Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12214

2026-08-18 Civiel recht; Personen- en familierecht C/10/723400 / JE RK 26-1410
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-08-18
Publicatiedatum
2026-09-18
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
C/10/723400 / JE RK 26-1410
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.095 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Team Jeugd



Zaaknummer: C/10/723400 / JE RK 26-1410
Datum uitspraak: 18 augustus 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van




de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd in Rotterdam,



over





[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,





[vader]
,
hierna te noemen: de vader, thans verblijvende in de [verblijfplaats] .





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 16 juli 2026, ontvangen op 17 juli 2026;


het gezinsplan van de GI van 23 juli 2026, ontvangen op diezelfde datum;


de e-mail van de moeder van 13 augustus 2026, ontvangen op diezelfde datum.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:


de moeder;


de vader (via een digitale verbinding);


- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger van de GI] .



1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.






2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.



2.3.
Bij beschikking van 27 augustus 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 1 september 2026.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.
De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht dit als volgt toe. De afgelopen periode zijn positieve stappen gezet, maar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben nog steeds last van trauma’s door wat zij in het verleden hebben meegemaakt. [minderjarige 1] is op dit moment (na lang op een wachtlijst te hebben gestaan) in behandeling bij Yulius, waar hij systemische hulpverlening en traumabehandeling krijgt. Voor [minderjarige 2] is ook hulpverlening ingezet, maar dit is voor nu gestopt. De kinderen hebben en willen op dit moment geen contact met de vader. De GI begrijpt dat de vader hen graag wil zien, maar dit is op dit moment – gelet op de problematiek van de vader en de druk die het contact op de kinderen legt – niet mogelijk. Het is van belang dat er eerst rust komt, zodat behandeling voor de kinderen daadwerkelijk kan slagen, voordat verder wordt gekeken of en op welke manier het contact tussen de kinderen en de vader kan worden hersteld. De berichten die in naam van de vader naar de kinderen worden gestuurd, zijn hierin niet helpend. De betrokkenheid van de GI is het aankomende jaar nog nodig om de situatie te monitoren, zaken tussen de ouders te regelen en waar nodig verdere stappen te zetten.





4De standpunten


4.1.
De moeder brengt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in het verleden veel meegemaakt en hebben nog steeds last van trauma’s. Ook hebben zij nog steeds last van het feit dat de vader met hen contact blijft zoeken, terwijl zij dit niet willen. Het is in de thuissituatie uit de hand gelopen, omdat door de GI veel te laat hulpverlening en behandeling is ingezet. Inmiddels is bij [minderjarige 1] en in de thuissituatie van de moeder wel hulpverlening vanuit Yulius betrokken. Om deze hulpverlening voort te zetten en verdere positieve stappen te zetten, is de verdere betrokkenheid van de GI niet meer nodig. De moeder heeft in het verleden nare ervaringen met de GI gehad en zou graag binnen het vrijwillig kader verder willen gaan. Er is voldoende hulpverlening bij de moeder betrokken om de dreiging vanuit de vader af te wenden.



4.2.
De vader stemt tijdens de mondelinge behandeling in met het verzoek van de GI. Hij verzoekt daarbij wel om de GI te vervangen door een andere GI, omdat hij slechte ervaringen heeft met de huidige GI. De vader heeft de kinderen nooit berichten gestuurd op social media of verhalen over de zaak gepost. Hij heeft de kinderen op hun verjaardag wel gefeliciteerd, maar de overige beschuldigingen zijn ongegrond. De vader heeft het gevoel dat hij door de GI wordt tegengewerkt in het herstellen van zijn contact met de kinderen en het krijgen van informatie over de kinderen. Ook heeft de vader het gevoel dat de kinderen in hun behandeling worden beperkt door het trage handelen van de GI. De betrokkenheid van een andere GI zou daarom beter zijn.





5De beoordeling



Over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling




5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het verleden veel hebben meegemaakt en dat zij nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. In principe is voor [minderjarige 1] en in de thuissituatie van de moeder inmiddels passende hulpverlening betrokken die ook binnen het vrijwillig kader kan worden voortgezet, maar de aanhoudende onrust tussen de vader en de moeder en de daarmee gepaard gaande onrust voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] maken de verdere betrokkenheid van de GI nog nodig. Het is van belang dat de situatie gemonitord blijft worden en dat waar nodig verdere en/of passende stappen kunnen worden gezet. De kinderrechter begrijpt dat de moeder door het verleden weerstand heeft tegen de verdere betrokkenheid van de GI, maar inmiddels is een jeugdbeschermer betrokken waarmee wel positief contact is. De kinderrechter hoopt dat dit positieve contact kan worden voortgezet.



5.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarom voor de duur van een jaar.



5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.



Over het verzoek tot vervanging van de GI





5.4.
De kinderrechter acht het niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de GI te vervangen door een andere GI. Inmiddels is een jeugdbeschermer betrokken, waarmee wel positief contact is en waarmee wel voorzichtig positieve stappen worden gezet. Het vervangen van de GI zorgt ervoor dat weer helemaal opnieuw moet worden begonnen, wat in de situatie alleen maar voor meer vertraging en onrust zal zorgen.



5.5.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek daarom afwijzen.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 1 september 2027;


6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026 door mr. N. Doorduijn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder als griffier, en op schrift gesteld op 31 augustus 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:260 BW.