Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:11666

2026-09-14 Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht ROT 25/7420
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-14
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
ROT 25/7420
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

beroep ongegrond, afwijzing WIA-aanvraag, eiseres is terecht minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.460 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: ROT 25/7420


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.A.C.M. van Ginneken),


en




de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. T. Rook).



Samenvatting


1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per
1 april 2024 (datum in geding). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres juist is vastgesteld door het UWV en dat de aanvraag om een WIA-uitkering daarom terecht is afgewezen.




Procesverloop


2.


2.1.
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 12 juli 2024 (het primaire besluit) afgewezen.



2.2.
Met het besluit van 21 augustus 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.



2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. C. Buitelaar als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.




Beoordeling door de rechtbank



Totstandkoming van het bestreden besluit

3.


3.1.
Eiseres, laatstelijk werkzaam als [functie] , heeft zich op 4 april 2022 ziekgemeld voor dit werk. Op 11 januari 2024 heeft eiseres een uitkering op grond van de Wet WIA aangevraagd.



3.2.
In het kader van de beoordeling van deze aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft eiseres op 3 juli 2024 telefonisch gesproken en op 5 juli 2024 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld, die geldig is vanaf 31 maart 2024. Daarin zijn beperkingen opgenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren en werktijden.



3.3.
De arbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 12 juli 2024, met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van eiseres, geconcludeerd dat zij niet geschikt is voor het verrichten van haar eigen werk, maar wel voor de geduide functies Commercieel-administratief medewerker (SBC-code 516110), Archiefmedewerker (SBC-code 553020) en Medewerker postverzorging (intern) (SBC-code 315140). Aanvullend wordt eiseres geschikt geacht voor de functies Medewerker kleding en textielreiniging (SBC-code 111161) en Administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100). Het loon dat met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) verdiend kan worden, ligt 28,37% lager dan het loon dat eiseres met haar eigen werk zou kunnen verdienen (het maatmaninkomen). Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen.



3.4.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 26 mei 2025 geconcludeerd dat het verzekeringsgeneeskundig oordeel en de vastgestelde belastbaarheid niet wijzigt naar aanleiding van de aangevoerde bezwaren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is van oordeel dat terecht benutbare mogelijkheden zijn aangenomen en dat de beperkingen van eiseres niet zijn onderschat.



3.5.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in de rapportage van
20 augustus 2025 geconcludeerd dat geen aanleiding wordt gezien om af te wijken van de conclusie van de primaire arbeidsdeskundige. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in bezwaar wel aanleiding gezien om de berekening van het maatmaninkomen en maatmanomvang aan te passen, waardoor het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres gewijzigd is vastgesteld op 27,99%. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.




Standpunt eiseres


4. Eiseres voert aan dat haar beperkingen, zoals vastgesteld in de FML, zijn onderschat. De verzekeringsarts heeft ten onrechte geen verdergaande urenbeperking aangenomen, terwijl eiseres een verlaagd energieniveau heeft door het overlijden van haar partner en zij verminderd beschikbaar is door de zorgtaken voor haar twee kinderen. Haar klachten zullen verder toenemen als zij weer dezelfde uren gaat werken als zij voorheen deed. Eiseres stelt dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ook met zich meebrengen dat sprake is van een verminderde beschikbaarheid en dat het door de zorgtaken onredelijk is om te eisen dat zij voor dezelfde uren beschikbaar blijft als zij daarvoor werkte. Eiseres is vanwege haar beperkingen dan ook niet in staat om de geduide functies uit te voeren.



Toetsingskader


5. De wet- en regelgeving die van belang is voor deze zaak staat in de bijlage bij deze uitspraak.





Beoordeling van het bestreden besluit




6.1.
De rechtbank beoordeelt of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per datum in geding terecht heeft vastgesteld op minder dan 35%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiseres, rekening houdend met haar beperkingen, in staat is om de maatgevende arbeid uit te voeren of met gangbare arbeid ten minste 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen.



6.2.

Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, een anamnese, psychisch onderzoek tijdens het telefonische spreekuur van 3 juli 2024 door de verzekeringsarts, dat wat is gesteld in het bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting van
2 mei 2025 en studie van de informatie van de behandelend sector. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden.




6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is wat eiseres in beroep aanvoert geen reden om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De rechtbank stelt hierbij voorop dat het in de systematiek van de Wet WIA niet gaat om de medische klachten of ervaren beperkingen, maar om objectief vastgestelde beperkingen bij het verrichten van (passende) arbeid. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van eiseres en dat per datum in geding meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. In de rapportage van 26 mei 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep immers overwogen dat de beperkingen van eiseres niet zijn onderschat. Zo is voldoende gedocumenteerd dat eiseres sinds enkele jaren bekend is met angst-, spannings- en stemmingsklachten. Ook is in wisselende mate sprake van piekeren, verlaagde stemming, onrust, een gespannen gevoel, slecht slapen met moeheid en energieverlies overdag, concentratie- en geheugenproblemen, het constant 'aan' staan en hoofdpijn. Deze klachten zijn gerelateerd aan overbelasting in de privésituatie en het overlijden van de partner van eiseres. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat op de datum in geding geen sprake was van (medicamenteuze) behandeling voor psychische klachten. Ook zijn bij het psychisch onderzoek door de primaire verzekeringsarts slechts geringe psychische afwijkingen vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder vastgesteld dat eiseres in het dagelijks leven bevredigend functioneert als alleenstaande moeder van twee kinderen die zij intensieve zorg, begeleiding en aandacht moet geven. Als gevolg hiervan is hij van oordeel dat van een reële restcapaciteit voor arbeid moet worden uitgegaan, omdat in de WIA uitsluitend 'arbeid' het object van verzekering is. Het is vaste rechtspraak dat de zorg voor huishouding, kinderen en andere privé-activiteiten daarbij buiten beschouwing blijven. Ondanks de betreurenswaardige en zeer belastende situatie waarin eiseres verkeert, is de verzekeringsarts bezwaar en beroep van oordeel dat zij mét en ondanks haar klachten in psychomentale en energetische zin beslist in bepaalde mate belastbaar is. Deze belastbaarheid zou ook ten nutte van arbeid kunnen worden ingezet, zeker als dit ‘stressarm’ werk betreft. De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat uit de rapportages van zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat de door eiseres genoemde en tijdens de zitting nader toegelichte angstaanvallen en hyperventilatie zijn meegenomen in de beoordeling.


6.4.
Uit de rapportage van 5 juli 2024 blijkt verder dat de primaire verzekeringsarts een urenbeperking heeft aangenomen van maximaal zes uur per dag en 24 uur per week. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 25 mei 2025 voldoende gemotiveerd waarom deze urenbeperking passend is. Hij is van oordeel dat de belastbaarheid van eiseres hiermee niet wordt overschat in het geval sprake is van stressarm werk, gelet op de vele beperkingen en specifieke voorwaarden in het persoonlijk en sociaal functioneren. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar stelling dat een verdergaande urenbeperking had moeten worden aangenomen.



6.5.
Gezien het bovenstaande is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de in de FML opgenomen beperkingen. Eiseres heeft ook geen (medische) stukken overgelegd op grond waarvan aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep moet worden getwijfeld.



6.6.
Uit het voorgaande volgt dat het UWV de functionele mogelijkheden van eiseres correct heeft vastgesteld. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van eiseres overschrijdt. Tijdens de zitting is voor het eerst namens eiseres naar voren gebracht dat bij de functies met SBC-codes 553020 en 315140 sprake is van een overschrijding van item 1.8.1 van de FML, dit blijkt uit de signalering zoals weergegeven bij deze functies in het document Resultaat Functiebeoordeling. Item 1.8.1 van de FML ziet op de beperking dat eiseres is aangewezen op werk waarbij zij niet of nauwelijks wordt afgeleid door activiteiten van anderen. De rechtbank constateert dat volgens de arbeidsdeskundig analist het bij beide functies met name visuele afleiding betreft, omdat sprake is van een kantoortuin. In de functies wordt echter niet op de afdeling getelefoneerd. De functie met SBC-code 553020 wordt geschikt geacht voor eiseres, omdat mensen op een relatief vaste plek zitten en geluiden ook meevallen. Het werk wordt verricht in een ruim opgezette kantoortuin voor drie teams, waar bureaus in blokken van vier en zes staan opgesteld, die onderling gescheiden worden door halfhoge schermen. In overleg met de teamleider wordt bepaald welke vaste werkplek het meest passend is. Verder wordt de functie met SBC-code 315140 geschikt geacht, omdat gewerkt wordt in een rustige kantoortuin van circa 20 bij 40 meter waar zich bureaus en postvakken van 10 tot 15 klanten (divisies) bevinden. De rechtbank is van oordeel dat door de arbeidsdeskundige analist en als gevolg daarvan door de arbeidsdeskundige dus voldoende gemotiveerd is waarom deze functies passend kunnen worden geacht voor eiseres. Vergelijking van het inkomen dat eiseres in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat zij in haar eigen werk zou hebben verdiend als zij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen te zien van 27,99%. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres is dan ook juist vastgesteld door het UWV.




Conclusie en gevolgen


7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.






Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026.














griffier


rechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.


Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.



Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.




Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Op grond van artikel 4 van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.



Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.



Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.



In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) zijn regels gesteld betreffende de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.




Zie onder andere de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:267.