Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12377

2026-09-09 Civiel recht C/10/724938 / KG ZA 26-876
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-21
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
C/10/724938 / KG ZA 26-876
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Proceskostenveroordeling. Toewijzing. Eisende partij heeft vorderingen op de zitting ingetrokken. Aanleiding was dat gedaagde partij (deels) al had voldaan aan de vorderingen en voor het overige niet (meer of in de toekomst) kon voldoen daaraan. Dit was duidelijk voor eisende partij of dat had duidelijk moeten zijn voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding, omdat gedaagde daarop had gewezen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.779 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team handel en haven




Zaaknummer: C/10/724938 / KG ZA 26-876




Vonnis in kort geding van 9 september 2026




in de zaak van





1 [bedrijf 1] B.V.,

gevestigd te Rotterdam,2. [bedrijf 1] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [bedrijf 1] ,
advocaat: mr. P.A. de Lange,



tegen





[bedrijf 2] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [bedrijf 2] ,
advocaat: mr. C. Banis.






1De zaak in het kort

1.1.

[bedrijf 1] hebben [bedrijf 2] gedagvaard, maar hun vorderingen ter zitting ingetrokken. [bedrijf 2] heeft medegedeeld een beslissing over de proceskosten te willen. De voorzieningenrechter veroordeelt [bedrijf 1] in de proceskosten, aangezien het doorzetten van het kort geding in de gegeven omstandigheden onnodig en niet zinvol was.






2De procedure en de feiten


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 25;
- de akte overlegging producties van [bedrijf 1] met producties 26 tot en met 33;
- de akte overlegging producties van [bedrijf 2] met producties 1 tot en met 8;- de mondelinge behandeling van 26 augustus 2026;- de pleitnota van [bedrijf 2] .



2.2.

[bedrijf 1] hebben bij dagvaarding meerdere vorderingen ingesteld tegen [bedrijf 2] . [bedrijf 2] concludeerde tot afwijzing van de vorderingen, met bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [bedrijf 1] in de kosten.



2.3.

[bedrijf 1] hebben ter zitting alle vorderingen ingetrokken. De voorzieningenrechter heeft daar akte van verleend. [bedrijf 2] heeft vervolgens medegedeeld dat zij een beslissing over de proceskosten wenst.






3De beoordeling


3.1.
In dit kort geding ligt uitsluitend nog ter beoordeling voor welke partij moet worden veroordeeld in de proceskosten. [bedrijf 1] hebben de vorderingen ingetrokken nadat de zaak was uitgeroepen. De situatie zoals bedoeld in artikel 8.1 van het landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken, waarin het kort geding wordt ingetrokken voorafgaand aan de mondelinge behandeling doet zich hier daarom niet voor.



3.2.
Een intrekking van alle ingestelde vorderingen is (in beginsel en ook hier) een eisvermindering tot nihil. Een dergelijke eisvermindering leidt niet zonder meer tot een proceskostenveroordeling voor de partij die de vorderingen intrekt. In het onderhavige geval was de aanleiding voor de algehele intrekking van de vorderingen dat, zoals ter zitting besproken, [bedrijf 2] ten dele reeds had voldaan aan het gevorderde en voor het overige niet kon en evenmin in de toekomst zou kunnen voldoen aan het gevorderde. Zij had onder meer, als gevolg van het verbreken van de relatie, geen toegang meer tot de betreffende rekeningen en (online) systemen. Dit was voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding voor [bedrijf 1] duidelijk (of had dat moeten zijn), onder meer omdat [bedrijf 2] daarop in de correspondentie al had gewezen. Het voortzetten van de kort geding procedure was gelet daarop onnodig en niet zinvol, terwijl [bedrijf 2] daardoor wel kosten heeft moeten maken voor het voeren van verweer. Gelet op al het voorgaande dienen [bedrijf 1] als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten te worden veroordeeld.



3.3.

[bedrijf 1] moeten dus de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [bedrijf 2] worden begroot op:









- griffierecht


€


735,00







- salaris advocaat


€


1.177,00







- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.101,00














4De beslissing


De voorzieningenrechter



4.1.
veroordeelt [bedrijf 1] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [bedrijf 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



4.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.



Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.

4049 / 106





HR 12 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:997.


Vgl. HR 3 juni 2016, NJ 2018/56, noot H.J. Snijders, punt 4 onder e.