omdat zij dacht dat de testkoper net achttien jaar in plaats van zeventien jaar was geworden. Het betrof dus een niet-opzettelijke overtreding waarbij slechts sprake is van minimale verwijtbaarheid. Op grond hiervan had de boete gematigd moeten worden. Eiseres wijst hierbij op een uitspraak van deze rechtbank van 26 maart 2025 waarin de boete in een vergelijkbare situatie met 50% is gematigd.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat eiseres op zichzelf niet heeft betwist dat artikel 8, eerste lid, van de Trw is overtreden. Het staat dus vast dat een tabaksproduct is verkocht aan een persoon waarvan niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. De hoogte van de boete die verweerder voor deze overtreding heeft opgelegd, volgt uit de wet. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de omstandigheden van het geval aanleiding geven om deze boete te matigen.
5.2.
Artikel 6 van het EVRM brengt mee dat de rechter dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Voor boetebedragen die bij wettelijk voorschrift zijn vastgesteld (zoals in deze zaak), moet deze evenredigheidstoets worden uitgevoerd binnen het kader van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van die bepaling kan een boete worden gematigd indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Van bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn in geval van verminderde verwijtbaarheid of een beperkte ernst van de overtreding. Als in een stelsel van boetebedragen die bij wettelijk voorschrift zijn vastgesteld, niet of nauwelijks wordt gedifferentieerd op basis van feiten en omstandigheden die voor de evenredigheid van het boetebedrag van belang kunnen zijn, kan eerder de noodzaak bestaan om in een concreet geval van dit boetestelsel af te wijken.
5.3.
Verweerder is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de in bezwaar aangevoerde omstandigheden, waaronder de verklaring van de medewerker van eiseres over de gemaakte vergissing. Volgens verweerder kunnen die omstandigheden echter niet leiden tot matiging van de boete. Voor zover eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op de omstandigheden van het geval, volgt de rechtbank dat niet.
5.4.
Evenals verweerder ziet de rechtbank in wat eiseres heeft aangevoerd, geen aanleiding voor de conclusie dat de boete moet worden gematigd. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.
5.5.
De rechtbank gaat ervan uit dat geen sprake is geweest van een doelbewuste overtreding, maar van een vergissing. Hoewel dit niet met zekerheid kan worden vastgesteld, bestaat hiervoor een belangrijk aanknopingspunt, namelijk het feit dat wel om een identiteitsbewijs is gevraagd. In het algemeen kan de omstandigheid dat een vergissing is gemaakt (en dus niet doelbewust een overtreding is gepleegd), van belang zijn voor de mate van verwijtbaarheid. In dit geval (en dus anders dan in de uitspraak van de rechtbank waarnaar eiseres heeft verwezen) leidt die omstandigheid naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot de conclusie dat de hoogte van de opgelegde boete niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Gelet op de verbodsbepaling van artikel 8, eerste lid, van de Trw was eiseres ervoor verantwoordelijk dat haar personeel niet alleen om een identiteitsbewijs zou vragen, maar daaruit ook de juiste conclusie zou trekken. Eiseres heeft op de zitting verklaard dat zij werkt met een op de kassa weergegeven datum die de actuele grensdatum aangeeft: de geboortedatum van de koper moet vóór die datum liggen. De rechtbank kan er echter niet van uitgaan dat dit systeem in dit geval gebruikt is. Dit blijkt niet uit de schriftelijke verklaring van de verkoopmedewerker van eiseres. Bovendien heeft eiseres ter zitting verklaard dat haar verkoopmedewerkers ook uit het hoofd kunnen vaststellen dat de koper meerderjarig is. Dit brengt echter het risico op een misrekening mee, wat zich in dit geval ook heeft verwezenlijkt. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een zodanig verminderde verwijtbaarheid dat er reden is voor matiging van de boete, ook niet wanneer daarbij wordt betrokken dat de testkoper net jarig was geweest. Er is dus geen sprake van bijzondere omstandigheden in de zin van 5:46, derde lid, van de Awb. De rechtbank acht de boete van € 1.360,- passend en geboden. De rechtbank let daarbij ook op de grote belangen van bescherming van de volksgezondheid en het ontmoedigen van jongeren om te beginnen met roken. De rechtbank onderkent dat eiseres heeft gesteld dat zij voor het eerst is beboet voor een dergelijke overtreding (wat door verweerder niet is betwist), maar in die omstandigheid ziet de rechtbank in dit geval geen reden voor matiging.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder eiseres terecht een boete heeft opgelegd van € 1.360,-. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.S.J. Letschert, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de bijlage bij de Trw, categorie C.
ECLI:NL:RBROT:2025:3777.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie ECLI:NL:CBB:2026:134 en ECLI:NL:RVS:2025:4531.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 590, nr. 3, p. 1.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8955
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit Riel, eiseres
(gemachtigde: [naam 1]),
en
de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Kool).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de bestuurlijke boete die verweerder aan eiseres heeft opgelegd voor overtreding van de Tabaks- en rookwarenwet (Trw). Eiseres is het niet eens met die boete. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder eiseres terecht een boete heeft opgelegd en dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor matiging van het boetebedrag. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.
Procesverloop
2.
2.1.
Met het besluit van 19 augustus 2025 heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 1.360,-.
2.2.
Met het bestreden besluit van 7 november 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld door [naam 2] (vennoot van eiseres), en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3.
3.1.
Op 6 juni 2025 heeft een assistent-toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) samen met een testkoper de door eiseres geëxploiteerde zaak ‘Primera de Boerenschuur’ aan de [adres] bezocht. De bevindingen van de assistent-toezichthouder zijn neergelegd in een relaas van bevindingen van 10 juni 2025, dat deel uitmaakt van een door een toezichthouder van de NVWA opgestelde rapport van bevindingen van 23 juli 2025. Op basis hiervan heeft verweerder de boete opgelegd.
3.2.
Het bestreden besluit berust op verweerders standpunt dat is waargenomen dat bedrijfsmatig een tabaksproduct is verkocht aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. Daarmee is volgens verweerder gehandeld in strijd met artikel 8, eerste lid, van de Trw. De hoogte van de boete volgt uit de wet. Dat mogelijk sprake is geweest van een rekenfout bij het vaststellen van de leeftijd is volgens verweerder geen bijzondere omstandigheid die aanleiding zou moeten geven de boete te matigen.
Beoordeling door de rechtbank
4. Eiseres voert aan dat de aan haar opgelegde boete onevenredig hoog is. Daartoe betoogt zij dat de standaardboete is opgelegd zonder dat daarbij rekening is gehouden met de concrete omstandigheden van het geval. In dit geval is wel een leeftijdscontrole uitgevoerd, maar daarbij is een begrijpelijke rekenvergissing gemaakt, aangezien de testkoper vier dagen voor de testkoop jarig was geweest. Eiseres wijst in dat verband op de schriftelijke verklaring van de bewuste medewerker waarin zij schrijft een rekenfout te hebben gemaakt omdat zij dacht dat de testkoper net achttien jaar in plaats van zeventien jaar was geworden. Het betrof dus een niet-opzettelijke overtreding waarbij slechts sprake is van minimale verwijtbaarheid. Op grond hiervan had de boete gematigd moeten worden. Eiseres wijst hierbij op een uitspraak van deze rechtbank van 26 maart 2025 waarin de boete in een vergelijkbare situatie met 50% is gematigd.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat eiseres op zichzelf niet heeft betwist dat artikel 8, eerste lid, van de Trw is overtreden. Het staat dus vast dat een tabaksproduct is verkocht aan een persoon waarvan niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. De hoogte van de boete die verweerder voor deze overtreding heeft opgelegd, volgt uit de wet. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de omstandigheden van het geval aanleiding geven om deze boete te matigen.
5.2.
Artikel 6 van het EVRM brengt mee dat de rechter dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Voor boetebedragen die bij wettelijk voorschrift zijn vastgesteld (zoals in deze zaak), moet deze evenredigheidstoets worden uitgevoerd binnen het kader van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van die bepaling kan een boete worden gematigd indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Van bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn in geval van verminderde verwijtbaarheid of een beperkte ernst van de overtreding. Als in een stelsel van boetebedragen die bij wettelijk voorschrift zijn vastgesteld, niet of nauwelijks wordt gedifferentieerd op basis van feiten en omstandigheden die voor de evenredigheid van het boetebedrag van belang kunnen zijn, kan eerder de noodzaak bestaan om in een concreet geval van dit boetestelsel af te wijken.
5.3.
Verweerder is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de in bezwaar aangevoerde omstandigheden, waaronder de verklaring van de medewerker van eiseres over de gemaakte vergissing. Volgens verweerder kunnen die omstandigheden echter niet leiden tot matiging van de boete. Voor zover eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op de omstandigheden van het geval, volgt de rechtbank dat niet.
5.4.
Evenals verweerder ziet de rechtbank in wat eiseres heeft aangevoerd, geen aanleiding voor de conclusie dat de boete moet worden gematigd. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.
5.5.
De rechtbank gaat ervan uit dat geen sprake is geweest van een doelbewuste overtreding, maar van een vergissing. Hoewel dit niet met zekerheid kan worden vastgesteld, bestaat hiervoor een belangrijk aanknopingspunt, namelijk het feit dat wel om een identiteitsbewijs is gevraagd. In het algemeen kan de omstandigheid dat een vergissing is gemaakt (en dus niet doelbewust een overtreding is gepleegd), van belang zijn voor de mate van verwijtbaarheid. In dit geval (en dus anders dan in de uitspraak van de rechtbank waarnaar eiseres heeft verwezen) leidt die omstandigheid naar het oordeel van de rechtbank echter niet tot de conclusie dat de hoogte van de opgelegde boete niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. Gelet op de verbodsbepaling van artikel 8, eerste lid, van de Trw was eiseres ervoor verantwoordelijk dat haar personeel niet alleen om een identiteitsbewijs zou vragen, maar daaruit ook de juiste conclusie zou trekken. Eiseres heeft op de zitting verklaard dat zij werkt met een op de kassa weergegeven datum die de actuele grensdatum aangeeft: de geboortedatum van de koper moet vóór die datum liggen. De rechtbank kan er echter niet van uitgaan dat dit systeem in dit geval gebruikt is. Dit blijkt niet uit de schriftelijke verklaring van de verkoopmedewerker van eiseres. Bovendien heeft eiseres ter zitting verklaard dat haar verkoopmedewerkers ook uit het hoofd kunnen vaststellen dat de koper meerderjarig is. Dit brengt echter het risico op een misrekening mee, wat zich in dit geval ook heeft verwezenlijkt. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een zodanig verminderde verwijtbaarheid dat er reden is voor matiging van de boete, ook niet wanneer daarbij wordt betrokken dat de testkoper net jarig was geweest. Er is dus geen sprake van bijzondere omstandigheden in de zin van 5:46, derde lid, van de Awb. De rechtbank acht de boete van € 1.360,- passend en geboden. De rechtbank let daarbij ook op de grote belangen van bescherming van de volksgezondheid en het ontmoedigen van jongeren om te beginnen met roken. De rechtbank onderkent dat eiseres heeft gesteld dat zij voor het eerst is beboet voor een dergelijke overtreding (wat door verweerder niet is betwist), maar in die omstandigheid ziet de rechtbank in dit geval geen reden voor matiging.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder eiseres terecht een boete heeft opgelegd van € 1.360,-. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.S.J. Letschert, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de bijlage bij de Trw, categorie C.
ECLI:NL:RBROT:2025:3777.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie ECLI:NL:CBB:2026:134 en ECLI:NL:RVS:2025:4531.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 33 590, nr. 3, p. 1.