Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12350
2026-08-21
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/10/717410 / FA RK 26-2593
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorzieningen artikel 822 Rv. Verzoek tot verhuizing niet ontvankelijk. Gebruiksvergoeding woning afgewezen. Toevertrouwing, uitsluitend gebruik woning, kinder- en partnerbijdrage toegewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:1993:ZC1099 Hoge Raad 15-10-1993
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (111.024 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/717410 / FA RK 26-2593
Beschikking van 21 augustus 2026 over voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[de vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. C.N.M. Schep te Oud-Beijerland,
t e g e n
[de man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. H.D. van den Berg te Dordrecht.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 31 maart 2026;
het bericht van de vrouw van 8 april 2026, met bijlagen;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 24 juli 2026;
het verweerschrift op het zelfstandig verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 29 juli 2026;
de berichten met bijlagen van de vrouw van 29 juli 2026 en 3 augustus 2026.
1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
1.3
Tijdens de zitting is door beide advocaten een pleitnotitie overgelegd.
1.4
De minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben op 11 augustus 2026 een gesprek met de kinderrechter gehad.
1.5
De mondelinge behandeling heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de mondelinge behandeling van het verzoek bekend onder nummer C/10/717414 / FA RK 26-2595. Daarop zal bij afzonderlijke beschikking worden beslist. In die beschikking zal ook een brief voor de [minderjarige 1] worden opgenomen.
2De vaststaande feiten
2.1
Partijen zijn op 16 mei 2012 te Gorinchem met elkaar gehuwd.
2.2
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2019 te [geboorteplaats] .
2.3
De vrouw is voornemens een verzoek tot echtscheiding te doen.
3De beoordeling
3.1
Toevertrouwing van de minderjarigen
3.1.1
De vrouw verzoekt, na wijziging (vermindering) tijdens de mondelinge behandeling, te bepalen dat de drie minderjarige kinderen van partijen worden toevertrouwd aan de vrouw, waarbij tevens, indien de kinderen niet reeds in de macht van de vrouw mochten zijn, de man wordt bevolen de kinderen aan de vrouw af te geven.
3.1.2
De man voert gemotiveerd verweer.
3.1.3
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen. Niet ter discussie staat dat de minderjarigen sinds de breuk bij de vrouw verblijven. De man bepleit in zijn verweer ook niet dat de feitelijke situatie zou moeten veranderen, maar zijn verweer houdt in dat er geen belang bij is om een feitelijke situatie waar geen geschil over bestaat juridisch te formaliseren. De rechtbank is echter van oordeel dat het belang bij een beslissing over de toevertrouwing bestaat uit duidelijkheid voor de minderjarigen bij welke ouder zij voorlopig verblijven. De man heeft geen andersluidend verzoek ingediend. Om deze redenen zal de rechtbank het verzoek van de vrouw over de toevertrouwing toewijzen. Voor het bevel tot afgifte ziet de rechtbank in deze zaak geen enkele aanleiding. Dat verzoek zal worden afgewezen.
3.2
Woning
3.2.1
De vrouw verzoekt, na wijziging (vermindering) tijdens de mondelinge behandeling, te bepalen dat zij voor de duur van het geding samen met de kinderen zal wonen op het adres [adres 1] ( [postcode 1] ) [plaats 1] , althans bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedel met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet meer mag betreden, behoudens met voorafgaande instemming van de vrouw.
3.2.2
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt naar de rechtbank begrijpt voorwaardelijk, als het verzoek van de vrouw over het uitsluitend gebruiksrecht wordt toegewezen, te bepalen dat zij aan de man een gebruiksvergoeding moet voldoen van
€ 1.183,99 per maand.
3.2.3
De vrouw voert gemotiveerd verweer tegen het verzoek van de man over de gebruiksvergoeding.
Verhuizing of uitsluitend gebruik echtelijke woning
3.2.4
Vooropgesteld moet worden dat artikel 822 lid 1 onder a Rv bepaalt dat de rechter voorlopig kan bepalen dat één van de echtgenoten bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning met bevel dat de andere echtgenoot die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden.
3.2.5
Het verzoek van de vrouw te bepalen dat zij voorlopig met de minderjarigen mag wonen op een adres in [plaats 1] , is geen verzoek dat ziet op het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning in [woonplaats] . Feitelijk verzoekt de vrouw in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure om met de minderjarigen te mogen verhuizen. Omdat het verzoek van de vrouw tot verhuizing niet valt binnen de limitatieve opsomming van artikel 822 Rv, zal de vrouw niet ontvankelijk worden verklaard in dit verzoek en zal haar
verzoek over het uitsluitend gebruiksrecht van de echtelijke woning worden beoordeeld.
3.2.6
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toewijzen. Niet ter discussie staat dat de vrouw en de minderjarigen in de echtelijke woning verblijven, en dat de man elders verblijft. Net als bij de toevertrouwing bepleit de man in zijn verweer ook niet dat de feitelijke situatie wat het gebruik van de woning betreft zou moeten veranderen, maar houdt zijn verweer in dat er geen belang bij is om een feitelijke situatie waar geen geschil over bestaat juridisch te formaliseren. De rechtbank is echter van oordeel dat het in het belang van de vrouw en de minderjarigen is dat zij voorlopig in alle rust in de echtelijke woning kunnen blijven. De man heeft geen andersluidend verzoek ingediend. Om deze redenen zal de rechtbank het verzoek van de vrouw over het uitsluitend gebruik toewijzen.
3.2.7
Omdat in het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning onder andere is begrepen het gebruik van de tot die woning behorende inboedel, behoeft dit onderdeel van het verzoek van de vrouw geen afzonderlijke beslissing.
Gebruiksvergoeding
3.2.8
De rechtbank zal het voorwaardelijke verzoek van de man over de gebruiksvergoeding afwijzen. Hoewel zoals gezegd de opsomming van de op grond van artikel 822 Rv te verzoeken voorlopige voorzieningen limitatief is en daarin geen voorlopige gebruiksvergoeding is opgenomen, kan volgens een uitspraak van de Hoge Raad van 15 oktober 1993 (ECLI:NL:HR:1993:ZC1099) ‘bij het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in art. 825b aanhef en onder a [kan] de rechter, desverzocht, in de omstandigheden waarin partijen verkeren, aanleiding vinden om te bepalen dat aan de echtgenoot die bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning, dit gebruik slechts wordt toegekend tegen betaling van een bijdrage in de kosten (vgl. HR 16 juni 1978, NJ 1979, 165). Een andere oplossing zou de mogelijkheden van de rechter om tot een redelijke beslissing ter zake van het gebruik van de echtelijke woning gedurende het geding te komen te zeer beperken.’ De rechtbank begrijpt dit als volgt. Soms is het alleen redelijk om het uitsluitend gebruik aan een echtgenoot toe te kennen, als die echtgenoot ook een gebruiksvergoeding aan de andere echtgenoot voldoet. Een andere oplossing, namelijk het uitsluitend gebruik toe te wijzen zonder een gebruiksvergoeding toe te kennen, zou de mogelijkheid om tot een redelijke beslissing te komen, te veel beperken. De omstandigheden waarin partijen verkeren, daarin zou de aanleiding gevonden worden om die gebruiksvergoeding te bepalen. In deze procedure heeft de man ter onderbouwing van zijn verzoek gesteld dat hij alle lasten van de woning voldoet, terwijl de vrouw daar woont. Verder heeft de man aangevoerd dat de man via de gezamenlijke rekening bijdraagt aan de kosten van de kinderen en dat de vrouw bedragen van die gezamenlijke rekening opneemt. Kortom: de man heeft een gebruiksvergoeding verzocht, omdat hij de woning betaalt en de vrouw er woont. Hij wil een gebruiksvergoeding omdat het kan. De rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is om een gebruiksvergoeding toe te kennen. Voldoende is gebleken dat de vrouw de verzochte gebruiksvergoeding niet kan betalen, terwijl betwist is dat de man dubbele woonlasten heeft (voor de echtelijke woning en zijn alternatieve verblijfsadres). Dat er sprake is van een situatie waarbij de rechtbank alleen door het bepalen van een gebruiksvergoeding tot een redelijke beslissing kan komen, dat is niet gesteld en ook is dat niet gebleken.
3.3
Zorgregeling
3.3.1
De vrouw verzoekt – na wijziging – een regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen die door de hulpverlening verantwoord en geschikt wordt geacht, zo nodig na nader onderzoek door de raad, waarbij in de tussenliggende periode een zodanige, beperkte vorm van contact wordt aangehouden dat een verhuizing van de vrouw met de kinderen naar [regio] niet wordt belemmerd.
3.3.2
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt een zorgregeling te bepalen tussen hem en de kinderen, die inhoudt dat de kinderen om de week van vrijdag 18.30 uur tot maandag naar school bij hem zijn alsmede iedere week van maandag uit school tot woensdag naar school, alsmede de helft van de feestdagen en bij voorkeur de helft van de vakanties.
3.3.3
De vrouw voert gemotiveerd verweer tegen het zelfstandig verzoek.
3.3.4
Vaststaat dat partijen vanaf de feitelijke breuk in mei 2025 ongeveer gedurende een jaar een zorgregeling hebben uitgevoerd waarbij de minderjarigen en de man elke zondag contact met elkaar hadden. De band tussen de minderjarigen en de man is echter verslechterd geraakt. Beiden partijen lijken het erover eens te zijn dat het niet langer veilig was om de regeling voort te zetten. Vanaf juni 2026 is het wekelijkse contact op zondag vervangen door begeleide contactmomenten via het hulpverleningstraject bij [organisatie] , waarbij de man in de ene week een contactmoment met [minderjarige 1] van ongeveer een uur heeft en in de andere week met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , telkens apart van elkaar (oftewel individuele één-op-één-momenten), dat ook ongeveer een uur duurt. Bij dit traject krijgen partijen beiden handreikingen om op een positieve manier bij te dragen aan het verbeteren van de band en het contactherstel tussen de minderjarigen en de man. De minderjarigen hebben een coach die hen hierin begeleid. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen beiden volmondig verklaard dat zij erachter staan dat dit traject wordt doorgezet. Omdat de rechtbank, net als partijen en de raad, van belang vindt dat dit traject blijft doorlopen en op dit moment geen inschatting kan maken van het verdere verloop daarvan en de mogelijkheden voor een zorgregeling in de toekomst, zal de rechtbank bepalen dat de minderjarigen individueel om de week een uur contact hebben met de man, onder begeleiding van het hulpverleningstraject [organisatie] , en dat naar inschatting van [organisatie] wijziging of uitbreiding van deze regeling in frequentie, tijd en locatie mogelijk is en de mogelijkheid om het contact onbegeleid te laten plaatsvinden. Het voorgaande betekent dat de huidige regeling waarbij de man in de ene week een contactmoment met [minderjarige 1] heeft en in de andere week met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , telkens individueel, de minimale regeling is, dus dat vermindering daarvan niet mogelijk is maar uitbreiding wel, op de manier die [organisatie] mogelijk acht.
3.4
Onderhoudsbijdragen
3.4.1
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man, zo begrijpt de rechtbank, met ingang van 1 september 2025 of de datum van indiening van haar verzoekschrift, 31 maart 2026, bij vooruitbetaling per maand aan haar zal bijdragen in:
de kosten van verzorging en opvoeding van ieder van de minderjarige kinderen van partijen met € 570,- per kind per maand;
de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met € 2.000,- bruto per maand.
3.4.2
De man voert gemotiveerd verweer.
3.4.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Kinderbijdrage
3.4.4
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
De ingangsdatum
3.4.5
Tussen partijen is de ingangsdatum in geschil. De vrouw verzoekt primair de kinderbijdrage per 1 september 2025 te laten ingaan, omdat de man vanaf dat moment de werkrelatie met de vrouw heeft beëindigd en haar geen arbeidsvergoeding heeft betaald, terwijl daarmee € 2.500,- per maand is weggevallen en de man (ook) op dat moment onderhoudsplichtig was. Zij verzoekt subsidiair de kinderbijdrage per 31 maart 2026 te laten ingaan, omdat haar verzoekschrift op dat moment is ingediend. De man voert gemotiveerd verweer tegen de verzochte ingangsdata.
3.4.6
Op grond van artikel 822 lid 2 Rv is de hoofdregel dat de kinderbijdrage aanvangt op de datum van de beschikking, tenzij de rechter een eerdere of latere ingangsdatum heeft vastgesteld. Omstandigheden van de zaak, waaronder de wachttijd bij de rechtbank, kunnen aanleiding geven om aan te sluiten bij de datum van indiening van het verzoekschrift of een andere datum maar niet met meer terugwerkende kracht dan vier weken voorafgaand aan de indiening van het verzoek tot echtscheiding. De rechtbank zal de kinderbijdrage laten ingaan op 8 mei 2026. Omdat het verzoekschrift op 31 maart 2026 is ingediend, had de mondelinge behandeling op grond van artikel 821 lid 3 Rv niet later dan op 24 april 2026 moeten plaatsvinden, waarna de beschikking twee weken later, op 8 mei 2026, gegeven had moeten worden. Feitelijk is met deze ingangsdatum sprake van een terugwerkende kracht van meer dan vier weken voorafgaand aan de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Als de rechtbank evenwel op 8 mei 2026 had beslist, had het in de lijn der verwachting gelegen dat het verzoek tot echtscheiding niet later dan vier weken daarna was ingediend. Het idee dat de terugwerkende kracht beperkt is tot vier weken voorafgaand aan de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding is zodat de voorlopige bijdrage echt ziet op de periode van de echtscheiding. Aan dat idee wordt met deze beslissing tegemoet gekomen.
De behoefte
3.4.7
De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte) bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, te verhogen met het kindgebonden budget. Partijen hebben tot medio 2025 in gezinsverband samengeleefd. De rechtbank zal, net als partijen, uitgaan van de inkomensgegevens over het jaar 2024. De rechtbank zal rekenen aan de hand van de tarieven 2025-2.
3.4.8
De vrouw stelt dat voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man tijdens het huwelijk uitgegaan moet worden van een gemiddelde wint uit onderneming van € 120.000,-, omdat uit de jaarstukken blijkt dat de winst in 2022 € 192.116,-, in 2023
€ 104.189,- en in 2024 € 60.896,- bedroeg. De man voert in het kader van zijn betwisting aan dat niet moet worden gekeken naar het verleden maar naar nu, omdat de winstcijfers van genoemde jaren een neerwaartse lijn laten zien en de accountant heeft verklaard dat het in de toekomst niet zal verbeteren. De man meent dat primair moet worden uitgegaan van zijn privéopnames in 2024 van € 27.850,- zoals dat blijkt uit de financiële verslagen van zijn onderneming, en subsidiair van de winst uit 2024. De vrouw heeft de stelling van de man over de privéopnames gemotiveerd betwist met haar stelling dat deze privéopnames hoger zijn, gemiddeld over 2022 tot en met 2024 ongeveer € 96.000,- per jaar, omdat alle posten die onder privé opnamen staan moeten worden meegenomen (zoals inkomstenbelasting, premies zorgverzekeringswet en privégebruik auto). De man heeft deze stelling van de vrouw onvoldoende gemotiveerd betwist. Daarom zal de rechtbank aansluiten bij het gehandhaafde standpunt van de vrouw dat uitgegaan moet worden van een winst uit onderneming van € 120.000,-. De rechtbank ziet in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure geen reden om voor de behoefte uit te gaan van de winst in 2024 omdat nergens uit blijkt dat partijen in genoemde periode hun uitgaven gelijk aan de neerwaartse lijn hebben aangepast. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man over het jaar 2025 aan de hand van een winst van € 120.000,- op € 6.133,- per maand.
De zelfstandigenaftrek van € 2.470,- en de MKB-winstvrijstelling van € 14.926,- zijn in aanmerking genomen.
Geen rekening is gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigen woningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente etc.).
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting.
Ten slotte is rekening gehouden met de door de man in dat jaar op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 3.990,-.
3.4.9
Partijen zijn het erover eens dat voor de bepaling van het NBI van de vrouw moet worden uitgegaan van een bedrag van € 2.500,- per maand, oftewel € 30.000,- per jaar dat zij kreeg vanuit de onderneming van de man. Omdat de vrouw het bedrag van € 30.000,- invoert als jaarloon en de man als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, komen zij uit op een ander NBI (de vrouw op € 2.294,- en de man op € 2.363,-). De rechtbank constateert dat het netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: NBGI) hoe dan ook boven het maximale bedrag van € 7.500,- uitkomt, zodat de rechtbank het NBGI zal vaststellen op laatstgenoemd bedrag, net als de vrouw.
3.4.10
Hiervoor genoemd NBGI van partijen levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een bedrag op van
€ 1.845,- per maand in 2025. Geïndexeerd naar 2026 levert dat op een bedrag van € 1.930,- per maand, oftewel € 643,- per kind per maand, zodat de behoefte van de minderjarigen wordt vastgesteld op laatstgenoemd bedrag.
De draagkrachtberekening
3.4.11
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.4.12
Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden.
Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-1.
Draagkracht man
3.4.13
Net als bij de behoefteberekening zal de rechtbank uitgaan van een winst uit onderneming van € 120.000,- per jaar, omdat de man het standpunt van de vrouw onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dat de man, sinds het voortzetten van de onderneming in B.V. vorm, nog maar het maximale DGA-salaris aan zichzelf kan uitkeren, waarvan onderdeel uitmaakt een lease auto ten bedrage van een derde deel van dat salaris, komt de rechtbank niet aannemelijk voor. Het had op de weg van de man gelegen om inzichtelijk te maken waarom zijn inkomen zo drastisch is verminderd, naar afgerond
€ 41.000,- bruto per jaar. De rechtbank zal, anders dan de vrouw, bij de winst echter niet het bedrag van € 30.000,- dat de vrouw uit de onderneming van de man ontving, optellen. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van de vrouw dat de man dat bedrag extra kan besteden nu de vrouw die vergoeding niet meer ontvangt, onjuist is. Tussen partijen is immers duidelijk dat de man iemand in dienst heeft genomen.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man aan de hand van een winst van € 120.000,- op € 6.148,- per maand.
De zelfstandigenaftrek van € 1.200,- en de MKB-winstvrijstelling van € 15.088,- zijn in aanmerking genomen.
Geen rekening is gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigen woningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente etc.).
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting.
Ten slotte is rekening gehouden met de door de man op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 3.851,-.
3.4.14
De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 2.057,- per maand.
Draagkracht vrouw
3.4.15
Tussen partijen is in geschil of, zoals de vrouw stelt, moet worden uitgegaan van het inkomen dat de vrouw met haar baan bij restaurant De Hoofdwacht op de zondagen verdient, dat in de maand juni 2026 € 1.343,36 bruto bedroeg, of, zoals de man stelt, dat op basis van haar oude vergoeding uit de onderneming van de man moet worden gerekend met een verdiencapaciteit van € 2.500,- bruto per maand en 8% vakantiegeld.
De vrouw stelt dat zij druk bezig is om werk te vinden, maar dat zij in een levensvacuüm zit en dat dit haar beperkt. De vrouw licht daarover toe dat zij niet weet waar zij zal (mogen) wonen en dat zij momenteel alleen op de zondagen kan werken, omdat de vrouw de overige tijd de minderjarigen bij zich heeft en haar ouders van de man niet in de echtelijke woning mogen komen om te helpen. De man voert aan dat de vrouw met het overzicht van haar sollicitaties onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt in hoeverre zij zich inspant om haar verdiencapaciteit daadwerkelijk te benutten, omdat de sollicitaties niet actueel zijn, op sommige sollicitaties positief is gereageerd maar niet inzichtelijk is gemaakt wat het verdere verloop is geweest en de vrouw bij sommige sollicitaties heeft aangegeven alleen op de zondagen beschikbaar te zijn. De rechtbank volgt het standpunt van de man dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat zij haar werkzaamheden niet op korte termijn zou kunnen uitbreiden. Niet is duidelijk geworden waarom de vrouw niet tijdens schooltijd kan werken terwijl zij dat, naar de rechtbank aanneemt, altijd heeft gedaan. Daarnaast wordt aan de vrouw het uitsluitend gebruiksrecht van de echtelijke woning toegekend, waardoor de vrouw zelf kan bepalen wie toegang krijgt tot de woning en zelf voor opvang uit school kan zorgen. Verder heeft de vrouw niet inzichtelijk gemaakt of ze heeft gereageerd op de sollicitaties die positief zijn ontvangen. In het kader van haar onderhoudsplicht had dat wel van de vrouw verwacht mogen worden. Daarom bepaalt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw op
€ 2.682,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens:
- basisloon € 2.500,-
- vakantiegeld 8% op jaarbasis.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.4.16
Anders dan de man houdt de rechtbank geen rekening met kindgebonden budget aan de kant van de vrouw. Omdat de man nog ingeschreven staat op het adres van de echtelijke woning en er (nog) geen verzoek tot echtscheiding is ingediend, worden partijen door de Belastingdienst nog beschouwd als toeslagpartners en kan de vrouw nog geen aanspraak maken op kindgebonden budget.
3.4.17
De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 358,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
3.4.18
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 2.057 / € 2.415 x € 1.930 = € 1.644,-
het deel van de vrouw bedraagt: € 358 / € 2.415 x € 1.930 = € 286,- +
samen € 1.930,-
Van de totale behoefte van de minderjarigen komt dus een gedeelte van € 1.644,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 286,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
3.4.19
Gezien de nu vast te stellen zorgregeling stelt de rechtbank vast dat de man gemiddeld minder dan één dag per week de zorg heeft voor de minderjarigen. Hierbij hoort een zorgkorting van 5%.
3.4.20
Omdat de behoefte van de minderjarigen € 1.930,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 97,- per maand.
3.4.21
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 1.547,- per maand oftewel
€ 516,- per maand per kind.
Conclusie
3.4.22
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 516,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.4.23
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
Partnerbijdrage
3.4.24
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen partnerbijdrage in geschil. De rechtbank zal de partnerbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
De ingangsdatum
3.4.25
Tussen partijen is de ingangsdatum in geschil. De vrouw verzoekt de partnerbijdrage per 31 maart 2026 te laten ingaan, omdat haar verzoekschrift op dat moment is ingediend. De man voert gemotiveerd verweer tegen de verzochte ingangsdatum.
3.4.26
De rechtbank bepaalt de ingangsdatum voor de partneralimentatie, net als voor de kinderalimentatie (onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.4.6.), op 8 mei 2026.
Behoefte
3.4.27
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie berekend moet worden aan de hand van de zogenaamde ‘hofnorm’ zodat de vrouw behoefte heeft aan 60% van het voor partijen beschikbare netto besteedbaar inkomen tijdens het huwelijk, omdat een alleenstaande in zijn algemeenheid duurder uit is dan een gehuwde.
3.4.28
Tijdens het huwelijk hadden partijen de beschikking over een besteedbaar gezinsinkomen van circa € 8.501,- netto per maand, te vermeerderen met het kindgebonden budget van € 8.501,- per maand. De rechtbank merkt daarbij op dat zij ervoor heeft gekozen het NBI van de vrouw te berekenen door het bedrag van € 30.000,- dat zij als vergoeding vanuit de onderneming van de man ontving, net als de man in te voeren als ‘resultaat uit overige werkzaamheden’ omdat ‘inkomsten als arbeidsbeloning uit de onderneming van uw fiscale partner’ daaronder valt. Het netto gezinsinkomen bedroeg dus in totaal € 6.133,- + € 2.368,- = € 8.501,- per maand. Dit gezinsinkomen wordt verminderd met de kosten van de minderjarigen van € 1.845,- per maand (in 2025). De netto behoefte van de vrouw bedraagt 60% van dit bedrag, zijnde € 3.994,- (in 2025). Geïndexeerd naar 2026 is dat een bedrag van € 4.178,-.
Behoeftigheid
3.4.29
De vrouw stelt dat zij niet geheel in eigen levensonderhoud kan voorzien.
3.4.30
De man betwist dit gemotiveerd.
3.4.31
De rechtbank bepaalt, op basis van dezelfde overwegingen als genoemd onder rechtsoverweging 3.4.15., het huidige NBI van de vrouw op € 2.682,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 2.500,-
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.4.32
Op de behoefte van de vrouw van € 4.178,- moet haar inkomen van € 2.682,- netto per maand, inclusief vakantiegeld, in mindering worden gebracht, waarna een aanvullende behoefte van € 1.496,- netto per maand resteert. Omdat het berekende aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen (€ 286,-) hoger is dan het kindgebonden budget (€ 0,-), wordt het verschil opgeteld bij de hiervoor berekende aanvullende behoefte van de vrouw van
€ 1.496,- netto per maand, waardoor dat uitkomt op een bedrag van € 1.782,- netto, ofwel
€ 3.463,- bruto per maand.
Draagkrachtberekening
3.4.33
De man betwist dat hij draagkracht heeft om de gevraagde bijdrage te voldoen.
3.4.34
De rechtbank zal de draagkracht van de man berekenen aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het rapport.
3.4.35
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man aan de hand van de winst uit onderneming van
€ 120.000,- op € 6.148,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting.
3.4.36
De draagkracht van de man wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 60% x [6.148 – (0,3x6.148 + 1.365)] en bedraagt € 1.763,- per maand.
Conclusie
3.4.37
Na aftrek van de kinderbijdrage van € 1.547,- verhoogd met de zorgkorting van in totaal € 97,- resteert een bedrag van € 119,- netto per maand, ofwel € 190,- bruto per maand, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening.
Daarom is een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van € 190,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Het verzoek van de vrouw zal tot dit bedrag worden toegewezen.
3.4.38
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.5
Proceskosten
3.5.1
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
bepaalt dat de minderjarigen aan de vrouw worden toevertrouwd, met bevel tot afgifte van de minderjarigen aan de vrouw, als deze niet al in de macht van de vrouw mochten zijn;
4.2
verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar verzoek te bepalen dat zij voor de duur van het geding samen met de minderjarigen zal wonen in [plaats 1] ;
4.3
bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres 2] ( [postcode 2] ) te [plaats 2] ;
4.4
beveelt de man met ingang van de datum van deze beschikking de echtelijke woning te verlaten en verbiedt hem deze verder te betreden;
4.5
bepaalt dat de regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn: de minderjarigen zullen tenminste elk individueel om de week een uur contact hebben met de man, onder begeleiding van het hulpverleningstraject [organisatie] , waarbij naar inschatting van [organisatie] , indien mogelijk, deze regeling in frequentie, tijd en locatie kan worden gewijzigd of uitgebreid inclusief de mogelijkheid van onbegeleid contact;
4.6
bepaalt het bedrag dat de man met ingang van 8 mei 2026 aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen op € 516,- per maand per kind, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen;
4.7
bepaalt dat de man met ingang van 8 mei 2026 een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw zal verstrekken van € 190,- per maand, voor toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen;
4.8
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.9
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.10
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C.A. van 't Zelfde, griffier, op 21 augustus 2026.
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (717410)
Berekening
Behoefteberekening
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
19-08-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
€
120.000
70
Winst uit onderneming
€
120.000
Ondernemersaftrek
71/ 72
Zelfstandigenaftrek
-
€
2.470
- Zelfstandigenaftrek
€
2.470
MKB Winstvrijstelling
-
€
14.926
75
Belastbare winst uit onderneming
€
102.604
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
102.604
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
€
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
€
14.383
- Schijf 3, 49,5% over € 76.818 of meer
€
12.764
Correctie aftrek toptarief (ondernemersaftrekken en persoonlijke aftrekken)
€
2.091
95
Inkomensheffing box 1
€
43.007
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
120.000
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
43.007
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
591
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
€
42.416
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
77.584
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
€
102.604
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
102.604
Maximum bijdrage loon
€
75.864
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
€
75.864
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
75.864
Percentage Zvw
%
5,26
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
€
3.990
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
€
3.990
120
Besteedbaar inkomen
€
73.594
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
73.594
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
6.133
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (717410)
Berekening
Behoefteberekening
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
19-08-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Overige werkzaamheden (76-81)
76a
Resultaat uit overige werkzaamheden
€
30.000
78
Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden
€
30.000
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
30.000
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
€
10.746
95
Inkomensheffing box 1
€
10.746
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
30.000
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
10.746
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
11.003
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
30.000
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen
€
30.000
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
30.000
Maximum bijdrage loon
€
75.864
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
€
75.864
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
30.000
Percentage Zvw
%
5,26
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
€
1.578
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
€
1.578
120
Besteedbaar inkomen
€
28.422
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
28.422
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
2.368
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Draagkrachtberekening
Tarieven
2026-1
Datum uitdraai
19-08-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
€
120.000
70
Winst uit onderneming
€
120.000
Ondernemersaftrek
71/ 72
Zelfstandigenaftrek
-
€
1.200
- Zelfstandigenaftrek
€
1.200
MKB Winstvrijstelling
-
€
15.088
75
Belastbare winst uit onderneming
€
103.712
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
103.712
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
€
13.900
- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426
€
14.852
- Schijf 3, 49,5% over € 78.427 of meer
€
12.516
Correctie aftrek toptarief (ondernemersaftrekken en persoonlijke aftrekken)
€
1.945
95
Inkomensheffing box 1
€
43.213
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
120.000
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
43.213
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
842
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
€
42.371
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
77.629
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
€
103.712
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
103.712
Maximum bijdrage loon
€
79.412
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
€
79.412
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
79.412
Percentage Zvw
%
4,85
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
€
3.851
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
€
3.851
120
Besteedbaar inkomen
€
73.778
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
73.778
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
6.148
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
€
73.778
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
€
6.148
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Draagkrachtberekening
Tarieven
2026-1
Datum uitdraai
19-08-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
€
30.000
44
Vakantietoeslag
€
2.400
Bruto inkomsten
€
32.400
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
€
32.400
59
Inkomsten
€
32.400
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
€
32.400
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
32.400
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
€
11.583
95
Inkomensheffing box 1
€
11.583
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
32.400
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
11.583
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
11.369
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
€
214
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
32.186
120
Besteedbaar inkomen
€
32.186
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
32.186
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
2.682
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
€
32.186
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
€
2.682
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/717410 / FA RK 26-2593
Beschikking van 21 augustus 2026 over voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[de vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. C.N.M. Schep te Oud-Beijerland,
t e g e n
[de man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. H.D. van den Berg te Dordrecht.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 31 maart 2026;
het bericht van de vrouw van 8 april 2026, met bijlagen;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 24 juli 2026;
het verweerschrift op het zelfstandig verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 29 juli 2026;
de berichten met bijlagen van de vrouw van 29 juli 2026 en 3 augustus 2026.
1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] .
1.3
Tijdens de zitting is door beide advocaten een pleitnotitie overgelegd.
1.4
De minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben op 11 augustus 2026 een gesprek met de kinderrechter gehad.
1.5
De mondelinge behandeling heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de mondelinge behandeling van het verzoek bekend onder nummer C/10/717414 / FA RK 26-2595. Daarop zal bij afzonderlijke beschikking worden beslist. In die beschikking zal ook een brief voor de [minderjarige 1] worden opgenomen.
2De vaststaande feiten
2.1
Partijen zijn op 16 mei 2012 te Gorinchem met elkaar gehuwd.
2.2
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2019 te [geboorteplaats] .
2.3
De vrouw is voornemens een verzoek tot echtscheiding te doen.
3De beoordeling
3.1
Toevertrouwing van de minderjarigen
3.1.1
De vrouw verzoekt, na wijziging (vermindering) tijdens de mondelinge behandeling, te bepalen dat de drie minderjarige kinderen van partijen worden toevertrouwd aan de vrouw, waarbij tevens, indien de kinderen niet reeds in de macht van de vrouw mochten zijn, de man wordt bevolen de kinderen aan de vrouw af te geven.
3.1.2
De man voert gemotiveerd verweer.
3.1.3
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen. Niet ter discussie staat dat de minderjarigen sinds de breuk bij de vrouw verblijven. De man bepleit in zijn verweer ook niet dat de feitelijke situatie zou moeten veranderen, maar zijn verweer houdt in dat er geen belang bij is om een feitelijke situatie waar geen geschil over bestaat juridisch te formaliseren. De rechtbank is echter van oordeel dat het belang bij een beslissing over de toevertrouwing bestaat uit duidelijkheid voor de minderjarigen bij welke ouder zij voorlopig verblijven. De man heeft geen andersluidend verzoek ingediend. Om deze redenen zal de rechtbank het verzoek van de vrouw over de toevertrouwing toewijzen. Voor het bevel tot afgifte ziet de rechtbank in deze zaak geen enkele aanleiding. Dat verzoek zal worden afgewezen.
3.2
Woning
3.2.1
De vrouw verzoekt, na wijziging (vermindering) tijdens de mondelinge behandeling, te bepalen dat zij voor de duur van het geding samen met de kinderen zal wonen op het adres [adres 1] ( [postcode 1] ) [plaats 1] , althans bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedel met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet meer mag betreden, behoudens met voorafgaande instemming van de vrouw.
3.2.2
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt naar de rechtbank begrijpt voorwaardelijk, als het verzoek van de vrouw over het uitsluitend gebruiksrecht wordt toegewezen, te bepalen dat zij aan de man een gebruiksvergoeding moet voldoen van
€ 1.183,99 per maand.
3.2.3
De vrouw voert gemotiveerd verweer tegen het verzoek van de man over de gebruiksvergoeding.
Verhuizing of uitsluitend gebruik echtelijke woning
3.2.4
Vooropgesteld moet worden dat artikel 822 lid 1 onder a Rv bepaalt dat de rechter voorlopig kan bepalen dat één van de echtgenoten bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning met bevel dat de andere echtgenoot die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden.
3.2.5
Het verzoek van de vrouw te bepalen dat zij voorlopig met de minderjarigen mag wonen op een adres in [plaats 1] , is geen verzoek dat ziet op het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning in [woonplaats] . Feitelijk verzoekt de vrouw in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure om met de minderjarigen te mogen verhuizen. Omdat het verzoek van de vrouw tot verhuizing niet valt binnen de limitatieve opsomming van artikel 822 Rv, zal de vrouw niet ontvankelijk worden verklaard in dit verzoek en zal haar
verzoek over het uitsluitend gebruiksrecht van de echtelijke woning worden beoordeeld.
3.2.6
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toewijzen. Niet ter discussie staat dat de vrouw en de minderjarigen in de echtelijke woning verblijven, en dat de man elders verblijft. Net als bij de toevertrouwing bepleit de man in zijn verweer ook niet dat de feitelijke situatie wat het gebruik van de woning betreft zou moeten veranderen, maar houdt zijn verweer in dat er geen belang bij is om een feitelijke situatie waar geen geschil over bestaat juridisch te formaliseren. De rechtbank is echter van oordeel dat het in het belang van de vrouw en de minderjarigen is dat zij voorlopig in alle rust in de echtelijke woning kunnen blijven. De man heeft geen andersluidend verzoek ingediend. Om deze redenen zal de rechtbank het verzoek van de vrouw over het uitsluitend gebruik toewijzen.
3.2.7
Omdat in het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning onder andere is begrepen het gebruik van de tot die woning behorende inboedel, behoeft dit onderdeel van het verzoek van de vrouw geen afzonderlijke beslissing.
Gebruiksvergoeding
3.2.8
De rechtbank zal het voorwaardelijke verzoek van de man over de gebruiksvergoeding afwijzen. Hoewel zoals gezegd de opsomming van de op grond van artikel 822 Rv te verzoeken voorlopige voorzieningen limitatief is en daarin geen voorlopige gebruiksvergoeding is opgenomen, kan volgens een uitspraak van de Hoge Raad van 15 oktober 1993 (ECLI:NL:HR:1993:ZC1099) ‘bij het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in art. 825b aanhef en onder a [kan] de rechter, desverzocht, in de omstandigheden waarin partijen verkeren, aanleiding vinden om te bepalen dat aan de echtgenoot die bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning, dit gebruik slechts wordt toegekend tegen betaling van een bijdrage in de kosten (vgl. HR 16 juni 1978, NJ 1979, 165). Een andere oplossing zou de mogelijkheden van de rechter om tot een redelijke beslissing ter zake van het gebruik van de echtelijke woning gedurende het geding te komen te zeer beperken.’ De rechtbank begrijpt dit als volgt. Soms is het alleen redelijk om het uitsluitend gebruik aan een echtgenoot toe te kennen, als die echtgenoot ook een gebruiksvergoeding aan de andere echtgenoot voldoet. Een andere oplossing, namelijk het uitsluitend gebruik toe te wijzen zonder een gebruiksvergoeding toe te kennen, zou de mogelijkheid om tot een redelijke beslissing te komen, te veel beperken. De omstandigheden waarin partijen verkeren, daarin zou de aanleiding gevonden worden om die gebruiksvergoeding te bepalen. In deze procedure heeft de man ter onderbouwing van zijn verzoek gesteld dat hij alle lasten van de woning voldoet, terwijl de vrouw daar woont. Verder heeft de man aangevoerd dat de man via de gezamenlijke rekening bijdraagt aan de kosten van de kinderen en dat de vrouw bedragen van die gezamenlijke rekening opneemt. Kortom: de man heeft een gebruiksvergoeding verzocht, omdat hij de woning betaalt en de vrouw er woont. Hij wil een gebruiksvergoeding omdat het kan. De rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is om een gebruiksvergoeding toe te kennen. Voldoende is gebleken dat de vrouw de verzochte gebruiksvergoeding niet kan betalen, terwijl betwist is dat de man dubbele woonlasten heeft (voor de echtelijke woning en zijn alternatieve verblijfsadres). Dat er sprake is van een situatie waarbij de rechtbank alleen door het bepalen van een gebruiksvergoeding tot een redelijke beslissing kan komen, dat is niet gesteld en ook is dat niet gebleken.
3.3
Zorgregeling
3.3.1
De vrouw verzoekt – na wijziging – een regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen die door de hulpverlening verantwoord en geschikt wordt geacht, zo nodig na nader onderzoek door de raad, waarbij in de tussenliggende periode een zodanige, beperkte vorm van contact wordt aangehouden dat een verhuizing van de vrouw met de kinderen naar [regio] niet wordt belemmerd.
3.3.2
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt een zorgregeling te bepalen tussen hem en de kinderen, die inhoudt dat de kinderen om de week van vrijdag 18.30 uur tot maandag naar school bij hem zijn alsmede iedere week van maandag uit school tot woensdag naar school, alsmede de helft van de feestdagen en bij voorkeur de helft van de vakanties.
3.3.3
De vrouw voert gemotiveerd verweer tegen het zelfstandig verzoek.
3.3.4
Vaststaat dat partijen vanaf de feitelijke breuk in mei 2025 ongeveer gedurende een jaar een zorgregeling hebben uitgevoerd waarbij de minderjarigen en de man elke zondag contact met elkaar hadden. De band tussen de minderjarigen en de man is echter verslechterd geraakt. Beiden partijen lijken het erover eens te zijn dat het niet langer veilig was om de regeling voort te zetten. Vanaf juni 2026 is het wekelijkse contact op zondag vervangen door begeleide contactmomenten via het hulpverleningstraject bij [organisatie] , waarbij de man in de ene week een contactmoment met [minderjarige 1] van ongeveer een uur heeft en in de andere week met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , telkens apart van elkaar (oftewel individuele één-op-één-momenten), dat ook ongeveer een uur duurt. Bij dit traject krijgen partijen beiden handreikingen om op een positieve manier bij te dragen aan het verbeteren van de band en het contactherstel tussen de minderjarigen en de man. De minderjarigen hebben een coach die hen hierin begeleid. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen beiden volmondig verklaard dat zij erachter staan dat dit traject wordt doorgezet. Omdat de rechtbank, net als partijen en de raad, van belang vindt dat dit traject blijft doorlopen en op dit moment geen inschatting kan maken van het verdere verloop daarvan en de mogelijkheden voor een zorgregeling in de toekomst, zal de rechtbank bepalen dat de minderjarigen individueel om de week een uur contact hebben met de man, onder begeleiding van het hulpverleningstraject [organisatie] , en dat naar inschatting van [organisatie] wijziging of uitbreiding van deze regeling in frequentie, tijd en locatie mogelijk is en de mogelijkheid om het contact onbegeleid te laten plaatsvinden. Het voorgaande betekent dat de huidige regeling waarbij de man in de ene week een contactmoment met [minderjarige 1] heeft en in de andere week met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , telkens individueel, de minimale regeling is, dus dat vermindering daarvan niet mogelijk is maar uitbreiding wel, op de manier die [organisatie] mogelijk acht.
3.4
Onderhoudsbijdragen
3.4.1
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man, zo begrijpt de rechtbank, met ingang van 1 september 2025 of de datum van indiening van haar verzoekschrift, 31 maart 2026, bij vooruitbetaling per maand aan haar zal bijdragen in:
de kosten van verzorging en opvoeding van ieder van de minderjarige kinderen van partijen met € 570,- per kind per maand;
de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met € 2.000,- bruto per maand.
3.4.2
De man voert gemotiveerd verweer.
3.4.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Kinderbijdrage
3.4.4
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
De ingangsdatum
3.4.5
Tussen partijen is de ingangsdatum in geschil. De vrouw verzoekt primair de kinderbijdrage per 1 september 2025 te laten ingaan, omdat de man vanaf dat moment de werkrelatie met de vrouw heeft beëindigd en haar geen arbeidsvergoeding heeft betaald, terwijl daarmee € 2.500,- per maand is weggevallen en de man (ook) op dat moment onderhoudsplichtig was. Zij verzoekt subsidiair de kinderbijdrage per 31 maart 2026 te laten ingaan, omdat haar verzoekschrift op dat moment is ingediend. De man voert gemotiveerd verweer tegen de verzochte ingangsdata.
3.4.6
Op grond van artikel 822 lid 2 Rv is de hoofdregel dat de kinderbijdrage aanvangt op de datum van de beschikking, tenzij de rechter een eerdere of latere ingangsdatum heeft vastgesteld. Omstandigheden van de zaak, waaronder de wachttijd bij de rechtbank, kunnen aanleiding geven om aan te sluiten bij de datum van indiening van het verzoekschrift of een andere datum maar niet met meer terugwerkende kracht dan vier weken voorafgaand aan de indiening van het verzoek tot echtscheiding. De rechtbank zal de kinderbijdrage laten ingaan op 8 mei 2026. Omdat het verzoekschrift op 31 maart 2026 is ingediend, had de mondelinge behandeling op grond van artikel 821 lid 3 Rv niet later dan op 24 april 2026 moeten plaatsvinden, waarna de beschikking twee weken later, op 8 mei 2026, gegeven had moeten worden. Feitelijk is met deze ingangsdatum sprake van een terugwerkende kracht van meer dan vier weken voorafgaand aan de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Als de rechtbank evenwel op 8 mei 2026 had beslist, had het in de lijn der verwachting gelegen dat het verzoek tot echtscheiding niet later dan vier weken daarna was ingediend. Het idee dat de terugwerkende kracht beperkt is tot vier weken voorafgaand aan de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding is zodat de voorlopige bijdrage echt ziet op de periode van de echtscheiding. Aan dat idee wordt met deze beslissing tegemoet gekomen.
De behoefte
3.4.7
De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte) bepalen aan de hand van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen, te verhogen met het kindgebonden budget. Partijen hebben tot medio 2025 in gezinsverband samengeleefd. De rechtbank zal, net als partijen, uitgaan van de inkomensgegevens over het jaar 2024. De rechtbank zal rekenen aan de hand van de tarieven 2025-2.
3.4.8
De vrouw stelt dat voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man tijdens het huwelijk uitgegaan moet worden van een gemiddelde wint uit onderneming van € 120.000,-, omdat uit de jaarstukken blijkt dat de winst in 2022 € 192.116,-, in 2023
€ 104.189,- en in 2024 € 60.896,- bedroeg. De man voert in het kader van zijn betwisting aan dat niet moet worden gekeken naar het verleden maar naar nu, omdat de winstcijfers van genoemde jaren een neerwaartse lijn laten zien en de accountant heeft verklaard dat het in de toekomst niet zal verbeteren. De man meent dat primair moet worden uitgegaan van zijn privéopnames in 2024 van € 27.850,- zoals dat blijkt uit de financiële verslagen van zijn onderneming, en subsidiair van de winst uit 2024. De vrouw heeft de stelling van de man over de privéopnames gemotiveerd betwist met haar stelling dat deze privéopnames hoger zijn, gemiddeld over 2022 tot en met 2024 ongeveer € 96.000,- per jaar, omdat alle posten die onder privé opnamen staan moeten worden meegenomen (zoals inkomstenbelasting, premies zorgverzekeringswet en privégebruik auto). De man heeft deze stelling van de vrouw onvoldoende gemotiveerd betwist. Daarom zal de rechtbank aansluiten bij het gehandhaafde standpunt van de vrouw dat uitgegaan moet worden van een winst uit onderneming van € 120.000,-. De rechtbank ziet in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure geen reden om voor de behoefte uit te gaan van de winst in 2024 omdat nergens uit blijkt dat partijen in genoemde periode hun uitgaven gelijk aan de neerwaartse lijn hebben aangepast. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man over het jaar 2025 aan de hand van een winst van € 120.000,- op € 6.133,- per maand.
De zelfstandigenaftrek van € 2.470,- en de MKB-winstvrijstelling van € 14.926,- zijn in aanmerking genomen.
Geen rekening is gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigen woningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente etc.).
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting.
Ten slotte is rekening gehouden met de door de man in dat jaar op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 3.990,-.
3.4.9
Partijen zijn het erover eens dat voor de bepaling van het NBI van de vrouw moet worden uitgegaan van een bedrag van € 2.500,- per maand, oftewel € 30.000,- per jaar dat zij kreeg vanuit de onderneming van de man. Omdat de vrouw het bedrag van € 30.000,- invoert als jaarloon en de man als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, komen zij uit op een ander NBI (de vrouw op € 2.294,- en de man op € 2.363,-). De rechtbank constateert dat het netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: NBGI) hoe dan ook boven het maximale bedrag van € 7.500,- uitkomt, zodat de rechtbank het NBGI zal vaststellen op laatstgenoemd bedrag, net als de vrouw.
3.4.10
Hiervoor genoemd NBGI van partijen levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een bedrag op van
€ 1.845,- per maand in 2025. Geïndexeerd naar 2026 levert dat op een bedrag van € 1.930,- per maand, oftewel € 643,- per kind per maand, zodat de behoefte van de minderjarigen wordt vastgesteld op laatstgenoemd bedrag.
De draagkrachtberekening
3.4.11
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.4.12
Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden.
Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-1.
Draagkracht man
3.4.13
Net als bij de behoefteberekening zal de rechtbank uitgaan van een winst uit onderneming van € 120.000,- per jaar, omdat de man het standpunt van de vrouw onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dat de man, sinds het voortzetten van de onderneming in B.V. vorm, nog maar het maximale DGA-salaris aan zichzelf kan uitkeren, waarvan onderdeel uitmaakt een lease auto ten bedrage van een derde deel van dat salaris, komt de rechtbank niet aannemelijk voor. Het had op de weg van de man gelegen om inzichtelijk te maken waarom zijn inkomen zo drastisch is verminderd, naar afgerond
€ 41.000,- bruto per jaar. De rechtbank zal, anders dan de vrouw, bij de winst echter niet het bedrag van € 30.000,- dat de vrouw uit de onderneming van de man ontving, optellen. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van de vrouw dat de man dat bedrag extra kan besteden nu de vrouw die vergoeding niet meer ontvangt, onjuist is. Tussen partijen is immers duidelijk dat de man iemand in dienst heeft genomen.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man aan de hand van een winst van € 120.000,- op € 6.148,- per maand.
De zelfstandigenaftrek van € 1.200,- en de MKB-winstvrijstelling van € 15.088,- zijn in aanmerking genomen.
Geen rekening is gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigen woningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente etc.).
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting.
Ten slotte is rekening gehouden met de door de man op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 3.851,-.
3.4.14
De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 2.057,- per maand.
Draagkracht vrouw
3.4.15
Tussen partijen is in geschil of, zoals de vrouw stelt, moet worden uitgegaan van het inkomen dat de vrouw met haar baan bij restaurant De Hoofdwacht op de zondagen verdient, dat in de maand juni 2026 € 1.343,36 bruto bedroeg, of, zoals de man stelt, dat op basis van haar oude vergoeding uit de onderneming van de man moet worden gerekend met een verdiencapaciteit van € 2.500,- bruto per maand en 8% vakantiegeld.
De vrouw stelt dat zij druk bezig is om werk te vinden, maar dat zij in een levensvacuüm zit en dat dit haar beperkt. De vrouw licht daarover toe dat zij niet weet waar zij zal (mogen) wonen en dat zij momenteel alleen op de zondagen kan werken, omdat de vrouw de overige tijd de minderjarigen bij zich heeft en haar ouders van de man niet in de echtelijke woning mogen komen om te helpen. De man voert aan dat de vrouw met het overzicht van haar sollicitaties onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt in hoeverre zij zich inspant om haar verdiencapaciteit daadwerkelijk te benutten, omdat de sollicitaties niet actueel zijn, op sommige sollicitaties positief is gereageerd maar niet inzichtelijk is gemaakt wat het verdere verloop is geweest en de vrouw bij sommige sollicitaties heeft aangegeven alleen op de zondagen beschikbaar te zijn. De rechtbank volgt het standpunt van de man dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat zij haar werkzaamheden niet op korte termijn zou kunnen uitbreiden. Niet is duidelijk geworden waarom de vrouw niet tijdens schooltijd kan werken terwijl zij dat, naar de rechtbank aanneemt, altijd heeft gedaan. Daarnaast wordt aan de vrouw het uitsluitend gebruiksrecht van de echtelijke woning toegekend, waardoor de vrouw zelf kan bepalen wie toegang krijgt tot de woning en zelf voor opvang uit school kan zorgen. Verder heeft de vrouw niet inzichtelijk gemaakt of ze heeft gereageerd op de sollicitaties die positief zijn ontvangen. In het kader van haar onderhoudsplicht had dat wel van de vrouw verwacht mogen worden. Daarom bepaalt de rechtbank (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw op
€ 2.682,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens:
- basisloon € 2.500,-
- vakantiegeld 8% op jaarbasis.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.4.16
Anders dan de man houdt de rechtbank geen rekening met kindgebonden budget aan de kant van de vrouw. Omdat de man nog ingeschreven staat op het adres van de echtelijke woning en er (nog) geen verzoek tot echtscheiding is ingediend, worden partijen door de Belastingdienst nog beschouwd als toeslagpartners en kan de vrouw nog geen aanspraak maken op kindgebonden budget.
3.4.17
De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 358,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
3.4.18
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 2.057 / € 2.415 x € 1.930 = € 1.644,-
het deel van de vrouw bedraagt: € 358 / € 2.415 x € 1.930 = € 286,- +
samen € 1.930,-
Van de totale behoefte van de minderjarigen komt dus een gedeelte van € 1.644,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 286,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
3.4.19
Gezien de nu vast te stellen zorgregeling stelt de rechtbank vast dat de man gemiddeld minder dan één dag per week de zorg heeft voor de minderjarigen. Hierbij hoort een zorgkorting van 5%.
3.4.20
Omdat de behoefte van de minderjarigen € 1.930,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 97,- per maand.
3.4.21
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 1.547,- per maand oftewel
€ 516,- per maand per kind.
Conclusie
3.4.22
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 516,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.4.23
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
Partnerbijdrage
3.4.24
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen partnerbijdrage in geschil. De rechtbank zal de partnerbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
De ingangsdatum
3.4.25
Tussen partijen is de ingangsdatum in geschil. De vrouw verzoekt de partnerbijdrage per 31 maart 2026 te laten ingaan, omdat haar verzoekschrift op dat moment is ingediend. De man voert gemotiveerd verweer tegen de verzochte ingangsdatum.
3.4.26
De rechtbank bepaalt de ingangsdatum voor de partneralimentatie, net als voor de kinderalimentatie (onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.4.6.), op 8 mei 2026.
Behoefte
3.4.27
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie berekend moet worden aan de hand van de zogenaamde ‘hofnorm’ zodat de vrouw behoefte heeft aan 60% van het voor partijen beschikbare netto besteedbaar inkomen tijdens het huwelijk, omdat een alleenstaande in zijn algemeenheid duurder uit is dan een gehuwde.
3.4.28
Tijdens het huwelijk hadden partijen de beschikking over een besteedbaar gezinsinkomen van circa € 8.501,- netto per maand, te vermeerderen met het kindgebonden budget van € 8.501,- per maand. De rechtbank merkt daarbij op dat zij ervoor heeft gekozen het NBI van de vrouw te berekenen door het bedrag van € 30.000,- dat zij als vergoeding vanuit de onderneming van de man ontving, net als de man in te voeren als ‘resultaat uit overige werkzaamheden’ omdat ‘inkomsten als arbeidsbeloning uit de onderneming van uw fiscale partner’ daaronder valt. Het netto gezinsinkomen bedroeg dus in totaal € 6.133,- + € 2.368,- = € 8.501,- per maand. Dit gezinsinkomen wordt verminderd met de kosten van de minderjarigen van € 1.845,- per maand (in 2025). De netto behoefte van de vrouw bedraagt 60% van dit bedrag, zijnde € 3.994,- (in 2025). Geïndexeerd naar 2026 is dat een bedrag van € 4.178,-.
Behoeftigheid
3.4.29
De vrouw stelt dat zij niet geheel in eigen levensonderhoud kan voorzien.
3.4.30
De man betwist dit gemotiveerd.
3.4.31
De rechtbank bepaalt, op basis van dezelfde overwegingen als genoemd onder rechtsoverweging 3.4.15., het huidige NBI van de vrouw op € 2.682,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):
- basisloon € 2.500,-
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.4.32
Op de behoefte van de vrouw van € 4.178,- moet haar inkomen van € 2.682,- netto per maand, inclusief vakantiegeld, in mindering worden gebracht, waarna een aanvullende behoefte van € 1.496,- netto per maand resteert. Omdat het berekende aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen (€ 286,-) hoger is dan het kindgebonden budget (€ 0,-), wordt het verschil opgeteld bij de hiervoor berekende aanvullende behoefte van de vrouw van
€ 1.496,- netto per maand, waardoor dat uitkomt op een bedrag van € 1.782,- netto, ofwel
€ 3.463,- bruto per maand.
Draagkrachtberekening
3.4.33
De man betwist dat hij draagkracht heeft om de gevraagde bijdrage te voldoen.
3.4.34
De rechtbank zal de draagkracht van de man berekenen aan de hand van de aanbevelingen opgenomen in het rapport.
3.4.35
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man aan de hand van de winst uit onderneming van
€ 120.000,- op € 6.148,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting.
3.4.36
De draagkracht van de man wordt vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 60% x [6.148 – (0,3x6.148 + 1.365)] en bedraagt € 1.763,- per maand.
Conclusie
3.4.37
Na aftrek van de kinderbijdrage van € 1.547,- verhoogd met de zorgkorting van in totaal € 97,- resteert een bedrag van € 119,- netto per maand, ofwel € 190,- bruto per maand, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening.
Daarom is een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van € 190,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Het verzoek van de vrouw zal tot dit bedrag worden toegewezen.
3.4.38
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.5
Proceskosten
3.5.1
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
bepaalt dat de minderjarigen aan de vrouw worden toevertrouwd, met bevel tot afgifte van de minderjarigen aan de vrouw, als deze niet al in de macht van de vrouw mochten zijn;
4.2
verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar verzoek te bepalen dat zij voor de duur van het geding samen met de minderjarigen zal wonen in [plaats 1] ;
4.3
bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres 2] ( [postcode 2] ) te [plaats 2] ;
4.4
beveelt de man met ingang van de datum van deze beschikking de echtelijke woning te verlaten en verbiedt hem deze verder te betreden;
4.5
bepaalt dat de regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn: de minderjarigen zullen tenminste elk individueel om de week een uur contact hebben met de man, onder begeleiding van het hulpverleningstraject [organisatie] , waarbij naar inschatting van [organisatie] , indien mogelijk, deze regeling in frequentie, tijd en locatie kan worden gewijzigd of uitgebreid inclusief de mogelijkheid van onbegeleid contact;
4.6
bepaalt het bedrag dat de man met ingang van 8 mei 2026 aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen op € 516,- per maand per kind, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen;
4.7
bepaalt dat de man met ingang van 8 mei 2026 een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw zal verstrekken van € 190,- per maand, voor toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen;
4.8
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.9
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.10
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.L. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C.A. van 't Zelfde, griffier, op 21 augustus 2026.
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (717410)
Berekening
Behoefteberekening
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
19-08-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
€
120.000
70
Winst uit onderneming
€
120.000
Ondernemersaftrek
71/ 72
Zelfstandigenaftrek
-
€
2.470
- Zelfstandigenaftrek
€
2.470
MKB Winstvrijstelling
-
€
14.926
75
Belastbare winst uit onderneming
€
102.604
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
102.604
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
€
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
€
14.383
- Schijf 3, 49,5% over € 76.818 of meer
€
12.764
Correctie aftrek toptarief (ondernemersaftrekken en persoonlijke aftrekken)
€
2.091
95
Inkomensheffing box 1
€
43.007
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
120.000
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
43.007
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
591
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
€
42.416
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
77.584
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
€
102.604
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
102.604
Maximum bijdrage loon
€
75.864
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
€
75.864
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
75.864
Percentage Zvw
%
5,26
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
€
3.990
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
€
3.990
120
Besteedbaar inkomen
€
73.594
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
73.594
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
6.133
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (717410)
Berekening
Behoefteberekening
Tarieven
2025-2
Datum uitdraai
19-08-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Overige werkzaamheden (76-81)
76a
Resultaat uit overige werkzaamheden
€
30.000
78
Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden
€
30.000
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
30.000
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
€
10.746
95
Inkomensheffing box 1
€
10.746
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
30.000
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
10.746
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
11.003
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
30.000
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen
€
30.000
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
30.000
Maximum bijdrage loon
€
75.864
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
€
75.864
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
30.000
Percentage Zvw
%
5,26
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
€
1.578
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
€
1.578
120
Besteedbaar inkomen
€
28.422
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
28.422
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
2.368
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Draagkrachtberekening
Tarieven
2026-1
Datum uitdraai
19-08-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
€
120.000
70
Winst uit onderneming
€
120.000
Ondernemersaftrek
71/ 72
Zelfstandigenaftrek
-
€
1.200
- Zelfstandigenaftrek
€
1.200
MKB Winstvrijstelling
-
€
15.088
75
Belastbare winst uit onderneming
€
103.712
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
103.712
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
€
13.900
- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426
€
14.852
- Schijf 3, 49,5% over € 78.427 of meer
€
12.516
Correctie aftrek toptarief (ondernemersaftrekken en persoonlijke aftrekken)
€
1.945
95
Inkomensheffing box 1
€
43.213
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
120.000
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
43.213
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
842
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
€
42.371
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
77.629
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
€
103.712
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
103.712
Maximum bijdrage loon
€
79.412
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
€
79.412
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
€
79.412
Percentage Zvw
%
4,85
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
€
3.851
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
€
3.851
120
Besteedbaar inkomen
€
73.778
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
73.778
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
6.148
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
€
73.778
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
€
6.148
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde
Berekening
Draagkrachtberekening
Tarieven
2026-1
Datum uitdraai
19-08-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
€
30.000
44
Vakantietoeslag
€
2.400
Bruto inkomsten
€
32.400
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
€
32.400
59
Inkomsten
€
32.400
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
€
32.400
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
32.400
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
€
11.583
95
Inkomensheffing box 1
€
11.583
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
32.400
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
11.583
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
11.369
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
€
214
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
32.186
120
Besteedbaar inkomen
€
32.186
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
32.186
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
2.682
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
€
32.186
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
€
2.682