Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12479

2026-07-29 Civiel recht 11971370 VZ VERZ 25-216
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-29
Publicatiedatum
2026-09-23
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
11971370 VZ VERZ 25-216
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Erfrecht. Geen gewichtige redenen om verweerder te ontslaan als executeur en afwikkelingsbewindvoerder. Wantrouwen onvoldoende te objectiveren als het gaat om het optreden van verweerder als executeur en afwikkelingsbewindvoerder. Het wantrouwen lijkt vooral zijn grond te vinden in eerdere keuzes van de ouders en, na moeders overlijden, van vader. Eerdere keuzes ouders staan niet ter beoordeling.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (11.582 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 11971370 VZ VERZ 25-216



datum uitspraak: 29 juli 2026




Beschikking van de kantonrechter




op het verzoek van





1 [verzoekster 1]

woonplaats: [woonplaats 1] , en
2. [verzoekster 2]
woonplaats: [woonplaats 2] ,
verzoeksters,
gemachtigde: mr. J.A. Jansens van Gellicum,



gericht tegen





[verweerder]
, als erfgenaam en in zijn hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van [de vader] (hierna: vader),
woonplaats: [woonplaats 3] ,
verweerder,
gemachtigde: mr. A.C. de Bakker.



De partijen worden hierna de zussen respectievelijk de broer genoemd.






1De procedure

1.1.
Op 14 november 2025 heeft de rechtbank een verzoekschrift met bijlagen ontvangen. Op 6 januari 2026 heeft de rechtbank een verweerschrift met bijlagen ontvangen.



1.2.
Op 13 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met alle genoemde partijen en hun gemachtigden. De zaak is aangehouden opdat partijen een oplossing in der minne konden beproeven. Uit berichten van 23 februari 2026, 27 maart 2026 en 3 april 2026 (de zussen) en 3 april 2026 (de broer) is gebleken dat die niet is bereikt. Partijen hebben om een uitspraak verzocht.



1.3.
Vervolgens hebben de zussen bij brief van 9 juli 2026 een arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 juli 2026 in een eerdere procedure tussen partijen over de moederlijke erfdelen aan de rechtbank gezonden. De broer heeft daar bij brief van 9 juli 2026 bezwaar tegen gemaakt. De kantonrechter heeft het arrest globaal bezien en ziet er geen aanleiding in om het in de onderhavige zaak te betrekken, zodat evenmin grond bestaat om de broer er nog op te laten reageren.








2De beoordeling


2.1.

De zussen hebben verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de broer te ontslaan als executeur en afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van vader en een professionele executeur te benoemen, niet zijnde de in het testament van vader als opvolgend executeur aangewezen schoondochter of kleinzoon (de echtgenote en zoon van de broer). De zussen hebben tevens verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening de broer te schorsen als executeur en afwikkelingsbewindvoerder en een tijdelijke vervangende executeur te benoemen.
De zussen voeren aan dat daartoe gewichtige redenen bestaan als bedoeld in de artikelen 4:149, eerste lid, aanhef en onder f, en tweede lid, BW en, naar de kantonrechter begrijpt, artikel 4:164, eerste lid, aanhef en onder e, en tweede lid, BW. De broer heeft een en ander gemotiveerd weersproken.




2.2.
De kantonrechter heeft partijen een- en andermaal voorgehouden dat noch toewijzing, noch afwijzing van het verzoek tot een oplossing van hetgeen partijen verdeeld houdt kan leiden. Nu partijen niettemin niet tot enige oplossing in der minne hebben kunnen komen, wordt op de verzoeken besloten. De kantonrechter is van oordeel dat er geen gewichtige redenen bestaan om de broer te ontslaan als executeur en afwikkelingsbewindvoerder en overweegt daartoe als volgt.



2.3.
De zussen hebben als gewichtige redenen aangevoerd – en in een uitvoerige opsomming van detailpunten uitgewerkt – samengevat:
- een gebrek aan transparantie en informatievoorziening, alsmede het verstrekken van tegenstrijdige en onjuiste informatie;
- belangenverstrengeling door het zijn van enig bestuurder en aandeelhouder van en betrokkenheid bij vennootschappen met aanzienlijke schulden aan de boedel;
- onjuiste waarderingen van boedelbestanddelen;
- niet-naleving van wettelijke verplichtingen en verplichtingen uit hoofde van het testament, zoals het opmaken van een boedelbeschrijving, het benoemen van een boedelnotaris en betaling van legaten;
- het vaststellen van een onjuiste boedelbeschrijving voor de aangifte erfbelasting;
- structurele uitsluiting van de zussen bij communicatie en besluitvorming, het niet nakomen van toezeggingen en het geven van een verkeerde voorstelling van zaken.
Daarbij hebben zij erop gewezen dat door moeder, vader en de beheermaatschappij van vader grote geldleningen zijn verstrekt aan vennootschappen van de broer. De aandelen van de beheermaatschappij van vader zijn volgens de zussen voor een fractie van de waarde verkocht aan de zoon van de broer. Er zijn grote verschillen tussen de fiscale en economische waarderingen, maar de broer hanteert als executeur slechts de fiscale waarde.



2.4.

De moeder van partijen is overleden op [datum 1] . Zij had de vader van partijen, met wie zij in gemeenschap van goederen was gehuwd, benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder.
Vader is overleden op [datum 2] . In zijn testament zijn de zussen elk voor 1/6e deel tot erfgenaam benoemd en de broer voor 4/6e deel. Vader heeft de broer benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder.
De broer heeft aangevoerd dat de zussen het al niet eens waren met de wijze waarop vader optrad als executeur en afwikkelingsbewindvoerder en in het bijzonder niet met de waardering van de aandelen in het kapitaal van [bedrijf] B.V.: vanuit deze vennootschap hadden vader en moeder diverse leningen verstrekt aan vennootschappen van de broer, die in het kader van de waardering waren afgewaardeerd wegens de slechte verhaalbaarheid daarvan. Achtergrond van de leningen is dat vader bij leven zijn onderneming had overgedragen aan de broer en daarbij financiële middelen ter beschikking heeft gesteld.
Al voor het overlijden van vader liep er een juridische strijd tussen de zussen en vader, als erfgenaam van moeder en in zijn hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van moeder. Vijf dagen na zijn overlijden heeft de kantonrechter van deze rechtbank op 22 november 2024 een beschikking gegeven. Tegen die beschikking is door de zussen hoger beroep ingesteld, waarin onlangs eerdergenoemd arrest is gewezen.




2.5.
De broer heeft uitvoerig geschetst hoe via e-mailberichten met bijlagen van zijn gemachtigde vele malen informatie aan de zussen is gegeven. Ook heeft hij puntsgewijs gereageerd op de concrete verwijten van de zussen. Verder heeft hij erop gewezen dat vader al een geschil had met de zussen, toen hij de broer aanwees als executeur en afwikkelingsbewindvoerder en daarmee, in zekere zin, als vertrouwenspersoon. Tegelijk is het erfdeel van de zussen op 1/6e en daarmee feitelijk op hun legitieme portie bepaald. Vader heeft met het aanwijzen van de broer als executeur en afwikkelingsbewindvoerder impasses willen voorkomen, die onafwendbaar leken door de eerdere opstelling van de zussen in de afwikkeling van de nalatenschap van moeder. Ten slotte wijst de broer erop dat volgens de juridische literatuur de executeur niet gezien moet worden als vertegenwoordiger van de erfgenamen, maar als vertegenwoordiger van erflater.



2.6.

Alles afwegend ziet de kantonrechter geen gewichtige redenen om de broer te ontslaan als executeur en/of afwikkelingsbewindvoerder. De kantonrechter wil wel aannemen dat de zussen de broer wantrouwen, maar dat wantrouwen is toch onvoldoende te objectiveren als het gaat om het optreden van de broer als executeur en afwikkelingsbewindvoerder. Het wantrouwen lijkt vooral zijn grond te vinden in eerdere keuzes van de ouders en, na moeders overlijden, van vader. Een groot deel van de door de zussen naar voren gebrachte omstandigheden – meer dan twee derde deel van het verzoekschrift – heeft ook betrekking op de periode voor vaders overlijden en kan reeds daarom niet aan de broer handelend als executeur en afwikkelingsbewindvoerder in vaders nalatenschap worden tegengeworpen.
Het is ook het gevolg van die eerdere keuzes van de ouders, die hier niet ter beoordeling staan, dat de broer – onvermijdelijk – verschillende petten op heeft. Daarvan dient hij zich uiteraard ten zeerste bewust te zijn. Enerzijds heeft hij het te doen met de situatie die bestond toen hij executeur en afwikkelingsbewindvoerder werd, ook als die situatie zijn zussen of hemzelf niet aanstond. Anderzijds is het niet aan hem om wanneer, bijvoorbeeld, eerdere keuzes van de ouders van partijen hem bevoordeeld hebben, nu als executeur en afwikkelingsbewindvoerder in het verlengde daarvan ook zelf eigen keuzes te maken die hem, zonder dat daar enige grond voor is, verder bevoordelen ten opzichte van de zussen. In zoverre dient hij als executeur en afwikkelingsbewindvoerder afstand te nemen van zijn persoonlijke belangen voor zover die botsen met de persoonlijke belangen van zijn zussen en mede-erfgenamen.




2.7.
De onderhavige procedure is er echter niet voor om elke keuze en elke handeling van de broer op een goudschaaltje te wegen. Hierbij is van belang dat in het testament van vader van 29 januari 2024 (onder E, sub 2) het afwikkelingsbewind is ingesteld in het belang van alle betrokkenen om te komen tot een goede afwikkeling van de nalatenschap. De bewindvoerder is daarom bevoegd om de nalatenschap naar eigen inzicht te verdelen en om zonder medewerking van de rechthebbenden en zonder machtiging van de kantonrechter over tot de nalatenschap behorende goederen te beschikken, aldus het testament. Het mag daarbij voor zich spreken dat van deze ruime bevoegdheden – zoals bij alle bevoegdheden – geen misbruik gemaakt mag worden en dat het “naar eigen inzicht” verdelen nog steeds moet plaatsvinden “in het belang van alle betrokkenen om te komen tot een goede verdeling van de nalatenschap”. Het is dan ook niet zo dat de zussen bij het optreden van de broer als executeur en afwikkelingsbewindvoerder van rechtsbescherming zijn verstoken: op de executeur en de afwikkelingsbewindvoerder rust de verplichting om rekening en verantwoording af te leggen (artikelen 4:151 respectievelijk 4:161 BW), hij is jegens de rechthebbenden aansprakelijk indien hij in de zorg van een goed executeur respectievelijk afwikkelingsbewindvoerder verwijtbaar tekortschiet (arrest van de Hoge Raad van 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD5985, respectievelijk artikel 4:163 BW) en het staat de zussen dus vrij om wanneer de verdeling door de broer als afwikkelingsbewindvoerder in hun ogen onjuist zal zijn, daartegen in rechte op te komen. Omdat die verdeling nog niet heeft plaatsgevonden, kan daarop op dit moment nog niet worden vooruitgelopen.



2.8.
Het voorgaande betekent dat de verzoeken – waaronder het verzoek tot het treffen van een voorlopig voorziening – moeten worden afgewezen. Mede gelet op de familierelatie tussen partijen zal de kantonrechter de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.





3De beslissing
De kantonrechter:


wijst de verzoeken af;



compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.



Deze beschikking is gegeven door mr. dr. P.G.J. van den Berg en in het openbaar uitgesproken.
41592