Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12233
2026-09-16
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/10/723625 / KG ZA 26-777
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Vordering tot meewerken aan inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand in Turkije. Toewijzing.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:7179 Rechtbank Den Haag 08-06-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.898 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/723625 / KG ZA 26-777
Vonnis in kort geding van 16 september 2026
in de zaak van
[naam man]
,
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. F. Durdu,
tegen
[naam vrouw]
,
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
verschenen in persoon.
1De zaak in het kort
De man vordert in deze procedure de vrouw te veroordelen om mee te werken aan de registratie van de echtscheiding in Turkije door een administratieve procedure bij het Turkse consulaat in Rotterdam. De voorzieningenrechter wijst de vordering van de man toe. Deze beslissing wordt hierna uitgelegd.
2De procedure
2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 22 juli 2026, met producties 1 tot en met 5;
- de akte vermeerdering van eis van 3 augustus 2026;- de conclusie van antwoord.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 2 september 2026 plaatsgevonden. De man is op deze behandeling verschenen, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk. De vrouw is samen met een tolk op de zitting verschenen.
3De feiten
3.1.
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 28 februari 2024 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 18 april 2024 ingeschreven in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand.
3.2.
De man heeft de vrouw verzocht haar medewerking te verlenen aan het inschrijven van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de Turkse burgerlijke stand bij het Turkse Consulaat in Rotterdam. De vrouw heeft dit niet gedaan.
4Het geschil
4.1.
De man vordert – na vermeerdering van eis – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de erkenning en inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand in Turkije bij het Turkse Consulaat te Rotterdam;
II. te bepalen dat, indien de vrouw in gebreke blijft aan het onder I. bepaalde te voldoen, dit vonnis in de plaats treedt van haar vereiste medewerking, althans de man vervangende toestemming te verlenen om de echtscheidingsbeschikking zelfstandig te doen erkennen en registreren in de registers van de burgerlijke stand in Turkije bij het Turkse Consulaat te Rotterdam;
III. de vrouw te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag, na verloop van de onder I. genoemde termijn, in gebreke blijft aan de onder I. uitgesproken veroordeling te voldoen, zulks met een maximum van € 5.000,-.
4.2.
De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
5De beoordeling
5.1.
Tussen partijen staat vast dat er twee mogelijkheden zijn om de echtscheiding in de registers van de Turkse burgerlijke stand te registreren, namelijk via de administratieve route bij het Turkse Consulaat of via een erkenningsprocedure bij een Turkse rechtbank. De man verkiest de route van het Turkse Consulaat, omdat dit aanzienlijk minder tijd en geld kost dan een procedure in Turkije. De vrouw stelt na de zomerperiode twee procedures te hebben gestart bij een Turkse rechtbank om de echtscheiding te erkennen en om het huwelijksvermogen aldaar af te wikkelen. De man voert aan dat hij niet weet dat de vrouw deze procedures heeft gestart. De vrouw verspeelt haar rechten bij het meewerken aan de administratieve route bovendien niet, omdat zij dan alsnog afzonderlijk om afwikkeling van het huwelijksvermogen in Turkije kan verzoeken, aldus de man.
5.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij procedures heeft gestart. Immers, de vrouw stelt dit bloot en legt geen enkel stuk over dat haar stelling onderbouwt. De vrouw heeft ook niet gereageerd op de stelling van de man dat hij niet weet dat er een procedure is opgestart. Daar komt bij dat de vrouw pas na de zomerperiode 2026 de procedures zou zijn gestart en dat is maanden nadat de man al aan de vrouw verzocht heeft om mee te werken aan de administratieve route.
5.3.
De man heeft voorts onbetwist gesteld dat de vrouw alsnog om afwikkeling van het huwelijksvermogen in Turkije kan verzoeken als de echtscheiding via de administratieve route al is ingeschreven in de Turkse registers van de burgerlijke stand. De door de vrouw aangehaalde uitspraak baat haar ook niet, omdat één van de partijen in die procedure geen erkenning van de Nederlandse echtscheidingsbeschikking wilde, maar die partij wilde – al dan niet als verweer aanvoeren – dat de echtscheiding ook in Turkije wordt uitgesproken in een procedure, waarbij tegelijkertijd de verdeling van het (volgens hem nog aanwezige) huwelijksvermogen in Turkije wordt geregeld. Dat belang heeft de vrouw niet, omdat beide partijen de Nederlandse echtscheidingsbeschikking willen laten erkennen in Turkije.
5.4.
Concluderend is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw misbruik van recht maakt door geen medewerking te verlenen aan de administratieve route. De man heeft er inmiddels spoedeisend belang bij dat de vrouw die medewerking alsnog zal verlenen. De man wil de feitelijke situatie in overeenstemming brengen met de juridische, zodat hij in Turkije ook niet langer meer als gehuwd is geregistreerd in de registers van de burgerlijke stand. Ter zitting heeft de man het spoedeisend belang aangevuld met de stelling dat hij zijn nieuwe relatie wil formaliseren. Hij heeft daardoor voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een eventuele bodemprocedure niet kan afwachten.
Toe te wijzen vorderingen
5.5.
Het voorgaande betekent dat vordering I. wordt toegewezen. De vrouw moet binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis meewerken aan de erkenning en inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand in Turkije bij het Turkse Consulaat in Rotterdam. Als zij dit niet doet, wordt aan de man vervangende toestemming verleend om dit zelfstandig, zonder de vrouw, te kunnen doen (het subsidiair gevorderde onder II.). De primair gevorderde indeplaatsstelling is niet toewijsbaar, omdat onduidelijk is voor welk document dit vonnis in de plaats moet treden. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen (vordering III.), omdat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij naast de vervangende toestemming ook nog belang heeft bij een extra prikkel tot nakoming.
De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd
5.6.
Omdat partijen ex-echtgenoten zijn, worden de proceskosten op grond van artikel 237 lid 1 Rv tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt de vrouw om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan de erkenning en inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand in Turkije bij het Turkse Consulaat in Rotterdam,
6.2.
bepaalt dat, indien de vrouw niet binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de vereiste medewerking verleent, aan de man vervangende toestemming wordt verleend om de echtscheidingsbeschikking zelfstandig te doen erkennen en registreren in de registers van de burgerlijke stand in Turkije bij het Turkse Consulaat in Rotterdam,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Mendlik en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
3608/3577
Rechtbank Den Haag 8 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:7179.
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/723625 / KG ZA 26-777
Vonnis in kort geding van 16 september 2026
in de zaak van
[naam man]
,
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. F. Durdu,
tegen
[naam vrouw]
,
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
verschenen in persoon.
1De zaak in het kort
De man vordert in deze procedure de vrouw te veroordelen om mee te werken aan de registratie van de echtscheiding in Turkije door een administratieve procedure bij het Turkse consulaat in Rotterdam. De voorzieningenrechter wijst de vordering van de man toe. Deze beslissing wordt hierna uitgelegd.
2De procedure
2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 22 juli 2026, met producties 1 tot en met 5;
- de akte vermeerdering van eis van 3 augustus 2026;- de conclusie van antwoord.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 2 september 2026 plaatsgevonden. De man is op deze behandeling verschenen, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk. De vrouw is samen met een tolk op de zitting verschenen.
3De feiten
3.1.
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 28 februari 2024 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 18 april 2024 ingeschreven in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand.
3.2.
De man heeft de vrouw verzocht haar medewerking te verlenen aan het inschrijven van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de Turkse burgerlijke stand bij het Turkse Consulaat in Rotterdam. De vrouw heeft dit niet gedaan.
4Het geschil
4.1.
De man vordert – na vermeerdering van eis – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de erkenning en inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand in Turkije bij het Turkse Consulaat te Rotterdam;
II. te bepalen dat, indien de vrouw in gebreke blijft aan het onder I. bepaalde te voldoen, dit vonnis in de plaats treedt van haar vereiste medewerking, althans de man vervangende toestemming te verlenen om de echtscheidingsbeschikking zelfstandig te doen erkennen en registreren in de registers van de burgerlijke stand in Turkije bij het Turkse Consulaat te Rotterdam;
III. de vrouw te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag, na verloop van de onder I. genoemde termijn, in gebreke blijft aan de onder I. uitgesproken veroordeling te voldoen, zulks met een maximum van € 5.000,-.
4.2.
De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de man, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
5De beoordeling
5.1.
Tussen partijen staat vast dat er twee mogelijkheden zijn om de echtscheiding in de registers van de Turkse burgerlijke stand te registreren, namelijk via de administratieve route bij het Turkse Consulaat of via een erkenningsprocedure bij een Turkse rechtbank. De man verkiest de route van het Turkse Consulaat, omdat dit aanzienlijk minder tijd en geld kost dan een procedure in Turkije. De vrouw stelt na de zomerperiode twee procedures te hebben gestart bij een Turkse rechtbank om de echtscheiding te erkennen en om het huwelijksvermogen aldaar af te wikkelen. De man voert aan dat hij niet weet dat de vrouw deze procedures heeft gestart. De vrouw verspeelt haar rechten bij het meewerken aan de administratieve route bovendien niet, omdat zij dan alsnog afzonderlijk om afwikkeling van het huwelijksvermogen in Turkije kan verzoeken, aldus de man.
5.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij procedures heeft gestart. Immers, de vrouw stelt dit bloot en legt geen enkel stuk over dat haar stelling onderbouwt. De vrouw heeft ook niet gereageerd op de stelling van de man dat hij niet weet dat er een procedure is opgestart. Daar komt bij dat de vrouw pas na de zomerperiode 2026 de procedures zou zijn gestart en dat is maanden nadat de man al aan de vrouw verzocht heeft om mee te werken aan de administratieve route.
5.3.
De man heeft voorts onbetwist gesteld dat de vrouw alsnog om afwikkeling van het huwelijksvermogen in Turkije kan verzoeken als de echtscheiding via de administratieve route al is ingeschreven in de Turkse registers van de burgerlijke stand. De door de vrouw aangehaalde uitspraak baat haar ook niet, omdat één van de partijen in die procedure geen erkenning van de Nederlandse echtscheidingsbeschikking wilde, maar die partij wilde – al dan niet als verweer aanvoeren – dat de echtscheiding ook in Turkije wordt uitgesproken in een procedure, waarbij tegelijkertijd de verdeling van het (volgens hem nog aanwezige) huwelijksvermogen in Turkije wordt geregeld. Dat belang heeft de vrouw niet, omdat beide partijen de Nederlandse echtscheidingsbeschikking willen laten erkennen in Turkije.
5.4.
Concluderend is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw misbruik van recht maakt door geen medewerking te verlenen aan de administratieve route. De man heeft er inmiddels spoedeisend belang bij dat de vrouw die medewerking alsnog zal verlenen. De man wil de feitelijke situatie in overeenstemming brengen met de juridische, zodat hij in Turkije ook niet langer meer als gehuwd is geregistreerd in de registers van de burgerlijke stand. Ter zitting heeft de man het spoedeisend belang aangevuld met de stelling dat hij zijn nieuwe relatie wil formaliseren. Hij heeft daardoor voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een eventuele bodemprocedure niet kan afwachten.
Toe te wijzen vorderingen
5.5.
Het voorgaande betekent dat vordering I. wordt toegewezen. De vrouw moet binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis meewerken aan de erkenning en inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand in Turkije bij het Turkse Consulaat in Rotterdam. Als zij dit niet doet, wordt aan de man vervangende toestemming verleend om dit zelfstandig, zonder de vrouw, te kunnen doen (het subsidiair gevorderde onder II.). De primair gevorderde indeplaatsstelling is niet toewijsbaar, omdat onduidelijk is voor welk document dit vonnis in de plaats moet treden. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen (vordering III.), omdat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij naast de vervangende toestemming ook nog belang heeft bij een extra prikkel tot nakoming.
De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd
5.6.
Omdat partijen ex-echtgenoten zijn, worden de proceskosten op grond van artikel 237 lid 1 Rv tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt de vrouw om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan de erkenning en inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand in Turkije bij het Turkse Consulaat in Rotterdam,
6.2.
bepaalt dat, indien de vrouw niet binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de vereiste medewerking verleent, aan de man vervangende toestemming wordt verleend om de echtscheidingsbeschikking zelfstandig te doen erkennen en registreren in de registers van de burgerlijke stand in Turkije bij het Turkse Consulaat in Rotterdam,
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Mendlik en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
3608/3577
Rechtbank Den Haag 8 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:7179.