Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12048

2026-09-07 Bestuursrecht; Omgevingsrecht ROT 22/179
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-07
Publicatiedatum
2026-09-15
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 22/179
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Einduitspraak. Beroep door omwonende tegen de verlening van de omgevingsvergunning voor het vernieuwen van een bestaande serre op het achtererf van een woning. Beroep is gegrond. Het college heeft het gebrek zoals beschreven in de tussenuitspraak niet hersteld.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.489 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 22/179


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigden: mr. S.K. Reijke en mr. drs. J.M. Lammers),


en


het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel
(gemachtigde: mr. S. Yavuzyiğitoğlu).


Als derde-partij neemt aan het geding deel [persoon A] te [woonplaats] , vergunninghouder
(gemachtigde: mr. M.L.M. Frantzen).





Procesverloop

1. Met het besluit van 29 juni 2021 (het primaire besluit) heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het vernieuwen van de bestaande serre en berging achter de woning aan [adres] in [plaats] (het perceel).

2. Met het besluit van 7 december 2021 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is het college onder een aanvullende motivering bij dat besluit gebleven.

3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.


3.1.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door mr. C. Haak en [persoon B] . Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.



3.2.
In de tussenuitspraak van 30 januari 2026 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.



3.3.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend. Eiser en vergunninghouder hebben hierop schriftelijk gereageerd.



3.4.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.




Beoordeling door de rechtbank

4. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.



Is eiser belanghebbende?


5. Voor zover vergunninghouder in zijn zienswijze onder overlegging van foto’s betoogt dat eiser ten onrechte als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is aangemerkt, begrijpt de rechtbank dat vergunninghouder meent dat er sprake is van een zeer uitzonderlijk geval om terug te komen van het gegeven oordeel in rechtsoverweging 5.3 van de tussenuitspraak. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde.



Strijd met artikel 14.2.2, onder b, van de planregels


6. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de aanvraag gelet op artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo voor de serre en de berging mede had moeten aanmerken als een activiteit als bedoeld onder artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, omdat het bouwplan in strijd is met artikel 14.2.2, onder b en artikel 21.2.1, onder a, onder 1, van de planregels. Het college kon dit gebrek herstellen door af te wegen of het op grond van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo een omgevingsvergunning wil verlenen. Dit kon via een aanvullende motivering of een nieuw besluit op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.

7. Het college heeft een aanvullende motivering gegeven. Volgens het college vormen de serre en berging een samenhangend volume. De aanbouw blijft in breedte en diepte voldoende ondergeschikt ten opzichte van het hoofdvolume. Het volume blijft hiermee ongewijzigd. Vanaf de IJssel en vanaf naastgelegen woningen zorgt de aanbouw niet voor een verstorend beeld ten opzichte van het hoofdvolume. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt wordt hiermee de aanbouw en berging ruimtelijk als passend gezien. Daarnaast heeft Dorp, Stad en Land (DSL) in 2021 reeds positief geadviseerd over de aanbouw.

8. Eiser betoogt dat het college met de aanvullende motivering het door de rechtbank in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld. Daartoe voert eiser ten eerste aan dat het college in zijn aanvullende motivering heeft nagelaten aan te geven op grond van welke artikelen hij omgevingsvergunning heeft verleend. Ten tweede voert eiser aan dat het college er ten onrechte vanuit gaat dat de serre en berging reeds waren gebouwd, terwijl in de tussenuitspraak is overwogen dat niet gebleken is dat hier ooit een omgevingsvergunning voor is verleend. Ten derde betoogt eiser dat het erfgoedadvies enkel ziet op de serre en niet de berging en dus niet ten grondslag kan liggen aan de motivering om af te wijken van artikel 21.2.1, onder a, onder 1, van de planregels.

9. De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan (de juridische grondslag in de Wabo en de planregels) en waarvoor (de activiteit) het bevoegd gezag een omgevingsvergunning heeft verleend. Ook heeft het college de vergunning die het zegt op aanvraag te hebben verleend in 2021 niet overgelegd. Verder wijst de rechtbank er op dat op basis van het dossier nu niet duidelijk is of met het erfgoedadvies van DSL met de “uitbouw” ook de berging is bedoeld. Het advies van DSL dat het college bij zijn aanvullende motivering heeft overgelegd is van 2 februari 2021. Dit advies is in het vooroverleg tot stand gekomen. De aanvraag is van 31 mei 2021. Bij de aanvraag zitten weliswaar tekeningen waarop ook de berging te zien is, echter is niet duidelijk of deze tekeningen ook voor beoordeling aan DSL zijn voorgelegd.

10. Voorgaande leidt ertoe dat het college met de aanvullende motivering het gebrek niet heeft hersteld.



Strijd met artikel 21.2.2, aanhef, onder a, van de planregels


11. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld (in rechtsoverweging 10.2) dat er geen strijd is met artikel 21.2.2, aanhef, onder a, van de planregels nu het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken niet meer dan 30 m2 bedraagt.

12. Eiser betoogt dat er wel sprake is van strijd met artikel 21.2.2, aanhef, onder a, van de planregels, omdat het totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken wordt overschreden. 6,8 m2 + 17 m2 + 8 m2 is samen 31,8 m2.

13. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser aldus dat er sprake is van een zeer uitzonderlijk geval om terug te komen van het gegeven oordeel in rechtsoverweging 10.2 van de tussenuitspraak. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake, omdat de berekening kennelijk onjuist is. De rechtbank volgt de gemaakte berekening van eiser. Dit betekent dat er strijd is met artikel 21.2.2, aanhef, onder a, van de planregels, omdat het totale toegestane oppervlakte van bijbehorende bouwwerken wordt overschreden met 1,8 m2. De rechtbank stelt vast dat het college hiervoor geen omgevingsvergunning heeft verleend.

14. Gelet op wat hierboven is overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen.



Berging is niet aangevraagd


15. Met het betoog van eiser dat het college de grondslag van de aanvraag heeft verlaten omdat vergunninghouder de berging niet heeft aangevraagd, heeft eiser de beroepsgronden na de tussenuitspraak uitgebreid met een nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgrond die hij al tegen het oorspronkelijke besluit naar voren had kunnen brengen. Dit is gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van de andere partijen, in het licht van de goede procesorde, niet aanvaardbaar. Wat eiser in dit verband aanvoert laat de rechtbank dan ook buiten inhoudelijke bespreking. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat uit de tekeningen behorende bij de aanvraag en uit de rest van de procedure duidelijk blijkt dat vergunninghouder de berging vergund wil hebben en het college hieraan medewerking wil verlenen.



Conclusie


16. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een tweede bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Het college moet daarom een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

17. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

18. Ook krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-.



Beslissing


De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


draagt het college op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;


draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden;


veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.





Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:










Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving



Wet algemene bepalingen omgevingsrecht





Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,
b. […],
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…].




Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
[…];
de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
[…].
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.



Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
[…].




Bestemmingsplan Middelwatering





Artikel 14 Wonen

14.1


Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. het wonen met aan-huis-gebonden beroepen, internethandel en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
[…].




14.2


Bouwregels

[…]



14.2.2


Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:



[…];


gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van het bepaalde onder i;


[…].





Artikel 21 Waarde - Beschermd dorpsgezicht

21.1


Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van ter plaatse bestaande bebouwing, bouwwerken en onbebouwde gronden, zowel afzonderlijk als in hun onderlinge samenhang, die een beeld opleveren dat van algemeen belang is vanwege de schoonheid, de ruimtelijke en/of structurele samenhang, danwel haar stedenbouwkundige, architectonische, typologische of cultuurhistorische waarde.




21.2

bouwregels


21.2.1

Bouwbeperkingen

a. Op de tot 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden, met daarop beschermde gemeentelijke monumenten, zoals aangeduid op de verbeelding, mag slechts worden gebouwd indien en voor zover zulks nodig is voor het behoud en/of herstel van de bestaande bebouwing, met dien verstande, dat:

1. bebouwing mogelijk is krachtens de onderliggende bestemming;
2. geen wezenlijke veranderingen worden aangebracht in het stedenbouwkundige en architectonisch beeld, bepaald door kapvorm, hoogtematen, gevel- en raamindeling, zulks met inbegrip van waardevolle details als erkers, dakkapellen, kroonlijsten, pilasters, plinten, stoeptreden, kozijnen, dorpels en soortgelijke bouwdelen.

[…].



21.2.2


Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning op de tot 'Waarde – Beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden gelden de volgende bepalingen:
a. het bij de woning behorende achtererfgebied mag voor niet meer dan 50% worden bebouwd, met dien verstande dat het gezamenlijk grondoppervlak van bijbehorende bouwwerken ten hoogste 30 m2 mag bedragen.
[…].





Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694 en 13 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1262.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 17 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853, overweging 12.1 en 15 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1039.


Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2960, overweging 2.1.