Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12375
2026-08-27
Civiel recht
C/10/724313 / KG ZA 26-829
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Aandeelhoudersgeschil. Vorderingen om gedaagde te verbieden besluit te nemen en reeds genomen besluiten terug te draaien. Afwijzing. Verbod op nemen van een besluit is te laat ingesteld, nu besluit al voorafgaand aan de procedure is genomen. Vordering kan ook op inhoudelijke gronden niet worden toegewezen. Vorderingen tot ongedaanmaken besluiten ingesteld tegen verkeerde partij, deze hadden moeten worden ingesteld tegen de vennootschap.
Citeert (1)
- ECLI:NL:PHR:2019:768 Parket bij de Hoge Raad 28-06-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (35.079 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/724313 / KG ZA 26-829
Vonnis in kort geding van 27 augustus 2026
in de zaak van
[bedrijf 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [bedrijf 1] ,
advocaat: mr. B.J. van Egmond,
tegen
[bedrijf 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [bedrijf 2] ,
advocaten: mr. S.S. van Dam, mr. K.F. Liew.
1De zaak in het kort
1.1.
Partijen zijn aandeelhouders van een vennootschap. [bedrijf 1] vordert onder meer dat het [bedrijf 2] wordt verboden om [bedrijf 1] als bestuurder van de vennootschap te ontslaan, althans om een daartoe strekkend al genomen besluit terug te draaien. Volgens [bedrijf 1] is [bedrijf 2] haar stem- en vergaderrechten verloren, omdat [bedrijf 2] derden heeft betrokken bij de samenwerking, zodat [bedrijf 2] daarom geen ontslagbesluit mag of kan nemen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 11; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 16;
- de akte overlegging producties van [bedrijf 1] met producties 12 tot en met 22;
- de akte overlegging producties van [bedrijf 1] met producties 23 tot en met 26;
- de akte overlegging producties van [bedrijf 2] met productie 17;
- de akte overlegging producties van [bedrijf 1] met producties 27 en 28;- de mondelinge behandeling van 13 augustus 2026;- de spreekaantekeningen van [bedrijf 1] ;- de spreekaantekeningen van [bedrijf 2] .
3De feiten
3.1.
[bedrijf 1] maakt deel uit van de [groep 1] . De
moedermaatschappij van [bedrijf 1] is [moedermaatschappij] [persoon A]
(hierna: [persoon A] ) is (althans was) als (indirect) aandeelhouder en bestuurder verbonden aan deze vennootschappen.
3.2.
[bedrijf 2] maakt deel uit van [groep 2] . Aan [bedrijf 2] zijn (o.a.) de heren [persoon B] (hierna: [persoon B] ) en [persoon C] (hierna: [persoon C] ) indirect
verbonden als aandeelhouders en bestuurders.
3.3.
Andere onderdelen van [groep 2] zijn [bedrijf 3] B.V., waar [persoon D] (hierna: [persoon D] ) aan verbonden is als bestuurder (“CFO”), en [bedrijf 4] B.V., waar [persoon E] (hierna: [persoon E] ) verbonden is als bestuurder (“CEO”).
3.4.
Sinds 26 juli 2022 werken [bedrijf 1] en [bedrijf 2] samen als joint venture partners in [bedrijf 5] B.V. (hierna: [bedrijf 5] ). Partijen zijn ieder voor 50% aandeelhouder in en bestuurder van [bedrijf 5] . [bedrijf 5] richt zich op het goederenvervoer over binnenwateren in Oekraïne en Roemenië.
3.5.
In de statuten van [bedrijf 5] staat het volgende:
“Artikel 10. Blokkeringsregeling
12. Ingeval:
(...)
g. anders dan ten gevolge van huwelijksgoederenrecht respectievelijk geregistreerd partnerschap, een (rechts)persoon (i) door overdracht of andere overgang van aandelen dan wel door het nemen van aandelen, of (ii) door overgang van stemrecht op aandelen of op andere wijze, een of meer aandelen in het kapitaal van een Aandeelhouder-rechtspersoon verkrijgt dan wel enige zeggenschap over de activiteiten van de onderneming van een Aandeelhouder- rechtspersoon verkrijgt,
rust op de Aandeelhouder, diens rechtverkrijgenden of wettelijke vertegenwoordiger casu quo de nieuwe Aandeelhouder de verplichting daarvan Schriftelijk aan het Bestuur kennis te geven, zulks binnen vier weken na het ontstaan van die verplichting.
Onmiddellijk na ontvangst van deze kennisgeving deelt het Bestuur Schriftelijk aan de betrokken Aandeelhouder, diens rechtverkrijgenden of wettelijke vertegenwoordiger casu quo de nieuwe Aandeelhouders mede, dat zijn casu quo hun Aandelen gelden als aangeboden in de zin van dit artikel.
Het Bestuur is dan verplicht onverwijld de Aandeelhouders Schriftelijk van het vooronderstelde aanbod in kennis te stellen.
De leden 1 tot en met 11 van dit artikel vinden dan overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat de aanbieder niet het recht heeft zijn aanbod in te trekken en dat in een geval waarin de aanbieder vrij is de aangeboden Aandelen aan de voorgestelde verkrijger(s) over te dragen de Aandeelhouder, diens rechtverkrijgenden casu quo de nieuwe Aandeelhouders slechts het recht hebben die Aandelen te behouden.
Het niet voldoen aan de verplichting tot aanbieding van Aandelen op grond van het bepaalde in dit lid heeft tot gevolg, dat na het verstrijken van de hiervoor genoemde termijn het aan de Aandelen verbonden vergader- en stemrecht niet kan worden uitgeoefend en dat het recht op dividend wordt opgeschort zolang niet aan die verplichting wordt voldaan.
13. Blijft de Aandeelhouder of blijven diens rechtverkrijgenden of wettelijke vertegenwoordiger casu quo de nieuwe Aandeelhouders, ondanks daartoe strekkende sommatie van het Bestuur, in gebreke met het voldoen aan de verplichting als bedoeld in lid 12 van dit artikel, dan worden de betrokkenen geacht aan die verplichting te hebben voldaan op het tijdstip dat het Bestuur hun zulks bij aangetekende brief meedeelt.
Het Bestuur is alsdan overeenkomstig lid 12 van dit artikel gehouden de Aandeelhouders onverwijld van het vooronderstelde aanbod in kennis te stellen. (…)”
3.6.
[bedrijf 5] is eigenaar van twee kraanschepen, K2 en K3, die bij door [groep 1] verzorgde
graantransporten over de Donau zijn of waren betrokken. [bedrijf 5] verhuurt/verhuurde de
kraanschepen aan [moedermaatschappij] ., die de schepen uitbaat. De schepen hebben als
vaste ligplaats de haven van Constanta, Roemenië. De kraanschepen zijn hypothecair
gefinancierd door [bedrijf 6] B.V. (hierna: [bedrijf 6] ).
3.7.
[bedrijf 5] is vanaf 2023 in financiële problemen geraakt, als gevolg waarvan zij niet meer aan haar financiële verplichtingen tegenover [bedrijf 6] kon voldoen. [bedrijf 6] is voornemens haar hypotheekrechten uit te winnen. [bedrijf 6] is daartoe een executieprocedure in Roemenië gestart. Zij heeft op 3 december 2025 beslag gelegd op de K2 en de K3. De executie is bij uitspraak van de Roemeense rechter verboden.
3.8.
[persoon A] heeft zijn aandelen in [moedermaatschappij] . op of omstreeks 25 april 2025
(direct of indirect) overgedragen aan [bedrijf 7] (hierna: [bedrijf 7] ). [persoon F] (hierna: [persoon F] ) houdt (indirect, via [bedrijf 8] .)
de aandelen in [bedrijf 7] . Op of omstreeks 19 december 2025 heeft wederom een wijziging
in de (indirecte) eigendom van de aandelen in [moedermaatschappij] . plaatsgehad door
een aandelenemissie; vanaf dat moment houdt [bedrijf 9] (aan
welke vennootschap [persoon A] als enig aandeelhouder en bestuurder is verbonden) 60% van
de aandelen en [bedrijf 7] de overige 40%.
3.9.
[bedrijf 2] heeft zich naar aanleiding van de in 3.8. beschreven handelingen op het standpunt gesteld dat er aan de zijde van [bedrijf 1] een wijziging in zeggenschap is opgetreden, dat [bedrijf 1] daarom op grond van artikel 10 lid 12 sub g van de statuten van [bedrijf 5] (zie 3.5.) haar aandelen in [bedrijf 5] moet aanbieden, dat [bedrijf 1] die verplichting niet nakomt, dat [bedrijf 1] daarom haar vergader- en stemrechten als aandeelhouder in [bedrijf 5] niet kan uitoefenen (de slotalinea van genoemde statutaire bepaling), zodat [bedrijf 2] thans enig vergader- en stemgerechtigd aandeelhouder van [bedrijf 5] is.
3.10.
[bedrijf 1] heeft [bedrijf 2] op 27 februari 2026 gedagvaard in kort geding. De daarin ingestelde vorderingen van [bedrijf 1] kwamen neer op een door de voorzieningenrechter op te leggen verbod aan [bedrijf 2] als aandeelhouder van [bedrijf 5] om [bedrijf 1] als bestuurder van [bedrijf 5] te ontslaan. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen toegewezen bij vonnis van 1 april 2026.
3.11.
[bedrijf 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 1 april 2026. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 28 juli 2026 het vonnis van 1 april 2026 (deels) vernietigd en de vorderingen van [bedrijf 1] alsnog afgewezen. Het gerechtshof overweegt daartoe:
“6.6 Statuten zijn openbaar en bepalen de inrichting en structuur van een rechtspersoon die zich ook extern als rechtssubject manifesteert. Daarmee is de inhoud van de statuten niet
alleen voor de oprichters van de vennootschap, maar ook voor derden relevant. Gelet op
het bijzondere karakter van statuten moeten deze naar objectieve maatstaven worden
uitgelegd. Dit neemt niet weg dat partijen al dan niet stilzwijgend iets anders kunnen zijn
overeengekomen dan in de statuten staat, of met de statuten iets anders kunnen hebben
bedoeld dan een objectieve uitleg daarvan meebrengt, of dat het door de één aan de ander
tegenwerpen van (de objectieve uitleg van) een statutaire bepaling naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 2:8 8W). Als daarvan sprake is, kan dat ertoe leiden dat een partij een met die gemeenschappelijke partijbedoeling en/of met
de redelijkheid en billijkheid strijdige objectieve uitleg van de statuten niet aan haar
wederpartij mag tegenwerpen (vgl. ECLI:NL:PHR:2019:768). In het navolgende zal het
hof ingaan op zowel de objectieve uitleg van de statutaire bepaling in kwestie, als de
vraag of de in deze procedure aan de zijde van [bedrijf 1] gepresenteerde
standpunten (die eventueel als niet tot de statuten herleidbare partijbedoeling zouden
kunnen worden aangemerkt) tussen partijen eventueel een andere uitkomst
rechtvaardigen dan een objectieve uitleg van de statuten meebrengt. In het navolgende zal het hof ingaan op zowel de objectieve uitleg van de statutaire bepaling in kwestie, als de
vraag of de in deze procedure aan de zijde van [bedrijf 1] gepresenteerde
standpunten (die eventueel als niet tot de statuten herleidbare partijbedoeling zouden
kunnen worden aangemerkt) tussen partijen eventueel een andere uitkomst
rechtvaardigen dan een objectieve uitleg van de statuten meebrengt.
6.8
De statuten spreken over het verkrijgen van enige zeggenschap over de activiteiten van de onderneming van een ‘Aandeelhouder-rechtspersoon’. Het hof kan er veronderstellenderwijs van uitgaan dat de aanduiding Aandeelhouder-rechtspersoon ziet op de aandeelhouders van [bedrijf 5] - als die een rechtspersoon zijn. In het voorliggende geval is er niet rechtstreeks op het niveau van [bedrijf 1] (Aandeelhouder-rechtspersoon in de zin van de statuten) zeggenschap gewijzigd: de direct aandeelhouder van [bedrijf 1] bleef [moedermaatschappij] . De zeggenschap over die laatste vennootschap is daarentegen wel gewijzigd: die kreeg met de aandelenoverdracht van 25 april 2025 voor 100% een nieuwe aandeelhouder. Daarmee is echter ook - indirect, maar even goed - de zeggenschap gewijzigd over [bedrijf 1] (en over de activiteiten van haar onderneming, in de vorm van het aandeel in [bedrijf 5] ). Die zeggenschap is uiteindelijk bij een ander komen te berusten dan voorheen ( [persoon F] in plaats van [persoon A] ). Er is geen enkel aanknopingspunt - mede in het licht van waartoe change of control-bepalingen naar hun aard strekken - om te veronderstellen dat de ‘zeggenschap’ in de voorliggende statutaire bepaling slechts zou zien op rechtstreekse vormen van zeggenschap. Daartegen pleit ook dat volgens de bepaling reeds het verkrijgen van ‘enige’ zeggenschap de aanbiedingsplicht doet ontstaan. Dat duidt erop dat ook andere dan rechtstreekse vormen van wijziging in zeggenschap de aanbiedingsplicht doet ontstaan.
6.9
De verklaring van [persoon F] en de aandelenemissie op of omstreeks 19 december 2025
maken niet dat toch geen sprake is van een wijziging van de zeggenschap over [bedrijf 1]
. Hierbij wordt het volgende in aanmerking genomen
6.10
De verklaring van [persoon F] houdt in dat met [persoon A] mondeling was afgesproken dat [persoon A] , ondanks de 100% aandelenoverdracht van 25 april 2025, nog steeds werkelijke controle en zeggenschap heeft behouden over [bedrijf 5] . Deze gestelde controle en zeggenschap doen er echter niet aan af dat [persoon A] door de aandelenoverdracht van 25 april 2025 de
vennootschapsrechtelijke zeggenschap in [moedermaatschappij] in principe kwijt was.
Feitelijk zou volgens [bedrijf 1] sprake zijn van een verdeling van de aan de
aandelen verbonden (eigendoms- en zeggenschaps)rechten tussen [persoon A] en [persoon F] . Een
splitsing van aan de aandelen verbonden rechten, waarbij alleen de eigendomsrechten
overgaan naar [persoon F] en de zeggenschapsrechten bij [persoon A] blijven rusten, kwalificeert
naar het oordeel van het hof ook als het verkrijgen van enige zeggenschap in de door de statutaire aanbiedingsverplichting bedoelde zin. De statutaire aanbiedingsverplichting
maakt dat onderscheid tussen aan de aandelen verbonden rechten bij het verkrijgen van
“enige zeggenschap” immers niet. [bedrijf 2] , die geen partij is bij de volgens [bedrijf 1]
tussen [persoon F] en [persoon A] gemaakte afspraken, moet bovendien kunnen vertrouwen op het
bepaalde in de statuten en [bedrijf 1] kan geen rechten ontlenen aan beweerdelijk
tussen [persoon A] en [persoon F] gemaakte (mondelinge) afspraken. In elk geval heeft [bedrijf 1]
niet onderbouwd dat de door [persoon F] (indirect) verkregen rechten haar ten
opzichte van [bedrijf 2] en/of andere derden niet zouden legitimeren tot het (indirect)
uitoefenen van zeggenschap over [bedrijf 1] . De aandelenemissie op of omstreeks
19 december 2025 maakt niet ongedaan dat op 25 april 2025 de aanbiedingsplicht is
geïnitieerd en heeft, los daarvan, enige wijziging van de zeggenschap over [bedrijf 1]
niet ongedaan gemaakt.
6.11
Bij dit alles kent het hof ook betekenis toe aan de omstandigheid dat het doel van de
samenwerking (in de vorm van een joint venture) was dat de verhouding binnen [bedrijf 5]
besloten zouden zijn. Dat [persoon F] voor [persoon B] en [persoon C] geen vreemde was en is, is
niet relevant; [persoon F] is niet één van de oprichters van [bedrijf 5] , ook al had zij - dat is tussen partijen ook niet in geschil - wel een bepaalde rol in het oprichten van [bedrijf 5] . Uit wat [bedrijf 1] over die rol van [persoon F] bij de oprichting van [bedrijf 5] naar voren heeft gebracht, kan het hof niet (ook niet voorshands) afleiden dat [persoon F] toch wel zou kunnen worden aangemerkt als één van de oprichters van [bedrijf 5] . Dat het verkrijgen van (enige) zeggenschap over [bedrijf 1] door haar (rechtspersoon) de statutaire aanbiedingsplicht niet zou activeren volgt daar evenmin uit.
6.12
[bedrijf 1] heeft verder nog het volgende aangevoerd voor haar stelling dat haar
aanbiedingsplicht niet is geactiveerd. De door [bedrijf 2] gestelde besloten verhouding van
slechts [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] , die [bedrijf 2] als (goede) reden aanvoert voor het
bestaan en het door haar nu inroepen van de aanbiedingsplicht van [bedrijf 1] ,
bestaat of bestond volgens [bedrijf 1] in werkelijkheid niet, of was althans
uitgebreider dan [bedrijf 2] stelt: niet alleen aan de zijde van [persoon A] speelde [persoon F] steeds een
belangrijke rol, ook aan de zijde van [bedrijf 2] waren anderen betrokken, te weten de
echtgenote van [persoon B] als indirect medeaandeelhouder in [bedrijf 2] en feitelijk [persoon G]
en [persoon D] . Ook dit argument mag [bedrijf 1] echter niet baten. De
indirecte zeggenschap van de echtgenote van [persoon B] was er al van aanvang af, en dat
[persoon G] en/of [persoon D] werkelijk (enige) zeggenschap hebben verkregen in [bedrijf 2]
heeft [bedrijf 1] , tegenover de gemotiveerde betwisting van [bedrijf 2] , niet
onderbouwd. Dat zij bij het reilen en zeilen van [bedrijf 2] betrokken waren en/of zijn, maakt
in elk geval niet dat zij zeggenschap hadden of hebben. De gestelde omstandigheden
maken ook niet dat het [bedrijf 2] niet zou vrijstaan om zich te beroepen op de
aanbiedingsplicht van [bedrijf 1] . (…)
6.19
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. [bedrijf 1] heeft weliswaar aangevoerd dat de door [bedrijf 2] voorgenomen desinvestering op de K2 en K3 -
welke volgens [bedrijf 1] doorgang zal vinden als zij mocht worden ontslagen als
bestuurder van [bedrijf 5] - de kansen op financiering van de onderneming aanzienlijk zal doen verminderen zo niet teniet zal doen, maar zij heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er überhaupt - ook zonder die desinvestering - nog enige reële kans is op die door haar gewenste financiering. [bedrijf 2] heeft daartegenover voldoende aannemelijk gemaakt dat behoud van de schepen - zonder dat [bedrijf 1] voor het uitbaten ervan betaalt – [bedrijf 5] alleen maar geld kost. (…)”
3.12.
Bij aandeelhoudersbesluit van 29 juli 2026 van enkel [bedrijf 2] , heeft [bedrijf 5] besloten tot ontslag van [bedrijf 1] als bestuurder van [bedrijf 5] (hierna: het ontslagbesluit). Bij aandeelhoudersbesluit van 30 juli 2026 van enkel [bedrijf 2] heeft [bedrijf 5] besloten tot vaststelling van de jaarrekeningen van [bedrijf 5] over 2022 tot en met 2025. Bij aandeelhoudersbesluit van 31 juli 2026 van enkel [bedrijf 2] heeft [bedrijf 5] besloten om de machtiging van [bedrijf 5] aan de Roemeense advocaat in te trekken.
4Het geschil
4.1.
[bedrijf 1] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
A. [bedrijf 2] verbiedt om als aandeelhouder van [bedrijf 5] een besluit tot schorsing of ontslag van [bedrijf 1] als bestuurder van [bedrijf 5] te nemen, op straffe van verbeurte van een
dwangsom,
B. [bedrijf 2] gebiedt binnen 24 uur na dit vonnis aan [bedrijf 1] een overzicht te verstrekken van alle sinds 28 juli 2026 (deze dag daaronder begrepen) door [bedrijf 2] namens of ten behoeve van [bedrijf 5] uitgevoerde (rechts)handelingen, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
C. [bedrijf 2] gebiedt binnen 24 uur na dit vonnis alle sinds 28 juli 2026 (deze dag daaronder begrepen) namens [bedrijf 5] uitgevoerde (rechts)handelingen ongedaan te maken en bewijs daarvan te verstrekken aan [bedrijf 1] , op straffe van verbeurte van een dwangsom,
D. Indien het ontslagbesluit geldig is, [bedrijf 2] gebiedt dit besluit te terug te draaien en [bedrijf 1] opnieuw te benoemen als bestuurder van [bedrijf 5] ,
E. [bedrijf 2] veroordeelt in kosten van deze procedure.
4.2.
[bedrijf 2] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [bedrijf 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [bedrijf 1] in de kosten van deze procedure.
5De beoordeling
Toetsingskader en spoedeisend belang
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [bedrijf 1] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
5.2.
De voorzieningenrechter gaat voor de beoordeling van de vorderingen van [bedrijf 1] uit van het toetsingskader en de oordelen van het gerechtshof in het arrest van 28 juli 2026 (zie 3.11.). Weliswaar komt aan een vonnis in (hoger beroep van een) kort geding geen gezag van gewijsde toe, maar in dit geval is, in ieder geval deels, sprake van dezelfde feiten en omstandigheden (zie ook 5.4. hierna).
5.3.
Het spoedeisend belang van [bedrijf 1] volgt uit de aard van de vorderingen.
[bedrijf 1] ontvankelijk in haar vorderingen
5.4.
[bedrijf 2] voert aan dat [bedrijf 1] niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen, omdat zij eerder een (vrijwel) gelijke vordering in kort geding heeft ingesteld en hier al op is beslist in hoger beroep. Voor zover daar al sprake van is – naar voorlopig oordeel is in ieder geval sprake van een deels andere grondslag, ook al is die gebaseerd op al lang(er) bekende feiten en omstandigheden – vereist dat een materiele beoordeling van de vorderingen, zodat de voorzieningenrechter aan dit verweer voorbijgaat.
Geen verbod voor [bedrijf 2] tot nemen van besluit
5.5.
[bedrijf 1] vordert onder A dat [bedrijf 2] als aandeelhouder wordt verboden om een besluit te nemen tot ontslag of schorsing van [bedrijf 1] als bestuurder. Volgens [bedrijf 1] is de aanbiedingsclausule door [bedrijf 2] geactiveerd, omdat [persoon D] en/of [persoon E] als (feitelijk of quasi-)bestuurder zijn toegetreden tot [bedrijf 2] en daarmee het besloten samenwerkingsverband binnen [bedrijf 5] . Gelet op de (volgens [bedrijf 1] ruime) uitleg van het gerechtshof van de aanbiedingsregeling in het arrest van 28 juli 2026 en de (eerder) door [bedrijf 2] voorgestane uitleg daarvan, valt daar ook de situatie onder dat een derde (feitelijk of quasi-)bestuurder van een van de Aandeelhouder-rechtspersonen wordt. Dat brengt met zich dat ook [bedrijf 2] haar stem- en vergaderrechten is verloren, zodat (ook) zij geen aandeelhoudersbesluiten mag nemen, aldus [bedrijf 1] .
5.6.
De vordering wordt afgewezen, omdat [bedrijf 2] het ontslagbesluit al op 28 juli 2026 heeft genomen. Een verbod op het nemen van dat besluit nemen is daarom tardief. Als dat besluit nog niet was genomen, zou, zoals volgt uit wat hierna wordt overwogen, de vordering op inhoudelijke gronden zijn afgewezen.
Door [bedrijf 1] geschetste feiten en omstandigheden activeren de aanbiedingsregeling niet
5.7.
Vooropgesteld geldt dat een aanbiedingsregeling een verstrekkende regeling is, omdat het gevolg van toepassing daarvan is dat inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht van een aandeelhouder. Dat brengt met zich dat de activering van deze regeling in beginsel alleen mogelijk is in het geval van de in statuten omschreven gevallen en dat deze objectief bepaalbaar moeten zijn. Kort gezegd moeten de situaties waarin de aanbiedingsregeling wordt geactiveerd duidelijk genoeg en voorzienbaar zijn.
5.8.
Op basis van een voorlopige en objectieve uitleg van de aanbiedingsclausule wordt overwogen dat deze niet in andere situaties van toepassing is dan wanneer (indirecte) eigendoms- of zeggenschapsrechten over de activiteiten van de vennootschap worden overgedragen door middel van een aandelenoverdracht. Dat volgt uit de omstandigheid dat de aanbiedingsclausule de term “zeggenschap” gebruikt. Deze term heeft in het algemeen de betekenis van zeggenschap uit hoofde van een aandeelhoudersbelang. Change of control-bepalingen zien ook – uitzonderingen waarin dat uitdrukkelijk anders is bepaald daargelaten – op een wijziging van de eigendoms- of zeggenschapsrechten uit hoofde van het aandeelhoudersbelang en dus niet (zonder meer) op een wisseling van de bestuurders. Dat de clausule (ook) ziet op activering van de aanbiedingsverplichting in de situatie waarin een persoon zou kunnen worden aangemerkt als quasi-bestuurder, is gelet op de vereiste objectieve bepaalbaarheid en voorzienbaarheid van de situaties waarin de aanbiedingsclausule geactiveerd wordt een te onzekere omstandigheid. Ook voor zover een meer subjectieve uitleg van de clausule aan de orde is (in het kader van de verhouding tussen de aandeelhouders op grond van artikel 2:8 BW) leidt dit niet tot een andere uitkomst. Uit wat zowel [bedrijf 2] als [bedrijf 1] aanvoeren over de verhoudingen tussen (de onderliggende) partijen – namelijk dat zij hoofdzakelijk voor ogen hadden dat zij door de samenwerking gebruik konden maken van elkaars netwerk binnen hun groep, zij het voor toegang tot een specifieke markt of voor financiering – lijkt het belang van die samenwerking ook hoofdzakelijk te volgen uit het belang dat de joint-venture van [bedrijf 5] in handen zou blijven van dezelfde partijen en niet zozeer dat partijen beoogden dat [bedrijf 2] (of [bedrijf 1] ) dezelfde bestuurders moesten aanhouden bij die samenwerking.
Niet voldoende aannemelijk dat [persoon E] of [persoon D] feitelijk bestuurder zijn
5.9.
Ook wanneer wordt uitgegaan van de door [bedrijf 1] voorgestane uitleg van de aanbiedingsclausule leidt dat er niet toe dat de aanbiedingsregeling is geactiveerd. Daartoe moet [bedrijf 1] aannemelijk maken dat [persoon E] of [persoon D] feitelijk bestuurder zijn. Wat [bedrijf 1] hierover aanvoert, is onvoldoende.
5.10.
Onder feitelijke bestuurders worden begrepen personen, al dan niet met een officiële functie in de vennootschap, die het beleid van de vennootschap bepalen met terzijdestelling van het formele bestuur. In het algemeen zijn personen die in opdracht van de vennootschap handelen binnen de grenzen van hun bevoegdheid niet als beleidsbepalers aan te merken. Hun handelen moet aan de bestuurders worden toegerekend.
5.11.
Ten aanzien van [persoon E] wijst [bedrijf 1] op meerdere e-mails die [persoon E] heeft gestuurd. Daaruit zou volgen dat [persoon E] feitelijk bestuurder is. In (het merendeel van) deze e-mails heeft [persoon E] echter opgenomen dat hij handelt in opdracht van [bedrijf 2] of een van haar bestuurders. Daaruit blijkt niet van handelen in de hoedanigheid als bestuurder of het bepalen van het beleid van de vennootschap. Dat blijkt ook niet uit de omstandigheid dat [persoon E] in die e-mail heeft ondertekend met “CEO”, nu de rest van de ondertekening verwijst naar (uitsluitend) [bedrijf 4] B.V. – waar [persoon E] bestuurder van is – en niet [bedrijf 2] . Ten aanzien van [persoon D] verwijst [bedrijf 1] naar door [persoon D] verstuurde e-mails. In (vrijwel) al deze e-mails meldt [persoon D] dat hij namens (“on behalf of”) (leden van) het bestuur van [bedrijf 2] berichten heeft verstuurd. Daaruit volgt niet dat [persoon D] feitelijk bestuurder is. Dat volgt ook niet uit de (enkele) omstandigheid dat [persoon D] zich (in 2024) heeft voorgesteld als CFO van “alle vennootschappen in [groep 2] ”. Hoewel [bedrijf 2] (kennelijk informeel) deel uitmaakt van deze groep, kent [bedrijf 2] geen andere formele (indirecte) bestuurders dan [persoon B] en [persoon C] . Het feitelijk bestuurderschap blijkt ook niet uit de notulen van de bestuursvergadering van 18 december 2025, al is het maar omdat daarin uitdrukkelijk is opgenomen dat [persoon D] uitsluitend het bestuur assisteert en [persoon D] bovendien slechts enkele malen voorkomt in die notulen met louter feitelijke opmerkingen. Van enige deelname door [persoon D] aan besluitvorming, of inspraak in welke vorm dan ook, is niets gesteld en gebleken.
5.12.
Samengevat volgt uit wat [bedrijf 1] in deze procedure naar voren heeft gebracht over de rol van [persoon E] en [persoon D] niet dat sprake is van meer dan een enkele betrokkenheid bij het reilen en zeilen bij [bedrijf 2] en [bedrijf 5] . Dat is onvoldoende om tot de conclusie te leiden dat [persoon E] of [persoon D] feitelijk bestuurder zijn, nu niet is gebleken dat zij in enige mate het beleid of besluiten (mede) hebben bepaald. Het heeft er veel meer van weg dat zij vooral als speekbuis fungeren in de richting van [bedrijf 1] .
Vorderingen tot ongedaanmaking en schorsing besluit
5.13.
[bedrijf 1] vordert onder C en D dat [bedrijf 2] wordt geboden alle sinds 28 juli 2026 genomen en verrichte rechtshandelingen ongedaan te maken en om het ontslagbesluit te schorsen. De vorderingen worden afgewezen. Voor zover er al enige gebreken zouden kleven aan de betreffende besluiten – wat gelet op de gemotiveerde betwisting door [bedrijf 2] niet aannemelijk is – betreft het besluiten van [bedrijf 5] . Deze vorderingen kan [bedrijf 1] enkel aan de orde stellen in een procedure tegen [bedrijf 5] .
[bedrijf 2] hoeft geen lijst van besluiten kenbaar te maken
5.14.
Aangezien de overige vorderingen van [bedrijf 1] zijn afgewezen heeft [bedrijf 1] geen belang meer bij deze vordering. Bovendien is voldoende aannemelijk dat alle recent genomen respectievelijk verrichte besluiten en (rechts)handelingen van [bedrijf 5] bij [bedrijf 1] bekend zijn. [bedrijf 2] heeft ter zitting bevestigd dat zij [bedrijf 1] heeft geïnformeerd over alle besluiten en (rechts)handelingen en er zijn geen aanwijzingen voor het tegendeel.
Belangenafweging
5.15.
[bedrijf 1] stelt geen nieuwe feiten of omstandigheden die in het kader van een belangenafweging leiden tot een ander oordeel dan dat in 6.19 van het arrest van 28 juli 2026 (zie 3.11.).
Proceskosten
5.16.
[bedrijf 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen met inbegrip van de wettelijke rente zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten van [bedrijf 2] worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [bedrijf 1] af,
6.2.
veroordeelt [bedrijf 1] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [bedrijf 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [bedrijf 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026.
4049 / 2009
Vgl. Gerechtshof Amsterdam, 18 januari 2022, ECLINL:GHAMS:2022:148 r.o. 4.6.
Zie o.a. 2.1. e.v. van de dagvaarding en 2.9 e.v. van de conclusie van antwoord, beiden in het kort geding van 11 maart 2026
MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 24.
Vgl. MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 19.
Zie ook 5.13. van het vonnis in kort geding van 1 april 2026
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/724313 / KG ZA 26-829
Vonnis in kort geding van 27 augustus 2026
in de zaak van
[bedrijf 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [bedrijf 1] ,
advocaat: mr. B.J. van Egmond,
tegen
[bedrijf 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [bedrijf 2] ,
advocaten: mr. S.S. van Dam, mr. K.F. Liew.
1De zaak in het kort
1.1.
Partijen zijn aandeelhouders van een vennootschap. [bedrijf 1] vordert onder meer dat het [bedrijf 2] wordt verboden om [bedrijf 1] als bestuurder van de vennootschap te ontslaan, althans om een daartoe strekkend al genomen besluit terug te draaien. Volgens [bedrijf 1] is [bedrijf 2] haar stem- en vergaderrechten verloren, omdat [bedrijf 2] derden heeft betrokken bij de samenwerking, zodat [bedrijf 2] daarom geen ontslagbesluit mag of kan nemen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 11; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 16;
- de akte overlegging producties van [bedrijf 1] met producties 12 tot en met 22;
- de akte overlegging producties van [bedrijf 1] met producties 23 tot en met 26;
- de akte overlegging producties van [bedrijf 2] met productie 17;
- de akte overlegging producties van [bedrijf 1] met producties 27 en 28;- de mondelinge behandeling van 13 augustus 2026;- de spreekaantekeningen van [bedrijf 1] ;- de spreekaantekeningen van [bedrijf 2] .
3De feiten
3.1.
[bedrijf 1] maakt deel uit van de [groep 1] . De
moedermaatschappij van [bedrijf 1] is [moedermaatschappij] [persoon A]
(hierna: [persoon A] ) is (althans was) als (indirect) aandeelhouder en bestuurder verbonden aan deze vennootschappen.
3.2.
[bedrijf 2] maakt deel uit van [groep 2] . Aan [bedrijf 2] zijn (o.a.) de heren [persoon B] (hierna: [persoon B] ) en [persoon C] (hierna: [persoon C] ) indirect
verbonden als aandeelhouders en bestuurders.
3.3.
Andere onderdelen van [groep 2] zijn [bedrijf 3] B.V., waar [persoon D] (hierna: [persoon D] ) aan verbonden is als bestuurder (“CFO”), en [bedrijf 4] B.V., waar [persoon E] (hierna: [persoon E] ) verbonden is als bestuurder (“CEO”).
3.4.
Sinds 26 juli 2022 werken [bedrijf 1] en [bedrijf 2] samen als joint venture partners in [bedrijf 5] B.V. (hierna: [bedrijf 5] ). Partijen zijn ieder voor 50% aandeelhouder in en bestuurder van [bedrijf 5] . [bedrijf 5] richt zich op het goederenvervoer over binnenwateren in Oekraïne en Roemenië.
3.5.
In de statuten van [bedrijf 5] staat het volgende:
“Artikel 10. Blokkeringsregeling
12. Ingeval:
(...)
g. anders dan ten gevolge van huwelijksgoederenrecht respectievelijk geregistreerd partnerschap, een (rechts)persoon (i) door overdracht of andere overgang van aandelen dan wel door het nemen van aandelen, of (ii) door overgang van stemrecht op aandelen of op andere wijze, een of meer aandelen in het kapitaal van een Aandeelhouder-rechtspersoon verkrijgt dan wel enige zeggenschap over de activiteiten van de onderneming van een Aandeelhouder- rechtspersoon verkrijgt,
rust op de Aandeelhouder, diens rechtverkrijgenden of wettelijke vertegenwoordiger casu quo de nieuwe Aandeelhouder de verplichting daarvan Schriftelijk aan het Bestuur kennis te geven, zulks binnen vier weken na het ontstaan van die verplichting.
Onmiddellijk na ontvangst van deze kennisgeving deelt het Bestuur Schriftelijk aan de betrokken Aandeelhouder, diens rechtverkrijgenden of wettelijke vertegenwoordiger casu quo de nieuwe Aandeelhouders mede, dat zijn casu quo hun Aandelen gelden als aangeboden in de zin van dit artikel.
Het Bestuur is dan verplicht onverwijld de Aandeelhouders Schriftelijk van het vooronderstelde aanbod in kennis te stellen.
De leden 1 tot en met 11 van dit artikel vinden dan overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat de aanbieder niet het recht heeft zijn aanbod in te trekken en dat in een geval waarin de aanbieder vrij is de aangeboden Aandelen aan de voorgestelde verkrijger(s) over te dragen de Aandeelhouder, diens rechtverkrijgenden casu quo de nieuwe Aandeelhouders slechts het recht hebben die Aandelen te behouden.
Het niet voldoen aan de verplichting tot aanbieding van Aandelen op grond van het bepaalde in dit lid heeft tot gevolg, dat na het verstrijken van de hiervoor genoemde termijn het aan de Aandelen verbonden vergader- en stemrecht niet kan worden uitgeoefend en dat het recht op dividend wordt opgeschort zolang niet aan die verplichting wordt voldaan.
13. Blijft de Aandeelhouder of blijven diens rechtverkrijgenden of wettelijke vertegenwoordiger casu quo de nieuwe Aandeelhouders, ondanks daartoe strekkende sommatie van het Bestuur, in gebreke met het voldoen aan de verplichting als bedoeld in lid 12 van dit artikel, dan worden de betrokkenen geacht aan die verplichting te hebben voldaan op het tijdstip dat het Bestuur hun zulks bij aangetekende brief meedeelt.
Het Bestuur is alsdan overeenkomstig lid 12 van dit artikel gehouden de Aandeelhouders onverwijld van het vooronderstelde aanbod in kennis te stellen. (…)”
3.6.
[bedrijf 5] is eigenaar van twee kraanschepen, K2 en K3, die bij door [groep 1] verzorgde
graantransporten over de Donau zijn of waren betrokken. [bedrijf 5] verhuurt/verhuurde de
kraanschepen aan [moedermaatschappij] ., die de schepen uitbaat. De schepen hebben als
vaste ligplaats de haven van Constanta, Roemenië. De kraanschepen zijn hypothecair
gefinancierd door [bedrijf 6] B.V. (hierna: [bedrijf 6] ).
3.7.
[bedrijf 5] is vanaf 2023 in financiële problemen geraakt, als gevolg waarvan zij niet meer aan haar financiële verplichtingen tegenover [bedrijf 6] kon voldoen. [bedrijf 6] is voornemens haar hypotheekrechten uit te winnen. [bedrijf 6] is daartoe een executieprocedure in Roemenië gestart. Zij heeft op 3 december 2025 beslag gelegd op de K2 en de K3. De executie is bij uitspraak van de Roemeense rechter verboden.
3.8.
[persoon A] heeft zijn aandelen in [moedermaatschappij] . op of omstreeks 25 april 2025
(direct of indirect) overgedragen aan [bedrijf 7] (hierna: [bedrijf 7] ). [persoon F] (hierna: [persoon F] ) houdt (indirect, via [bedrijf 8] .)
de aandelen in [bedrijf 7] . Op of omstreeks 19 december 2025 heeft wederom een wijziging
in de (indirecte) eigendom van de aandelen in [moedermaatschappij] . plaatsgehad door
een aandelenemissie; vanaf dat moment houdt [bedrijf 9] (aan
welke vennootschap [persoon A] als enig aandeelhouder en bestuurder is verbonden) 60% van
de aandelen en [bedrijf 7] de overige 40%.
3.9.
[bedrijf 2] heeft zich naar aanleiding van de in 3.8. beschreven handelingen op het standpunt gesteld dat er aan de zijde van [bedrijf 1] een wijziging in zeggenschap is opgetreden, dat [bedrijf 1] daarom op grond van artikel 10 lid 12 sub g van de statuten van [bedrijf 5] (zie 3.5.) haar aandelen in [bedrijf 5] moet aanbieden, dat [bedrijf 1] die verplichting niet nakomt, dat [bedrijf 1] daarom haar vergader- en stemrechten als aandeelhouder in [bedrijf 5] niet kan uitoefenen (de slotalinea van genoemde statutaire bepaling), zodat [bedrijf 2] thans enig vergader- en stemgerechtigd aandeelhouder van [bedrijf 5] is.
3.10.
[bedrijf 1] heeft [bedrijf 2] op 27 februari 2026 gedagvaard in kort geding. De daarin ingestelde vorderingen van [bedrijf 1] kwamen neer op een door de voorzieningenrechter op te leggen verbod aan [bedrijf 2] als aandeelhouder van [bedrijf 5] om [bedrijf 1] als bestuurder van [bedrijf 5] te ontslaan. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen toegewezen bij vonnis van 1 april 2026.
3.11.
[bedrijf 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 1 april 2026. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 28 juli 2026 het vonnis van 1 april 2026 (deels) vernietigd en de vorderingen van [bedrijf 1] alsnog afgewezen. Het gerechtshof overweegt daartoe:
“6.6 Statuten zijn openbaar en bepalen de inrichting en structuur van een rechtspersoon die zich ook extern als rechtssubject manifesteert. Daarmee is de inhoud van de statuten niet
alleen voor de oprichters van de vennootschap, maar ook voor derden relevant. Gelet op
het bijzondere karakter van statuten moeten deze naar objectieve maatstaven worden
uitgelegd. Dit neemt niet weg dat partijen al dan niet stilzwijgend iets anders kunnen zijn
overeengekomen dan in de statuten staat, of met de statuten iets anders kunnen hebben
bedoeld dan een objectieve uitleg daarvan meebrengt, of dat het door de één aan de ander
tegenwerpen van (de objectieve uitleg van) een statutaire bepaling naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 2:8 8W). Als daarvan sprake is, kan dat ertoe leiden dat een partij een met die gemeenschappelijke partijbedoeling en/of met
de redelijkheid en billijkheid strijdige objectieve uitleg van de statuten niet aan haar
wederpartij mag tegenwerpen (vgl. ECLI:NL:PHR:2019:768). In het navolgende zal het
hof ingaan op zowel de objectieve uitleg van de statutaire bepaling in kwestie, als de
vraag of de in deze procedure aan de zijde van [bedrijf 1] gepresenteerde
standpunten (die eventueel als niet tot de statuten herleidbare partijbedoeling zouden
kunnen worden aangemerkt) tussen partijen eventueel een andere uitkomst
rechtvaardigen dan een objectieve uitleg van de statuten meebrengt. In het navolgende zal het hof ingaan op zowel de objectieve uitleg van de statutaire bepaling in kwestie, als de
vraag of de in deze procedure aan de zijde van [bedrijf 1] gepresenteerde
standpunten (die eventueel als niet tot de statuten herleidbare partijbedoeling zouden
kunnen worden aangemerkt) tussen partijen eventueel een andere uitkomst
rechtvaardigen dan een objectieve uitleg van de statuten meebrengt.
6.8
De statuten spreken over het verkrijgen van enige zeggenschap over de activiteiten van de onderneming van een ‘Aandeelhouder-rechtspersoon’. Het hof kan er veronderstellenderwijs van uitgaan dat de aanduiding Aandeelhouder-rechtspersoon ziet op de aandeelhouders van [bedrijf 5] - als die een rechtspersoon zijn. In het voorliggende geval is er niet rechtstreeks op het niveau van [bedrijf 1] (Aandeelhouder-rechtspersoon in de zin van de statuten) zeggenschap gewijzigd: de direct aandeelhouder van [bedrijf 1] bleef [moedermaatschappij] . De zeggenschap over die laatste vennootschap is daarentegen wel gewijzigd: die kreeg met de aandelenoverdracht van 25 april 2025 voor 100% een nieuwe aandeelhouder. Daarmee is echter ook - indirect, maar even goed - de zeggenschap gewijzigd over [bedrijf 1] (en over de activiteiten van haar onderneming, in de vorm van het aandeel in [bedrijf 5] ). Die zeggenschap is uiteindelijk bij een ander komen te berusten dan voorheen ( [persoon F] in plaats van [persoon A] ). Er is geen enkel aanknopingspunt - mede in het licht van waartoe change of control-bepalingen naar hun aard strekken - om te veronderstellen dat de ‘zeggenschap’ in de voorliggende statutaire bepaling slechts zou zien op rechtstreekse vormen van zeggenschap. Daartegen pleit ook dat volgens de bepaling reeds het verkrijgen van ‘enige’ zeggenschap de aanbiedingsplicht doet ontstaan. Dat duidt erop dat ook andere dan rechtstreekse vormen van wijziging in zeggenschap de aanbiedingsplicht doet ontstaan.
6.9
De verklaring van [persoon F] en de aandelenemissie op of omstreeks 19 december 2025
maken niet dat toch geen sprake is van een wijziging van de zeggenschap over [bedrijf 1]
. Hierbij wordt het volgende in aanmerking genomen
6.10
De verklaring van [persoon F] houdt in dat met [persoon A] mondeling was afgesproken dat [persoon A] , ondanks de 100% aandelenoverdracht van 25 april 2025, nog steeds werkelijke controle en zeggenschap heeft behouden over [bedrijf 5] . Deze gestelde controle en zeggenschap doen er echter niet aan af dat [persoon A] door de aandelenoverdracht van 25 april 2025 de
vennootschapsrechtelijke zeggenschap in [moedermaatschappij] in principe kwijt was.
Feitelijk zou volgens [bedrijf 1] sprake zijn van een verdeling van de aan de
aandelen verbonden (eigendoms- en zeggenschaps)rechten tussen [persoon A] en [persoon F] . Een
splitsing van aan de aandelen verbonden rechten, waarbij alleen de eigendomsrechten
overgaan naar [persoon F] en de zeggenschapsrechten bij [persoon A] blijven rusten, kwalificeert
naar het oordeel van het hof ook als het verkrijgen van enige zeggenschap in de door de statutaire aanbiedingsverplichting bedoelde zin. De statutaire aanbiedingsverplichting
maakt dat onderscheid tussen aan de aandelen verbonden rechten bij het verkrijgen van
“enige zeggenschap” immers niet. [bedrijf 2] , die geen partij is bij de volgens [bedrijf 1]
tussen [persoon F] en [persoon A] gemaakte afspraken, moet bovendien kunnen vertrouwen op het
bepaalde in de statuten en [bedrijf 1] kan geen rechten ontlenen aan beweerdelijk
tussen [persoon A] en [persoon F] gemaakte (mondelinge) afspraken. In elk geval heeft [bedrijf 1]
niet onderbouwd dat de door [persoon F] (indirect) verkregen rechten haar ten
opzichte van [bedrijf 2] en/of andere derden niet zouden legitimeren tot het (indirect)
uitoefenen van zeggenschap over [bedrijf 1] . De aandelenemissie op of omstreeks
19 december 2025 maakt niet ongedaan dat op 25 april 2025 de aanbiedingsplicht is
geïnitieerd en heeft, los daarvan, enige wijziging van de zeggenschap over [bedrijf 1]
niet ongedaan gemaakt.
6.11
Bij dit alles kent het hof ook betekenis toe aan de omstandigheid dat het doel van de
samenwerking (in de vorm van een joint venture) was dat de verhouding binnen [bedrijf 5]
besloten zouden zijn. Dat [persoon F] voor [persoon B] en [persoon C] geen vreemde was en is, is
niet relevant; [persoon F] is niet één van de oprichters van [bedrijf 5] , ook al had zij - dat is tussen partijen ook niet in geschil - wel een bepaalde rol in het oprichten van [bedrijf 5] . Uit wat [bedrijf 1] over die rol van [persoon F] bij de oprichting van [bedrijf 5] naar voren heeft gebracht, kan het hof niet (ook niet voorshands) afleiden dat [persoon F] toch wel zou kunnen worden aangemerkt als één van de oprichters van [bedrijf 5] . Dat het verkrijgen van (enige) zeggenschap over [bedrijf 1] door haar (rechtspersoon) de statutaire aanbiedingsplicht niet zou activeren volgt daar evenmin uit.
6.12
[bedrijf 1] heeft verder nog het volgende aangevoerd voor haar stelling dat haar
aanbiedingsplicht niet is geactiveerd. De door [bedrijf 2] gestelde besloten verhouding van
slechts [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] , die [bedrijf 2] als (goede) reden aanvoert voor het
bestaan en het door haar nu inroepen van de aanbiedingsplicht van [bedrijf 1] ,
bestaat of bestond volgens [bedrijf 1] in werkelijkheid niet, of was althans
uitgebreider dan [bedrijf 2] stelt: niet alleen aan de zijde van [persoon A] speelde [persoon F] steeds een
belangrijke rol, ook aan de zijde van [bedrijf 2] waren anderen betrokken, te weten de
echtgenote van [persoon B] als indirect medeaandeelhouder in [bedrijf 2] en feitelijk [persoon G]
en [persoon D] . Ook dit argument mag [bedrijf 1] echter niet baten. De
indirecte zeggenschap van de echtgenote van [persoon B] was er al van aanvang af, en dat
[persoon G] en/of [persoon D] werkelijk (enige) zeggenschap hebben verkregen in [bedrijf 2]
heeft [bedrijf 1] , tegenover de gemotiveerde betwisting van [bedrijf 2] , niet
onderbouwd. Dat zij bij het reilen en zeilen van [bedrijf 2] betrokken waren en/of zijn, maakt
in elk geval niet dat zij zeggenschap hadden of hebben. De gestelde omstandigheden
maken ook niet dat het [bedrijf 2] niet zou vrijstaan om zich te beroepen op de
aanbiedingsplicht van [bedrijf 1] . (…)
6.19
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. [bedrijf 1] heeft weliswaar aangevoerd dat de door [bedrijf 2] voorgenomen desinvestering op de K2 en K3 -
welke volgens [bedrijf 1] doorgang zal vinden als zij mocht worden ontslagen als
bestuurder van [bedrijf 5] - de kansen op financiering van de onderneming aanzienlijk zal doen verminderen zo niet teniet zal doen, maar zij heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er überhaupt - ook zonder die desinvestering - nog enige reële kans is op die door haar gewenste financiering. [bedrijf 2] heeft daartegenover voldoende aannemelijk gemaakt dat behoud van de schepen - zonder dat [bedrijf 1] voor het uitbaten ervan betaalt – [bedrijf 5] alleen maar geld kost. (…)”
3.12.
Bij aandeelhoudersbesluit van 29 juli 2026 van enkel [bedrijf 2] , heeft [bedrijf 5] besloten tot ontslag van [bedrijf 1] als bestuurder van [bedrijf 5] (hierna: het ontslagbesluit). Bij aandeelhoudersbesluit van 30 juli 2026 van enkel [bedrijf 2] heeft [bedrijf 5] besloten tot vaststelling van de jaarrekeningen van [bedrijf 5] over 2022 tot en met 2025. Bij aandeelhoudersbesluit van 31 juli 2026 van enkel [bedrijf 2] heeft [bedrijf 5] besloten om de machtiging van [bedrijf 5] aan de Roemeense advocaat in te trekken.
4Het geschil
4.1.
[bedrijf 1] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
A. [bedrijf 2] verbiedt om als aandeelhouder van [bedrijf 5] een besluit tot schorsing of ontslag van [bedrijf 1] als bestuurder van [bedrijf 5] te nemen, op straffe van verbeurte van een
dwangsom,
B. [bedrijf 2] gebiedt binnen 24 uur na dit vonnis aan [bedrijf 1] een overzicht te verstrekken van alle sinds 28 juli 2026 (deze dag daaronder begrepen) door [bedrijf 2] namens of ten behoeve van [bedrijf 5] uitgevoerde (rechts)handelingen, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
C. [bedrijf 2] gebiedt binnen 24 uur na dit vonnis alle sinds 28 juli 2026 (deze dag daaronder begrepen) namens [bedrijf 5] uitgevoerde (rechts)handelingen ongedaan te maken en bewijs daarvan te verstrekken aan [bedrijf 1] , op straffe van verbeurte van een dwangsom,
D. Indien het ontslagbesluit geldig is, [bedrijf 2] gebiedt dit besluit te terug te draaien en [bedrijf 1] opnieuw te benoemen als bestuurder van [bedrijf 5] ,
E. [bedrijf 2] veroordeelt in kosten van deze procedure.
4.2.
[bedrijf 2] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [bedrijf 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [bedrijf 1] in de kosten van deze procedure.
5De beoordeling
Toetsingskader en spoedeisend belang
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [bedrijf 1] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
5.2.
De voorzieningenrechter gaat voor de beoordeling van de vorderingen van [bedrijf 1] uit van het toetsingskader en de oordelen van het gerechtshof in het arrest van 28 juli 2026 (zie 3.11.). Weliswaar komt aan een vonnis in (hoger beroep van een) kort geding geen gezag van gewijsde toe, maar in dit geval is, in ieder geval deels, sprake van dezelfde feiten en omstandigheden (zie ook 5.4. hierna).
5.3.
Het spoedeisend belang van [bedrijf 1] volgt uit de aard van de vorderingen.
[bedrijf 1] ontvankelijk in haar vorderingen
5.4.
[bedrijf 2] voert aan dat [bedrijf 1] niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen, omdat zij eerder een (vrijwel) gelijke vordering in kort geding heeft ingesteld en hier al op is beslist in hoger beroep. Voor zover daar al sprake van is – naar voorlopig oordeel is in ieder geval sprake van een deels andere grondslag, ook al is die gebaseerd op al lang(er) bekende feiten en omstandigheden – vereist dat een materiele beoordeling van de vorderingen, zodat de voorzieningenrechter aan dit verweer voorbijgaat.
Geen verbod voor [bedrijf 2] tot nemen van besluit
5.5.
[bedrijf 1] vordert onder A dat [bedrijf 2] als aandeelhouder wordt verboden om een besluit te nemen tot ontslag of schorsing van [bedrijf 1] als bestuurder. Volgens [bedrijf 1] is de aanbiedingsclausule door [bedrijf 2] geactiveerd, omdat [persoon D] en/of [persoon E] als (feitelijk of quasi-)bestuurder zijn toegetreden tot [bedrijf 2] en daarmee het besloten samenwerkingsverband binnen [bedrijf 5] . Gelet op de (volgens [bedrijf 1] ruime) uitleg van het gerechtshof van de aanbiedingsregeling in het arrest van 28 juli 2026 en de (eerder) door [bedrijf 2] voorgestane uitleg daarvan, valt daar ook de situatie onder dat een derde (feitelijk of quasi-)bestuurder van een van de Aandeelhouder-rechtspersonen wordt. Dat brengt met zich dat ook [bedrijf 2] haar stem- en vergaderrechten is verloren, zodat (ook) zij geen aandeelhoudersbesluiten mag nemen, aldus [bedrijf 1] .
5.6.
De vordering wordt afgewezen, omdat [bedrijf 2] het ontslagbesluit al op 28 juli 2026 heeft genomen. Een verbod op het nemen van dat besluit nemen is daarom tardief. Als dat besluit nog niet was genomen, zou, zoals volgt uit wat hierna wordt overwogen, de vordering op inhoudelijke gronden zijn afgewezen.
Door [bedrijf 1] geschetste feiten en omstandigheden activeren de aanbiedingsregeling niet
5.7.
Vooropgesteld geldt dat een aanbiedingsregeling een verstrekkende regeling is, omdat het gevolg van toepassing daarvan is dat inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht van een aandeelhouder. Dat brengt met zich dat de activering van deze regeling in beginsel alleen mogelijk is in het geval van de in statuten omschreven gevallen en dat deze objectief bepaalbaar moeten zijn. Kort gezegd moeten de situaties waarin de aanbiedingsregeling wordt geactiveerd duidelijk genoeg en voorzienbaar zijn.
5.8.
Op basis van een voorlopige en objectieve uitleg van de aanbiedingsclausule wordt overwogen dat deze niet in andere situaties van toepassing is dan wanneer (indirecte) eigendoms- of zeggenschapsrechten over de activiteiten van de vennootschap worden overgedragen door middel van een aandelenoverdracht. Dat volgt uit de omstandigheid dat de aanbiedingsclausule de term “zeggenschap” gebruikt. Deze term heeft in het algemeen de betekenis van zeggenschap uit hoofde van een aandeelhoudersbelang. Change of control-bepalingen zien ook – uitzonderingen waarin dat uitdrukkelijk anders is bepaald daargelaten – op een wijziging van de eigendoms- of zeggenschapsrechten uit hoofde van het aandeelhoudersbelang en dus niet (zonder meer) op een wisseling van de bestuurders. Dat de clausule (ook) ziet op activering van de aanbiedingsverplichting in de situatie waarin een persoon zou kunnen worden aangemerkt als quasi-bestuurder, is gelet op de vereiste objectieve bepaalbaarheid en voorzienbaarheid van de situaties waarin de aanbiedingsclausule geactiveerd wordt een te onzekere omstandigheid. Ook voor zover een meer subjectieve uitleg van de clausule aan de orde is (in het kader van de verhouding tussen de aandeelhouders op grond van artikel 2:8 BW) leidt dit niet tot een andere uitkomst. Uit wat zowel [bedrijf 2] als [bedrijf 1] aanvoeren over de verhoudingen tussen (de onderliggende) partijen – namelijk dat zij hoofdzakelijk voor ogen hadden dat zij door de samenwerking gebruik konden maken van elkaars netwerk binnen hun groep, zij het voor toegang tot een specifieke markt of voor financiering – lijkt het belang van die samenwerking ook hoofdzakelijk te volgen uit het belang dat de joint-venture van [bedrijf 5] in handen zou blijven van dezelfde partijen en niet zozeer dat partijen beoogden dat [bedrijf 2] (of [bedrijf 1] ) dezelfde bestuurders moesten aanhouden bij die samenwerking.
Niet voldoende aannemelijk dat [persoon E] of [persoon D] feitelijk bestuurder zijn
5.9.
Ook wanneer wordt uitgegaan van de door [bedrijf 1] voorgestane uitleg van de aanbiedingsclausule leidt dat er niet toe dat de aanbiedingsregeling is geactiveerd. Daartoe moet [bedrijf 1] aannemelijk maken dat [persoon E] of [persoon D] feitelijk bestuurder zijn. Wat [bedrijf 1] hierover aanvoert, is onvoldoende.
5.10.
Onder feitelijke bestuurders worden begrepen personen, al dan niet met een officiële functie in de vennootschap, die het beleid van de vennootschap bepalen met terzijdestelling van het formele bestuur. In het algemeen zijn personen die in opdracht van de vennootschap handelen binnen de grenzen van hun bevoegdheid niet als beleidsbepalers aan te merken. Hun handelen moet aan de bestuurders worden toegerekend.
5.11.
Ten aanzien van [persoon E] wijst [bedrijf 1] op meerdere e-mails die [persoon E] heeft gestuurd. Daaruit zou volgen dat [persoon E] feitelijk bestuurder is. In (het merendeel van) deze e-mails heeft [persoon E] echter opgenomen dat hij handelt in opdracht van [bedrijf 2] of een van haar bestuurders. Daaruit blijkt niet van handelen in de hoedanigheid als bestuurder of het bepalen van het beleid van de vennootschap. Dat blijkt ook niet uit de omstandigheid dat [persoon E] in die e-mail heeft ondertekend met “CEO”, nu de rest van de ondertekening verwijst naar (uitsluitend) [bedrijf 4] B.V. – waar [persoon E] bestuurder van is – en niet [bedrijf 2] . Ten aanzien van [persoon D] verwijst [bedrijf 1] naar door [persoon D] verstuurde e-mails. In (vrijwel) al deze e-mails meldt [persoon D] dat hij namens (“on behalf of”) (leden van) het bestuur van [bedrijf 2] berichten heeft verstuurd. Daaruit volgt niet dat [persoon D] feitelijk bestuurder is. Dat volgt ook niet uit de (enkele) omstandigheid dat [persoon D] zich (in 2024) heeft voorgesteld als CFO van “alle vennootschappen in [groep 2] ”. Hoewel [bedrijf 2] (kennelijk informeel) deel uitmaakt van deze groep, kent [bedrijf 2] geen andere formele (indirecte) bestuurders dan [persoon B] en [persoon C] . Het feitelijk bestuurderschap blijkt ook niet uit de notulen van de bestuursvergadering van 18 december 2025, al is het maar omdat daarin uitdrukkelijk is opgenomen dat [persoon D] uitsluitend het bestuur assisteert en [persoon D] bovendien slechts enkele malen voorkomt in die notulen met louter feitelijke opmerkingen. Van enige deelname door [persoon D] aan besluitvorming, of inspraak in welke vorm dan ook, is niets gesteld en gebleken.
5.12.
Samengevat volgt uit wat [bedrijf 1] in deze procedure naar voren heeft gebracht over de rol van [persoon E] en [persoon D] niet dat sprake is van meer dan een enkele betrokkenheid bij het reilen en zeilen bij [bedrijf 2] en [bedrijf 5] . Dat is onvoldoende om tot de conclusie te leiden dat [persoon E] of [persoon D] feitelijk bestuurder zijn, nu niet is gebleken dat zij in enige mate het beleid of besluiten (mede) hebben bepaald. Het heeft er veel meer van weg dat zij vooral als speekbuis fungeren in de richting van [bedrijf 1] .
Vorderingen tot ongedaanmaking en schorsing besluit
5.13.
[bedrijf 1] vordert onder C en D dat [bedrijf 2] wordt geboden alle sinds 28 juli 2026 genomen en verrichte rechtshandelingen ongedaan te maken en om het ontslagbesluit te schorsen. De vorderingen worden afgewezen. Voor zover er al enige gebreken zouden kleven aan de betreffende besluiten – wat gelet op de gemotiveerde betwisting door [bedrijf 2] niet aannemelijk is – betreft het besluiten van [bedrijf 5] . Deze vorderingen kan [bedrijf 1] enkel aan de orde stellen in een procedure tegen [bedrijf 5] .
[bedrijf 2] hoeft geen lijst van besluiten kenbaar te maken
5.14.
Aangezien de overige vorderingen van [bedrijf 1] zijn afgewezen heeft [bedrijf 1] geen belang meer bij deze vordering. Bovendien is voldoende aannemelijk dat alle recent genomen respectievelijk verrichte besluiten en (rechts)handelingen van [bedrijf 5] bij [bedrijf 1] bekend zijn. [bedrijf 2] heeft ter zitting bevestigd dat zij [bedrijf 1] heeft geïnformeerd over alle besluiten en (rechts)handelingen en er zijn geen aanwijzingen voor het tegendeel.
Belangenafweging
5.15.
[bedrijf 1] stelt geen nieuwe feiten of omstandigheden die in het kader van een belangenafweging leiden tot een ander oordeel dan dat in 6.19 van het arrest van 28 juli 2026 (zie 3.11.).
Proceskosten
5.16.
[bedrijf 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen met inbegrip van de wettelijke rente zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten van [bedrijf 2] worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [bedrijf 1] af,
6.2.
veroordeelt [bedrijf 1] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [bedrijf 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [bedrijf 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026.
4049 / 2009
Vgl. Gerechtshof Amsterdam, 18 januari 2022, ECLINL:GHAMS:2022:148 r.o. 4.6.
Zie o.a. 2.1. e.v. van de dagvaarding en 2.9 e.v. van de conclusie van antwoord, beiden in het kort geding van 11 maart 2026
MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 24.
Vgl. MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 19.
Zie ook 5.13. van het vonnis in kort geding van 1 april 2026