Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12373
2026-09-17
Civiel recht
C/10/724709 / KG ZA 26-857
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Ontruiming woonruimte. Gedeeltelijke toewijzing. De voorzieningenrechter verleent verstek tegen drie van de vier gedaagden. De vordering tot ontruiming van de woning wordt toegewezen voor het geval dat gedaagden die woning niet uiterlijk op 12 oktober 2026 hebben ontruimd. De vordering tot betaling van een gebruiksvergoeding wordt gedeeltelijk toegewezen. Gedaagden hoeven de proceskosten alleen te betalen in het geval dat zij de woning niet uiterlijk op 12 oktober 2026 hebben ontruimd en/of de verschuldigde gebruiksvergoeding niet aan eiseres betalen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.866 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/724709 / KG ZA 26-857
Vonnis in kort geding van 17 september 2026
in de zaak van
STICHTING WOONSTAD ROTTERDAM,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eisende partij,
advocaat: mr. R. van der Hoeff,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde partij,
die niet is verschenen,2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde partij,
die zelf procedeert,3. [gedaagde 3],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde partij,
die niet is verschenen,4. [gedaagde 4],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde partij,
die niet is verschenen.
Partijen worden hierna Woonstad, [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] genoemd. [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] worden hierna samen [gedaagden] genoemd.
1De zaak in het kort
1.1.
Woonstad is eigenaar van de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in [plaats] . Woonstad had de woning verhuurd aan een derde. Die derde heeft de woning illegaal onderverhuurd aan [gedaagden] De derde heeft de met Woonstad gesloten huurovereenkomst inmiddels opgezegd. Daarna heeft Woonstad een vaststellingsovereenkomst met [gedaagden] gesloten, op grond waarvan [gedaagden] de woning uiterlijk op 12 oktober 2026 moeten ontruimen en tot die tijd een gebruiksvergoeding aan Woonstad moeten betalen. Voor het geval dat [gedaagden] de woning niet uiterlijk op 12 oktober 2026 ontruimen, vordert Woonstad in deze zaak ontruiming van de woning en betaling van een gebruiksvergoeding. [gedaagde 2] voert verweer. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen grotendeels toe.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 18 augustus 2026, met bijlagen 1 tot en met 4;
de mondelinge behandeling op 3 september 2026.
3De vorderingen
3.1.
Woonstad vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagden] , ieder afzonderlijk, te veroordelen om de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in [plaats] vanaf 13 oktober 2026 met alle zich daarin bevindende personen en/of zaken te ontruimen en te verlaten en door afgifte van de sleutels aan Woonstad ter beschikking te stellen;
[gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 810,00 per maand vanaf 1 september 2026 tot en met de dag waarop de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in [plaats] is ontruimd, voor zover [gedaagden] met betaling in gebreke blijven;
[gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder ook begrepen de nakosten.
4De beoordeling
Verstekverlening tegen [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4]
4.1.
De voorzieningenrechter verleent verstek tegen [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] . Zij zijn namelijk niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling, terwijl bij hun oproeping in deze zaak alle wettelijke termijnen en regels zijn gevolgd. Omdat [gedaagde 2] tijdens de mondelinge behandeling wel is verschenen, wordt dit vonnis tegen [gedaagden] als een vonnis op tegenspraak beschouwd.
Het toetsingskader in een kort geding
4.2.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom of Woonstad ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder beoordeelt de voorzieningenrechter of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter maakt bij dat alles ook een belangenafweging. Voor de vordering tot betaling van de gebruiksvergoeding geldt in aanvulling op het voorgaande dat bij een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding terughoudendheid op zijn plaats is. Bovendien moet rekening worden gehouden met het risico dat Woonstad het geldbedrag niet kan terugbetalen in het geval dat zij in de bodemprocedure alsnog in het ongelijk wordt gesteld.
Woonstad heeft voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen
4.3.
De woning is een sociale huurwoning en voor dat soort woningen bestaan lange wachttijden. In het geval dat [gedaagden] de woning niet uiterlijk op 12 oktober 2026 ontruimen, heeft Woonstad er voldoende (spoedeisend) belang bij dat zij de woning zo snel mogelijk na 12 oktober 2026 kan laten ontruimen om de woning vervolgens aan de eerstvolgende kandidaat die daar overeenkomstig de woningtoewijzingsregels voor in aanmerking komt te kunnen verhuren. Dit geldt te meer omdat [gedaagde 2] tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd dat zij de woning niet (op tijd) zal ontruimen als zij nog geen vervangende woning heeft kunnen vinden.
[gedaagden] moeten de woning uiterlijk op 12 oktober 2026 ontruimen
4.4.
Voor zover de ontruimingsvordering tegen [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] is gericht, komt die vordering de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt de vordering om die reden toegewezen. De ontruimingsvordering wordt ook toegewezen tegen [gedaagde 2] . Zij heeft, net als [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] , een vaststellingsovereenkomst met Woonstad gesloten, op grond waarvan zij de woning uiterlijk op 12 oktober 2026 moet ontruimen. Dat [gedaagde 2] nog geen vervangende woning heeft kunnen vinden, doet aan die verplichting niet af en komt voor haar rekening en risico.
[gedaagden] zijn ook de overeengekomen gebruiksvergoeding verschuldigd
4.5.
Uit de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst volgt dat [gedaagden] verplicht zijn om gezamenlijk aan Woonstad een gebruiksvergoeding van in totaal € 810,00 per maand te betalen tot en met 12 oktober 2026 (of tot zoveel eerder als de woning door [gedaagden] aan Woonstad wordt opgeleverd). Zij zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling hiervan. Gelet hierop worden [gedaagden] hoofdelijk veroordeeld om tot en met 12 oktober 2026 (of tot zoveel eerder als de woning door [gedaagden] aan Woonstad wordt opgeleverd) de overeengekomen gebruiksvergoeding te betalen. Voor het overige wordt de vordering van Woonstad op dit punt afgewezen.
[gedaagden] moeten de proceskosten van Woonstad onder één voorwaarde betalen
4.6.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom in principe de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Woonstad heeft in de dagvaarding echter gesteld dat [gedaagden] de proceskosten alleen hoeven te betalen in het geval dat zij de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst niet nakomen. Daarom worden [gedaagden] veroordeeld om de proceskosten (inclusief nakosten) van Woonstad te betalen voor het geval dat zij de woning niet uiterlijk op 12 oktober 2026 hebben ontruimd en/of voor het geval dat zij de verschuldigde gebruiksvergoeding niet aan Woonstad betalen. De proceskosten van Woonstad worden voor die gevallen begroot op:
- dagvaarding € 156,25
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 760,00 (tarief verstekzaak)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.840,25
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
staat [gedaagden] toe om de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in [plaats] tot en met 12 oktober 2026 te bewonen;
5.2.
veroordeelt [gedaagden] om tot en met 12 oktober 2026 (of tot zoveel eerder als de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in [plaats] door [gedaagden] aan Woonstad wordt opgeleverd) de overeengekomen gebruiksvergoeding van € 810,00 per maand te betalen;
en in het geval dat [gedaagden] de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in [plaats] niet uiterlijk op 12 oktober 2026 hebben ontruimd:
5.3.
veroordeelt [gedaagden] om de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in [plaats] met alle zich daarin bevindende personen en/of zaken te ontruimen en te verlaten en door afgifte van de sleutels aan Woonstad ter beschikking te stellen;
5.4.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 1.840,25, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
en in alle gevallen:
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.
3349 / 1573
Artikel 140 lid 3 Rv.
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/724709 / KG ZA 26-857
Vonnis in kort geding van 17 september 2026
in de zaak van
STICHTING WOONSTAD ROTTERDAM,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eisende partij,
advocaat: mr. R. van der Hoeff,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde partij,
die niet is verschenen,2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde partij,
die zelf procedeert,3. [gedaagde 3],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde partij,
die niet is verschenen,4. [gedaagde 4],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde partij,
die niet is verschenen.
Partijen worden hierna Woonstad, [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] genoemd. [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] worden hierna samen [gedaagden] genoemd.
1De zaak in het kort
1.1.
Woonstad is eigenaar van de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in [plaats] . Woonstad had de woning verhuurd aan een derde. Die derde heeft de woning illegaal onderverhuurd aan [gedaagden] De derde heeft de met Woonstad gesloten huurovereenkomst inmiddels opgezegd. Daarna heeft Woonstad een vaststellingsovereenkomst met [gedaagden] gesloten, op grond waarvan [gedaagden] de woning uiterlijk op 12 oktober 2026 moeten ontruimen en tot die tijd een gebruiksvergoeding aan Woonstad moeten betalen. Voor het geval dat [gedaagden] de woning niet uiterlijk op 12 oktober 2026 ontruimen, vordert Woonstad in deze zaak ontruiming van de woning en betaling van een gebruiksvergoeding. [gedaagde 2] voert verweer. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen grotendeels toe.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 18 augustus 2026, met bijlagen 1 tot en met 4;
de mondelinge behandeling op 3 september 2026.
3De vorderingen
3.1.
Woonstad vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagden] , ieder afzonderlijk, te veroordelen om de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in [plaats] vanaf 13 oktober 2026 met alle zich daarin bevindende personen en/of zaken te ontruimen en te verlaten en door afgifte van de sleutels aan Woonstad ter beschikking te stellen;
[gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 810,00 per maand vanaf 1 september 2026 tot en met de dag waarop de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in [plaats] is ontruimd, voor zover [gedaagden] met betaling in gebreke blijven;
[gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder ook begrepen de nakosten.
4De beoordeling
Verstekverlening tegen [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4]
4.1.
De voorzieningenrechter verleent verstek tegen [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] . Zij zijn namelijk niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling, terwijl bij hun oproeping in deze zaak alle wettelijke termijnen en regels zijn gevolgd. Omdat [gedaagde 2] tijdens de mondelinge behandeling wel is verschenen, wordt dit vonnis tegen [gedaagden] als een vonnis op tegenspraak beschouwd.
Het toetsingskader in een kort geding
4.2.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom of Woonstad ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang heeft. Verder beoordeelt de voorzieningenrechter of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter maakt bij dat alles ook een belangenafweging. Voor de vordering tot betaling van de gebruiksvergoeding geldt in aanvulling op het voorgaande dat bij een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding terughoudendheid op zijn plaats is. Bovendien moet rekening worden gehouden met het risico dat Woonstad het geldbedrag niet kan terugbetalen in het geval dat zij in de bodemprocedure alsnog in het ongelijk wordt gesteld.
Woonstad heeft voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen
4.3.
De woning is een sociale huurwoning en voor dat soort woningen bestaan lange wachttijden. In het geval dat [gedaagden] de woning niet uiterlijk op 12 oktober 2026 ontruimen, heeft Woonstad er voldoende (spoedeisend) belang bij dat zij de woning zo snel mogelijk na 12 oktober 2026 kan laten ontruimen om de woning vervolgens aan de eerstvolgende kandidaat die daar overeenkomstig de woningtoewijzingsregels voor in aanmerking komt te kunnen verhuren. Dit geldt te meer omdat [gedaagde 2] tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd dat zij de woning niet (op tijd) zal ontruimen als zij nog geen vervangende woning heeft kunnen vinden.
[gedaagden] moeten de woning uiterlijk op 12 oktober 2026 ontruimen
4.4.
Voor zover de ontruimingsvordering tegen [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] is gericht, komt die vordering de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt de vordering om die reden toegewezen. De ontruimingsvordering wordt ook toegewezen tegen [gedaagde 2] . Zij heeft, net als [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] , een vaststellingsovereenkomst met Woonstad gesloten, op grond waarvan zij de woning uiterlijk op 12 oktober 2026 moet ontruimen. Dat [gedaagde 2] nog geen vervangende woning heeft kunnen vinden, doet aan die verplichting niet af en komt voor haar rekening en risico.
[gedaagden] zijn ook de overeengekomen gebruiksvergoeding verschuldigd
4.5.
Uit de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst volgt dat [gedaagden] verplicht zijn om gezamenlijk aan Woonstad een gebruiksvergoeding van in totaal € 810,00 per maand te betalen tot en met 12 oktober 2026 (of tot zoveel eerder als de woning door [gedaagden] aan Woonstad wordt opgeleverd). Zij zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling hiervan. Gelet hierop worden [gedaagden] hoofdelijk veroordeeld om tot en met 12 oktober 2026 (of tot zoveel eerder als de woning door [gedaagden] aan Woonstad wordt opgeleverd) de overeengekomen gebruiksvergoeding te betalen. Voor het overige wordt de vordering van Woonstad op dit punt afgewezen.
[gedaagden] moeten de proceskosten van Woonstad onder één voorwaarde betalen
4.6.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom in principe de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Woonstad heeft in de dagvaarding echter gesteld dat [gedaagden] de proceskosten alleen hoeven te betalen in het geval dat zij de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst niet nakomen. Daarom worden [gedaagden] veroordeeld om de proceskosten (inclusief nakosten) van Woonstad te betalen voor het geval dat zij de woning niet uiterlijk op 12 oktober 2026 hebben ontruimd en/of voor het geval dat zij de verschuldigde gebruiksvergoeding niet aan Woonstad betalen. De proceskosten van Woonstad worden voor die gevallen begroot op:
- dagvaarding € 156,25
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 760,00 (tarief verstekzaak)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.840,25
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
staat [gedaagden] toe om de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in [plaats] tot en met 12 oktober 2026 te bewonen;
5.2.
veroordeelt [gedaagden] om tot en met 12 oktober 2026 (of tot zoveel eerder als de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in [plaats] door [gedaagden] aan Woonstad wordt opgeleverd) de overeengekomen gebruiksvergoeding van € 810,00 per maand te betalen;
en in het geval dat [gedaagden] de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in [plaats] niet uiterlijk op 12 oktober 2026 hebben ontruimd:
5.3.
veroordeelt [gedaagden] om de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in [plaats] met alle zich daarin bevindende personen en/of zaken te ontruimen en te verlaten en door afgifte van de sleutels aan Woonstad ter beschikking te stellen;
5.4.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 1.840,25, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
en in alle gevallen:
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.
3349 / 1573
Artikel 140 lid 3 Rv.